Artikel 1
Burgemeester en wethouders kunnen in de jaarlijkse kosten van onderhoud van in bedrijf zijnde en niet in bedrijf zijnde molens in de gemeente, voor zover dit onderhoud op enigerlei wijze nuttig en/of noodzakelijk is voor de instandhouding en het behoud van de molens, een jaarlijkse bijdrage verlenen.
Artikel 2
1Als in bedrijf zijnde molens, in de zin van deze regeling worden aangemerkt die molens, welke als bedrijf of deel daarvan op geregelde tijden bijvoorbeeld als maalwerktuig in gebruik zijn.
2Als niet in bedrijf zijnde molens worden in deze regeling aangemerkt die molens, welke als bedrijf of als onderdeel daarvan niet meer als maalwerktuig in werking zijn.
Artikel 3
In de onderhoudskosten van molens als bedoeld in artikel 2, tweede lid, wordt geen subsidie toegekend indien deze als woning, café of dergelijke zijn ingericht en door verbouwing niet meer maalvaardig zijn.
Artikel 4
De jaarlijks toe te kennen bijdrage bedraagt:
1voor in bedrijf zijnde molens 35% van de door het rijk subsidiabel verklaarde onderhoudskosten;
2voor niet in bedrijf zijnde molens 35% van de door het rijk subsidiabel verklaarde onderhoudskosten.
Voor de door het rijk subsidiabel verklaarde onderhoudskosten als bedoeld onder 1 en 2 worden verschillende maxima gehanteerd.
Artikel 5
Burgemeester en wethouders kunnen aan de toekenning van een bijdrage voorwaarden verbinden.
Artikel 6
Deze gewijzigde regeling wordt geacht te zijn in werking getreden op 1 januari 1998.