Aanhef
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oirschot houdende regels omtrent Beleid vergunningen, toezicht en handhaving Omgevingsrecht Oirschot 2026.
Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders alsmede de burgemeester van Oirschot op 21 april 2026.
1 Inleiding
1.2 Samenwerking Kempengemeenten
1.2.1 Missie en visie
Alle taken die door Samenwerking Kempengemeenten worden uitgevoerd voor een deelnemende gemeente, of het nu onder delegatie of mandaat is, gebeuren vanuit de volgende visie en missie:
Visie
Wij maken het verschil voor de inwoners in de Kempengemeenten. Samen met de gemeenten leveren wij een bijdrage voor een gezonde, veilige en leefbare woonomgeving voor onze 93.000 inwoners in de gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden.
Missie
Wij werken samen, als één netwerkorganisatie, door in verbinding te staan met de Kempengemeenten én de inwoners. Door onze betrokkenheid en samen deskundigheid zorgen wij voor een goede dienstverlening aan gemeenten en hun inwoners en willen we dit elke dag weer een stapje beter doen!
1.3 Missie en Visie VTH
1.3.1 Vergunningen
Visie
Wij zorgen voor betrouwbare en professionele vergunningverlening die bijdraagt aan een gezonde, veilige, leefbare en toekomstbestendige woon- en leefomgeving in de Kempengemeenten Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden.
Missie
Door onze deskundigheid en sterke samenwerking binnen de Kempengemeenten zijn we in staat om continu kwaliteit te leveren met korte doorlooptijden en zo laag mogelijke kosten. We ondersteunen inwoners, bedrijven en partners bij het realiseren van hun plannen door het te toetsen binnen de geldende wet- en regelgeving, met oog voor veiligheid, leefbaarheid en duidelijke communicatie.
1.3.2 Toezicht en Handhaving
Visie
Wij zorgen voor betrouwbaar, professioneel en proportioneel toezicht en handhaving die bijdragen aan een gezonde, veilige, leefbare en toekomstbestendige woon- en leefomgeving in de gemeenten Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden. Wij zien erop toe dat wetten en regels worden nageleefd. Waar dit niet vanzelfsprekend gebeurt, spreken wij overtreders hierop aan en grijpen wij waar nodig preventief of repressief in. Zo bevorderen wij het vertrouwen in de rechtsstaat en dragen wij bij aan een eerlijk en gelijk speelveld voor iedereen.
Missie
Vanuit een professionele en deskundige samenwerking binnen de Kempengemeenten Eersel, Oirschot en Reusel-De Mierden dragen wij bij aan veilige, leefbare en prettige gemeenten. Wij zorgen ervoor dat iedereen zich fijn en welkom voelt in de publieke ruimte, dat inwoners en bezoekers zich veilig voelen en dat er een gezond woon- en werkklimaat kan bestaan. Daarbij treden wij op tegen illegale en ondermijnende activiteiten, zodat regels eerlijk worden nageleefd en het vertrouwen in de samenleving wordt versterkt.
2 VTH algemeen
2.8 Uitvoering van taken door en afstemming met andere instanties
2.8.1 Omgevingsdienst
Een aantal taken op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving zijn verplicht overgedragen aan de ODZOB, het zogenaamde ‘Basistakenpakket’. Dit zijn grotendeels complexe milieutaken. Gemeenten blijven het bevoegd gezag en zijn verantwoordelijk. Zij kunnen aangeven op welke wijze de taken moeten worden uitgevoerd. Dit VTH beleid, samen met regionaal opgesteld beleid zoals eerder genoemd, moet daarom ook door de omgevingsdienst worden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor andere adviseurs die in opdracht van de gemeente taken uitvoeren.
Periodiek vindt afstemming met de ODZOB plaats. Zowel op inhoud van individuele casussen als processen. Circa eenmaal per zes weken is structureel overleg met de accountmanagers van de ODZOB en VTH namens de gemeente.
2.8.2 Veiligheidsregio
De VRBZO adviseert over brandveiligheidsaspecten. Zowel over omgevingsvergunningen als over evenementen en meldingen brandveilig gebruik. Zij adviseren echter niet over alle zaken. De VRBZO heeft op basis van een risicoanalyse een handreiking gemaakt wanneer advies te vragen, het document ‘Taken Risicobeheersing’. Voor zaken die hierin staan omschreven wordt advies gevraagd, andere zaken worden beoordeeld door de medewerkers van VTH. Ook voor toezicht staat in de handreiking beschreven hoe en waar de VRBZO in overleg met de gemeente de controles uitvoert.
Periodiek vindt afstemming met de VRBZO plaats. Zowel op inhoud van individuele casussen als processen. Circa tweemaal per jaar is structureel overleg met de accountmanagers van de VRBZO en VTH namens de gemeente.
2.8.3 Politie
De samenwerking met de politie bestaat, onder andere, uit de taakverdeling en samenwerking tussen Buitengewoon opsporingsambtenaren (Boa’s) en de politie en afstemming voor grote evenementen met betrekking tot veiligheid. Met de politie vindt afstemming en informatie-uitwisseling plaats over de strafrechtelijke handhaving. Met betrekking tot de taakverdeling bestaat de algemene regel dat, indien het de naleving betreft van gemeentelijke regelgeving, dan de Boa’s verantwoordelijk zijn. De politie houdt toezicht op de openbare orde en veiligheid binnen de gemeente. In de praktijk is het zo dat men intensief en regelmatig contact heeft, zowel individueel als in structurele afstemmingsoverleggen. Daarnaast staan de Boa’s in direct contact met de meldkamer van de politie voor meldingen en eventuele calamiteiten.
Voor het opsporen en bestrijden van (middel)zware milieucriminaliteit is binnen de politie Oost-Brabant een Regionaal Milieu Team (hierna: RMT) werkzaam. Het RMT en de taak accenthouders van de politie verrichten enerzijds zelfstandig opsporingsactiviteiten en geven anderzijds een strafrechtelijk vervolg aan constateringen van onze toezichthouders. In de werkwijze worden de afspraken gevolgd zoals deze zijn vastgelegd in de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht.
Periodiek vindt afstemming met de politie plaats. Zowel op processen als inhoud van individuele casussen waarbij de link wordt gelegd met strafrechtelijke handhaving. Circa éénmaal per maand is structureel overleg met de operationeel experts gebiedsgebonden politiezorg van de politie en VTH namens de gemeente. Voor vaststelling van dit VTH beleid is in het structurele overleg met de politie een concept van het VTH beleid besproken en afgestemd.
Met basisteam De Kempen van politie-eenheid Oost-Brabant en het OM zijn in een handhavingsarrangement wederzijdse afspraken opgenomen over de samenwerking tussen deze partijen en de gemeente/Samenwerking Kempengemeenten.
2.8.4 Waterschap
Sinds de oprichting van de omgevingsdiensten hebben de waterschappen noch formeel noch via een dienstverleningsovereenkomst een rol als het gaat om de wettelijke taken omtrent indirecte lozingen. Deze taken zijn belegd bij het bevoegd gezag en kunnen uitgevoerd worden door de omgevingsdiensten (de basistaak bedrijven).
2.8.5 Provincie Noord-Brabant
De provincie heeft een toezichthoudende en coördinerende taak bij de realisatie en instandhouding van de handhavingsstructuur met betrekking tot de Omgevingswet (artikel 18.24). Hiernaast heeft de provincie bevoegdheden verkregen voor afstemming van toezicht en handhaving (artikel 18.19 Omgevingswet) richting het gemeentebestuur en waterschapsbestuur. Binnen de gemeente zijn bedrijven gevestigd die onder provinciaal gezag staan. Daarnaast zijn er bedrijven die eerder onder provinciaal gezag stonden en nu onder het gezag van de gemeente vallen. De samenwerking tussen de gemeente en de provincie op dit vlak is georganiseerd via de ODZOB.
De rol van toezichthouder op het gebied van interbestuurlijk toezicht is één van de kernrollen van de provincie. De provincie beoordeelt of lokale overheden hun taken uitvoeren volgens de geldende wet- en regelgeving en zet bij de uitoefening van deze rol in op een betere balans tussen toezicht houden en adviseren, grip houden en loslaten en tussen leren en corrigeren. Hierdoor wil de provincie met het toezicht meer impact hebben op de uitvoeringspraktijk van de gemeente. De provincie geeft het toezicht een modernere vorm en brengt het in lijn met landelijke ontwikkelingen. Daarbij ligt de nadruk meer op lerend toezicht en de dialoog, dan voorheen op ‘sober en op afstand’.
2.8.6 Overige overheidsinstanties
In enkele wettelijk voorgeschreven gevallen, dan wel door in een dienstverleningsovereenkomst vastgelegde afspraken, adviseert de gemeente ook aan andere overheidsinstanties. Dit is vooral aan de orde bij aanvragen omgevingsvergunning waarbij de Minister of Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag is. De dienstverlening en de niveaus van uitvoering van de taken door de gemeente aan een andere instantie vindt op dezelfde wijze plaats als dat de gemeente het bevoegd gezag zou zijn, tenzij nadrukkelijk anders afgesproken.
2.8.7 GGD en GHOR
GGD en GHOR Nederland zijn sinds 1 januari 2014 juridisch één vereniging: GGD GHOR Nederland. GGD staat voor Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst. GHOR voor de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio. Samenwerking met de GGD GHOR bestaat uit de afstemming van controles bij kinderopvang, advies over gezondheidsaspecten bij vergunningverlening (bij omgevingsvergunningen milieu en bij evenementenvergunningen). Ook wordt soms gebruik gemaakt van de GGD GHOR (in de coördinatie) voor de inzet bij grote evenementen. De afstemming met de GGD GHOR op het gebied van vergunningen, toezicht en handhaving wordt integraal waargenomen door de veiligheidsregio. Er is geen structureel overleg tussen de GGD GHOR en de gemeente op dit vakgebied.
2.8.8 Kempische Interventie Team/Prostitutie Interventie Team
Bij complexe grensoverschrijdende handhavingsvraagstukken kunnen afzonderlijke acties onvoldoende effectief zijn. Een versnipperde aanpak zorgt niet voor structurele en duurzame oplossingen. Om een effectieve, structurele en duurzame aanpak te creëren voor dergelijke vraagstukken is het Kempisch Interventie Team (hierna: KIT) opgericht. Binnen het KIT opereren de gemeentes die behoren tot basisteam De Kempen van politie-eenheid Oost-Brabant samen met deze eenheid, de ODZOB en de VRBZO. De basis hiervoor en de onderlinge (samenwerkings) afspraken zijn vastgelegd in een convenant. Het KIT wordt ondersteund door een gezamenlijke coördinator.
Gemeenten dragen de verantwoordelijkheid voor het toezicht op zowel vergunde als onvergunde seksinrichtingen. Omdat met name voor het houden van toezicht op de onvergunde seksinrichtingen specialistische kennis nodig is wordt het toezicht op de onvergunde seksinrichtingen uitgevoerd door een apart team binnen het KIT, het Prostitutie Interventie Team (PIT).
2.8.9 Leeftijdsgrenzenteam Alcoholwet
Bij controles in het kader van de Alcoholwet kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde ‘lokjongeren’. De jongeren kunnen in worden gezet om anoniem controles uit te voeren. Zij kunnen geen sancties opleggen, maar informeren de gemeentelijke Alcoholwet toezichthouder als er zich overtredingen met betrekking tot leeftijdsgrenzen voordoen.
3 Vergunningen
3.11 Uitgangspunten bij beoordeling meldingen en informatieplichten Wkb
3.11.1 Bijzondere lokale omstandigheden
Bij het opstellen van een risicobeoordeling en het borgingsplan, welke bij de bouwmelding ingediend moeten worden, moet rekening worden gehouden met risico’s uit de omgeving, de zogenaamde ‘bijzondere lokale omstandigheden’. Voor de volgende bijzondere lokale omstandigheden kan het noodzakelijk zijn daarmee rekening te houden:
•Draagkracht van de bodem, al dan niet via een sonderingsonderzoek.
•De gesteldheid van de bodem (gemeentelijke Nota bodembeheer, regionale Bodemkwaliteitskaart en de rapportagemodule bodeminformatie van Provincie Noord-Brabant).
•Op korte afstand (ongeveer 150 meter) gelegen bodemenergiesystemen (WKO tool).
•Archeologische verwachtingswaarden (omgevingsplan en gemeentelijke Erfgoedverordening).
•Watervoerende lagen in de ondergrond die mogelijk een risico vormen bij grondgevormde funderingspalen.
•Grondwaterbeschermingsgebied en waterwingebied Vessem/Wintelre (Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant).
•Hogere grenswaarden rechtstreeks doorwerkend uit omgevingsplan
•Resten van funderingen of andere materialen in de bodem die mogelijk van invloed kunnen zijn op de funderingswijze.
•Specifieke funderingsconstructies van belendende bebouwing die van invloed kunnen zijn op de fundering van het te bouwen bouwwerk of op de belendende fundering alsmede het belendende bouwwerk zelf.
•Verhoogde wind- en sneeuwbelasting door bouwwerken in de directe omgeving.
•Aansluiting riool en afvoer hemelwater.
•Lokale infrastructuren en aanwezige (ondergrondse) voorzieningen welke een invloed kunnen hebben op het bouwproces of het inrichten van het bouwterrein (onder andere rijtroutes hulpdiensten, bluswatervoorzieningen en ondergrondse containers.
•Molenbiotoop Jacobus, Wilhelminalaan 18 in Vessem.
•Obstakelbeheergebied (funnel) Eindhoven Airport/Vliegbasis Eindhoven.
•Snelweg A67.
•Pijpleiding Rotterdam-Beek (PRB-leiding), ter hoogte van de markeringen en aanduidingen in het veld.
•Transport pijpleiding Z-506 van Gasunie, ten noorden van Knegsel en doorlopend naar ten noorden van Duizel.
•Zonnepark Landsardseweg, nabij Generaal-Majoor De Ruyter van Steveninck Kazerne, Eindhoven Airport en recreatiegebied De Landsard (in ontwikkeling).
Bovenstaande lijst is geen uitputtende lijst. Alle risico’s moeten in kaart worden gebracht en nagegaan moet worden of alle risico’s voldoende worden beheerst en welke maatregelen daarvoor nodig zijn.
3.11.2 Meldingen en informatieplichten
Bouwmelding
Bij bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 (artikel 2:17 Bbl) is geen vergunning nodig voor de technische bouwactiviteit. De initiatiefnemer heeft hiervoor wel een meldingsplicht. De melding moet uiterlijk 4 weken voor de start van de bouw bij de gemeente ingediend worden via het omgevingsloket (niet eerder dan 1 jaar van tevoren). Bij de melding wordt een passende risicobeoordeling en een borgingsplan ingediend, waarbij rekening is gehouden met de lokale bijzondere omstandigheden. De gemeente beoordeelt binnen 4 weken of de melding volledig is ingediend. Daarbij wordt gekeken of het bouwwerk onder gevolgklasse 1 valt, of de kwaliteitsborger gerechtigd is, of een juist instrument voor kwaliteitsborging wordt gebruikt en of de risico’s zijn beoordeeld en geborgd. Er vindt door gemeente in principe geen inhoudelijke beoordeling plaats. Echter, wanneer onvoldoende inzicht wordt gegeven in de beoordeling en borging van risico’s dan vraagt de gemeente nadere informatie op over dat betreffende onderdeel bij de initiatiefnemer. Wanneer de gemeente niet binnen 4 weken een reactie heeft gegeven wordt de melding geacht volledig te zijn en kan gestart worden met de bouwwerkzaamheden.
Wanneer de melding niet volledig is, de kwaliteitsborger niet gerechtigd is of een verkeerd instrument voor kwaliteitsborging is gekozen, is er geen sprake van een melding. De gemeente stuurt hierover bericht naar de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet dan een nieuwe melding indienen. Zolang er geen (tijdige) melding is gedaan is er sprake van een bouwverbod.
Start bouwactiviteit
Uiterlijk 2 dagen voor de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden informeert de initiatiefnemer de gemeente via het omgevingsloket over de start. Het niet (tijdig) informeren van de gemeente heeft geen (juridische) gevolgen.
Gereedmelding
Als het bouwwerk technisch gereed is, maar nog niet is opgeleverd moet de initiatiefnemer uiterlijk 2 weken voor ingebruikname een gereedmelding doen bij de gemeente via het omgevingsloket. Bij de gereedmelding moet een verklaring van de kwaliteitsborger worden toegevoegd waaruit blijkt dat het gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat het bouwwerk voldoet aan het Bbl. Ook moet een dossier voor het bevoegd gezag worden verstrekt. De gemeente controleert of de melding en het dossier volledig zijn. Wanneer de gereedmelding en het dossier bevoegd gezag volledig zijn wordt de gereedmelding zonder verder inhoudelijke beoordeling gearchiveerd. Het bouwwerk mag vervolgens in gebruik worden genomen.
Wanneer de melding niet volledig is, is er geen sprake van een melding. De gemeente stuurt hierover bericht naar de initiatiefnemer. De initiatiefnemer moet dan een nieuwe melding indienen. Zolang er geen (tijdige) melding is gedaan is er sprake van een verbod op ingebruikname. Wanneer, nadat eerst een onvolledige melding is gedaan, alsnog een volledige melding wordt gedaan vindt steekproefsgewijs een inhoudelijke beoordeling van de stukken plaats voordat de melding gearchiveerd wordt. Pas na controle van de volledige melding mag het bouwwerk alsnog in gebruik worden genomen.
Beëindiging bouwactiviteit
Uiterlijk 1 dag na beëindiging van de bouwwerkzaamheden informeert de initiatiefnemer de gemeente via het omgevingsloket over de beëindiging van de bouwwerkzaamheden. Het niet (tijdig) informeren van de gemeente heeft geen (juridische) gevolgen.
3.12 Uitgangspunten bij beoordeling vergunningen, meldingen en ontheffingen op basis van de APV en Bijzondere wetgeving
3.12.1 Openbare orde en veiligheid bij evenementen
Er wordt de laatste jaren steeds meer belang gehecht aan een adequate uitvoering van de taken op het gebied van de APV en andere bijzondere wetgeving, zoals de Alcoholwet. De rol van de gemeente is veranderd en de burgemeester in het bijzonder heeft een duidelijkere plaats gekregen in het proces van vergunningverlening en toezicht, vooral bij evenementen. Enkele incidenten waarbij slachtoffers zijn gevallen op evenementen maken dat aandacht voor openbare orde en veiligheid meer aandacht heeft gekregen en ook behoud. Om openbare orde en veiligheid een nadrukkelijke plek te geven in de vergunningverlening en bij het toezicht is het Uitvoeringsbeleid evenementen gebaseerd op de Handreiking evenementenveiligheid van het Instituut Fysieke Veiligheid.
3.12.1.1 Voorbereiding besluitvorming
Het besluitvormingsproces wordt gestructureerd en procesmatig uitgevoerd. Hiervoor wordt de software gebruikt die ook voor onder andere omgevingsvergunningen wordt gebruikt. Per zaak wordt een verantwoordelijke voor het hele proces aangewezen.
De basis voor een goede beoordeling is de noodzaak voor een volledige aanvraag om vergunning. De gemeente is kritisch: een onjuiste of onvolledige aanvraag kost later in het proces vaak extra tijd. Onvolledig ingediende aanvragen om vergunningen worden niet behandeld. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen een redelijke termijn aan te vullen en te verbeteren. Aanvragen die te laat binnenkomen (minder dan de in de APV/Uitvoeringsbeleid evenementen voorgeschreven termijn) worden niet in behandeling genomen dan wel geweigerd. Deze werkwijze geldt bij alle evenementen, ook die al vaker zijn georganiseerd.
Bij alle vergunningaanvragen wordt de behandelaanpak bepaalt aan de hand van de Behandelscan Evenementen Brabant van de VRZBO. Daarna start het adviestraject. In ieder geval wanneer uit de Behandelscan Evenementen Brabant het evenement wordt geclassificeerd als een C-evenement wordt advies gevraagd aan de veiligheidsmedewerker van de gemeente, politie, veiligheidsregio en GHOR. Er wordt een multi-gedisciplineerd overleg gepland. Bij evenementen met behandelaanpak tot en met ‘B’ zal in bijzondere situaties ook advies van 1 of meerdere van de hiervoor genoemde adviseurs nodig zijn. Nadat de adviezen zijn ontvangen, wordt besloten of de vergunning wordt verleend. Zo nodig wordt hierbij de burgemeester, als portefeuillehouder openbare orde en veiligheid, betrokken. Op basis van de adviezen worden voorschriften aan het besluit verbonden.
De noodzaak voor het aanvragen van advies vraagt deskundigheid en alertheid van de medewerkers die belast zijn met de behandeling van vergunningen. Daarbij zal vooral ook veel aandacht moeten zijn voor de politieke sensitiviteit. Een ogenschijnlijk klein evenement kan maatschappelijk grote gevolgen hebben, zodat soms toch advies van een derde nodig is.
Om de deskundigheid van de medewerkers te vergroten en te borgen hebben wij eisen geformuleerd waaraan de medewerkers moeten voldoen. Deze eisen zijn opgenomen in bijlage III.
3.12.1.2 Betrokkenheid burgemeester
Ieder jaar worden meer dan honderd evenementen in de gemeente gehouden. De burgemeester wordt niet bij alle evenementen actief betrokken. De burgemeester wordt voor C-evenementen in ieder geval in kennis gesteld van aanvragen om vergunning en er vindt altijd overleg plaats met de burgemeester. Van dit overleg wordt een verslag gemaakt. Ook evenementen met een lagere behandelaanpak kunnen vanwege hun risico bestuurlijke betrokkenheid verlangen. De medewerker die belast is met de vergunningverlening zal hier aandacht voor hebben.
3.12.1.3 Planvorming en Toezicht
Het toezicht op het evenement wordt uitgevoerd door medewerkers van de gemeente en VTH. Bij grotere evenementen zullen ook de politie, veiligheidsregio en GHOR betrokken worden. Op welke wijze dit gebeurt is beschreven in bijlage V en in het Uitvoeringsbeleid evenementen.
3.12.1.4 Evaluatie
De gemeente wil leren en verbeteren. Een evaluatie maakt onderdeel uit van de cyclus voor de beoordeling van aanvragen om vergunning voor evenementen en het houden van toezicht. Dit wordt altijd uitgevoerd bij C-evenementen. Bij de evaluatie worden de organisator van het evenement en de hiervoor aan de orde gekomen hulpdiensten/adviseurs betrokken. De evaluatie wordt in een verslag vastgelegd. Bij een volgend evenement wordt de kennis en ervaring van voorgaande evenementen betrokken.
Bij nieuwe B-evenementen, die zijn bedoeld om jaarlijks terug te keren, vindt in ieder geval na het plaatsvinden van de eerste editie een volledige evaluatie plaats. De jaren daarna indien daar bij één van de partijen behoefte aan is. Dat geldt ook voor eenmalige evenementen.
3.12.2 Meerjarige vergunningen, ontheffingen en meldingen
Veel activiteiten keren jaarlijks terug, zoals optochten, buurtfeesten en andere evenementen. De gemeente heeft ervoor gekozen, indien mogelijk en bij minder risicovolle zaken, meerjarige vergunningen, ontheffingen en meldingen af te geven. De dienstverlening verbetert: voor klanten een verminderde administratieve last, minder legeskosten en geen hinder van procedures met bijbehorende doorlooptijden. Als lokale of landelijke regels meerjarige vergunningen, ontheffingen of meldingen toestaan, is het algemene uitgangspunt dat medewerking wordt verleend voor een termijn van maximaal vijf jaren.
Voor het organiseren van evenementen zijn vaak meerdere vergunningen, ontheffingen of meldingen nodig, zoals een evenementenvergunning, ontheffing Alcoholwet, melding voor tenten en een reclamevergunning. Deze vergunningen en ontheffingen al dan niet in combinatie met meldingen, verlenen wij voor maximaal vijf jaar. Deze werkwijze geldt voor evenementen die in de Behandelscan Evenementen Brabant op geen enkel onderdeel behandelaanpak C omvat. Hierbij is een aanvullende voorwaarde dat voor de eerste 3 edities dat een evenement wordt gehouden, deze ook slechts voor één jaar wordt toegestaan. Na evaluatie en een positief oordeel van alle 3 de eerder edities kan daarna, volgens onderstaande nadere voorwaarden, voor maximaal vijf jaar toestemming worden verleend.
Voor de meerjarige vergunningen, ontheffingen en meldingen geldt dat het gehele evenement in omvang en aard (exploitant/vergunninghouder, locatie, faciliteiten, et cetera) jaarlijks identiek moet zijn. Bij wijziging van één of meerdere zaken moet een nieuwe vergunning of ontheffing worden aangevraagd. Dit is in ieder geval nodig in de volgende situaties (niet limitatief):
•andere exploitant/vergunninghouder;
•andere locatie;
•bezoekersaantal of gewijzigde doelgroep/leeftijdsopbouw;
•andere tent(en);
•andere leidinggevende (bij ontheffing Alcoholwet);
•andere tijdsduur evenement.
Is voor een enkel onderdeel een nieuwe vergunning of ontheffing nodig, dan wordt deze verleend tot uiterlijk de termijn van de eerste vergunning, dus maximaal vijf jaar vanaf de eerste vergunning.
Voorbeeld: Voor een evenement is een evenementenvergunning en ontheffing Alcoholwet verleend voor de jaren 2026 tot en met 2030. Wijzigt in 2027 de leidinggevende van de ontheffing, dan moet deze ontheffing opnieuw worden aangevraagd. Deze ontheffing wordt in dit voorbeeld dan verleend tot en met 2030. Vanaf 2031 is een volledig nieuwe vergunning nodig, voor alle onderdelen.
De organisator van een evenement moet jaarlijks schriftelijk aangeven of het evenement wederom plaatsvindt, de exacte datum en een bevestiging dat de activiteit identiek is aan de eerdere vergunning of ontheffing. Een meerjarige vergunning of ontheffing kan in bijzondere omstandigheden worden ingetrokken. Intrekken kan in ieder geval als:
•blijkt dat er sprake is van substantiële wijzigingen en daarvoor geen nieuwe vergunning of ontheffing is aangevraagd;
•de voorschriften van de vergunningen niet worden nageleefd;
•er een calamiteit heeft voorgedaan;
•er serieuze klachten zijn ontvangen;
•als onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
Intrekken kan ook als de burgemeester dit om andere redenen noodzakelijk acht. Ook kunnen er vanwege bijzondere omstandigheden nadere voorschriften aan de meerjarige vergunning of ontheffing worden verbonden.
3.12.3 Standplaatsen
Voor het innemen van een standplaats is een standplaatsvergunning nodig. Standplaatsvergunningen kunnen eveneens voor een periode van vijf jaren worden verleend. In een enkele specifieke situatie, waarbij bijvoorbeeld het aantal aanvragen groter is dan de plaatsen die vergeven worden, wordt een standplaats verloot. De Beleidsregel standplaatsen is hierin leidend.
Ook voor de standplaatsvergunningen geldt dat de omvang van de standplaats, de exploitant, locatie, et cetera telkens identiek moet zijn. Wijzigt één of meerdere van deze zaken, is een nieuwe vergunning nodig. Een meerjarige vergunning kan in bijzondere omstandigheden worden ingetrokken. Ook kunnen er vanwege bijzondere omstandigheden nadere voorschriften aan de meerjarige vergunning worden verbonden.
3.12.4 Beoordelingsrichtlijnen
In 2018 hebben de burgemeesters beoordelingsrichtlijnen vastgesteld voor alcoholvergunningen (destijds nog drank- en horecavergunningen) en voor grote evenementen. Deze richtlijnen zijn in lijn met dit VTH beleid waarin het onderdeel ‘Veiligheid’ een hoge prioriteit en ‘Bruikbaarheid’ een lage prioriteit heeft. Deze beoordelingsrichtlijnen maken nu integraal onderdeel uit van dit VTH beleid (bijlage IV en V).
In paragraaf 3.12 is de werkwijze voor reguliere vergunningen en ontheffingen op basis van de APV en bijzondere wetten weergegeven. Grote evenementen vragen echter een specifieke benadering met aandacht voor bijzonderheden die dergelijke zaken met zich meebrengen. In de beoordelingsrichtlijn voor grote evenementen is dit uitgewerkt.
Voor alcoholvergunningen vindt, gelet op de maatschappelijke belangen op enkele onderdelen, zoals eisen ten aanzien van maatvoering van ruimten en de inrichting van gescheiden toiletten, geen toetsing en geen handhaving plaatsvindt bij (verenigings-)gebouwen met een beperkte omvang.
3.15 Uitgangspunten bij intrekken vergunningen en ontheffingen
3.15.1 Ambtshalve intrekken omgevingsvergunningen
In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor het intrekken van vergunningen. De gemeente wil voorkomen dat een stuwmeer aan ongebruikte omgevingsvergunningen ontstaat. Daarmee wordt ook voorkomen dat (nieuwe) planologische, stedenbouwkundige of andere inzichten over de fysieke leefomgeving doorkruist worden door vergunde, nog te realiseren of te slopen bouwwerken en het gebruik ervan. Door oude vergunningen in stand te houden kunnen projecten worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen conform verouderde (bouw)technische inzichten, verouderde milieutechnische aspecten of zelfs in strijd met nieuwe (planologische) regels. Dit vindt de gemeente ongewenst. Na verloop van een bepaalde periode worden omgevingsvergunningen geheel of gedeeltelijk intrekken.
De gronden voor het intrekken van omgevingsvergunningen zijn opgenomen in de Omgevingswet. In principe kunnen vergunning worden ingetrokken als gedurende een jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of niet gestart is met bouwen of aanleggen. Op deze termijn zijn voor sommige milieuactiviteiten uitzonderingen gemaakt (paragraaf 8.10.2 Besluit kwaliteit leefomgeving). De gemeente heeft er voor gekozen alle niet-gebruikte vergunningen in te trekken na een termijn van drie jaren. Het intrekken van omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘afwijken van het omgevingsplan (van rechtswege) (planologisch strijdig gebruik)’ zal vooraf met medewerkers Ruimtelijke Ordening worden afgestemd vanwege de mogelijkheid van nadeelcompensatie voor het intrekken van deze besluiten. Wanneer er regionaal beleid komt voor het intrekken van omgevingsvergunningen voor milieuactiviteiten zal dat beleid in plaats treden of aanvullend zijn op het intrekkingenbeleid uit deze paragraaf.
Voornemen intrekken vergunning
Voor het verstrijken van de hiervoor genoemde termijnen voor het intrekken van de vergunning, kan de gemeente de procedure tot intrekking van de vergunning starten door middel van het sturen van een voornemen tot intrekken.
Zienswijze
Voordat tot intrekking van de vergunning wordt overgegaan, wordt de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen naar voren te brengen. Zo nodig wordt het voornemen tot intrekken van de vergunning gepubliceerd.
Als de vergunninghouder niet reageert op een voornemen tot intrekking van een vergunning, wordt de vergunning ingetrokken. Bij zienswijzen wordt een belangenafweging gemaakt. Hierbij wordt beoordeeld of voldoende gronden aanwezig zijn om niet tot intrekking van de vergunning over te gaan. Van redelijke gronden is in ieder geval sprake als met concrete documenten (geaccepteerde offerte van een ondernemer die de werkzaamheden zal uitvoeren, facturen van bestelde (bouw)materialen die nodig zijn voor de uitvoering en/of in gebruik name van het werk en/of hiermee gelijk te stellen documenten) de intentie tot op korte termijn (een aantal weken) het starten met de uitvoering en/of in gebruik name van de werken aangetoond wordt.
Het ontbreken van financiële middelen of conflicten met uitvoerende partijen (architect of aannemer) leiden niet tot het afzien van intrekking van de omgevingsvergunning. In familiaire kwesties (scheiding, ziekte, overlijden) kan, indien door de vergunninghouder de reden goed wordt gemotiveerd, intrekking van de vergunning worden uitgesteld. Ook hierbij zal voldoende aannemelijk gemaakt moeten worden wanneer wel van de vergunning gebruik zal worden gemaakt.
Wanneer bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en/of een technische bouwactiviteit uitstel wordt verleend is dat slechts eenmalig en voor maximaal 1 jaar na het versturen van het voornemen tot intrekken mogelijk.
Voor het intrekken van omgevingsvergunningen voor zowel bouw als milieu en mogelijke andere activiteiten die betrekking hebben op stallen (dierenverblijven) wordt in beginsel geen uitstel verleend. Drie jaar is de maximale termijn. De regels voor stallen, zoals die in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant en de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderijen zijn opgenomen, zijn en worden vaak aangepast. Ook verschijnt er veel jurisprudentie over regels voor stallen. Vanwege deze aanpassingen en de maatschappelijke discussie over dierhouderijen (geur en fijnstof), acht de gemeente het ongewenst ongebruikte vergunningen voor stallen langer in stand te houden. In zeer bijzondere situaties kan de effectueringsdatum van een besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning in de toekomst worden gesteld. In de Omgevingsverordening heeft Provincie Noord-Brabant ook opgenomen dat ze ongebruikte natuurvergunningen of ruimte in natuurvergunningen actief gaan intrekken. Dit heeft geen invloed op het intrekken van de omgevingsvergunningen.
Hierbij wordt toegevoegd dat bij het gedeeltelijk intrekken van een omgevingsvergunning milieu in beginsel sprake zal moeten zijn van een duidelijk af te kaderen deel, bijvoorbeeld, niet limitatief, de dierbezetting van een gehele stal of een gehele diercategorie. Een (tijdelijk) lagere dierbezetting van een stal alleen is geen reden om direct tot gedeeltelijke intrekking van de vergunning over te gaan. Reden daarvoor is dat dan mogelijk juist voor het milieu minder gewenste effecten worden bewerkstelligd. Gedurende de intrekkingsprocedure kan de vergunninghouder er namelijk alsnog voor kiezen de (tijdelijk) onbenutte dierruimte volledig op te vullen. Van belang daarbij is dat er vergunningen zijn verleend voor het houden van dieren. Welke specifieke dieren dit zijn, blijkt uit de vergunning, aanvraag en voorschriften. Indien er andere diersoorten, op bijvoorbeeld dierplekken voor andere diersoorten of in een specifieke stal, zijn gehouden dan vergund of gemeld, dan is er soms wel gebruik gemaakt van de vergunning (voor het houden van dieren) maar worden de voorschriften overtreden. Er zal dan (indien van toepassing) een nieuwe vergunning aangevraagd moeten worden of een melding moeten worden gedaan. Indien er geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning, dus geen of substantieel minder dieren worden gehouden, (in hele inrichting of op stal- of afdelingsniveau) gedurende drie jaar, dan kan de vergunning geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. Het slechts tijdelijk houden van minder dieren is geen reden voor het intrekken van een vergunning. Er zal altijd een belangenafweging plaatsvinden.
Nadere termijn
Indien redelijke gronden aanwezig zijn om niet direct tot intrekking van de vergunning over te gaan, stellen wij een concrete nadere termijn (met einddatum) waarbinnen de vergunninghouder alsnog gebruik moet maken van de vergunning (dit betekent feitelijk aanvangen van of hervatten van de uitvoering van de werkzaamheden en/of ingebruikname). De nadere termijn wordt schriftelijk vastgelegd.
Als na de nader gestelde termijn geen aanvang is gemaakt met de uitvoering of hervatting van de werkzaamheden of in gebruik name van het project, wordt de vergunning alsnog ingetrokken. De procedure wordt opnieuw doorlopen, inclusief het voornemen tot intrekken van de vergunning.
3.15.2 Uitsluiting overige intrekkingsgronden omgevingsvergunningen
Het bovenstaande laat de besluitvorming over de overige in de artikelen 5.39 en 5.40 van de Omgevingswet of andere wetgeving opgenomen intrekkingsgronden onverlet.
3.15.3 Intrekken overige vergunningen en ontheffingen
Behalve in de Omgevingswet zijn ook in andere wetgeving regels opgenomen voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen. Net als voor omgevingsvergunningen geldt voor andere vergunningen en ontheffingen in het algemeen dat voorkomen moet worden dat regels en inzichten doorkruist worden door oude vergunningen of ontheffingen. Het is daarom nodig na verloop van een bepaalde periode overige vergunningen en ontheffingen geheel of gedeeltelijk in te trekken.
Tenzij wettelijk een ander minimale termijn is bepaald, kunnen overige vergunningen en ontheffingen na een termijn van één jaar worden ingetrokken. De stappen en overwegingen in de besluitvorming vinden plaats op dezelfde wijze als omschreven bij omgevingsvergunningen, vanzelfsprekend met inachtneming van de geldende wettelijke voorschriften.
3.15.4 Hardheidsclausule - belangenafweging
Het college blijft bevoegd om af te wijken van bovengenoemd intrekkingenbeleid, vooral wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen of als sprake is van urgentie en/of zwaarwegende planologische of maatschappelijke belangen.
4 Toezicht en Handhaving
4.6 Nalevingsstrategie
4.6.1. Inleiding
Naast het maken van keuzes waarop de handhavingsinspanning gericht moet worden, is ook het vastleggen van kaders en stappenplannen en het maken van afspraken van belang. Als uitgangspunt van de handhaving geldt een eenduidige lijn in het optreden tegen overtredingen.
Integrale handhaving houdt in dat gemeentelijke handhavers van diverse disciplines samenwerken en hun toezicht en handhaving zoveel mogelijk samen uitvoeren. Voor effectieve handhaving is ook structurele samenwerking en afstemming vereist tussen bestuurlijke en strafrechtelijke partners. Samenwerking kan op allerlei manieren plaatsvinden.
De noodzakelijke samenwerking wordt bevorderd door duidelijke afspraken te maken over hoe op te treden in geval van niet normconform gedrag. Dit betekent dat de handhavers in gelijke gevallen gelijk handelen en dat hun handelen transparant wordt gemaakt. Afstemming is nodig om de handhavingstaak goed te verdelen, maar ook om elkaar van de juiste informatie te voorzien. Daarnaast kan gezamenlijk optreden van bestuurlijke en strafrechtelijke partners nodig zijn. De instrumenten van het bestuursrechtelijk optreden richten zich vooral op het herstel van de situatie en op het wegnemen van de overlast. De instrumenten van het strafrecht richten zich vooral op het straffen van de overtreder en op het wegnemen van diens wederrechtelijk genoten (concurrentie)voordeel. De ene instantie versterkt het optreden van de andere. Door middel van samenwerking en duidelijke afspraken willen we de effectiviteit van de handhaving, de rechtsgelijkheid en geloofwaardigheid van de overheid en daarmee een betere naleving van de regelgeving bevorderen.
De nalevingstrategie behelst het geheel van middelen die de naleving van wetten en regels realiseren, zowel preventief en repressief. Het uiteindelijke doel van handhaving - het naleven van de wettelijke regels - kan alleen bereikt worden door het inzetten van een combinatie van beide methodes.
De preventieve dimensie bestaat uit communicatie richting burger en bedrijf, voorlichting over het VTH beleid en de prioriteiten van de gemeente en het genereren van publiciteit in de lokale media om een bredere kennisverspreiding te bewerkstelligen. De repressieve handhavingsstrategie bestaat uit toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. Binnen de repressieve handhavingsstrategie wordt gebruik gemaakt van bestuurs- en strafrechtelijke handhaving.
4.6.2 Gefaseerde handhaving
Een gefaseerde handhavingsstrategie houdt in dat het bestuursorgaan besluit om niet alle soortgelijke overtredingen tegelijkertijd aan te pakken vanwege de geringe capaciteit. In plaats daarvan wordt er op basis van een specifieke strategie een plan gemaakt om over een langdurige periode alle overtredingen aan te pakken. Hierbij ligt de nadruk op de intentie van het bevoegd gezag om alle overtredingen aan te pakken, echter in een langere periode. Gefaseerde handhaving kan alleen worden toegepast op basis van een vooraf kenbare en concrete strategie (opname selectiecriteria, planning en uitzonderingen bij acute risico’s). Indien het college veelvoorkomende problemen binnen haar gemeentelijke grondgebied wenst aan te pakken, maar niet de capaciteit beschikbaar heeft om dit tot uitvoering te brengen, dan biedt de gefaseerde handhavingsstrategie een optie.
4.7 Preventiestrategie
4.7.1 Interne en externe afstemming
Interne afstemming behelst in eerste instantie een goede afstemming tussen de vergunningverlener en de toezichthouder/handhaver. Deze afstemming is van wezenlijk belang voor een eensluidend en uniform optreden naar buiten toe. Daarnaast omvat interne afstemming de afstemming met andere organisatieonderdelen, zoals beleid.
Externe samenwerking is van belang om te komen tot een optimaal en integraal resultaat in handhavingsactiviteiten. De samenwerkende partners (omgevingsdiensten, waterschap, NVWA, politie enz.) benutten zo de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie over en weer. De externe samenwerkingsverbanden zijn in hoofdstuk 2 toegelicht.
Voor strafrechtelijke handhaving vindt afstemming en informatie-uitwisseling plaats van de politie. Zie hiervoor paragraaf 2.8.3.
4.7.2 Communicatie en voorlichting
Het college hanteert het uitgangspunt dat de eerste verantwoordelijkheid voor overtredingen bij burgers en ondernemers ligt. Uit ervaring is gebleken dat overtredingen bij burgers en ondernemers regelmatig voortkomen uit het gebrek aan kennis over de geldende wetten en regels. Door dit gebrek aan kennis beseft de overtreder vaak niet dat hij/zij in overtreding is.
4.7.2.1Informatievoorziening handhaving
Informatievoorziening over de geldende wetten en regels richting burger en ondernemer draagt bij aan hun kennis over de relevante regelgeving en hun naleefgedrag. De gemeente zal hen zoveel mogelijk informeren over handhaving in het algemeen of, indien gewenst, over specifieke onderwerpen.
4.7.2.2 Middelen
Door gebruik te maken van de (lokale) media, inclusief en vooral ook social media, kan meer aandacht worden gevestigd op de verantwoordelijkheid van de burgers en ondernemers. Door specifieke informatie over handhaving te publiceren worden burgers en ondernemers herinnerd aan hun verantwoordelijkheid en mogelijk gemotiveerd om meer informatie op te zoeken of aan te vragen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat het naleefgedrag wordt beïnvloed door simpele publicaties in lokale media.
4.8 Handhavingsstrategie
4.8.1 Inleiding
De handhavingsstrategie focust zich voornamelijk op de repressieve kant van handhaving. Zij bevat drie verschillende elementen: de toezichtstrategie per handhavingsgebied, de sanctiestrategie en de gedoogstrategie. Deze drie elementen samen vormen de basis voor het repressief handhaven binnen de gemeente. Het streven is om een eenduidige integrale aanpak te bewerkstelligen. Hiertoe zijn verschillende afspraken met externe organisaties gemaakt die gezamenlijk handhaven. De komende paragrafen geven weer op welke manier het toezicht, sanctioneren (handelen) en gedogen in onze gemeente is georganiseerd.
4.8.2 Toezichtstrategie
Toezicht geeft de mogelijkheid om de naleving van regels te bevorderen. Toezicht kan zich richten op een specifieke doelgroep waar extra aandacht voor is vereist. Tijdens een controle kan gewezen worden op eventuele gebreken of gewaarschuwd worden voor mogelijke overtredingen. Door middel van toezicht kunnen overtredingen voorkomen worden of makkelijk worden hersteld.
Toezicht en handhaving kunnen diverse grondslagen hebben. Er wordt onder meer gecontroleerd op grond van klachten, op grond van de prioriteitenlijsten en op grond van bijvoorbeeld regionale projecten.
De controles kunnen zich richten op:
•routinematige c.q. programmatische controles;
•gebiedsgerichte of thematische handhaving;
•toezicht op onderdelen (kernpunten of voorschriften);
•ketenbeheer;
•administratieve controles.
Toezichtsvorm
Toelichting
Routinematig toezicht
Systematisch toezicht op eenzelfde object, waarbij de frequentie jaarlijks wordt bepaald (afhankelijk van prioriteit en naleefgedrag)
Toezicht op tijdelijke activiteiten
Toezicht op tijdelijke activiteiten
Projectmatig toezicht
Toezicht dat zicht richt op een specifiek thema, branche etc, en een projectmatige aanpak vergt
Surveillance
Gebiedsgericht toezicht (bijv. parkeertoezicht)
Administratief toezicht
Beoordelen administratieve bescheiden alsmede toezicht via internet
Controle n.a.v. klacht /melding /verzoek om handhaving
De concrete toezichtniveaus zijn opgenomen in bijlage II.
Routinematige c.q. programmatische controles worden in beginsel altijd aangekondigd, tenzij er een belangrijke reden is om af te zien van aankondiging. Een hercontrole wordt in beginsel niet aangekondigd, tenzij er een belangrijke reden is om de hercontrole wel aan te kondigen.
Toezicht dient programmatisch te worden opgezet aan de hand van het jaarlijkse door het college vastgestelde uitvoeringsprogramma. Het toezicht wordt hierbij in sterke mate bepaald door de prioriteit toekenning. De gegeven prioriteit bepaalt hoe vaak (frequentie) geïnspecteerd wordt, op welke thema’s en met welke diepgang, of in het kader van surveillances, op welke aspecten specifiek gelet wordt.
4.8.3 Toezicht door de ODZOB
De wijze van beoordelen van omgevingsvergunningen (milieu) en meldingen voor inrichtingen en het houden van toezicht op inrichtingen en asbest- en sloopwerkzaamheden is vastgelegd in regionaal beleid (ROK VTH) en daarom niet meer opgenomen in dit VTH beleid. Zie hiervoor paragraaf 2.6. De diepgang van controles, controlefrequenties etc. zijn in het regionale beleid vastgelegd. De gemeente sluit hierbij aan. Het controleprogramma wordt daarop gebaseerd.
Consignatiedienst
Calamiteiten, rampen en situaties waarbij overlast door bedrijven wordt ervaren, houden zich niet aan kantooruren. En juist als er acuut gevaar dreigt is het van groot belang dat er altijd deskundigen klaar staan om maatregelen te nemen en de omgeving te informeren. De consignatiedienst van de ODZOB pakt dit voor alle deelnemers op. Met de ODZOB zijn afspraken gemaakt wanneer direct actie wordt ondernomen of wanneer de melding alleen wordt geregistreerd. Wanneer direct handhavend optreden noodzakelijk is zijn de medewerkers van de ODZOB daartoe gemandateerd.
Als het niet bij een incident blijft, maar sprake is van een calamiteit volgens GRIP-structuur of ramp, wordt de consignatiedienst ingeschakeld bij de bestrijding ervan voor het deelproces milieubeheer in samenwerking met partners als de brandweer, politie en GGD.
4.8.4 Sanctiestrategie
Als algemene handhavingsstrategie maakt onze gemeente gebruik van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (hierna: LHSO). Deze strategie is ontwikkeld vanuit het milieurecht, met oog voor het bredere omgevingsrecht, en heeft in eerste instantie betrekking op de Omgevingswet. Toepassing van de LHSO leidt tot afgestemd en effectief bestuursrecht en/of strafrechtelijk handelen. De ODZOB past de LHSO eveneens toe bij de voorbereiding en uitvoering van basis- en verzoektaken die voor de gemeente worden uitgevoerd.
Voor het bepalen van de bestuursrechtelijke acties, de begunstigingstermijn en de hoogte van de sanctie wordt gebruik gemaakt van de bij de LHSO behorende ‘Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen’ en de bijbehorende bijlage ‘Leidraad dwangsombedragen en begunstigingstermijnen’. Deze leidraden ondersteunen bij het motiveren van de begunstigingstermijn en de evenredigheid van de hoogte van de last. De leidraad benoemt veelvoorkomende overtredingen en bevat standaard begunstigingstermijnen en standaard dwangsombedragen. Wanneer een overtreding niet voorkomt in de leidraad wordt aangesloten bij de overtreding die het meest op de geconstateerde situatie lijkt. Wanneer de overtreding niet voorkomt in de leidraad wordt aansluiting gezocht bij de overtreding die het meest op de geconstateerde overtreding lijkt.
Conform de werkafspraken VTH worden overtreders geïnformeerd over aankomende aanschrijvingen. Daarbij wordt uitleg gegeven over het vervolg.
Begunstigingstermijn - uitgangspunten en uitzonderingen
Als uitgangspunt geldt dat de begunstigingstermijn, op verzoek, wordt verlengd tot maximaal zes weken na het besluit op bezwaar. Verlenging tot na het besluit op bezwaar wordt in de regel redelijk geacht. In bijzondere gevallen wordt echter van dit uitgangspunt afgeweken en wordt de begunstigingstermijn niet verlengd. Dit kan het geval zijn wanneer de omstandigheden vragen om sneller herstel of directer optreden. Bij deze beoordeling worden onder meer betrokken: de aard en ernst van de overtreding, de risico’s of mogelijke schade, de noodzaak van tijdig herstel en andere zwaarwegende maatschappelijke of bestuurlijke belangen.
Verzoeken om de begunstigingstermijn te verlengen tot na de uitspraak op beroep of hoger beroep worden in beginsel afgewezen.
4.8.5 Gedoogstrategie
In beginsel treedt het college op tegen iedere overtreding. Afwijken van deze handhavingslijn kan alleen bij bijzondere omstandigheden en wordt gemotiveerd vastgelegd. Ook wordt slechts onder bijzondere omstandigheden van handhaving afgezien (gedogen). Passief gedogen houdt in dat stilzwijgen wordt afgezien van handhaving. Actief gedogen betekent dat het bestuur uitdrukkelijk te kennen geeft niet te zullen optreden. Indien besloten wordt te gedogen, gebeurt dit nooit passief, maar actief, en wel schriftelijk door het opstellen van een gedoogbeschikking. Hierdoor is gedogen openbaar en wordt de motivering kenbaar. Aan een gedoogbeschikking worden voorschriften verbonden die een verantwoorde situatie garanderen en is bovendien tijdelijk van aard.
4.8.6 Betrokkenheid portefeuillehouder
In de gemeente worden jaarlijks meerdere bestuurlijke handhavingsprocedures gestart en gevoerd. Bestuurlijke betrokkenheid is van belang. De portefeuillehouder wordt geïnformeerd wanneer een handhavingsprocedure formeel wordt gestart, dus voordat het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom of het voornemen tot het toepassen van bestuursdwang wordt verstuurd.
Dit moet in ieder geval wanneer de waarschuwingsbrief is verstuurd, er geen (re)actie heeft plaatsgevonden en er dus een handhavingstraject gaat lopen. Bij mogelijk bestuurlijk gevoelige zaken wordt de portefeuillehouder eerder geïnformeerd. Hiervoor wordt van de juridische medewerkers een bestuurlijke sensitiviteit verwacht. De bestuurlijke informatievoorziening laat de feitvaststelling, juridische kwalificatie en belangenafweging in het individuele dossier onverlet.
4.9 Uitgangspunten bij Wkb
4.9.1 Tijdig, volledig én juist
Wanneer tijdig, volledig én juist is voldaan aan de 2 vereiste meldingsplichten (bouw- en gereedmelding) vindt in beginsel alleen de administratieve controle, zoals beschreven in paragraaf 3.11 van dit VTH beleid, plaats. Er wordt geen verdere informatie opgevraagd en er wordt ook niet ter plaatse gecontroleerd. Bij concrete signalen/risico’s kan aanvullend toezicht alsnog plaatsvinden.
Mocht gedurende het proces blijken dat er zaken toch fout (lijken) te gaan, dan kan de gemeente alsnog inhoudelijk meekijken of de bouwlocatie bezoeken. Ook voor themacontroles, zoals bijvoorbeeld op breedplaatvloeren of galerijen/balkons, of wanneer specifieke omgevingsrisico’s aan de orde zijn, zoals bij activiteiten die voor gevolgen kunnen hebben voor omliggende percelen, kan de gemeente alsnog controles uitvoeren en dus een inhoudelijke beoordeling maken. De gemeente blijft immers bevoegd om waar nodig handhavend op te treden. Themacontroles en specifieke omgevingsrisico’s kunnen ook aanleiding geven om vooraf informatie op te vragen over de bouwactiviteit.
4.9.2 Niet, niet tijdig, niet volledig en/of niet juist
Wanneer niet, niet tijdig, niet volledig en/of niet juist is voldaan aan de 2 vereiste meldingsplichten (bouw- en gereedmelding) kunnen er vanuit de gemeente toezicht- en/of handhavingstaken uitgevoerd worden. Wanneer de meldingen niet, niet tijdig, niet volledig en/of niet juist zijn wordt daar als volgt mee omgegaan:
Bouw- of gereedmelding ontbreekt of is niet volledig
Als de bouw- of gereedmelding onvolledig is, dan wordt de melding geacht niet te zijn gedaan. De initiatiefnemer wordt op de hoogte gesteld van een onvolledige melding, met het verzoek een volledig nieuwe melding in te dienen (niet aanvullen). Er is een bouwverbod of een verbod tot ingebruikname, zolang de gemeente niet heeft bevestigd dat de melding volledig is.
Wanneer geconstateerd wordt dat er wel een omgevingsplanactiviteit is vergund, maar een (volledige) bouwmelding ontbreekt en er toch gestart wordt met de bouwwerkzaamheden of het pand in gebruik genomen wordt zonder (volledige) gereedmelding, wordt handhavend opgetreden. Bij het starten van de bouwwerkzaamheden zonder (volledige) melding wordt via bestuursdwang een bouwstop opgelegd, vergezeld van een voorgenomen last onder dwangsom. Wanneer een pand in gebruik wordt genomen zonder dat een gereedmelding is gedaan, inclusief dossier bevoegd gezag, of als wel een gereedmelding is gedaan en die, of het daarbij horend dossier bevoegd gezag, is nog niet volledig, wordt een voorgenomen last onder dwangsom opgelegd, om in gebruikname te staken tot de gereedmelding alsnog (volledig) is gedaan. Daarnaast wordt als het dossier bevoegd gezag niet direct volledig wordt ingediend alsnog een inhoudelijke beoordeling van het dossier gemaakt en kan de gemeente als het dossier daar aanleiding toe geeft een controle ter plaatse uitvoeren.
Bouw- of gereedmelding is niet juist
Als uit een melding blijkt dat er strijdigheden zijn, dat er bepaalde risico’s niet worden benoemd en/of dat risico’s onvoldoende zijn geborgd in het borgingsplan, kan dat voor de gemeente reden zijn om ter plaatse te gaan kijken. De start van de bouw of de ingebruikname kan tegen worden gehouden als niet aan de regels wordt voldaan.
Bouw- of gereedmelding is te laat
Wanneer binnen de termijn voor de beoordeling van de bouwmelding (4 weken) of de gereedmelding (2 weken) gestart wordt met de bouwwerkzaamheden dan wel het pand in gebruik wordt genomen zal conform hetgeen is omschreven bij het niet of niet volledig indienen van een melding handhavend worden opgetreden.
Niet voldaan aan informatieplicht
Er worden door de gemeente geen toezichts- of handhavingstaken uitgevoerd wanneer de gemeente niet wordt geïnformeerd over de startdatum van de bouwwerkzaamheden of beëindiging van de bouwactiviteiten. Voor de BAG-registratie houdt de gemeente, bij het niet voldoen aan de informatieplicht, de start en beëindiging zelf in de gaten op basis van verplichte meldingen.
4.9.3 Overige constateringen
Bouwmelding te vroeg
Een bouwmelding mag maximaal 12 maanden voor de start van de bouwwerkzaamheden worden ingediend. Wordt er gestart met de bouwwerkzaamheden na de periode van 12 maanden dan is er geen sprake meer van een melding en wordt gehandeld conform het bovenstaande geldt voor het niet indienen van een bouwmelding.
Wijzigingen gedurende bouwperiode
Wanneer er wijzigingen optreden ten opzichte van de ingediende bouwmelding moet dat gemeld worden bij de gemeente. Dit kan bijvoorbeeld gaan over het tussentijds overstappen naar een andere kwaliteitsborger of het wisselen van het instrument van kwaliteitsborging. Worden deze wijzigingen niet gemeld en er wordt geconstateerd dat niet conform de ingediende melding wordt gehandeld wordt handhavend opgetreden door het opleggen van een bouwstop, vergezeld van een voorgenomen last onder dwangsom.
Bouwen zonder kwaliteitsborger
Wanneer geconstateerd wordt dat er bouwwerkzaamheden plaatsvinden zonder dat een kwaliteitsborger is aangesteld, wordt een bouwstop opgelegd, vergezeld van een voorgenomen last onder dwangsom.
Twijfels over kwaliteit
Bij concrete twijfels over de prestatie van de aangestelde kwaliteitsborger wordt door de gemeente een melding gedaan bij de instrumentaanbieder (de eerstelijns toezichthouder op de kwaliteitsborger). Als daar onvoldoende respons uit volgt wordt door de gemeente een melding gedaan bij de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw. Bij concrete twijfels over de kwaliteit van de bouw, vraagt de gemeente in eerste instantie per brief extra informatie op bij de initiatiefnemer. Dit mag de gemeente doen op basis van de Awb en artikel 2.20 van het Bbl.
Pas als de gemeente niet tevreden is met de reactie hierop (of er komt geen reactie), gaat de gemeente over tot fysiek toezicht. Dit kan uiteindelijk resulteren in handhavend optreden door het (gedeeltelijk) stilleggen van de bouw (bij moeilijk onomkeerbare werk zoals een constructie) of het nemen van een besluit met verbod op ingebruikname van het bouwwerk.
Gelijkwaardige voorziening of geen gevolgklasse 1
Als een kwaliteitsborger constateert dat een bouwwerk niet (langer) voldoet aan de definitie van gevolgklasse 1 dan kan de kwaliteitsborger het project niet uitvoeren en wordt dit meegedeeld aan de initiatiefnemer. In dat geval moet de initiatiefnemer bij de gemeente een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit aanvragen of de werkzaamheden in overeenstemming brengen met gevolgklasse 1.
Komen partijen pas na de start er achter dat een bouwwerk geen gevolgklasse 1 is, bijvoorbeeld door de noodzaak een gelijkwaardige maatregel toe te moeten passen voor brand of constructies, dan moet de kwaliteitsborger zich terugtrekken uit het project en vervalt de bouwmelding. De kwaliteitsborger moet dit ook melden aan de gemeente. Vervolgens moet er alsnog een omgevingsvergunning een bouwactiviteit worden aangevraagd bij de gemeente en ligt de bouw stil totdat de omgevingsvergunning is verleend en in werking is getreden.
Er volgt een formele bouwstop in combinatie met het opleggen van een last onder dwangsom om te voorkomen dat er toch wordt doorgebouwd zonder de benodigde omgevingsvergunning. Dit maakt het mogelijk om direct handhavend op te treden bij overtreding van de last.
Strijdigheid Bbl
De kwaliteitsborger is verplicht de gemeente te informeren als een strijdigheid met het Bbl is ontdekt die niet meer voor gereedmelding (staat los van de oplevering van een bouwwerk) wordt opgelost en dus een verklaring van de kwaliteitsborger tegenhoudt. De gemeente gaat ter plaatse samen met de kwaliteitsborger en initiatiefnemer dan wel aannemer naar de strijdigheid kijken. Afhankelijk van de aard van de strijdigheid vraagt de gemeente in een brief op hoe de initiatienemer van plan is het probleem op te lossen. Maar, als (al direct) blijkt dat er sprake is van een onherstelbaar feit, dan laat de gemeente in een brief weten of hier wel of niet op gehandhaafd gaat worden. Waar het gaat om constructieve veiligheid (sterkte, stijfheid en stabiliteit), gebruiksveiligheid (vallen en overbruggen van hoogteverschillen) en/of brandveiligheid (voorkomen van brand, detecteren/waarschuwen, vluchten/redden, blussen) treedt de gemeente in beginsel handhavend op. Als besloten wordt wél te handhaven, zegt de gemeente daarmee in feite “zoek maar een oplossing”, want de gemeente gaat de gereedmelding zonder verklaring van de kwaliteitsborger dan niet accepteren, wat ingebruikname in de weg staat. De bouw wordt in dat geval stilgelegd en de initiatiefnemer moet of alsnog de strijdigheid ongedaan maken of middels gelijkwaardigheid aantonen dat het bouwwerk alsnog kan voldoen aan de wet- en regelgeving.
Uitgangspunt hierbij is dus dat er wordt gehandhaafd waar het gaat om veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. Er zijn verschillende mogelijkheden om handhavend op te treden. Zo kan de gemeente de ingebruikname tegenhouden zolang niet aan de regels wordt voldaan. Bij sommige overtredingen is dit echter een te zwaar middel, bijvoorbeeld bij alleen het ontbreken van bepaalde documenten in bouwdossier. Dan is bijvoorbeeld het opleggen van een dwangsom een geschikter handhavingsinstrument. Alleen wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden kan van de handhavingslijn afgeweken worden. Van handhaven kan worden afgezien als de afwijking disproportioneel is gezien de grootte van het onherstelbare feit. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij kleine afwijkingen van het Bbl, gevallen waarbij geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid is of de gemeente het vertrouwen heeft dat de strijdigheid alsnog wordt hersteld of opgelost.
De gemeente moet in de praktijk ervaring gaan opdoen wanneer afwijkingen ontoelaatbaar zijn en ingebruikname niet wordt toegestaan. Elke situatie daartussen is grijs gebied en wordt van geval tot geval beoordeeld, net als dat ook zo was voor inwerkingtreding van de Wkb. Hierbij legt de gemeente goed vast hoe in deze situatie zijn afgehandeld. Met als doel vergelijkbaar en navolgbaar handelen in vergelijkbare situaties (gelijke monniken, gelijke kappen principe), wat nu voor al handhaving het uitgangspunt is.
Verklaring kwaliteitsborger ontbreekt
Onderdeel van een volledige gereedmelding is een verklaring van de kwaliteitsborger. Wanneer een verklaring ontbreekt, omdat de kwaliteitsborger geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft dat het bouwwerk voldoet aan de wet- en regelgeving, wordt eerst nagegaan of de kwaliteitsborger eerder in het bouwproces de gemeente al heeft geïnformeerd over afwijking. Is dat niet gemeld dan zal een melding worden gedaan over de kwaliteitsborger bij de toelatingsorganisatie kwaliteitsborging bouw. Het is vervolgens aan initiatiefnemer om aan te tonen dat op een andere manier aan de wet- en regelgeving is voldaan.
Is de gemeente wel geïnformeerd over de afwijking en de gemeente heeft aangegeven niet te handhaven op die afwijking dan staat het ontbreken van de verklaring ingebruikname niet in de weg. De gemeente zal in deze gevallen overgaan tot het opstellen van een maatwerkvoorschrift ingebruikname.
Maatwerkvoorschrift ingebruikname
Wanneer de kwaliteitsborger door een afwijking geen verklaring kan afgeven kan de gemeente de gereedmelding niet accepteren. Het pand mag dan niet in gebruik worden genomen. Omdat het verbod op ingebruikname niet altijd proportioneel is ten opzichte van het doel van de regels waaraan niet wordt voldaan kan de gemeente een maatwerkvoorschrift stellen om ingebruikname alsnog toe te staan. Het stellen van een maatwerkvoorschrift gebeurt alleen als door initiatiefnemer hier gemotiveerd om wordt verzocht. Gemotiveerd moet worden waarom de afwijking onherstelbaar is en waarom herstel van de afwijking disproportioneel zou zijn. De gemeente gaat uitsluitend over tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als de afwijking gedurende het bouwproces is gemeld en de gemeente daarop heeft aangegeven niet te handhaven. In een maatwerkvoorschrift wordt vermeld waarom het bouwwerk niet voldoet aan de wet- en regelgeving en wordt een afweging opgenomen waarom herstel disproportioneel zou zijn. Het maatwerkvoorschrift wordt conform de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen geregistreerd (Wkpb).
Overige
Wanneer bovengenoemde handelswijze geen oplossing biedt voor een ontstane situatie wordt per geval beoordeeld hoe daar mee om te gaan. Er wordt in dat geval gezamenlijk met de kwaliteitsborger en/of aannemer e/of initiatiefnemer gezocht naar een oplossing.
Handhavingsverzoeken over bouwactiviteiten kunnen aanleiding geven om (steekproefsgewijs) controles uit te voeren.
4.9.4 Gefaseerde ingebruikname
Bij woningbouwprojecten is het gebruikelijk dat een deel van de woningen al in gebruik wordt genomen voordat het gehele project gereed is. De gereedmelding in het kader van de Wkb kan pas worden gedaan als het gehele project is afgerond. Dat betekent dat woningen die eerder klaar zijn niet al eerder in gebruik genomen kunnen worden. Om dit te voorkomen kan bij gefaseerde gereedmelding voor elk afzonderlijk bouwwerk een gereedmelding worden ingediend. Per afzonderlijk bouwwerk kan de gereedmelding dan worden geaccepteerd en mag dat bouwwerk in gebruik worden genomen. Ondanks dat deze manier van werken meer administratieve lasten met zich mee brengt, is dit wettelijk gezien wel de enige mogelijkheid.
4.16 Uitgangspunten bij afvaldumping
4.16.1 Op heterdaad
De overtreder krijgt een strafrechtelijke boete. Hierbij worden geen bestuursrechtelijke maatregelen ingezet.
4.16.2 Buiten heterdaad
Huishoudelijk en bedrijfsmatig (zwerf)afval
Wanneer huishoudelijk afval, bedrijfsafval of zwerfafval buiten heterdaad wordt aangetroffen op plekken en locaties waar dat niet is toegestaan, wordt daarvan een foto gemaakt (voordat het wordt verplaatst). Vervolgens wordt het afval ter plaatse doorzocht op persoonsgegevens. Als ter plaatse doorzoeken niet mogelijk is wordt het afval afgevoerd naar de gemeentewerf dan wel milieustraat. Op de gemeentewerf dan wel milieustraat wordt het opgeruimde afval alsnog doorzocht op persoonsgegevens. Wanneer persoonsgegevens aan worden getroffen die naar iemand herleid kunnen worden, wordt de volgende procedure gevolgd:
•De toezichthouder stelt een proces-verbaal van bevindingen op met daarbij de gemaakte foto(‘s);
•De op basis van het proces-verbaal van bevindingen opgestelde beschikking tot het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang wordt toegezonden aan de overtreder. Hierin wordt ook omschreven welke maatregelen zijn getroffen en hoe kosten worden verhaald.
•De invorderingsbeschikking met daarin de verplichting tot het betalen van de kosten wordt aan de overtreder verzonden.
Tegen zowel de bestuursdwang- als invorderingsbeschikking staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. Bij de spoedeisende bestuursdwang kan bestuursdwang worden toegepast zonder voorafgaande last. De schriftelijke vastlegging/kennisgeving volgt dan zo spoedig mogelijk.
Grof vuil
Wanneer meubelen, witgoed of ander grof huishoudelijk afval buiten heterdaad wordt aangetroffen op plekken en locaties waar dat niet is toegestaan, wordt via buurtonderzoek nagegaan of de overtreder achterhaald kan worden. Vervolgens wordt een proces-verbaal van bevindingen opgesteld door de toezichthouder. Daarbij word een foto gevoegd van het geconstateerde afval. Daarna wordt het afval afgevoerd naar de gemeentewerf dan wel milieustraat. Wanneer achterhaald is wie de overtreder is, wordt vervolgens dezelfde procedure gevolgd als hierboven genoemd bij ‘buiten heterdaad’.
Ander afval
Bovenstaande werkwijze geldt niet voor asbest- of drugsafval, gevaarlijke stoffen of ander speciaal afval. Hiervoor wordt per geval bekeken op welke wijze dat aangepakt wordt, dan wel wordt wanneer er sprake is van calamiteuze stoffen het protocol van de ODZOB gevolgd.
4.16.3 Kosten
Van kostenverhaal wordt uitsluitend afgezien als degene van wie de persoonsgegevens zijn aangetroffen aannemelijk heeft gemaakt dat hij de overtreding niet heeft begaan.
Op basis van de Awb moeten voor het toepassen van spoedeisende bestuursdwang de door de gemeente gemaakte kosten worden berekend en moeten de te verhalen kosten bij overtreding worden vastgesteld. Het te verhalen bedrag mag niet hoger zijn dan de gemaakte kosten. De kosten die gemaakt worden bestaan uit het doorzoeken en opruimen van het afval en uit het opstellen van de bestuursdwang- en kostenverhaalbeschikking. Omdat de kosten van spoedeisende bestuursdwang hoger zijn dan wanneer een strafrechtelijke of bestuurlijke boete gegeven zou worden, wordt voor de kosten die bij spoedeisende bestuursdwang betaald moeten worden aangesloten bij de boetebedragen die voor de betreffende overtreding zijn opgenomen in de boetebase van het Openbaar Ministerie en in onderdeel C van het ‘Besluit bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte’. Als beleidsmatige matiging kan (gemotiveerd) worden afgezien van volledig kostenverhaal en kan een lager bedrag worden vastgesteld, mits dit binnen het wettelijk kader van kostenverhaal past.
Waar het gaat om ‘ander afval’ geldt dit kostenverhaal niet. Hierbij zal per overtreding bekeken worden welke kosten in rekening gebracht worden bij overtreder.
4.16.4 Mandaat
Het college is bevoegd tot toepassing van (spoedeisende) bestuursdwang. De uitvoering en besluitvorming zijn conform de (specifieke) mandaatregeling(en) gemandateerd aan de medewerkers van de gemeente. De toezichthouders die het afval doorzoeken en een proces-verbaal opmaken bij het aantreffen van persoonsgegevens zijn echter in dienst van Samenwerking Kempengemeenten. De gemeentelijke mandaatregeling is daarom niet op hen van toepassing. Via de ‘Mandaatregeling VTH-taken Samenwerking Kempengemeenten’ zijn zij wel gemandateerd tot het doorzoeken van het afval en het opruimen. De toezichthouders of andere medewerkers van Samenwerking Kempengemeenten zijn echter niet gemandateerd voor ook het versturen van het besluit tot het toepassen van de spoedeisende bestuursdwang bij specifiek afval. Omdat het wel efficiënt is de uitvoering en het versturen van het besluit bij elkaar te houden wordt via de ‘Mandaatregeling VTH-taken Samenwerking Kempengemeenten’ de bevoegdheid tot specifiek het toepassen van spoedeisende bestuursdwang bij afval aan de medewerkers van Samenwerking Kempengemeenten gemandateerd. Besluiten tot invordering zijn reeds gemandateerd aan de invorderingsambtenaar. Dit blijft zo.
4.16.5 Evaluatie
Eind 2026 wordt deze werkwijze geëvalueerd. Gekeken wordt dan of deze werkwijze efficiënte afhandeling van afvaldumpingen mogelijk heeft gemaakt. Wanneer dit niet blijkt te zijn zal worden onderzocht of het opleggen van een bestuurlijke boete, door opnemen in de Afvalstoffenverordening, tot een meer efficiënte aanpak kan leiden.
Bij de evaluatie wordt ook nagegaan in hoeverre de extra werkzaamheden cq administratieve lasten die uitgevoerd moeten worden voor het verhalen van de kosten van de spoedeisende bestuursdwang opwegen tegen de inkomsten hiervan.
5 Bezwaar en beroep
5.5 Uitgangspunten bij bemiddeling
5.5.1 Bemiddeling bij vergunningen (bezwaar en beroep)
Omdat het voorkomen en oplossen van geschillen de voorkeur heeft boven juridische procedures, wordt bij bezwaar en rechtstreeks beroep tegen vergunningen in beginsel geprobeerd om via overleg (bemiddeling) tot een oplossing te komen. Dit gebeurt in ieder geval tot het moment dat de zaak wordt behandeld in de bezwaarschriftencommissie van de gemeente dan wel tot aan de zitting van de rechtbank. Bemiddeling vindt uitsluitend plaats op vrijwillige basis en laat de rechtspositie en procesrechten van partijen onverlet.
5.5.2 Overleg bij handhavingszaken
Bij handhavingszaken wordt tot aan het moment van verzenden van het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom in beginsel geprobeerd om via overleg een overtreding ongedaan te laten maken. Na verzending van het voornemen staat de formele procedure centraal. Dit neemt niet weg dat ingediende zienswijzen aanleiding kunnen geven tot nader overleg, bijvoorbeeld ter verduidelijking van feiten of het bespreken van herstelmogelijkheden. Het doel hiervan is een zorgvuldige besluitvorming. Het overleg laat de formele besluitvorming en de verdere voortgang van het handhavingstraject onverlet.
7 Beleidscyclus en Kwaliteit
7.2 Beleidscyclus , procescriteria en borging van middelen
7.2.1 VTH beleid
Dit VTH beleid is het beleidsdocument zoals bedoeld in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit, waarin gemotiveerd is aangegeven welke doelen het college zich stelt bij de uitvoering en handhaving. In dit VTH beleid is aangegeven hoe wij de activiteiten zullen uitvoeren.
Het Uitvoeringbeleid betekent zoeken naar evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit. De taken kunnen op verschillende uitvoeringsniveaus worden gerealiseerd. Aan elk uitvoeringsniveau hangt een prijskaartje en wordt vooral bepaald door de inzet van personele capaciteit. Aan elk uitvoeringsniveau hangt ook een risicoprofiel. Afhankelijk van het uitvoeringsniveau worden bepaalde risico’s wel of niet gedekt. In de hoofdstukken 3 tot en met 6 zijn doelen per onderdeel bepaald. In het jaarlijks vast te stellen uitvoeringsprogramma komt dit tot uitdrukking.
Kortom er wordt gezocht naar de kritische massa of kritieke massa personeel. Dit is de minimale hoeveelheid personeel die nodig is om de taken adequaat te kunnen uitvoeren. Deze kritieke massa voor personeel heeft betrekking op vakmanschap. Hiermee wordt bedoeld dat de uitvoeringsorganisaties zorgen voor de aanwezigheid van:
•Voldoende opgeleide werknemers;
•Voldoende ervaren werknemers;
•Kennis voor het uitoefenen van de wettelijk gestelde eisen;
•Onderhouden en borgen van bovengenoemde punten.
Een cyclus van continue procesverbetering hoort hierbij volgens het volgende figuur.
Voor de medewerkers zijn, zoals hiervoor genoemd, diverse protocollen en werkprocessen vastgelegd (zie ook hoofdstuk 6). Deze geven een uniform beeld van de procedures die de gemeente hanteert voor verschillende situaties over vergunningen, toezicht en handhaving.
7.2.2 Uitvoeringsprogramma
Jaarlijks zal het college dit VTH beleid vertalen in een Uitvoeringsprogramma. Hierin wordt aangegeven welke van de voorgenomen activiteiten uitgevoerd gaan worden: wat gaan we doen? De prioriteiten die zijn gesteld in dit VTH beleid zijn hiervoor de basis. De gemeenteraad wordt geïnformeerd over het uitvoeringsprogramma.
7.2.3 Uitvoering
Een groot deel van de VTH-taken worden voor de gemeente uitgevoerd of gecoördineerd door Samenwerking Kempengemeenten. De volgende taken uit de kwaliteitscriteria worden door de gemeentelijke organisatie zelf uitgevoerd:
•Groen en ecologie;
•Stedenbouw en inrichting openbare ruimte;
•Grondexploitatie en planeconomie;
•Cultuurhistorie.
Ook de juridische handhaving en de taken rondom bezwaar en beroep worden uitgevoerd en gecoördineerd door de gemeentelijke organisatie zelf.
De gemeente richt de eigen organisatie zodanig in dat een adequate en behoorlijke uitvoering van deze taken gewaarborgd is. Hierbij borgt de gemeente de personeelsformatie, functiescheidingen en de bereikbaarheid binnen en buiten kantooruren.
7.2.4 Monitoring, Evaluatie en Jaarverslag
Vanuit het Omgevingsbesluit (artikel 13.11) is het verplicht om het VTH beleid en het jaarlijkse uitvoeringprogramma te evalueren en monitoren. Gedurende het jaar wordt middels een tussentijdse rapportage gemonitord of het mogelijk is om de gestelde doelen te halen of dat er bijgestuurd moet worden. Jaarlijks wordt via het jaarverslag gemonitord of de gestelde doelen zijn behaald. Door beide wordt ervoor gezorgd dat de taakuitvoering transparant is. Punten uit de evaluatie van het uitvoeringsprogramma en uit het jaarverslag worden meegenomen om dit VTH beleid actueel te houden.
In het Omgevingsbesluit worden nadere regels gegeven over de vereisten ten aanzien van monitoring van de VTH-taken. Het kwaliteitssysteem heeft tot doel het adequate proces te borgen, de efficiency en het kwaliteitsniveau te verhogen en de monitoring en rapportage te vereenvoudigen. Deze monitoring is meer op inhoud gericht en wordt periodiek gemonitord op basis van de indicatoren die genoemd zijn in het interne controleplan.
7.2.5 Borging van middelen
Voor de uitvoering van dit VTH beleid zorgt de gemeente er voor, conform artikel 13.10 van het Omgevingsbesluit, dat de benodigde en beschikbare financiële en personele middelen inzichtelijk zijn. In de begroting van de gemeente en de begroting van de Samenwerking Kempengemeenten zijn in hoofdlijn de beschikbare middelen inzichtelijk. In het jaarlijks door het college vast te stellen uitvoeringsprogramma wordt gespecificeerd welke middelen nodig en beschikbaar zijn voor de concrete uitvoering van de VTH-taken. De keuzes in het uitvoeringsprogramma zijn gebaseerd op dit VTH beleid en worden gestructureerd opgepakt op basis van de beleidscyclus zoals hiervoor beschreven.
De gemeente gaat zorgvuldig om met de arbeidscapaciteit en zet deze op de meest efficiënte manier in. Niet voor alle aandachtsgebieden heeft de gemeente capaciteit in huis om de taken uit te kunnen voeren. Er zal altijd een duidelijke afweging gemaakt worden tussen de prioriteiten, de kennis & capaciteit en de minimale wettelijke verplichte taken. Deze drie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Elk jaar wordt gekeken welke taken minimaal verricht moeten worden en of de beschikbare capaciteit (opleiding en fte) en de financiën daarin voorzien. Zo nodig wordt de gemeenteraad om extra middelen gevraagd.
7.2.6 Schema beleidscyclus (informatief)
Verordening Kwaliteit Vergunningen, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht
Uitvoeringsbeleid Kwaliteit Vergunningen, Toezicht en Handhaving
Uitvoeringsprogramma Vergunningen, Toezicht en Handhaving
Rapportages (interne controle kwaliteit)
Jaarverslag
Bijlage I Toetslijsten vergunningen
Voor de beoordeling van aanvragen om vergunning en de daarbij ingediende gegevens en het houden van toezicht, heeft het college het volgende concrete uitgangspunt vastgesteld:
Gegevens en werken van en door deskundigen worden alleen steekproefsgewijs getoetst en daarop wordt ook steekproefsgewijs toezicht gehouden, tenzij er aanleiding is die een andere aanpak rechtvaardigt. De aanleiding kan zijn dat de locatie of het onderwerp een uitgebreidere toets vereist of uit steekproeven blijkt dat gegevens en werken voor een specifieke activiteit of van bepaalde ondernemer vaker niet correct zijn uitgevoerd.
Wanneer uit bovenstaand uitgangspunt een aanleiding aanwezig is dat een toets of toezicht moet plaatsvinden, worden onderstaande niveaus gehanteerd. De steekproef wordt uitgevoerd voor ca. 15% van de zaken.
Voor het uitvoeren van de toetsmatrix hebben wij in vervolg op hetgeen vermeld in paragraaf 1.6 toezicht-matrixen opgesteld die hiervan zijn afgeleid. We kennen de niveaus 0 t/m 3: van geen uitvoering (0) tot hoge bestuurlijke prioriteit (3).
B1.1Toets Besluit bouwwerken leefomgeving
Voor de toetsing aan het Bbl is een onderscheid gemaakt in verschillende categorieën bouwwerken. Niet elk gebouwtype heeft bestuurlijk gezien en ook op basis van een risicoanalyse eenzelfde prioriteit. Het “rendement” van het uitgebreid toetsen van een publiek toegankelijk bouwwerk, zoals een gemeenschapshuis, is groter dan dat van een berging. Daarom is een onderscheid gemaakt in verschillende bouwwerktypen. Door een indeling in zes gebouwtypen wordt vervolgens “het rendement” van de toetsing bepaald. In onderstaande tabel is het onderscheid weergegeven.
Type
Omschrijving
Rendement
A
Publiek toegankelijke bouwwerken, bruggen, tunnels, windmolens e.d. en exceptionele bouwwerken
Hoog
B
Bedrijfsmatige bouwwerken met hoge gebruiksintensiteit en projectmatige nieuwbouw woningen
C
Particuliere nieuwbouw woningen en bedrijfsgebouwen (kantoor/industrie > 1 bouwlaag)
D
Bedrijfsmatig vrijstaande bijgebouwen en bedrijfsgebouwen met een lage gebruiksintensiteit
E
Particuliere vrijstaande bijgebouwen en aan- en uitbouwen
F
Bouwwerken geen gebouw zijnde
Laag
Tabel 3 Bouwwerktypen
De toetsniveaus voor de hierboven genoemde gebouwtypen zijn verder uitgewerkt in een toetsmatrix, verdeeld per verzameling onderwerpen uit het Bbl.
B1.1.1 Toetsmatrix Besluit bouwwerken leefomgeving
Kwaliteitsniveau toetsing Besluit bouwwerken leefomgeving
Toetsniveau: gebouwtypen
Beoordelingscriteria
Effect
Kans
Bestuurlijke prioriteit
Totaalscore
Basis toetsniveau
A. Publiek toegankelijke bouwwerken, tunnels e.d. en exceptionele bouwwerken
B. Bedrijfsmatige bouwwerken met hoge gebruiksintensiteit, projectmatige nieuwbouw woningen en bouwwerken voor minder zelfredzame personen
C. Particuliere nieuwbouw woningen en bedrijfsgebouwen (kantoor/industrie > 1 bouwlaag)
D. Bedrijfsmatig vrijstaande bijgebouwen en bedrijfsgebouwen
E. Particuliere vrijstaande bijgebouwen en particuliere aan- en uitbouwen
F. Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Toelichting
Veiligheid
Sterkte
3
2
1
6
2
3
3
2
1
1
1
*1
Gebruiksveiligheid
2
1
2
4
2
2
2
2
1
1
1
Brandveiligheid
3
2
2
12
3
3
3
2
2
1
1
*2
Gezondheid
Geluidwering
1
1
1
1
1
1
1
1
1
0
0
Vochtwering
1
1
1
1
1
1
1
1
1
0
0
Ventilatie
1
2
1
2
1
1
2
1
1
0
0
Schadelijke omstandigheden
1
1
1
1
1
1
1
1
0
0
0
Daglicht
1
1
1
1
1
1
1
1
0
0
0
Bruikbaarheid
Gebieden en ruimten
1
2
1
2
1
1
1
1
1
0
0
Toegankelijkheid
1
2
1
2
1
1
1
1
1
0
0
Opstelplaatsen
1
2
1
2
1
1
1
1
1
0
0
Energiezuiningheid en milieu
Energiezuiningheid
1
2
3
6
2
2
2
2
0
0
0
Milieu
1
2
1
2
1
1
1
1
0
0
0
Installaties
Verlichting
1
1
1
1
1
1
1
1
0
0
0
Elektriciteits-, gas- en waterverbruik
1
1
1
1
1
1
1
1
0
0
0
Watervoorziening en riolering
1
1
1
1
1
1
1
1
0
0
0
Brandveiligheidsinstallaties
3
2
2
12
3
3
3
2
1
1
1
Tabel 4 Toetsmatrix Bbl
*1 Indien de statische berekening is uitgevoerd door een erkend constructeur (constructeur aangesloten bij een onafhankelijk kwaliteitsinstituut, zoals RC/RO Constructeurregister of gelijkwaardig) toets één niveau lager.
Detailberekeningen van fabrikanten, zoals van systeemvloeren en prefab onderdelen, worden door de gemeente niet getoetst wanneer deze door de hoofdconstructeur van het project zijn beoordeeld.
*2 gelijkwaardigheidvraagstukken brandveiligheid toets één niveau hoger.
B1.1.2 Toets Besluit bouwwerken leefomgeving bij tijdelijke bouwwerken
De toets van vergunningen voor tijdelijke bouwwerken, zoals woon- en kantoorunits, beperkt zich tot de aspecten brandveiligheid en gezondheid. De eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer en het gegeven dat de situatie slechts voor korte duur is, maakt een volledige integrale beoordeling niet effectief.
B1.2Toets milieu
Vervallen. Onderdeel opgenomen in het ROK VTH.
B1.3Toets APV en Bijzondere wetten
Voor de toetsing aan de APV en Bijzondere wetten is een onderscheid gemaakt in groot- en kleinschalige activiteiten. Niet elke activiteit heeft bestuurlijk gezien en ook op basis van een risicoanalyse eenzelfde prioriteit. Daarom is een onderscheid gemaakt in verschillende activiteiten. In onderstaande tabel is het onderscheid weergegeven.
Omschrijving
Grootschalig of Regulier
Kleinschalig (indien van toepassing)
Tabel 5 Specificatie Activiteiten
De toetsniveaus voor de hierboven genoemde activiteiten zijn verder uitgewerkt in een toetsmatrix, verdeeld over onderwerpen. De toetsmatrix is weergegeven op de volgende pagina.
B1.3.1 Toetsmatrix APV en Bijzondere wetten
Kwaliteitsniveau toetsing APV en Bijzondere wetten
Toetsniveau
Beoordelingscriteria
Effect
Kans
Bestuurlijke prioriteit
Totaalscore
Basis toetsniveau
Grootschalig of regulier
Kleinschalig (indien van toepassing)
Toelichting
Kappen
APV
2
1
1
2
1
2
1
Omgevingsplan
2
1
1
2
1
2
1
Inrit/uitweg
Omgevingsplan
1
1
1
1
1
1
x
Veiligheid
1
1
1
1
1
1
x
Handelsreclame
Omgevingsplan
2
2
1
4
2
2
x
APV
2
1
1
2
1
1
x
Beeldkwaliteit/Beleid
2
1
1
2
1
1
x
Standplaatsen
APV/Beleid
2
1
1
2
1
1
1
Evenementen
APV/Beleid
2
2
1
4
2
2
1
Omgevingsplan
2
1
1
2
1
1
1
Openbare orde
2
3
3
18
3
3
2
Openbare veiligheid *1
3
2
3
18
3
3
2
Volksgezondheid
2
3
2
12
3
3
2
Milieu (oa geluid)
2
3
2
12
3
3
2
Inzameling/collectes
openbare orde
1
1
1
1
1
1
x
Gevaarlijk transport
Veiligheid
3
2
3
18
3
3
x
Overlast
1
1
1
1
1
1
x
Alcohol en horeca
Omgevingsplan
2
2
2
8
2
2
1
Inrichtingseisen
1
2
1
2
1
1
1
Bibob
2
2
2
8
2
2
2
Terras
2
2
1
4
2
2
2
Kansspelen
Omgevingsplan
1
1
1
1
1
1
1
APV
1
1
1
1
1
1
1
Kansspelautomaten
2
1
1
2
1
1
x
Kleine kansspelen
1
1
1
1
1
x
1
Winkeltijden
Vordening winkeltijden/
1
1
1
1
1
1
x
Gebruik openbare weg/Tijdelijke reclame
APV/Beleid
2
2
2
8
2
2
1
Tabel 6 Toetsmatrix APV/bijzondere wetten
*1 Constructies van tenten en podia worden niet getoetst. Eigen verantwoordelijkheid. Voorschrift in vergunning.
Bijlage II Toezichtlijsten toezicht en handhaving
Voor de beoordeling van aanvragen om vergunning en de daarbij ingediende gegevens en het houden van toezicht, heeft het college het volgende concrete uitgangspunt vastgesteld:
Gegevens en werken van en door deskundigen worden alleen steekproefsgewijs getoetst en daarop wordt ook steekproefsgewijs toezicht gehouden, tenzij er aanleiding is die een andere aanpak rechtvaardigt. De aanleiding kan zijn dat de locatie of het onderwerp een uitgebreidere toets vereist of uit steekproeven blijkt dat gegevens en werken voor een specifieke activiteit of van bepaalde ondernemer vaker niet correct zijn uitgevoerd.
Wanneer uit bovenstaand uitgangspunt een aanleiding aanwezig is dat een toets of toezicht moet plaatsvinden, worden onderstaande niveaus gehanteerd. De steekproef wordt uitgevoerd voor ca. 15% van de zaken.
Toezichtniveau
Zoals in paragraaf 1.4 reeds is vermeld, zullen gegevens en werken van en door deskundigen alleen steekproefsgewijs getoetst worden en zal daarop ook steekproefsgewijs toezicht worden gehouden, tenzij er aanleiding is die een andere aanpak rechtvaardigt. De aanleiding kan zijn dat de locatie of het onderwerp een uitgebreidere toets vereist of uit steekproeven blijkt dat gegevens en werken voor een specifieke activiteit of van bepaalde ondernemer vaker niet correct zijn uitgevoerd.
Voor het uitvoeren van het toezicht hebben wij in vervolg op hetgeen vermeld in paragraaf 1.6 toezichtmatrixen opgesteld die hiervan zijn afgeleid. We kennen de niveaus 0 t/m 4: van geen toezicht (0) naar snel (1), visueel (2), representatief (3) en integraal toezicht (4).
Niveau
Omschrijving
Inhoud toets
0
Geen toezicht
Er vind geen toezicht plaats of alleen bij klachten of andere aanleidingen of ervaringen.
1
Snel
Is de voorgeschreven voorziening aanwezig/uitgevoerd.
2
Visueel
Visuele controle, een vluchtige beoordeling op het oog op basis van kennis en ervaring met slechts beperkt projectspecifieke tekeningen of details te raadplegen en of hulpmiddelen (bijvoorbeeld meetlat) te gebruiken. Bijvoorbeeld bij controle funderingen, vloeren: ca. 25% van de omvang wordt gecontroleerd.
3
Representatief
Beoordeling op hoofdlijnen en kenmerkende details, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Daarnaast worden enkele kritische detailleringen in detail beoordeeld. Er worden algemene projectspecifieke tekeningen geraadpleegd en detailtekeningen van kritische detailleringen. Bijvoorbeeld bij controle funderingen, vloeren: ca. 75% van de omvang wordt gecontroleerd. Veiligheidsinstallaties, brandscheidingen e.d. worden visueel en administratief (certificaten) gecontroleerd.
4
Integraal
Beoordeling van alle onderdelen op detailniveau. Op het oog en met de benodigde hulpmiddelen worden controles tot op detailniveau uitgevoerd. Alle projectspecifieke tekeningen, detailtekeningen, berekeningen, rapporten en certificaten worden geraadpleegd. Deskundigen worden zo nodig ingeschakeld voor controle van essentiële zaken, zoals brandveiligheid.
