Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2024

Gemeente Oldebroek · geldt sinds 1 augustus 2024

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek,

Gelet op de artikelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2018,

b e s l u i t:

Vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Oldebroek 2024.

Hoofdstuk 1 Afwegingskader

1.8 Afwegingskader

1.8.1 Eigen oplossingen

De Wmo 2015 is bedoeld om de eigen kracht te versterken. Een inwoner wordt aangemoedigd zelf de controle te voeren en eigen mogelijkheden te gebruiken. Voor het versterken van de eigen kracht zijn persoonlijke eigenschappen (wie is de inwoner?), talenten en vaardigheden (wat kan iemand?), zingeving (wat wil iemand?), krachten en mogelijkheden in de omgeving (wat heeft iemand?) en kennis en ervaring (wat weet iemand?) belangrijk. De eigen verantwoordelijkheid van de inwoner en zijn netwerk worden tijdens het onderzoek besproken. Hieronder zijn voorbeelden van eigen oplossingen aangegeven.

a.Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid

De inwoner met een ondersteuningsvraag wordt aangemoedigd om eerst eigen mogelijkheden te zien en in te zetten om de behoefte aan ondersteuning op te lossen. Dit kan al aanwezig zijn, omdat het hoort tot het eigen normale leefpatroon. Door het verdergaan op wat er al is, ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. De gemeente sluit niemand uit door inkomen en vermogen, maar mag wel kijken of iemand zelf in een oplossing kan voorzien, ook in financieel opzicht. Als een inwoner bijvoorbeeld altijd particuliere hulp heeft gehad en vraagt om huishoudelijke hulp via de Wmo 2015, wordt degene geacht dat net als eerst zelf te regelen, ook al zijn er beperkingen ontstaan. Dat geldt ook bij woonvoorzieningen als iemand zelf kan voorzien in een passende oplossing. Om mensen te ondersteunen in de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid nemen gemeenten nieuwe ideeën om dit te stimuleren. Een goed voorbeeld daarvan is de Subsidieregeling Gewoon gemak.

Inwoners kunnen een subsidie aanvragen voor woningaanpassingen en hulpmiddelen om langer thuis te kunnen wonen, op https://swogemeente-oldebroek.nl/dienstverlening/gewoon-gemak/ staat wat er mogelijk is.

b.Algemeen gebruikelijke voorziening

Soms kan een ondersteuningsvraag opgelost worden door een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit is een voorziening voor iedereen beschikbaar, en het maakt niet uit of iemand beperkingen heeft. Wat algemeen gebruikelijk is, hangt ook af van geldende maatschappelijke normen.

Een voorziening is algemeen gebruikelijk als:

-die voor iedereen in de reguliere handel verkrijgbaar is, waarbij ook gebruik gemaakt kan worden van een tweedehands of gebruikt artikel;

-de prijs van de voorziening is vergelijkbaar met soortgelijke producten;

-de voorziening is niet alleen voor een inwoner met een beperking bedoeld;

-een gezonde persoon, ook gelet op de individuele situatie, waaronder de leeftijd, over de voorziening zou beschikken;

-de voorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of meedoen in de samenleving;

-financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau, waarbij getoetst wordt op de op dat momenten geldende bijstandsnorm.

In de tijd kan een voorziening die eerst niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook jurisprudentie (uitspraken van rechters). Voorbeelden zijn een (elektrische) fiets of tandem, een rollator, een verhoogd toilet, thermostatische kraan, zonwering, kinderopvang (buiten schoolse opvang, familie, anders), boodschappendienst, glazenwasser, sportvoorzieningen etc.

c.Gebruikelijke hulp

In de Wmo wordt gesproken over gebruikelijke hulp en niet gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten gevonden worden elkaar te bieden.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om:

-het doen van het huishouden;

-ondersteuning bieden bij meedoen in de samenleving, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, buurtfeest, bibliotheek etc.;

-het bieden van hulp bij of het overnemen van taken, zoals het doen van de administratie;

-het geven van hand- en spandiensten;

-het bieden van dagelijkse structuur binnen het leefritme van huisgenoten. Bijvoorbeeld samen de maaltijden maken en opeten of het ontvangen van bezoek;

-het leren omgaan van anderen, zoals familie en vrienden, met de beperkingen van de persoon.

Bij de gebruikelijke hulp wordt gekeken naar de hele leefeenheid. Onder leefeenheid verstaan we alle personen waarmee de inwoner op hetzelfde adres woont en een huishouden deelt (uitwonende kinderen en partner vallen hier dus buiten). Als er tot de leefeenheid huisgenoten horen die huishoudelijke werkzaamheden kunnen overnemen, wordt van hen verwacht dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe heeft een verplichtend karakter.

Wanneer er kinderen onder de 18 jaar zijn mag de inzet niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, en schoolprestaties. Het college zal onderzoek doen naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het uitvoeren van huishoudelijk werk, daarbij wordt gebruik gemaakt van het CIZ protocol gebruikelijke hulp. Er wordt rekening gehouden met dat wat op een bepaalde leeftijd als inzet van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren.

Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen van 5 tot en met 11 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke activiteiten als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 12 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun kamer op orde houden, rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen.

Van iedere volwassene (21 jaar en ouder) wordt verwacht naast een volledige baan of studie bovenstaande gebruikelijke taken op zich te nemen.

Studie of (vrijwillige) werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Wanneer een huisgenoot de hulp en begeleiding kan geven, is er geen compensatie uit de Wmo noodzakelijk. Alles wat een huisgenoot kan doen, hoeft niet gecompenseerd te worden uit de Wmo. Ook niet als er eerder wel een Wmo voorziening was afgegeven.

Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid gedurende een aantal aansluitende dagen en nachten kunnen niet-uitstelbare taken worden overgenomen.

Onder niet- en wel-uitstelbare taken verstaan we het volgende:

-Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen;

-Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen.

