Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
Een onroerende zaak
1een gebouwd eigendom;
2een ongebouwd eigendom;
3een gedeelte van een onder 1 of 2 bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijke geheel te worden gebruikt;
4een samenstel van twee of meer van de onder 1 of 2 bedoelde eigendommen of onder 3 bedoelde gedeelten daarvan die naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen.
Artikel 2. Aard van de heffing en belastbaar feit
1Onder de naam “Baatbelasting riolering, cluster SV4-Marle” wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de streeparcering op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 december 2005 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur;
2de in het eerste lid bedoelde voorziening omvat:
a.de aanleg van riolering.
Artikel 3. Belastingplicht
1De belasting wordt geheven van degene die van een onroerende zaak, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;
2Voor de toepassing van het eerste lid wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die op het tijdstip van ingang van de heffing dan wel, indien de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting bij de aanvang van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
3Indien de lasten die zijn verbonden aan de voorzieningen genoemd in artikel 2, tweede lid, ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, wordt de belasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven.
Artikel 4. Maatstaf van heffing
De maatstaf van heffing is een bedrag per onroerende zaak.
Artikel 5. Tarief
De belasting bedraagt per onroerende zaak € 3.850,00.
Artikel 6. Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting
1In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt op verzoek van de belastingplichtige de belasting geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting gedurende dertig jaren. Het verzoek genoemd in de eerste volzin dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag schriftelijk bij in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar te worden ingediend;
2het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar;
3de jaarlijkse belasting bedraagt de annuïteit van het totaal verschuldigde, berekend op basis van een periode van dertig jaren en een rentevoet van 4,5%;
4de belasting over de nog niet verstreken belastingjaren kan elk jaar worden afgekocht. De afkoopsom wordt bepaald op de contante waarde van de op 1 januari van het belastingjaar, waarin de afkoop plaatsvindt, nog te verschijnen belastingbedragen berekend naar een rentevoet van 4,5%;
5aingeval de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse heffing en de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak, als bedoeld in het eerste lid, eindigt of wijzigt als gevolg van het overdragen van eigendom, bezit of beperkt recht, wordt de nieuwe genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met ingang van het eerstvolgende belastingjaar een aanslag ineens opgelegd voor de resterende belastingjaren van het belastingtijdvak, berekend overeenkomstig het vierde lid van dit artikel;
5bin afwijking van het bepaalde in onderdeel a, wordt op verzoek van de in dat onderdeel bedoelde belastingplichtige de jaarlijkse heffing overeenkomstig het eerste lid gecontinueerd. Het verzoek daartoe dient binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag ingevolge onderdeel a, schriftelijk bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar te worden ingediend.
Artikel 7. Wijze van belastingheffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 8. Kwijtschelding
Bij de invordering van de baatbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Termijnen van betaling
De aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden later.
Artikel 10. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de baatbelasting.
Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel
1Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking;
2de datum van ingang van de heffing is 1 januari 2006;
3deze verordening wordt aangehaald als “Verordening baatbelasting riolering, cluster SV4-Marle”.
Inhoudsopgave
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 2. Aard van de heffing en belastbaar feit
Artikel 3. Belastingplicht
Artikel 4. Maatstaf van heffing
Artikel 5. Tarief
Artikel 6. Regeling inzake heffing in de vorm van een jaarlijkse belasting
Artikel 7. Wijze van belastingheffing
Artikel 8. Kwijtschelding
Artikel 9. Termijnen van betaling
Artikel 10. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Artikel 11. Inwerkingtreding en citeertitel