3. Beleidskaders
3.1 Rijksbeleid
3.1.1. Legalisatie door middel van bestemmingsplanwijziging
De minister biedt de gemeenten en provincies de mogelijkheid om in bepaalde gevallen de recreatiefunctie van bestaande recreatiewoningen (of complexen van recreatiewoningen) te wijzigen in een woonfunctie. De volgende voorwaarden die hieraan zijn verbonden zijn:
-de woning moet op 31 oktober 2003 onrechtmatig worden bewoond, voor complexen geldt dat deze op 31 oktober 2003 in grote mate onrechtmatig worden bewoond en niet bedrijfsmatig worden geëxploiteerd;
-de woning moet zijn gelegen buiten waardevolle en/of kwetsbare gebieden. Dit betekent dat het complex niet binnen de Ecologische Hoofdstructuur mag liggen of in gebieden die vallen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Natuurbeschermingswet, in Bufferzones of in Nationale Landschappen (de grenzen hiervan zijn bepaald in de Nota Ruimte);
-de woning moeten voldoen aan het Bouwbesluit voor reguliere woningen;
-de bestemmingswijziging mag niet in strijd zijn met de toepasselijke milieuwetgeving.
De minister wijst er bovendien op dat het niet de bedoeling is dat de eventuele recreatiefunctie van het gebied in gevaar komt, of dat er een nieuwe behoefte aan recreatieverblijven in het gebied ontstaat.
Gemeenten worden binnen het nieuwe kader meer mogelijkheden geboden om op grond van hun reguliere bevoegdheden, bestemmingswijzigingen van recreatie naar wonen door te voeren voor situaties waar onrechtmatig in een recreatiewoning wordt gewoond.
3.1.2. Persoonsgebonden gedoogbeschikking
Met de brief van 11 november 2003 heeft de minister aangegeven geen bezwaar te hebben als gemeenten persoonsgebonden beschikkingen gaat afgeven. Het moet hier dan gaan om gevallen waarbij de bewoning van recreatiewoningen al vanaf 31 oktober 2003 plaatsvindt.
Gevallen van permanente bewoning ná die datum kunnen niet in aanmerking komen voor een persoonsgebonden beschikking. Deze peildatum moet door gemeenten worden aangehouden tenzij zij aan kunnen geven dat zij voor deze datum actief handhavend optraden tegen permanente bewoning.
De wettelijke mogelijkheden om een persoonsgebonden beschikking te verlenen heeft in de loop der jaren enkele wijzigingen ondergaan. Zo was het met ingang van 1 juni 2007 mogelijk om op basis van artikel 19 lid 3 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een vrijstelling te verlenen voor het onrechtmatig bewonen van recreatiewoningen. Op 1 juli 2008 trad de nieuwe Wet ruimtelijke ordening(Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking. De vrijstelling van de WRO werd vervangen door de ontheffing op basis van artikel 3.23 lid 1 Wro. De voorwaarden voor de mogelijkheid voor het verlenen van de ontheffing was opgenomen in artikel 4.1.1 eerste lid, onderdeel
j.Bro. Met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) per 1 oktober 2010 is de persoonsgebonden omgevingsvergunning geïntroduceerd. Deze vergunning is mogelijk op basis van artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo In artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2 Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning kan worden verleend onder bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. De bedoelde amvb is het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 4, onderdeel 10 van Bijlage II van het Bor zijn de criteria opgenomen voor het verlenen van de persoonsgebonden omgevingsvergunning. De vier gestelde eisen zijn:
1de recreatiewoning moet voldoen aan de bij of krachtens de Woningwet aan de bestaande woning gestelde eisen;
2de bewoning mag niet in strijd zijn met de bij of krachtens de Wet Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;
3de bewoner had op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik en bewoont deze sindsdien onafgebroken en
4de bewoner was op 31 oktober 2003 meerderjarig.
Daarnaast is in artikel 5.18 Bor bepaalt dat de omgevingsvergunning slechts geldt voor diegenen aan wie de vergunning is verleend en dat in de vergunning wordt bepaald dat deze slechts geldt voor de termijn gedurende de periode dat de vergunninghouder de betreffende recreatiewoning onafgebroken bewoond.