Als de huisgenoot aangeeft niet te weten hoe een taak moet en dit nooit gedaan heeft, kan korte tijd (maximaal 3 maanden) ondersteuning worden ingezet om het aan te leren.

Er wordt rekening gehouden met eigen beperkingen en gezondheidssituatie van degene die de gebruikelijke hulp verleent. Dit geldt ook als er sprake is van (dreigende) overbelasting, totdat deze is opgeheven. Als de overbelasting veroorzaakt wordt door maatschappelijke activiteiten, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, moet het verlenen van gebruikelijke hulp in balans zijn met die maatschappelijke activiteiten.

Afbakening gebruikelijke en niet gebruikelijke hulp

Het is belangrijk dat er in de leefeenheid gekeken wordt naar wat wel en wat niet gebruikelijke hulp is.

Wanneer de dreigende overbelasting door andere activiteiten (zoals vrijetijdsbesteding) wordt veroorzaakt, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om alsnog een maatwerkvoorziening toe te kennen voor taken die in redelijkheid overgenomen kunnen worden door huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp.

In geval de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van huishouden, werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, gaat het aanvragen van persoonlijke verzorging via de Zorgverzekeringswet voor op het eventueel bieden van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo.

Uitzonderingen

In bepaalde gevallen kan een inwoner, ondanks de aanwezigheid van een of meerdere huisgenoten, toch in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Bijvoorbeeld in de volgende gevallen:

-Wanneer de partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft en of door de combinatie met het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken. Dan zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. Het college moet daar een onafhankelijk oordeel over kunnen vormen.

-In het geval de inwoner een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan, ter ontlasting van de leefeenheid van de inwoner, afgewogen worden of taken die anders onder de gebruikelijke hulp vallen toch in aanmerking kunnen voor een maatwerkvoorziening.

-Als naar het oordeel van het College sprake is van bijzondere omstandigheden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: stapeling van zorgtaken.

d.Mantelzorg

Mantelzorg (zie art.1.1.1.Wmo 2015, begripsbepalingen) is hulp bij de zelfredzaamheid en het meedoen in de samenleving, die rechtstreeks ontstaat uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt gekregen in het kader van een hulpverlenend beroep. Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke zorg en kan geboden worden door huisgenoten of door andere personen uit het sociale netwerk. De mantelzorger is bereid om een groot deel of de gehele ondersteuning te bieden en doet dit vrijwillig. Belangrijk is de verdeling tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger. Mantelzorgers vinden het geven van hulp aan anderen meestal vanzelfsprekend, de relatie met de persoon die ondersteuning nodig heeft is de drijfveer voor deze zorg. Tijdens de onderzoeksfase wordt dit in kaart gebracht, net als de eventueel dreigende overbelasting. Ondersteuning is dan belangrijk om de taak van de mantelzorger vol te kunnen houden, door ‘vrij te zijn’ van zorg. De ondersteuning is dan bedoeld voor de persoon met een beperking. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting kan de gemeente de mantelzorger ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door iemand door te sturen naar het Steunpunt Mantelzorg.

In geval van een voorziening wordt deze altijd gegeven aan de persoon met een beperking en niet aan de mantelzorger. Als er een maatwerkvoorziening wordt gegeven in de vorm van een Pgb kan deze niet door een overbelaste mantelzorger worden ingevuld: het gaat namelijk ook om diens (dreigende) overbelasting.

Er zijn verschillende manieren om de zorgtaak voor de persoon aan wie mantelzorg wordt gegeven te verlichten, zoals:

-het inzetten van eigen netwerk om bijvoorbeeld een paar uur zorg over te nemen;

-het inzetten van een vrijwilliger, zie ook onder e;

-ondersteuning door MEE;

-gebruik maken van welzijnsactiviteiten;

-gebruik maken van het mantelzorgsteunpunt;

-het inzetten van begeleiding groep;

-het inzetten van begeleiding individueel door professionele hulp;

-het inzetten van kortdurend verblijf (logeren).

e.Vrijwillige hulp

Vrijwillige hulp kan in verschillende vormen gebeuren en het kan voorkomen dat er een beroep gedaan wordt op een andere voorziening. Voorbeelden zijn: een maatjes project, het doen van hand- en spandiensten en inloopactiviteiten. Op basis van de Wmo 2015 is een Verklaring omtrent gedrag (VOG) verplicht als de vrijwilliger mensen met een beperking ondersteunt.

1.8.2 Algemene voorziening

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder vooraf onderzoek te doen door de gemeente naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van iemand, toegankelijk is voor een bepaalde doelgroep. Het doel van de voorziening is dat een (deel van) ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid, meedoen in de samenleving en opvang opgelost kan worden.

Als een inwoner gebruik kan maken van een algemene voorziening is er geen toegang tot een maatwerkvoorziening voor die ondersteuningsvraag. Bij het gebruik maken van een algemene voorziening kan een bijdrage in de kosten worden gevraagd.

1.8.3 Andere wetgeving

De Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) de Participatiewet en de Jeugdwet kunnen gelden voordat ondersteuning vanuit de Wmo 2015 nodig is. Daarbij wordt de zorgbehoefte van de inwoner beoordeeld. Het uitgangspunt is dat er geen zwaardere zorg wordt ingezet dan noodzakelijk. Soms kan het wel samengaan of er bestaat een ‘grijs’ gebied. Dan is het belangrijk dat er overleg is tussen de betrokken uitvoerders (van de verschillende wetgeving) en de inwoner. Als direct bij het gesprek duidelijk is dat een maatwerkvoorziening Wmo noodzakelijk is, wordt daarop ingezet.

a.Wet langdurige zorg (Wlz)

De Wlz is bedoeld voor mensen die langere tijd zorg nodig hebben. De zorg kan thuis of in een instelling gegeven worden. Mensen die zorg uit de Wlz willen krijgen moeten aan een aantal voorwaarden voldoen:

a.Er is permanent toezicht nodig ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de inwoner, of;

b.Er is 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig , omdat de inwoner zelf niet in staat is om op de nodige hulp in te roepen en deze hulp is nodig om ernstig nadeel te voorkomen”.

