Gemeentelijke regelgeving

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing Ommen 2026

Gemeente Ommen · geldt sinds 25 december 2025

Aanhef

De raad van de gemeente Ommen;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025 zaaknummer 977424;

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing Ommen 2026

(Verordening rioolheffing Ommen 2026)

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a.gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

b.verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

c.water: leidingwater, huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater;

d.afvalwater: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater;

e.GBLT: het openbaar lichaam GBLT.

Artikel 2. Aard van de belasting

Onder de naam ‘rioolheffing’ wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a.de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater, en;

b.de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht

1Voor artikel 5, eerste lid, sub a, van deze verordening, geldt dat de belasting wordt geheven van de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

2Voor artikel 5, eerste lid, sub b, van deze verordening, geldt dat de belasting wordt geheven van de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt en van waaruit water, niet zijnde hemelwater, direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

3Voor het gebruikersdeel wordt:

a.gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

b.gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;

c.het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4 Voorwerp van de belasting

Als perceel wordt aangemerkt:

De onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 5. Maatstaf van heffing

1De belasting wordt geheven voor percelen:

a.die in hoofdzaak tot woning dienen:

naar een vast bedrag per perceel;

b.die niet in hoofdzaak tot woning dienen:

naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

2Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoegd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

3Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

a.watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of;

b.bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

4De op de voet van lid 2 van dit artikel berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

5Ingeval er sprake is van een gemeenschappelijke watermeter voor twee of meer percelen, dan wordt de hoeveelheid toegevoerd water voor ieder van die percelen gesteld op een aandeel dat recht evenredig is aan het aantal percelen dat op de gemeenschappelijke watermeter is aangesloten.

Artikel 6. Belastingtarieven

1Het tarief bedraagt voor percelen bedoeld in artikel 5, lid 1, onderdeel a van deze verordening € 244,- .

2Het tarief bedraagt voor percelen bedoeld in artikel 5, lid 1, onderdeel b van deze verordening voor elke volle eenheid van 500 kubieke meters water, bij een hoeveelheid afvalwater:

a.€ 244,- per eenheid van 0 m³ tot en met 500 m³;

b.€ 227,- per eenheid boven de 500 m³ tot en met 1.000 m³;

c.€ 150,- per eenheid boven de 1.000 m³ tot en met 2.500 m³;

d.€ 128,- per eenheid boven de 2.500 m³ tot en met 5.000 m³;

e.€ 107,- per eenheid boven de 5.000 m³ tot en met 10.000 m³;

f.€ 96,- voor elke eenheid boven de 10.000 m.

Deze staffel is cumulatief.

3Voor de toepassing van het vorige lid wordt een gedeelte van een eenheid voor een volle eenheid gerekend.

Artikel 7. Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor een evenredig aantal dagen dat er in het belastingjaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog overblijft.

3Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt bestaat aanspraak op ontheffing voor een evenredig aantal dagen dat er in het belastingjaar, na de beëindiging van de belastingplicht, nog overblijft, tenzij het bedrag van de ontheffing minder dan € 5,00 bedraagt.

4Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige in de loop van het belastingjaar het feitelijk gebruik van een perceel beëindigd en direct aansluitend het feitelijk gebruik van een ander perceel heeft.

5Indien de belastingplicht is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de belastingplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.

Artikel 10. Aanslaggrens

1De belasting wordt niet geheven, indien het totale belastingbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, minder dan € 5,00 bedraagt.

2Voor toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.

Artikel 11. Termijn van betaling

1In afwijking van artikel 9, lid 1 van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen, dan wel op één aanslagbiljet verenigde aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.

2In afwijking van lid 1 van dit artikel worden belastingaanslagen waarvoor de belastingschuldige een machtiging heeft afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische incasso, betaald in tien maandelijkse termijnen. Als de dagtekening van het aanslagbiljet is gelegen voor of op de 15de van een kalendermaand, vervalt de eerste incassotermijn nog in diezelfde kalendermaand. In alle andere gevallen vervalt de eerste incassotermijn aan het einde van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de dagtekening van het aanslagbiljet is gelegen.

3Indien het totaal te betalen bedrag zoals vermeld op het aanslagbiljet € 10,00 of minder bedraagt, wordt dit bedrag in afwijking van lid 2 van dit artikel in één termijn afgeschreven twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.

4De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel genoemde termijnen.

Artikel 12. Kwijtschelding

Bij de invordering van rioolheffing wordt alleen kwijtschelding verleend voor het belastingtarief genoemd in artikel 6, lid 1.

Artikel 13. Nadere regels

Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.

Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel

1De ‘Verordening rioolheffing Ommen 2025’ vastgesteld op 19 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van het in het derde lid bedoelde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

4Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening rioolheffing 2026’.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.