Hoofdstuk I: algemene bepalingen
Begripsbepaling
Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de begripsbepalingen zoals deze in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Besluit omgevingsrecht, het bouwbesluit, de Bouwverordening en de van toepassing zijnde bestemmingsplannen van de gemeente Ooststellingwerf zijn geregeld, gehanteerd.
Artikel 1:
Naast de toets aan deze beleidsregels dient een plan dan wel een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplan in ieder geval te voldoen aan de toetsingscriteria van bovengenoemde wet- en regelgeving.
Hoofdstuk II: algemene plaatsingscriteria
Artikel 2:
1De algemene criteria worden gehanteerd ongeacht de locatie of het gebied waarin de mast wordt geplaatst.
2In alle gevallen moet worden uitgegaan van verschillende communicatiemiddelen op dezelfde mast (sitesharing). Indien dit om technische of andere redenen niet mogelijk is, dient dit voldoende gemotiveerd te worden aangetoond. Indien de motivering niet voldoende wordt geacht, kan de OPTA of het Agentschap Telecom hiervoor worden ingeschakeld.
3De plaatsing van een mast moet zowel uit stedenbouwkundig, landschappelijk, als uit welstandsoogpunt aanvaardbaar zijn.
4Plaatsing op gemeentelijke eigendommen heeft de voorkeur (rekening houdende met aanwezige kabels, leidingen en andere voorzieningen), vervolgens op locaties die in beheer zijn bij andere overheden en in een uiterste geval bij particulieren.
5Ter voorkoming van onevenredige landschappelijke verstoringen, wordt de voorkeur gegeven aan plaatsing van enkele hogere masten boven meerdere lage masten, afwijkingen van deze voorkeur moeten voldoende worden gemotiveerd.
6Er moet in alle gevallen gezocht worden naar vaste opstelpunten.
Hoofdstuk III: locatiecriteria
Artikel 3:
De volgende voorkeursvolgorde voor plaatsing van een mast, antennes, of camera’s e.d. wordt gehanteerd:
1Op of aan bestaande masten, reclamemasten, hoogspanningsmasten, windmolens etc.
2Op bedrijventerreinen.
3In de onmiddellijke nabijheid van hoge gebouwen en bouwwerken zoals windmolens, lichtmasten of reclamemasten.
4Langs infrastructuurlijnen (bestaande masten en infrastructurele bouwwerken, bijvoorbeeld matrixborden.
5Bij of op sportcomplexen.
6In recreatiegebieden.
7In bosgebieden, die niet zijn aangewezen als natuurgebied.
8In de directe nabijheid van woongebieden.
9Masten zijn in beginsel niet toegestaan in open nagenoeg onbebouwd gebied, natuurgebied en de woongebieden. Alleen als lid 1 t/m 8 aantoonbaar niet haalbaar zijn is medewerking bespreekbaar.
Toelichting
Iedere beoogde locatie dient getoetst te worden aan deze voorkeursvolgorde. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een verzoek binnenkomt voor de plaatsing van een mast direct naast een woonkern, omdat dit nodig is voor de dekking van dat gebied. In dat geval kan gemotiveerd van de voorkeursvolgorde worden afgeweken, de mast dient dan wel ruimtelijk te passen in de omgeving en hierbij kunnen voorwaarden worden gesteld over bijvoorbeeld de maximum masthoogte. De gemeente kan ter beoordeling van de noodzaak aan de verzoekers een onafhankelijk deskundigenrapport (KEMA, TNO) opvragen waaruit de noodzaak moet blijken. Het plaatsen van masten op gemeentelijke eigendommen heeft de voorkeur, dit vanuit het oogpunt dat hiermee door de gemeente controle gehouden kan worden.
Als er duidelijk is in welk gebied het opstelpunt geplaatst dient te worden kan er getoetst worden aan de onderstaande gebiedsspecifieke criteria.
Hoofdstuk IV: gebiedsspecifieke criteria
Artikel 4:
Bedrijventerreinen:
1De locatie dient zo ver mogelijk van woonbebouwing te worden gekozen.