De gemeente kan kijken of een inwoner toegang heeft tot de Wlz via een digitaal toegangsregister. Dit om de samenloop vanuit de Wmo 2015 ondersteuning en zorg vanuit de Wlz te controleren.

Wanneer er sprake is van een situatie waarbij er een blijvende behoefte is aan permanent toezicht en 24 uur per dag zorg in de nabijheid (zoals onder eerdergenoemde punten a en b) en de ondersteuning vanuit de gemeente kan dit niet verbeteren, is de inschatting dat de inwoner voldoet aan de criteria van de Wlz (zie MvT, paragraaf 3.6 op blz. 29). In deze situaties kan de gemeente in contact komen met de inwoner of de vertegenwoordiger en deze vragen een onderzoek te ondergaan, gericht op een besluit over de toegang Wlz. De gemeente houdt de verantwoordelijkheid tot ondersteuning tot het moment dat toegang bepaald is. De gemeente zet zich in om deze overgang zo goed mogelijk te laten verlopen. Als er inderdaad redenen zijn om aan te nemen dat de persoon aanspraak kan doen gelden op de Wlz en de persoon weigert mee te werken aan het krijgen van een besluit, dan heeft de gemeente de bevoegdheid een maatwerkvoorziening te weigeren, of te beëindigen.

Thuiswonenden met PGB, VPT of MPT

Voor inwoners die in een geschikte zelfstandige woning zijn blijven wonen en daar een PGB, een VPT (Volledig pakket thuis) of een MPT (Modulair pakket thuis) hebben. Of inwoners die in verband met een VPT zijn verhuisd naar een geschikte zelfstandige woning (b.v. een aanleunwoning) dichtbij een instelling, valt het sociaal vervoer, een rolstoel, eventuele vervoermiddelen, een noodzakelijke (beperkte) woningaanpassing en losse woonvoorzieningen of hulpmiddelen onder de Wmo 2015.

Onder een zelfstandige woning wordt verstaan een woning met een eigen ingang, een woonkamer, minimaal één slaapkamer een complete keuken(hoek), een toilet en een badkamer. Dit hebben ook de meeste aanleunwoningen bij instellingen. Wanneer er alleen een zit-slaapkamer, een badkamer met een gezamenlijke woonkamer (en keuken) is, wordt het niet als een zelfstandige woonruimte gezien. In die situatie is sprake van wonen in een instelling. Een woonsituatie die niet aan dit criterium “zelfstandige woning” voldoet moet daarom als niet zelfstandig en vanwege de gemeenschappelijke woonruimte als instelling worden gezien. De scheiding van wonen en zorg alleen is niet voldoende. (huurcontract zegt niets). In die situatie vallen de rolstoel, vervoermiddelen, woningaanpassingen en losse woonvoorzieningen of hulpmiddelen onder de Wlz.

b.Zorgverzekeringswet (Zvw)

De Zvw is een ziektekostenverzekeringswet en gaat over geneeskundige zorg. Vanuit de aanspraak op thuisverpleging worden vanaf 2015 verpleging en verzorging in samenhang geleverd aan een inwoner met voornamelijk lichamelijke aandoening(en) waarbij ook over het algemeen sprake is van medische problemen. Ook iemand met dementie valt hier onder.

Alleen als persoonlijke zorg (ADL) onderdeel is van begeleiding valt dit onder de ondersteuning via de Wmo 2015. De zorg is dan niet geneeskundig van aard en er is geen hoog risico op geneeskundige zorg.

Als behandeling of medicatie (een deel van) de vraag naar ondersteuning kan wegnemen gaat dit voor op de Wmo 2015. Een inwoner kan naast zorg uit de Zvw ook gebruik maken van de Wmo 2015-voorzieningen.

c.Jeugdwet

Alle ondersteuningsvragen van jongeren onder de 18 jaar op het gebied van zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving horen bij de Jeugdwet. Uitzonderingen zijn woningaanpassingen en hulpmiddelen, die vallen onder de Wmo 2015.

18- en 18 +:

Als er geen sprake is van strafrecht, jeugdreclassering of behandeling en het gaat om begeleiding die ook onder de Wmo gegeven kan worden, vervalt op de 18e verjaardag de indicatie Jeugd (artikel 1.2.1 sub a Wmo). Dit betekent dat vanaf het moment dat de Wmo indicatie ingaat, de eigenbijdrageregeling gaat gelden.

Als de eigenbijdrageregeling te zwaar is of het gaat maar om een indicatie van een paar maanden is een maatwerkoplossing vanuit Jeugd mogelijk.

In sommige gevallen kan er sprake zijn van verlengde jeugdhulp tot 23 jaar. Het moet daarbij gaan om jeugdhulp die al vóór 01-01-2015 ontvangen werd op grond van de oude wet op de Jeugdzorg. Dit kan in de volgende situaties:

a.De jeugdige kreeg voordat hij 18 jaar werd al jeugdhulp en voorzetting van deze hulp is nodig;

b.Voor de jeugdige is, voordat hij 18 jaar werd, bepaald dat jeugdhulp nodig is;

c.Na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd, wordt binnen een half jaar vastgesteld dat hervatting van de eerder ingezette jeugdhulp nodig is.

d.Participatiewet

Een inwoner die volgens de Participatiewet kan werken of vrijwilligerswerk kan doen, en begeleiding hierbij nodig heeft, kan in aanmerking komen voor een arrangement vanuit de Participatiewet maar ook de Wmo. Door afstemming moet worden voorkomen dat vanuit 2 wetten eenzelfde activiteit afgegeven wordt.

e.Mantelzorgwoning op basis van Besluit Omgevingsrecht (Bor)

De landelijke wet- en regelgeving maakt het mogelijk dat mantelzorg behoevende en mantelzorgverlener dichtbij elkaar kunnen wonen. In artikel 2 van bijlage II van het Bor (Besluit Omgevingsrecht) is namelijk geregeld dat mantelzorgwoningen soms vergunningsvrij geplaatst mogen worden in de tuin van mantelzorg behoevende of mantelzorgverlener. De afdeling vergunningverlening van de gemeente geeft informatie over de regelgeving en wat wel of niet vergunningsvrij mogelijk is. Als er geen vergunning nodig is, bestaan er wel rechten en plichten, ook daarvoor is het goed dat de inwoner zich eerst laat informeren bij het team Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de gemeente.

Als het gaat om een mantelzorgwoning gaat het college daarbij ook uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. De kosten van het wonen zijn voor rekening van de inwoner.

1.8.4 Maatwerkvoorziening

Een maatwerkvoorziening is hulp op iemand persoonlijk afgestemd. Dit kan gaan om een dienst, een hulpmiddel of een woningaanpassing. Met deze hulp kan iemand weer zelfredzaam zijn, meedoen in de samenleving of beschermd wonen.

Een inwoner kan een maatwerkvoorziening krijgen als andere mogelijkheden niet of niet voldoende oplossing bieden. Voor een maatwerkvoorziening is een persoonlijke toekenning nodig. Het kan zijn dat de gemeente een andere organisatie om advies vraagt om tot de beoordeling van de toekenning te komen. Dit kan bijvoorbeeld door een medisch of bouwkundig advies. In hoofdstuk 2 zijn de maatwerkvoorzieningen opgenomen die door de gemeente worden ingezet om de vraag om ondersteuning op te lossen.

Bij de beoordeling van de noodzaak tot een maatwerkvoorziening wordt uitgegaan van het afwegingskader zoals beschreven in hoofdstuk 1. Als de inwoner (weer) in staat is gebruik te maken van andere voorliggende voorzieningen om de vraag om ondersteuning op te lossen, wordt de maatwerkvoorziening beëindigd.

Een maatwerkvoorziening kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan in geval van (een dreigende) overbelasting van de mantelzorger een voorziening aan de inwoner met een beperking worden gegeven. Er kunnen meerdere maatwerkvoorzieningen tegelijk ingezet worden, bijvoorbeeld Begeleiding, maar ook Hulp bij het huishouden en een rolstoel.

Het college beoordeelt of er weigeringsgronden zijn waardoor er geen maatwerkvoorziening wordt gegeven zoals geschreven in artikel 9 van de verordening.

Bij elke maatwerkvoorziening wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening, zoals vastgelegd in artikel 8, lid 5 van de verordening.

Hoofdstuk 2 Maatwerkvoorzieningen

2.1 Schoon en leefbaar huis

2.1.1 Gewenst resultaat

Het resultaat van de ondersteuning is dat de inwoner een schoon en leefbaar huis heeft. Een schoon en leefbaar huis betekent dat de inwoner gebruik moet kunnen maken van de noodzakelijke in gebruik zijnde ruimtes in de woning. Het huis moet op die manier schoon zijn dat een basishygiëne is geborgd, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van inwoners wordt voorkomen. Dit betekent dat de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. Hobbyruimtes, bergruimtes, tuin en onderverhuurde ruimtes vallen hier dus niet onder. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken iedere week schoongemaakt moeten worden. Inzet is ter voorkoming van vervuiling. Het periodiek schoonmaken moet een algemeen aanvaard basisniveau van schoon en leefbaar geven.

Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 (bureau HHM).

https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/Normenkader-Huishoudelijke-Ondersteuning-2019-met-aanvulling-2022-bureau-HHM.pdf

Als de inwoner de regie kan voeren over het eigen leven, mag van de inwoner worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt.

Naast een schoon en leefbaar huis zijn dit ook resultaten die belangrijk zijn:

1het hebben van schone, draagbare en doelmatige kleding;

2het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

3het in een korte periode aanleren van huishoudelijke vaardigheden door het gezamenlijk uitvoeren van huishoudelijke taken.

2.1.2 Doelgroep

De ondersteuning van een huishouden is bedoeld voor:

1De inwoner met een beperking die langer blijft, waardoor fysieke werkzaamheden (deels) moeten worden overgenomen;

2De inwoner die (voor een deel) zelf kan aangeven/organiseren wat er in het huishouden gedaan moet worden, maar die ondersteuning nodig heeft bij en/of het aanleren van vaardigheden voor het voeren van een huishouden;

3De inwoner die niet zelf kan aangeven/organiseren wat er in het huishouden gedaan moet worden en hierbij ondersteuning nodig heeft. De organisatie kan worden overgenomen;

4De inwoner die een kortdurende of middellange beperking heeft door revalidatie/ontslag uit het ziekenhuis, en er vanwege de situatie noodzaak is om fysieke werkzaamheden (deels) over te nemen. Dit geldt alleen wanneer er geen ondersteuning mogelijk is vanuit het netwerk en wanneer het om een onverwachte ziekenhuis opname gaat;

5Het ontlasten van de mantelzorger.

2.1.3 Individuele omstandigheden

Op grond van individuele omstandigheden komt het college gemotiveerd tot een tijdsindicatie.

De persoonlijke omstandigheden bieden de basis voor het besluit, niet de normtijden. De normtijden zijn alleen een richtlijn. In onderstaande tabel Normtijden per jaar ‘Schoon en leefbaar huis’ staan de noodzakelijke activiteiten weergegeven als richtlijn om tot een tijdsindicatie te komen die past bij de persoonlijke situatie.

Redenen voor aanpassingen van de normtijden zijn o.a.:

-het aantal noodzakelijke ruimtes dat in gebruik is;

-wat de beperking is in relatie tot de schoonmaakwerkzaamheden;

-welke werkzaamheden de inwoner zelf nog in de huishouding kan doen;

-de hulp die er vanuit het sociale netwerk mogelijk is.

Als het nodig is uitbreiding van de maatwerkvoorziening plaats met:

a.het maken van de broodmaaltijden

b.het maken van warme maaltijden

c.collectieve was en strijkservice

d.extra aanvullende was- en strijk activiteiten als collectieve voorziening onvoldoende blijkt.

Tabel normtijden per jaar “schoon en leefbaar huis”

https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/Normenkader-Huishoudelijke-Ondersteuning-2019-met-aanvulling-2022-bureau-HHM.pdf

Het bepalen van de uren per jaar verloopt in een aantal stappen:

1Tijdens het gesprek vaststellen hoe de persoonlijke situatie invloed heeft op de tijdsindicatie om tot een schoon en leefbaar huis te komen;

2Beoordelen of 108 uren per jaar voldoende is om een ‘schoon en leefbaar huis’ te realiseren;

3Vaststellen of de persoonlijke situatie een aanpassing van het aantal uren bij b. rechtvaardigen. Zie Aanvullende activiteiten in de tabel en/of mate van beperkingen in relatie tot de schoonmaakwerkzaamheden;

4Vaststellen of aanvullende voorzieningen nodig zijn om de zelfredzaamheid van de inwoner te ondersteunen en te verbeteren + de benodigde tijd.

Activiteiten

Normtijd in uren per jaar

Basis inzet

Basis cliëntsituatie

-Volledige overname

108uren

Minder inzet

-Eigen mogelijkheden cliënt en/ of

-Eigen mogelijkheden netwerk

-13 uren

Meer inzet

Beperkingen en belemmeringen cliënt

-Enige extra inzet

-Veel extra inzet

+ 26 uren

+ 52 uren

Samenstelling huishouden = eigen kracht en/of gebruikelijke hulp “meer of minder” min.

Extra kamer

-In gebruik als slaapkamer

-Niet in gebruik als slaapkamer

+ 16 uren

+ 4 uren

En/of extra inzet vanwege

-Vervuiling huisdier

-Omvang, inrichting of bewerkelijke woning

+ 13 uren

+ 13 uren

+

Totaal inzet voor resultaat schoon en leefbaar huis

2.1.4. Uitzonderingen

1In situaties met jonge kinderen (0 tot 8 jaar) zetten we als dat nodig is meer uren in om ervoor te zorgen dat kinderen in de thuissituatie de maaltijden krijgen, verzorgd worden en de woning schoon en leefbaar is. Het is noodzakelijk dat het CJG betrokken wordt bij de situatie en er een afgestemd plan opgesteld wordt met het netwerk;

2In situaties waar het om een gezin gaat waarvan er minimaal één ouder bekend is met een chronische en/of progressieve aandoening, met kinderen die allen een leeftijd hebben beneden de 13 jaar en er verwacht kan worden dat wanneer er geen hulp bij het huishouden wordt ingezet er overbelasting zal ontstaan (dreigende overbelasting);

3Een enkele keer krijgen mensen vanuit de Zvw verpleging of verzorging, maar hebben zij ook hulp nodig bij het bereiden van maaltijden. Dan is er geen Huishoudelijke hulp vanuit de Wmo nodig. Om dit ‘gat’ in regelgeving op te vangen geeft de gemeente onder de Wmo Begeleiding individueel regulier af aan de aanbieder verpleging/verzorging, waardoor de inwoner niet te maken krijgt met een extra hulp voor de maaltijden, maar dat de verzorgster/verpleegkundige dat kan doen.

2.2 Wonen in een geschikte woning

2.2.1 Woonunit of aanbouw

Als de maatwerkoplossing een aanbouw bij een eigen woning is zal het college eerst kijken wat de mogelijkheden van iemand zelf zijn. Er wordt bijvoorbeeld gekeken of een inwoner het zonder de gemeente kan realiseren. Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een extra hypotheek op de woning te nemen zal eerst deze mogelijkheid worden onderzocht.

Wanneer blijkt dat het voor de inwoner niet zelf lukt de aanpassing te realiseren, zal het college beoordelen wat de goedkoopst compenserende oplossing is.

De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een vergoeding:

a.voor aanpassingen tot en met €10.000,-- moet minimaal één offerte ingediend worden;

b.voor aanpassingen die groter zijn wordt een bouwkundig specialist ingehuurd die een raming van de gemaakte kosten maakt.

c.bij grote bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd met een programma van eisen. Deze kan gemaakt worden door een medisch adviesinstantie. Daarbij kan ook een prijsindicatie worden opgevraagd. Hierop staat gedetailleerd beschreven hoe de woningaanpassing gerealiseerd wordt en wat daarvan de kosten zijn.

De afdeling vergunningverlening van de gemeente geeft informatie over de regelgeving en wat wel of niet vergunningsvrij mogelijk is.

2.4 Lokaal verplaatsen per vervoermiddel

2.4.1 Sportvoorziening

Sporten kan een belangrijk middel tot meedoen in de samenleving zijn. Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te doen en de kosten hiervoor veel hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan er een vergoeding voor een sportvoorziening worden gegeven. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel.

Eerdere regelgeving Wmo en jurisprudentie laat zien dat het redelijk is om maximaal eens per drie jaar hiervoor een vergoeding te verstrekken. De inwoner moet dan actief lid zijn van een sportvereniging of op een andere manier kunnen laten zien dat er sprake is van actieve sportbeoefening.

De ervaring leert dat sportclubs , sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwacht dat hij een deel van de kosten draagt. De vergoeding voor een sportvoorziening is daarom de meerkosten van een voorziening die de valide sporters niet hebben.

