Aanhef
Besluit
1De geactualiseerde beleidsregel bestuursrechtelijke sancties art.13b Opiumwet Ooststellingwerf vast te stellen.
2De Bestuursrechtelijke sancties artikel 13B Opiumwet Ooststellingwerf welke in werking is getreden op 9 juni 2016 gelijktijdig in te trekken bij de inwerkingtreding van de geactualiseerde beleidsregel.
1. Inleiding
1.1 Aanleiding
Artikel 13b Opiumwet staat ook wel bekend als de Wet Damocles en biedt de burgemeester de mogelijkheid om drugspanden tijdelijk te sluiten. Als sprake is van drugshandel in woningen of zogenaamde “lokalen” kan de burgemeester, op basis van Opiumwet en Algemene wet bestuursrecht (AWB), deze woningen of lokalen sluiten. Voor de toepassing van deze bevoegdheid is het wenselijk hiervoor beleidsregels vast te stellen, zodat bij de toepassing van deze bevoegdheid de motivering voldoende onderbouwd is. In deze beleidsregel staat beschreven onder welke omstandigheden en op welke wijze gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid.
1.2 Juridisch kader
Voor de bestuursrechtelijke handhaving van de verboden in de zin van artikel 2 (verbod op aanwezigheid van harddrugs, Lijst I) en artikel 3 (verbod op aanwezigheid van softdrugs, Lijst II) van de Opiumwet, is in die wet artikel 13b opgenomen, dat als volgt luidt:
1de burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
2het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
1.3 Doelstelling
Deze beleidsregel heeft tot doel:
1handhavingsactiviteiten van politie, justitie en gemeente op elkaar af te stemmen en waar mogelijk complementair te laten zijn;
2te realiseren dat geconstateerde overtredingen gevolgd worden door een adequate reactie die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de ernst van de overtreding en het beoogde effect heeft, namelijk het handhaven van de Opiumwet;
3kenbaar te maken aan de ‘overtreder’ welke maatregel hij van de overheid kan verwachten na een overtreding, waardoor er mogelijk ook een preventieve werking vanuit gaat;
4door onderliggend beleid de motivering van de bestuursrechtelijke maatregel in een gerechtelijke procedure te versterken;
5om herhaling van de overtreding te voorkomen.
Met deze beleidsregel wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de criminaliteit die direct of indirect aan drugs is gerelateerd. Ook aan de beheersing van de uit drugsgebruik voortvloeiende risico´s voor de volksgezondheid, alsmede aan het voorkomen van de nadelige effecten van de handel in- en gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden.
Dit beleid wordt aangehaald als: “Beleidsregel bestuursrechtelijke sancties artikel 13B Opiumwet Ooststellingwerf”.
Deze beleidsregel treedt in werking op 1 oktober 2019
Bijlage 1: Definities
Definitie ‘drugshandel’
In deze beleidsregel wordt onder ‘drugshandel’ verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) behorende bij de Opiumwet in een woning of lokaal en/of de daarbij behorende erven.
Definitie ‘woning’
De wetgever heeft ervan afgezien het begrip ‘woning’ te definiëren. De burgemeester verstaat in het kader van de bestuurlijke handhaving van de Opiumwet onder een ‘woning’: een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat voor bewoning wordt gebruikt (woongenot) en mag worden gebruikt. Of een woning in de aangetroffen staat wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen of bestuurlijke rapportage van de politie.
Definitie ‘lokaal’
Als er geen sprake is van een ‘woning’, wordt het pand/de ruimte beschouwd als ‘lokaal’ in de zin van dit beleid. Dit is onder andere het geval als er sprake is van schijnbewoning. Ook vallen de voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals winkels en horecabedrijven) en de niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals loodsen, magazijnen en andere bedrijfsruimten) in deze categorie.
Bijlage 2: Indicatorenlijst
Verzwarende indicatoren
a.De hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I of lijst II van de Opiumwet. Daarbij ligt de grens bij de hoeveelheid die volgens het Openbaar Ministerie als voorraad voor eigen gebruik kan worden aangemerkt. Dit is voor harddrugs één bolletje, één pil of 0,5 gram. Voor softdrugs is dit maximaal 5 gram. Als meer dan dergelijke hoeveelheden wordt aangetroffen, kan op grond van de jurisprudentie aangenomen worden dat het gaat om handel en hoeft er geen sprake te zijn van daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking. Daarnaast kan er sprake zijn van andere signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, grote som (men) geld, weegschaal.
b.De mate waarin de woning betrokken is bij de drugshandel in georganiseerd verband.
c.Er is sprake van gewelds- of andere openbare orde delicten.
d.Er is sprake van één of meer (vuur)wapen(s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie.
e.Er is een vermoeden van verwijtbaarheid van de bewoner(s)/betrokkenen.
f.Er is een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkenen verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten (hierbij moet met name worden gedacht aan antecedenten t.a.v. de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie, maar ook antecedenten op het gebied van geweld jegens personen of zaken, zoals mishandeling, bedreiging, vernietiging of diefstal e.d. kunnen een rol spelen.
g.Er is sprake van recidive.
h.Er is sprake van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II Opiumwet.
i.De mate van (brand)gevaar/risico voor de omgeving/omwonenden.
j.De mate van overlast en de effecten op de omgeving.
k.Aannemelijkheid dat de woning niet overeenkomstig de woonfunctie wordt gebruikt.
l.Aannemelijkheid dat behalve de woning of het daarbij behorende erf nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij drugshandel in georganiseerd verband of als aanwezigheid van drugs hierop duidt.
m.Overige feiten of omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband.