3. Plussenbeleid Oost Gelre
3.2 Plussenbeleid Oost Gelre
3.2.1 Begrippen
De begrippen uit de omgevingsverordening van provincie Gelderland worden overgenomen:
Grondgebonden veehouderijbedrijf
Agrarisch bedrijf dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken.
Grondgebonden veehouderijtak
Onderdeel van een agrarisch bedrijf waarvoor het bedrijf beschikt over voldoende agrarische cultuurgrond in de omgeving van de bedrijfsgebouwen om de dieren binnen de veehouderijtak voor meer dan 50 procent zelf te kunnen voeren.
Hervestiging (bij veehouderijbedrijf)
Vestiging van een nieuw op te richten of een van elders te verplaatsen veehouderijbedrijf op een bestaand agrarisch bouwperceel.
Niet-grondgebonden veehouderijbedrijf
Agrarisch bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op veehouderij waarvan het voer voor de landbouwhuisdieren het grootste gedeelte niet geteeld wordt op de gronden die in de nabijheid van het agrarisch bouwperceel zijn gelegen en waarop de veehouderij rechten heeft.
Niet-grondgebonden veehouderijtak
Onderdeel van een agrarisch bedrijf dat is gericht op niet-grondgebonden veehouderij.
Plussenbeleid
Beleid met aanvullende kwaliteitsvoorwaarden die gelden voor het ruimtelijk beleid van gemeenten die een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf mogelijk willen maken.
Plusmaatregel
Aanvullende fysieke maatregel ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving van een veehouderijtak op het gebied van het milieu, een goede landschappelijke inpassing of een verbetering van het dierenwelzijn.
Uitbreiding (bij veehouderij)
Vergroting van de agrarische bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel al dan niet gepaard gaande met een vergroting van het bouwperceel.
3.2.2 Omgevingsdialoog
Het vroegtijdig betrekken van (mogelijke) belanghebbenden bij de voorbereiding van plannen of besluiten is belangrijk. De provincie verwacht van gemeenten dat zij in het beleid opnemen dat rondom een voorgenomen uitbreiding een zorgvuldige dialoog wordt gevoerd, gericht op het in kaart brengen van alle belangen. Het gaat hierbij zowel om de belangen van de ondernemer als die van de omgeving. Een verslag van de omgevingsdialoog moet deel uitmaken van de aanvraag tot uitbreiding.
Voor het voeren van een dialoog met de omgeving is in Oost Gelre het volgende stappenplan opgesteld:
Schema omgevingsdialoog
De initiatiefnemer voert de omgevingsdialoog op een manier die past bij het gebied en zijn plan en nodig daarbij de omwonenden en/of eigenaren van omliggende percelen uit die daarvan invloed zullen ondervinden. Dit kan in het ene geval een bijeenkomst zijn en in het andere geval kan de initiatiefnemer dit individueel aan de keukentafel bij de buren bespreken. Dit wordt voorafgaand samen met het basisuitbreidingsplan in een dialoogvoorstel voorgelegd aan de gemeente. De dialoog moet daarbij vooral gaan over de plusmaatregelen. Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer de plusmaatregelen nog niet van tevoren zelf heeft ingevuld, maar dat deze in dialoog met de omgeving worden bepaald. In het verslag van de omgevingsdialoog dient de initiatiefnemer aan te geven:
•Wie er zijn betrokken bij de dialoog;
•Hoe de gevoerde dialoog eruit heeft gezien;
•Welke inbreng de dialoog heeft opgeleverd;
•Wat de initiatiefnemer met deze inbreng heeft gedaan bij de uitwerking van zijn plan.
De initiatiefnemer bepaalt ‘de omgeving’ op basis van de beoordeling wie ‘gevolgen van enige betekenis’ kan ondervinden door de uitbreiding van het agrarisch bedrijf. Daarbij kan gedacht worden aan afstand, zicht en milieugevolgen (geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico, etc.). Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Wie uitgenodigd wordt voor de omgevingsdialoog hangt dus af van de omgeving en van het specifieke uitbreidingsplan.
De omgevingsdialoog is bedoeld om draagvlak voor de plannen in de omgeving te creëren. Daarbij is het de bedoeling dat de dialoog leidt tot de voor de omgeving meest gewenste keuze voor de plusmaatregelen die de initiatiefnemer neemt ter compensatie van de uitbreiding. Als een initiatiefnemer er in de dialoog niet uitkomt met de omgeving, dan is dat op zichzelf geen grond voor het college of de gemeenteraad om geen medewerking te verlenen aan de plannen.
Overgangsregeling dialoog voor lopende verzoeken
Er zijn enkele lopende verzoeken voor uitbreiding van niet-grondgebonden veehouderijen. Wanneer vooruitlopend op de vaststelling van deze beleidsregel al een omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden, hoeft niet opnieuw de omgevingsdialoog volgens bovenstaand stappenschema doorlopen worden.
Omgevingsdialoog en omgevingswet
In het kader van de omgevingswet zal een handreiking worden opgesteld over het voeren van een omgevingsdialoog. Zodra deze is vastgesteld zal voor het plussenbeleid worden aangesloten bij deze algemene handreiking.
3.2.3 Plusmaatregelen
Bij plusmaatregelen gaat het om niet gangbare maatregelen die al vanuit bestaande wettelijke en beleidskaders nodig zijn. Aanvullende maatregelen zijn extra maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op het gebied van landschappelijke inpassing, milieu en dierenwelzijn. Gemeenten kunnen in hun gemeentelijke Plussenbeleid aangeven of in bepaalde gebieden aandachtspunten worden gezien voor de inhoudelijke focus van deze aanvullende maatregelen vanuit een goede ruimtelijke ordening. Deze inhoudelijke focus is sturend voor de aard van de genoemde aanvullende maatregelen passend bij een gebied. Voor de Achterhoek geeft de provincie aan dat zij verwacht dat de gemeenten sturen op extra maatregelen die de landschappelijke kwaliteit verbeteren en sloop bevorderen.
De te nemen aanvullende duurzaamheidsmaatregelen moeten passen binnen een goede ruimtelijke ordening. Dit is afhankelijk van het gebied waar de uitbreiding plaatsvindt en is dus maatwerk. Hieronder worden voorbeelden van plusmaatregelen genoemd.
Ruimtelijke kwaliteit
Investeringen in:
•Landschappelijke versterking door middel van landschapselementen;
•Aanleggen van een fruitboomgaard;
•Loop- en wandelpaden;
•Bezichtigingsruimte;
•Innovatieve architectuur van stalconcepten;
•Bijdrage aan een ecologische verbindingszone;
•Opvang hemelwater: afkoppelen bestaand verhard oppervlak;
•Sloop van vrijkomende agrarische bebouwing.
Gemeente Oost Gelre wil dat sloop binnen dezelfde gemeente plaatsvindt en bij voorkeur zo dicht mogelijk bij het agrarische bedrijf.
Wanneer gekozen wordt voor landschappelijke versterking als plusmaatregel dan kan de afwaardering van de grond ook worden meegerekend, wanneer de bestemming wordt gewijzigd van ‘agrarisch’ naar ‘Natuur’. Er zal dan geen wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen om terug te gaan naar de agrarische bestemming, zodat de grond ook echt gebruikt wordt voor de landschappelijke inpassing. In dat geval zullen de volgende normbedragen worden gehanteerd:
•Agrarisch zonder bouwvlak €7
•Natuur €1
Milieu
Investeringen in:
•Bovenwettelijke maatregelen ter beperking van de milieugevolgen (o.a. geur, geluid, fijnstof, licht, trilling, emissie) van het agrarisch bedrijf die een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving tot gevolg hebben;
•Het realiseren van installaties voor duurzame energieopwekking waarbij de opgewekte energie volledig ten goede komt aan de omgeving.