Sportrolstoel

Voor een sportrolstoel wordt een tegemoetkoming verstrekt. De hoogte van deze tegemoetkoming

bedraagt maximaal € 2.836,- . Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf, onderhoud en reparatie van een sportrolstoel voor een periode van minimaal 3 jaar. Deze financiële tegemoetkoming hoeft niet helemaal kostendekkend te zijn.

Om in aanmerking te komen voor een sportrolstoel moet aan de volgende voorwaarden voldaan worden:

-De inwoner wil een sport gaan beoefenen of doet aantoonbaar aan een bepaalde sport;

-De inwoner is zonder sportrolstoel niet in staat tot uitoefening van die sport;

-De inwoner ontmoet door de sport andere mensen en kan daardoor zijn sociale kring uitbreiden.

Na de periode van 3 jaar kunnen onderhoudskosten worden vergoed, als de voorziening technisch is gekeurd en is goedgekeurd door de gemeente.

2.4.2 Collectief Vraagafhankelijk Vervoerssysteem

Als er vanwege gezondheid gerelateerde problemen een situatie ontstaat waardoor de kosten van het reizen veel hoger worden, kan het college beoordelen of de inwoner in aanmerking kan komen voor een Wmo-vervoerspas. De gemeente houdt rekening met de algemeen gebruikelijke aanvaardbare kosten voor vervoer zoals door het Nibud is afgegeven:

http://www.nibud.nl/consumenten/aftrek-extra-vervoerskosten/

Met een Wmo-vervoerspas kan een inwoner, tegen gereduceerd tarief, deelnemen aan het Collectief Vraagafhankelijk Vervoerssysteem (CVV), dat verzorgd wordt door ViaVé. Hiermee kunnen de beperkingen die ondervonden worden in de zelfredzaamheid en participatie gecompenseerd worden. De vervoerspas heeft een kilometerbegrenzing van 2000 km per jaar. Wanneer er meer kilometers gemaakt worden boven het toegekende budget, dan kan de inwoner dit bespreken met de consulent. Er zal dan worden gekeken naar de aard van de ritten en of er meer noodzakelijk is dan het jaarlijkse budget.

Viavé rijdt over afstanden tot 25 km en wordt per kilometer betaald. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) verricht.

Een collectief vervoersysteem kan de eerste voorkeur hebben, maar de inwoner moet voor het vervoer wel een bijdrage voor het vervoer betalen, net zoals er voor personen zonder beperkingen bij het normale openbaar vervoer een bijdrage geldt.

Aan de hand van de vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonlijke kenmerken en behoeften van de inwoner. Binnen het CVV kunnen indicaties nodig zijn om het gebruik mogelijk te maken zoals een bepaald soort auto/bus, meenemen van een rolstoel, het zogenaamde kamer tot kamer vervoer of het medisch vervoer. Bij een indicatie medisch vervoer kan de inwoner niet reizen zonder medereiziger. Daarnaast kan er een indicatie afgegeven worden voor sociale begeleiding als de inwoner niet altijd zelfstandig kan zijn op de plaats van bestemming of niet alleen kan reizen. Het kan noodzakelijk zijn dat iemand op de plek van bestemming hulp heeft van een begeleider.

De gebruikersinformatie van het vervoer kan gebruikt worden voor verantwoording en/of verbetering van de diensten van Viavé.

Als collectief vervoer niet mogelijk of niet beschikbaar is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget voor vervoer verstrekken.

2.5 Begeleiding Groep

2.5.1 Vervoer

Een indicatie voor vervoer regulier wordt afgegeven wanneer een inwoner niet in staat is om zelfstandig naar de begeleiding groep te reizen of niet zelf het vervoer van en naar de begeleiding groep kan regelen. Uitgangspunt bij het beoordelen van de “noodzakelijkheid”, is het ontbreken aan zelfredzaamheid van de inwoner. De indicatie wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van een inwoner, waarbij de mogelijkheden die de inwoner wel heeft met betrekking tot eigen vervoer worden meegewogen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de mogelijkheid om zomers op de fiets te gaan. En daarnaast wordt gekeken of de inwoner op een andere wijze het vervoer kan regelen, bijvoorbeeld door familie of een vrijwilliger.

De aanbieder is verantwoordelijk voor het regelen van het vervoer.

Als de ontwikkeling van de inwoner heeft geleid tot bijvoorbeeld (gedeeltelijke) overbrugging naar ondersteuning of werken vanuit de Participatiewet, dan is aanbieder verplicht inwoner in overleg met de consulent en/of de consulent participatie, over te dragen naar ondersteuning vanuit de Participatiewet.

2.6 Begeleiding individueel

2.6.1 Begeleiding individueel regulier

Begeleiding regulier richt zich met name op ondersteuning bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Dit hangt nauw samen met de ondersteuning die is gericht op behoud of verbetering van zelfredzaamheid. Bij begeleiding regulier gaat het niet om overname van taken, maar om het functioneren van de inwoner met de stoornis. Het vinden van een goede manier van omgaan met de beperking/stoornis en het optimaliseren of optimaal leren benutten van eigen mogelijkheden, waardoor de inwoner zijn functioneren verbetert en weer kan meedoen in de samenleving.

Begeleiding regulier bestaat uit:

1Activiteiten gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en participatie;

2Het ondersteunen bij of het oefenen met en aanleren van vaardigheden of aansturen van algemene dagelijkse levensverrichtingen (hierna: ADL);

3Het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie, waaronder vaardigheden in zelfregelend vermogen;

4Het aansturen van gedrag.

Specifiek gaat het om:

1Begeleiden in verband met tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen (dagelijkse bezigheden regelen, besluiten nemen, plannen en uitvoeren van taken, beheerszaken regelen, communicatie, sociale relaties);

2Begeleiden bij sociaal-emotionele/psychische problematiek die samenhangt met de problematiek die de zelfredzaamheid en participatie beperkt;

3Begeleiden bij de opbouw en onderhoud van een sociaal netwerk en contacten met als doel zelfredzaamheid;

4Begeleiden bij het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven door herhaling en methodische interventie.

Begeleiding regulier heeft altijd een doel. De reguliere begeleiding vindt plaats op geplande momenten én waar nodig met behulp van digitale middelen via extra contactmoment(en) op afstand waarbij de privacy van de inwoner is geborgd. Begeleiding kan daarnaast ondersteund worden door gebruik van digitale middelen als WhatsApp, Facetime, of andere vormen van digitale contacten. De inzet van digitale middelen mogen geen volledige vervanging worden van face to face contact bij de inwoner.

2.6.1.1 Doelgroep

Inwoners met psychische- en psychosociale klachten, niet aangeboren hersenletsel (NAH), een psychiatrische aandoening of beperking, psychogeriatrische aandoening/beperking, verstandelijke beperking, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of een combinatie daarvan, met beperkingen op het terrein van- of knelpunten met:

1sociale redzaamheid;

2psychisch functioneren;

3bewegen en verplaatsen;

4geheugen en oriëntatie;

5probleemgedrag.

De hulpvraag heeft o.a. de volgende kenmerken:

1De problematiek komt veelal voort uit een aandoening zoals hierboven beschreven;

2Er is sprake van langdurig tekortschietende zelfregie.

3De inwoner heeft ondersteuning nodig op één of op meerdere levensgebieden.

4De inwoner heeft redelijk tot matig inzicht in de eigen beperkingen zodat een bepaalde verantwoordelijkheid genomen kan worden door inwoner zelf.

5Onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten.

2.6.1.2 Instructie voor meerdere inwoners

Veel begeleiding vanuit de Wmo gebeurt op individuele basis. Wanneer een aanbieder begeleiding biedt en merkt dat de doelstellingen waaraan gewerkt wordt met de inwoner ook, of misschien zelfs beter, samen met meerdere inwoners kan plaats vinden, dan staan de gemeenten daar positief tegenover. Als instructie wordt geboden aan meerdere inwoners samen dan zijn hierop de volgende voorwaarden van toepassing:

1De instructie wordt aan maximaal 3 inwoners tegelijkertijd geboden;

2De instructie wordt geboden in een setting die toegankelijk en veilig is voor inwoners en waarbij iedere inwoner de aandacht krijgt die hij of zij nodig heeft;

3Bij de inrichting van het contract c.q. de werkafspraken wordt de wijze van registratie/monitoring vastgelegd.

2.6.2 Begeleiding individueel specialistisch

Bij begeleiding specialistisch is er sprake van een tijdelijk interventie (maximaal 6 maanden) waarbij er een behoefte is aan extra, “andere” of aanvullende competenties en deskundigheid in verband met die specifieke situatie.

Begeleiding specialistisch kan ingezet worden wanneer een situatie escaleert of dreigt te escaleren en er stabilisatie nodig is en is in principe altijd voor een kortere periode van toepassing (dit in tegenstelling tot reguliere begeleiding die vaak voor een langere periode van toepassing is).

Uitgangspunt is dat begeleiding specialistisch wordt ingezet in plaats van de reguliere begeleiding. Een combinatie van of specifieke gedragsproblematiek is geen reden om begeleiding specialistisch in te zetten. Voorwaarde voor begeleiding specialistisch is dat er een reële verwachting bestaat dat de inwoner met behulp van de inzet van begeleiding specialistisch is te stabiliseren dan wel een positieve verandering door te maken en/of de inzet van specialistische begeleiding bijdraagt aan versnelde zelfredzaamheid en participatie. Dit zodat daarna de reguliere begeleiding weer een toereikende maatwerkvoorziening is. Bij verslechtering of aanvullende problematiek moet altijd een kritische afweging worden gemaakt of er nog sprake is van maatwerkondersteuning vanuit de Wmo of dat behandeling voorliggend is

2.6.2.1 Doelgroep

Inwoners met psychische- en psychosociale klachten, niet aangeboren hersenletsel (NAH), een psychiatrische aandoening of beperking, psychogeriatrische aandoening/beperking, verstandelijke beperking, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of een combinatie daarvan, met beperkingen op het terrein van- of knelpunten met:

1sociale redzaamheid;

2psychisch functioneren;

3bewegen en verplaatsen;

4geheugen en oriëntatie;

5probleemgedrag.

Onderstaande kenmerken geven aan dat een inwoner in aanmerking kan komen voor begeleiding specialistisch. Inwoner heeft ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregulerend vermogen of bij gedragsproblemen, zoals:

1Acute “extra” psychische en/of psychiatrische problematiek;

2Aanvullende diagnoses met invloed op het dagelijks functioneren van de inwoner;

3Minder remmingen op gedrag/zwaardere gedragsproblemen en/of onvoorspelbaarheid en/of grilligheid (geen standaard protocol van handelen mogelijk) dat niet hanteerbaar is voor de betrokkene zelf;

4Toename in destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander);

5Toename in zelf verwondend of zelfbeschadigend gedrag;

6Toename van complexe problematiek, waardoor er ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren ontstaan;

7Het gaat in deze vorm van ondersteuning om zowel planbare als niet planbare ondersteuning. De inwoner heeft naast één of meerdere vaste dagen en tijdstippen begeleiding ook ondersteuning nodig wanneer zich een ad hoc situatie voordoet. De inwoner heeft dan direct ondersteuning nodig.

Waardoor er bij niet ingrijpen sprake is van:

1Grote risico’s voor de veiligheid van de inwoner en omgeving en/of;

2Een sterkere toegenomen verslechtering van de gezondheidssituatie van de inwoner dan bij reguliere begeleiding in een meer stabiele situatie.