2De locatie moet zo worden geplaatst dat de installatie zoveel mogelijk wegvalt in de omgeving.
Toelichting
Het plaatsen van masten op bedrijventerreinen heeft de voorkeur. Bedrijventerreinen hebben al vaak een andere stedenbouwkundige opbouw. Met de plaatsing van masten op bedrijventerreinen worden verstorende elementen geconcentreerd op één locatie. Het kan hierbij gaan om een geheel nieuwe mast of het plaatsen van antennes, camera’s e.d. op bestaande gebouwen.
Artikel 5:
Bebouwde kom:
1Gecombineerd met andere voorzieningen dan woningbouw (o.a. sportterrein, bedrijven).
2Bij voorkeur zo ver mogelijk van woongebieden en beschermde gebieden af.
3Een beschermd stads- en dorpsgezicht moet gevrijwaard blijven van masten.
Toelichting
Het plaatsen van masten in de bebouwde kom heeft niet de voorkeur, maar kan in het uiterste geval vanuit het oogpunt van voldoende dekking wel noodzakelijk zijn. Open plaatsing van masten tussen lage bebouwing is niet gewenst, omdat dit ruimtelijk gezien niet past in de omgeving.
Als is aangetoond dat antennes, camera’s en dergelijk in de kernen noodzakelijk is, moet worden gezocht naar plaatsing in of bevestiging aan hoge gebouwen of bestaande masten. Indien het panden betreft met een monumentale status vraagt plaatsing aan een dergelijk monument vervolgens weer meer aandacht voor wat betreft de mogelijke aantasting van het monument.
Artikel 6:
Buitengebied:
1Opstelpunten voor masten dienen te worden gekoppeld aan de reeds aanwezige infrastructuur, waaronder hoogspanningsmasten en (knooppunten van) bestaande wegen. Waarbij de voorkeur nadrukkelijk uitgaat naar koppeling aan de bestaande hoogspanningsmasten.
2Masten zijn in open gebied in beginsel niet toegestaan, tenzij is aangetoond dat de plaatsing noodzakelijk is om witte vlekken in de dekking te voorkomen.
3De antenne-installaties dienen zoveel mogelijk geïntegreerd te worden in de omgeving (bijvoorbeeld aansluiting bij bossen) om zo min mogelijk afbreuk te doen aan de visuele kwaliteit van de omgeving.
4Het vervangen van bestaande legale masten is toegestaan vanuit het oogpunt dat:
a.dit reeds een bestaande element in de omgeving is;
b.er geen alternatieven meer geschiktere locatie voorhanden is;
c.op voorwaarde dat de capaciteit van de antennedrager wordt vergroot, meer gebruikers op de mast totdat aangetoond is dat bij plaatsing technisch gezien niet meer mogelijk is.
Toelichting
Het Buitengebied van de gemeente Ooststellingwerf is grotendeels onbebouwd en kent nauwelijks hoge bebouwing. Ruimtelijk gezien is de plaatsing van een opstelpunt voor een mast in open gebied niet gewenst. Deze is hier nauwelijks in te passen en zal in de meeste gevallen een storend element vormen in de omgeving. Een locatie in een bosrijke omgeving (uitgezonderd Natura-2000 gebieden) verdient bijvoorbeeld de voorkeur. Er kunnen gevallen zijn waarbij de plaatsing absoluut noodzakelijk is om ‘’witte vlekken’’ in de dekking te voorkomen. Dit betekent dat wel moet worden aangetoond dat er geen alternatieven voorhanden zijn. Verder heeft de plaatsing van masten nabij recreatieterreinen en/of sportcomplexen de voorkeur boven plaatsing in het open gebied.
Hoofdstuk V: bijzondere bepalingen
Artikel 7:
Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 4:84 Awb in onvoorziene omstandigheden met in achtneming van het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en in het bestemmingsplan, gemotiveerd afwijken van deze regels.
Hoofdstuk VI: slotbepalingen
Artikel 8:
De beleidsregels treden in werking daags nadat deze zijn bekend gemaakt.
Artikel 9:
Deze regels worden aangehaald als Antennes en zendmasten beleid gemeente Ooststellingwerf.