Dierenwelzijn
•Oppervlakte;
•Groepsgrootte;
•Stalinhoud;
•Voorkomen hittestress;
•Hygiënesluis;
•Duurzame vloeren;
•Extra brandpreventie.
Voorbeelden van maatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, milieu en dierenwelzijn zijn ook te vinden in de Maatlat Duurzame Veehouderij en het Beter Leven Keurmerk (sterrensysteem) en Milieukeur. Deze certificaatsystemen zijn waardevol omdat zij aangeven wat in algemeenheid duurzamere stalconcepten zijn. Zij geven ondernemers houvast om duurzamere stalconcepten toe te passen door fiscaal voordeel te bieden. De controle op de uitvoering van de maatregelen wordt door een onafhankelijke instantie uitgevoerd. Jaarlijks worden deze systemen met stakeholders en ondernemers besproken en vinden er actualisaties plaats.
Aanvullende maatregelen
De plusmaatregelen moeten ruimtelijk relevant zijn en bovendien verder gaan dan de eisen die normaal gesproken ook worden gesteld bij een uitbreidingsplan. Zo moet het bijvoorbeeld niet gaan om de gebruikelijke landschappelijke inpassing maar om een extra investering voor ruimtelijke kwaliteit. De provincie geeft aan dat de volgende maatregelen niet zijn aan te merken als een extra maatregel:
•goede erfinpassing
•rekening houden met landschappelijke en natuurkwaliteiten
•voldoen aan milieunormen of aan normen voor dierenwelzijn
•emissie reducerende milieutechnieken die al worden voorgeschreven in (wettelijke) bepalingen.
Daarnaast beschouwt de provincie volksgezondheid niet als ‘plus’ maar als een basiskwaliteit.
3.2.4 Plussenbeleid Oost Gelre is aanvullend op reguliere toetsingsgronden
Deze beleidsregel geldt aanvullend op de reguliere toetsingsgronden bij verzoeken om uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Bij elk initiatief moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening.
Daarnaast wordt voor de maximum grootte van het bouwvlak voor niet-grondgebonden veehouderijen aangesloten bij het op dat moment geldende beleid.
Bijlage 1: Nota Zienswijzen
Inhoud en beantwoording zienswijzen
Het ontwerp Plussenbeleid Oost Gelre heeft ter inzage gelegen van 4 oktober 2019 tot en met 14 november 2019. Tegen het ontwerpbeleid zijn twee zienswijzen ingekomen die in deze nota wordt samengevat en beantwoord.
Verwoording zienswijzen
Zienswijze 1 (per mail ingekomen op 14 november 2019) – Provincie Gelderland
De zienswijze is per mail op 14 november 2019 ingekomen en per post op 22 november 2019. De ingebrachte zienswijze per mail is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en is daarom ontvankelijk.
Samenvatting
1In de structuurvisie wordt gewerkt met normbedragen voor de afwaardering van gronden die van ‘agrarisch’ naar ‘natuur’ gaan. Voor gronden met een agrarisch bouwvlak is dit bedrag 25 euro. Dit vindt de provincie Gelderland een hoog bedrag. Dit betekent namelijk dat met een kleine oppervlakte een groot deel van de plusinvestering wordt gehaald. Hierdoor is er geen noodzaak meer om te investeren in andere plussen. Bovendien ziet de provincie investeringen in groen op het bouwvlak in de meeste gevallen als landschappelijke inpassing en niet als natuur. Er zijn uitzonderingen denkbaar, bijvoorbeeld als het bouwvlak tegen het Gelders Natuurnetwerk ligt, maar dat vraagt wel om een goede ecologische onderbouwing.
2Provincie adviseert om deze ‘plus’ in te zetten als er daadwerkelijk hoogwaardige natuur wordt aangelegd, waarbij sprake is van een toename van de biodiversiteit en een bijdrage aan de gebiedsdoelen. Dat hiervan sprake is moet door de initiatiefnemer worden onderbouwd.