2.6.3 Begeleiding individueel waakvlam

De Waakvlam begeleiding kan geïndiceerd worden na afloop van een indicatie begeleiding regulier. Gemeente geeft de dienstverleningsopdracht aan aanbieder om gedurende maximaal 1 jaar na afloop van indicatie maximaal 12 uur begeleiding regulier te bieden om een terugval van de inwoner te voorkomen.

De Waakvlam begeleiding is bedoeld als een vorm van nazorg na afloop van de initiële indicatie begeleiding regulier. Door middel van begeleiding waakvlam houden Wmo-professionals en zorgaanbieders kwetsbare inwoners in beeld, ofwel een vinger aan de pols en wordt geprobeerd te voorkomen dat er een terugval plaatsvindt. Voor de inwoner wordt de waakvlam ervaren als een extra steuntje in de rug, of ter ondersteuning bij het opbouwen/vergroten van het eigen netwerk.

De aanbieder heeft de vrijheid om de waakvlam in te zetten op het moment dat hij dit nodig vindt voor de inwoner/als de inwoner signalen geeft dat dit nodig zou zijn. Dit kan een korte periode met een hoge frequentie zijn of juist gedurende een jaar elke maand 1 begeleidingsmoment.

De waakvlam staat garant voor maximaal 12 uur reguliere begeleiding met een looptijd van maximaal 1 jaar.

2.7 Logeeropvang functie respijtzorg

2.7.1 Doelgroep

Inwoners met psychische- en psychosociale klachten, niet aangeboren hersenletsel (NAH), een psychiatrische aandoening of beperking, psychogeriatrische aandoening/beperking, verstandelijke beperking, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of een combinatie daarvan, met beperkingen op het terrein van- of knelpunten met:

1sociale redzaamheid;

2het bewegen en verplaatsen;

3het psychisch functioneren;

4het geheugen en de oriëntatie;

5het vertonen van licht probleemgedrag.

De deelnemers die logeren:

1hebben vaak enige fysieke zorgbehoefte;

2hebben behoefte aan structuur en regelmaat;

3hebben begeleiding en toezicht in de nabijheid nodig.

Logeeropvang richt zich op de inwoner waar toezicht in de directe nabijheid aanwezig moet zijn en waar ondersteuning noodzakelijk is. Het gedrag van de inwoner is voorspelbaar en risico’s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten.

Kenmerken/ Activiteiten Logeeropvang omvat de volgende elementen:

1Een verblijf gedurende een etmaal, waarbij altijd een overnachting is inbegrepen, in een instelling of andere locatie waarbij in elk geval toezicht aanwezig is;

2Het verblijf en hotelmatige kosten als voeding, wasverzorging van beddengoed en handdoeken en schoonmaken van de kamer zijn inbegrepen;

3Toezicht betekent dat er gedurende de aanwezigheid van inwoners toezicht en begeleiding in de nabijheid beschikbaar is;

4Er is geen geneeskundige zorg nodig. Wanneer dat wel het geval is, zal er een beroep gedaan worden op de regeling eerstelijns verblijf (Zvw);

5Wanneer een inwoner permanent toezicht en /- of ondersteuning in de nabijheid nodig heeft, zal onderzoek nodig zijn om te beoordelen of Wlz of Beschermd Wonen aan de orde is. Hierbij is ook een combinatie met ZVW mogelijk;

6Tijdens de Logeeropvang kan geen sprake zijn van behandeling;

7Kortdurend verblijf is logeren gedurende een bepaalde periode en in principe maximaal 2 etmalen per week, gerekend over 1 kalenderjaar.

2.8 Logeeropvang inclusief begeleiding/ begeleiding groep

2.8.1 Doelgroep

Inwoners met psychische- en psychosociale klachten, niet aangeboren hersenletsel (NAH), een psychiatrische aandoening of beperking, psychogeriatrische aandoening/beperking, verstandelijke beperking, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of een combinatie daarvan, met beperkingen op het terrein van- of knelpunten met:

1sociale redzaamheid;

2het bewegen en verplaatsen;

3het psychisch functioneren;

4het geheugen en de oriëntatie;

5het vertonen van licht probleemgedrag.

De deelnemers die logeren:

1hebben vaak enige fysieke zorgbehoefte;

2hebben behoefte aan structuur en regelmaat;

3hebben begeleiding en toezicht in de nabijheid nodig.

Logeeropvang richt zich op de inwoner waar toezicht in de directe nabijheid aanwezig moet zijn en waar ondersteuning noodzakelijk is. Het gedrag van de inwoner is voorspelbaar en risico’s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten.

Kenmerken/ Activiteiten Logeeropvang omvat de volgende elementen:

1Een verblijf gedurende een etmaal, waarbij altijd een overnachting is inbegrepen, in een instelling of andere locatie waarbij in elk geval toezicht aanwezig is;

2Het verblijf en hotelmatige kosten als voeding, wasverzorging van beddengoed en handdoeken en schoonmaken van de kamer zijn inbegrepen;

3De begeleiding en begeleiding groep zijn inbegrepen. Wat betekent dat indien inwoner de bestaande begeleiding groep blijft gebruiken tijdens logeer periode, de aanbieder begeleiding groep declareert bij de aanbieder logeeropvang;

4Toezicht betekent dat er gedurende de aanwezigheid van de inwoners toezicht en begeleiding in de nabijheid beschikbaar is;

5Er is geen geneeskundige zorg nodig. Wanneer dat wel het geval is, zal er een beroep gedaan worden op de regeling eerstelijns verblijf (Zvw). Wanneer een inwoner permanent toezicht en /- of ondersteuning in de nabijheid nodig heeft, zal onderzoek nodig zijn om te beoordelen of Wlz of Beschermd Wonen aan de orde is. Hierbij is ook een combinatie met ZVW mogelijk;

6Tijdens de Logeeropvang kan geen sprake zijn van behandeling.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.