3.1.3. Wetsvoorstel Wet vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen
Sinds 2009 was er een wet in voorbereiding, te weten de Wet vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen. Deze wet was erop gericht dat een onrechtmatige bewoner van een recreatiewoning - na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel - bij hun gemeente onder voorwaarden een persoonsgebonden vergunning kon “opeisen”. Dit wetsvoorstel leidde tot veel bestuurlijke onrust. Na overleg met- en het maken van afspraken met de VNG werd door de Minister van VROM het wetsvoorstel van tafel gehaald. Door de VNG werd als alternatief aan haar leden een voorbeeld beleidsregel voorgelegd waarbij zij aangaf dat ze eigenlijk verwachtte dat elke gemeente deze beleidsregel zou toepassen.
5. Juridische kaders en uitvoering
5.3 Uitvoering
5.3.1. De persoonsgebonden omgevingsvergunning
Zoals onder 1.2 is aangegeven blijft handhaving het uitgangspunt binnen het gemeentelijk beleid. Wel kunnen personen die op 31 oktober 2003 al in een recreatiewoning woonden en dat nog steeds doen een persoonsgebonden omgevingsvergunning krijgen. Dit onder de bij 3.1.2. aangehaalde voorwaarden. Op het Belegh van Groll was bij bewoners van 11 recreatiewoningen hiervan sprake.
Aan hen is dan ook een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend.
5.3.2. Vaststelling gebruik recreatiewoningen met inventarisatieformulier
Voor het vaststellen van het gebruik van recreatiewoningen worden inventarisatieformulieren gebruikt. Op dit formulier kunnen eigenaren/gebruikers aangeven hoe de recreatiewoning wordt gebruikt. Waar mogelijk zal indien men toch nog in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden omgevingsvergunning hierop worden geattendeerd.
5.3.3. Handhaving
Handhavend optreden is vereist voor de situaties waarin recreatieverblijven permanent bewoond worden, tenzij er een persoonsgebonden omgevingsvergunning is afgegeven. Door de toezichthouders zal regelmatig de situatie op de recreatieterreinen en om en nabij de individuele recreatieverblijven worden geïnventariseerd. Dit betreft een continu proces. Indien uit constateringen, zowel uit die “in het veld” als ook uit administratieve bevindingen, blijkt dat een recreatieverblijf permanent wordt bewoond, zal ook in deze gevallen over worden gegaan tot handhavend optreden. Uitgangspunt binnen het integraal handhavingsbeleid is dat voor de handhaving op alle beleidsterreinen twee stappen (tweetrapsraket) worden gehanteerd. De eerste stap houdt in dat na constatering van een overtreding een voorwaarschuwing aan de overtreder(s) wordt gestuurd. In dit voornemen last onder dwangsom wordt aangegeven wat is geconstateerd en wat hiervan, bij voortduring van de overtreding, de consequenties zijn. Aan de overtreder(s) wordt hierbij de mogelijkheid geboden om een zienswijze in te dienen. Indien na het versturen van deze vooraankondiging en bij voortduring van de overtreding wordt als tweede stap de definitieve last onder dwangsom verzonden.
5.3.4. Start controle
De eerste aanleiding voor het aanleggen van een dossier kan diverse grondslagen hebben. Zo is een inschrijving in het GBA register al een belangrijk signaal, maar daarnaast kunnen bevindingen van de toezichthouders ook een aanleiding vormen. Ook verzoeken om handhaving van derden leiden tot het instellen van een onderzoek naar het gebruik van een recreatieverblijf.
Voor de controle en het verzamelen van bewijsmiddelen kunnen verschillende middelen worden aangewend. Enkele hiervan zijn:
-informatie uit de gemeentelijke basisadministratie;
-informatie van de belastingdienst over de hypotheekrente aftrek;
-raadplegen van verbruiksgegevens van nutsbedrijven;
-informatie uit de leerplichtadministratie, gemeentelijke belastingen;
-informatie uit openbare bestanden en van sociale media;
-gegevens van het Kadaster;
-gegevens van de Kamer van Koophandel;
-waarnemingen ter plaatse (visuele controles);
-controle van kentekens bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW);
-waarnemingen uit bezoeken van het opgegeven hoofdverblijf;
-verklaringen van betrokkenen, enz.