Reactie
3Landschappelijke versterking als plusinvestering zal hoofdzakelijk buiten een agrarisch bouwvlak plaatsvinden. Binnen het bouwvlak wordt in principe als landschappelijke inpassing gezien en dat is voorwaarde voor het verlenen van medewerking aan het plan. In dat geval kan de landschappelijke inpassing niet worden gezien als plusinvestering. Daarom wordt het normbedrag voor agrarisch bouwvlak geschrapt uit het beleid. Het zal alleen mogelijk zijn om de afwaardering van de gronden met de bestemming Agrarisch zonder bouwvlak naar Natuur mee te nemen als plusinvestering.
4De initiatiefnemer moet met een goed plan komen voor landschappelijke versterking. De afwaardering van de grond kan alleen mee worden genomen bij de plusinvestering indien de bestemming van de grond ook daadwerkelijk wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Natuur’ en de landschappelijke versterking dus ook zorgt voor aanleg van natuur.
Conclusie
De zienswijze leidt tot aanpassing van het beleid in paragraaf 3.2.3 Plusmaatregelen. Het normbedrag van € 25,- voor ‘Agrarisch met bouwvlak’ is geschrapt.
Zienswijze 1 (per mail ingekomen op 14 november 2019) – LTO Noord
De zienswijze is per mail op 14 november 2019 ingekomen en per post op 18 november 2019. De ingebrachte zienswijze per mail is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en is daarom ontvankelijk.
Samenvatting
1Het begrip ‘uitbreiding’ wijkt af van die uit de provinciale omgevingsverordening (dit ondanks dat staat dat de begrippen worden overgenomen. Door ook op dit begrip de provinciale definitie over te nemen wordt duidelijk dat het hier ruimtelijke beleid betreft en sluit de definitie tevens weer goed aan bij de berekening van de investeringsbijdrage (die immers alleen op oppervlakte ziet). (Stikstof)emissie en dieraantallen zijn onderwerp van andere gebieden in wet- en regelgeving en horen volgens LTO niet thuis in deze, vooral ruimtelijke, opzet.
2Inzake vrijkomende agrarische bebouwing delen wij uw ambitie maar zien we complicaties bij het zoeken naar locaties door boeren zelf. Het instellen van een sloopfonds vereenvoudigt deze opgave en versnelt de realisatie van de ambitie. LTO Noord stelt voor dit punt verder samen uit te werken.
Reactie
1In artikel 1.2 (begripsbepalingen) van de geconsolideerde omgevingsverordening (december 2018) is exact dezelfde definitie opgenomen als in paragraaf 3.2.1 van het Plussenbeleid Oost Gelre. Daarmee is er geen sprake van een afwijking van de begripsbepaling in het Plussenbeleid Oost Gelre ten opzichte van de provinciale omgevingsverordening. Op pagina 6 wordt nog een beschrijving aangehaald van ‘uitbreiding’. Dit komt uit de handreiking van de provincie Gelderland en is geen begripsbepaling, maar een beschrijving wanneer het plussenbeleid van toepassing kan zijn. Het plussenbeleid kan van toepassing zijn bij overschrijding van een bouwvlak, maar bijvoorbeeld ook wanneer een stikstofdepositieplafond is vastgelegd in een bestemmingsplan waardoor binnenplans niet kan worden meegewerkt aan een uitbreidingsplan met een hogere stikstofdepositie. Ditzelfde geldt voor dieraantallen die mogelijk vastgelegd kunnen zijn in een bestemmingsplan. In dat geval kan alleen met een bestemmingsplanherziening of projectafwijking medewerking worden verleend, waardoor getoetst moet worden aan het Plussenbeleid.
2De gemeente neemt het idee voor een sloopfonds mee. Het is echter niet mogelijk om voor dit beleidsstuk ook een sloopfonds in te stellen, aangezien het geen structuurvisie is.
Conclusie
De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het beleid.