Gelet op de opgedane ervaringen vanaf 2010 kan worden gesteld dat permanente bewoning binnen de gemeente niet een grootschalige omvang kent. Daarom zal met de huidige personele inzet worden volstaan en zullen de controles en de mogelijk daaruit volgende handhavingsprocedures in de reguliere werkzaamheden van de medewerkers worden meegenomen.
5.3.5. Vooraankondiging last onder dwangsom
Indien er voldoende aanwijzingen zijn dat iemand permanent in een recreatieverblijf woont en men niet in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden omgevingsvergunning dient er gehandhaafd te worden. Aan de overtreder wordt een vooraankondiging gestuurd waarbij hij in de gelegenheid wordt gesteld om binnen twee weken een zienswijze in te dienen. De zienswijze wordt betrokken bij de besluitvorming omtrent de vervolgprocedure. De hoofdlijn is dat het handhavend optreden wordt voortgezet met het opleggen van een last onder dwangsom, maar in gevallen kan ook (tijdelijk) hiervan worden afgezien.
5.3.6 Aanschrijving last onder dwangsom
Indien de zienswijze geen aanleiding geeft om (tijdelijk) af te zien van verder handhavend optreden en uit ingestelde controles blijkt dat de overtreding nog niet is beëindigd wordt de last onder dwangsom verstuurd. In dit definitieve besluit wordt aan de overtreder een begunstigingstermijn gegeven waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd. Ook wordt de hoogte van de dwangsom in het besluit vermeld. Deze aanschrijving wordt naar het GBA-adres als ook naar het adres van het recreatieverblijf gestuurd.
5.3.7. Begunstigingstermijn
De begunstigingstermijn wordt in de regel gesteld op drie maanden. Dit is een redelijke termijn waarbinnen vervangende woonruimte betrokken kan worden. In de aanschrijving kan maatwerk worden geleverd indien er bijvoorbeeld sprake is van overbruggingshuisvesting. Hiervoor is het wel nodig dat betrokkene bewijsstukken aanlevert waaruit blijkt wat de einddatum van bewoning van het recreatieverblijf is.
5.3.8. Hoogte dwangsom
De hoogte van de dwangsom wordt bepaald op € 3.500,- per maand met een maximum
van € 35.000,-. Deze bedragen staan in een redelijke verhouding tot enerzijds het geschonden belang en anderzijds de beoogde effectieve werking van de dwangsomoplegging. Indien de last onder dwangsom niet het beoogde effect heeft gehad kan opnieuw een last onder dwangsom worden opgelegd. Het hierin opgenomen bedrag voor de dwangsom kan dan worden verhoogd. Ook kan dan alsnog de keuze worden gemaakt om bestuursdwang toe te passen.
5.3.9. Hardheidsclausule
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om af te wijken van het gestelde in deze beleidsnotitie wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsnotitie te dienen doelen. Per concreet geval dient een zorgvuldige beoordeling plaats te vinden.
5.3.10. Preventieve maatregelen ter voorkoming van permanente bewoning
In het belang van alle partijen is het beter dat het strijdige gebruik van recreatieverblijven dient te worden voorkomen. Daarom is goede informatievoorziening van groot belang. Zo moeten (potentiële) eigenaren/bewoners gewezen worden op de gebruiksmogelijkheden van recreatieverblijven. Via de gemeentelijke website wordt het beleid bekend gemaakt en daarnaast worden betrokken partijen afzonderlijk geïnformeerd.
Deze beleidsnotitie treedt in werking op 24 oktober 2014. Op deze datum is de beleidsnotitie “Permanente bewoning recreatieverblijven” uit 2009 vervallen.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van Oost Gelre op 14 oktober 2014.
Inspraakprocedure
Het conceptbeleid “Permanente bewoning van recreatieverblijven” heeft vanaf 25 juli 2014 tot en met 4 september 2014 ter inzage gelegen. Een ieder is de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze in deze periode kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ontvangen.