Tabel 7 Toezichtniveaus
Kwaliteitsniveau toezicht bouwen
Toezichtsniveau: gebouwtypen
Beoordelingscriteria
A. Publiek toegankelijke bouwwerken, tunnels e.d.
B. Bedrijfsmatige bouwwerken met hoge gebruiksintensiteit, projectmatige nieuwbouw woningen en bouwwerken voor minder zelfredzame personen
C. Particuliere nieuwbouw woningen en bedrijfsgebouwen (kantoor/industrie > 1 bouwlaag)
D. Bedrijfsmatig vrijstaande bijgebouwen en bedrijfsgebouwen
E. Particuliere vrijstaande bijgebouwen en particuliere aan- en uitbouwen
F. Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Uitvoering
Controle grondwerk*
2
2
2
1
0
0
Controle kelder*
3
3
2
1
0
0
Controle fundering*
3
3
2
1
0
0
Controle vloeren*
3
3
2
1
0
0
Controle hoofddraagconstructie*
3
3
2
1
1
1
Controle isolatie/installatie*
1
1
1
1
0
0
Oplevering
Controle veiligheid
4
3
2
2
1
1
Controle gezondheid
3
3
2
0
0
0
Controle bruikbaarheid
3
2
1
0
0
0
Controle energiezuinigheid en miieu
1
1
1
0
0
0
Controle installaties
1
1
0
0
0
0
Tabel 8 Toezichtsmatrix Bbl
•Indien de hoofdconstructeur toezicht houdt op de uitvoering van het project, toets één niveau lager.
Noot: met de inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen is een deel van het toezicht op de uitvoering van bouwprojecten (voor na 1 januari 2024 verleende vergunningen) vervallen. Voor de bouwprojecten die het betreffen wordt alleen nog toezicht gehouden op de ruimtelijke aspecten en omgevingsveiligheid.
Kwaliteitsniveau toetsing APV en Bijzondere wetten
Toezichtsniveau
Beoordelingscriteria
Grootschalig of regulier
Kleinschalig (indien van toepassing)
Kappen
APV
1
0
Inrit/uitweg
Veiligheid
0
0
Handelsreclame
APV
1
0
Standplaatsen
APV/Beleid
1
0
Evenementen
APV/Beleid
2
0
Omgevingsplan
1
0
Openbare orde *1
3
1
Openbare veiligheid *2
3
1
Volksgezondheid
3
0
Milieu
3
0
Inzameling/collectes
openbare orde
0
0
Gevaarlijk transport
Veiligheid
0
x
Overlast
0
x
Alcohol en horeca
Omgevingsplan
1
0
Inrichtingseisen
2
0
Terras
2
0
Kansspelen
Omgevingsplan
1
0
APV
2
x
Kansspelautomaten
2
x
Kleine kansspelen
x
0
Winkeltijden
Vordening winkeltijden
0
x
Gebruik openbare weg/Tijdelijke reclame
APV/Beleid
1
0
Tabel 9 Toezichtsmatrix APV/Bijzondere wetten
Toezichtniveau partners
Onze werkwijze geldt ook voor de uitbesteding van taken. Sommige taken moeten door bijvoorbeeld de OD-ZOB of VRBZO worden uitgevoerd. Concreet betekent dit dat wij ook bij de uitbesteding van taken in de opdrachtverstrekking onze toezichtniveaus hanteren. Onze toezichtniveaus worden zo nodig vertaald naar de niveaus die de externe partners gebruiken.
Toezicht brandveiligheid
Door de VRBZ) wordt een volledige controle uitgevoerd. De niveaus van toezicht zijn door het bestuur van de VRBZO vastgesteld.
Toezicht milieu
Toezicht op milieuactiviteiten wordt uitgevoerd door de ODZOB. De Omgevingswet en het Omgevingsbesluit geven de kaders voor de minimale verplichtingen bij het uitvoeren van toezicht. Voor het beleid over de uitvoering van de basistaak milieutoezicht is het ROK VTH. De gemeente heeft dit beleid vastgesteld. Dit houdt onder meer in dat de gemeente zich conformeert aan de in dat beleid opgenomen thema’s, diepgang en frequentie waarmee routinematige controlebezoeken worden afgelegd.
Werkwijze gecoördineerd toezicht
Toezicht op de omgevingsvergunningen
De Omgevingswet stelt als eis dat het toezicht op de omgevingsvergunning gecoördineerd moet plaatsvinden. Dit geldt uiteraard voor die gevallen waarin sprake is van een omgevingsvergunning met samenloop en waarbij het zinvol is om tussen toezichthoudende partijen over toezicht en handhaving af te stemmen.
Er zijn vier modellen voor het vormgeven van afgestemd integraal toezicht. Dit kan in verschillende gradaties plaatsvinden.
1Met elkaar controleren: vanuit bouw, milieu en eventuele andere aandachtspunten gezamenlijk uit te voeren controle; vooral van belang in complexere situaties waar milieu, bouw én nadere relevante aandachtspunten meerdere specialismen vragen voor een goede beoordeling van de situatie.
2Na elkaar controleren: verschillende toezichthouders voeren, afhankelijk van de fase van het project (sloop, realisatie, oplevering, ingebruikname, exploitatie) een inspectie uit. Het zijn dus hoofdzakelijk geen gezamenlijke controles (behalve bij exploitatie). Daar waar mogelijk wordt “over de grenzen van de fasen heen‟ gekeken, zoals in het kader van een ketenaanpak het tijdens de sloopinspectie ook alvast een milieutoezichthouder meenemen, of die tenminste op de hoogte te stellen m.b.t. de verplichting om afvalstoffen te scheiden en af te geven aan een inzamelaar.
3Voor elkaar controleren: brede controle voor bouw, milieu en andere aandachtspunten door één toezichthouder; vooral in relatief eenvoudige situaties waar geen bijzondere of specialistische kennis van bouwen, milieu of andere facetten wordt gevraagd.
4Voor elkaar signaleren: aspectcontrole door één toezichthouder, waarbij deze op hoofdpunten ook kijkt naar andere aspecten en bijzonderheden meldt aan een collega; vooral in situaties waar specialistische kennis wordt gevraagd en waar de overige aspecten op basis van meer generieke kennis en vaardigheden kunnen worden gecontroleerd. Ook bij handhaving in de openbare ruimte kan signaleren voor elkaar een rol spelen.
Afhankelijk van de te controleren activiteit, object of gebied wordt beoordeeld welke toezichtsvorm het meest passend is. De praktijk komt erop neer dat een mix van vormen wordt gehanteerd. Uitgangspunt is dat integraal toezicht plaatsvindt voor in ieder geval de volgende situaties:
•Onderwerpen die in meerdere handhavingsgebieden een hoge prioriteit hebben.
•Onderwerpen die zich lenen voor een gebiedsgerichte aanpak.
•Onderwerpen die zich lenen voor een branchegewijze aanpak.
•Onderwerpen die gerelateerd zijn aan eenzelfde negatief effect.
Onderstaand wordt nader ingegaan op de manier waarop toezicht gestructureerd is binnen de handhavings-gebieden.
Bouw- en Woningtoezicht
Bouw- en woningtoezicht vindt voornamelijk plaats in de planfase en de bouwfase. In de planfase zijn het vooral vergunningverleners die aanvragen toetsen. Tijdens de bouwfase controleert de toezichthouder bouwen de correcte uitvoering van de vergunning. Hiernaast wordt tijdens de constatering van illegale bouw ook in de gebruiksfase gecontroleerd.
De mogelijkheden voor integraal toezicht tijdens de bouw bestaat uit het controleren van de brandveiligheid (en eventueel milieu) tijdens de bouwfases. Gedurende de bouwfases is het noodzakelijk om op bouw- en brandveiligheid te controleren. Door de toezichthouders ook op brandveiligheid te laten controleren is er een belangrijke mate van integraliteit bereikt. Hierdoor kunnen de toezichthouders tegelijkertijd op bouw- en brandveiligheid controleren. Hiernaast kan een signaleringsfunctie opgezet worden voor milieu, grondstromen en brandveiligheid tijdens de bouwcontroles.
APV en bijzondere wetten
Het toezicht op de APV en bijzondere wetten wordt uitgevoerd door de Boa en de integraal handhaver. Zijn primaire taak is om onze gemeente leefbaar, schoon en veilig te houden. Om dit te bereiken houdt hij toezicht op de openbare ruimte. Dit betreft onder andere parkeertoezicht en APV-toezicht. De Boa is zowel toezichthouder openbare ruimte als opsporingsambtenaar en bezit de mogelijkheid om te verbaliseren. Als toezichthouder openbare ruimte heeft hij geen verbaliserende bevoegdheden en kan hij dus alleen signaleren en waarschuwingen uitdelen. Als Boa en als toezichthouders openbare ruimte heeft hij naast de toezichtfunctie, ook een helpende en assisterende functie richting de burger.
In de afgelopen jaren is gebleken dat een aantal taken van de Boa continue een hoge prioriteit heeft. Deze taken zijn wederkerend en hebben een grote invloed op de veiligheid en leefbaarheid binnen onze gemeente.
Evenementen
Bij grotere evenementen zorgt de gemeentelijk projectleider van het evenement voor een uiteenzetting van taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken partijen tijdens het evenement.
De projectleider zorgt voor de nodige inzet van gemeentelijk toezicht en handhaving, in afstemming met andere toezichthouders zoals veiligheidsregio, GHOR en politie. De gemeentelijke toezichthouders richten zich op naleving van de vergunningvoorwaarden en op overtredingen die de veiligheid van het evenement in gevaar brengen. Bijvoorbeeld het tegengaan van wildparkeren op calamiteitenroutes, het uitvoeren van geluidmetingen of de verkeersafwikkeling op een druk punt.
Bij risico-evenementen is ook een vorm van aanvullende coördinatie nodig, waar de gemeente een rol in heeft. Om het verloop te monitoren zijn tijdens het evenement periodieke overleggen noodzakelijk van een coördinatieteam. Het team monitort de veiligheid en neemt besluiten over zaken rond de veiligheid die verder strekken dan de verantwoordelijkheid van de organisator.
Alcoholwet
In het kader van de Alcoholwet vinden basiscontroles plaats. De basiscontrole vindt plaats bij bedrijven die alcohol mogen verkopen met of zonder alcoholvergunning of ontheffing. Ook bij bedrijven waar een alcohol-verkoopverbod geldt kan een basiscontrole uitgevoerd worden. De controle richt zich, afhankelijk van het soort bedrijf, op de vergunningsbepalingen of het alcoholverkoopverbod. Daarnaast wordt de aandacht gericht op het in acht nemen van de leeftijdsgrens voor alcoholverkoop van 18 jaar en op het bij zich hebben van alcohol onder de leeftijd van 18 jaar, de zogenaamde leeftijdsgrenzencontroles. Ook zal tijdens deze controles eventueel een controle op (doorschenken aan) dronken personen plaatsvinden.
Bijlage III Kwaliteitsniveau VTH-taken APV en bijzondere wetten
Behandelen vergunningen, ontheffingen en meldingen APV en Bijzondere wetten
Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van een gemeente die bij het bevoegd gezag thuishoren.
Activiteiten
1Uitvoeren toets op volledigheid.
2Toetsen van aanvragen aan landelijke regels.
3Toetsen van aanvragen aan lokale wetgeving en beleid.
4Organiseren/begeleiden van overleg met de aanvrager (vooroverleg).
5Bewaken proces, integraliteit en voortgang van de aanvraag.
6Inschakelen van vakdisciplines en wanneer nodig externe partijen (coördineren inhoudelijke volledigheid).
7Het uitzetten van adviesaanvragen aan de (wettelijjke) adviseurs.
8Besluiten (laten) samenstellen en coördineren.
Eisen aan medewerkers die deze activiteiten uitvoeren
Opleiding
Werkervaring
Aanvullende kennis
Frequentie
Basisopleiding:
•Relevante MBO
•Basiscursus APV
2jaar in het afhandelen van Awb procedures
Diepgaande kennis:
•APV
•Veiligheid
Besteden van 1/3 fte aan deze activiteiten
Aanvullende opleiding(en):
•Basiscursus Awb
•Basiscursus veiligheid
Eisen aan organisaties die deze activiteiten uitvoeren
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria
Tabel 10 Kwaliteitsniveau vergunningen APV/Bijzondere wetten
Toezicht en handhaving APV en bijzondere wetten
Onderstaande activiteiten moeten binnen de overheid uitgevoerd worden. Het betreffen kernactiviteiten van een gemeente die bij het bevoegd gezag thuishoren.
Activiteiten
1Uitvoeren toezicht aan de hand van vergunningen, voorwaarden en algemene regels:
a.toezicht houden op de naleving van veiligheidsvoorschriften:
b.toezicht houden op de naleving van brandvoorschriften;
c.integraal toezicht houden.
2Inschakelen van specialist voor complexe situaties en beoordelen toepasbaarheid advies van specialist.
3Bevindingen rapporteren, overtredingen melden, optreden en ambtelijke vooraankondiging maken.
4Handhaven bij overtredingen.
5Behandelen van ongewone voorvallen 24 uur per dag, klachten, meldingen en verzoeken tot handhaven.
Eisen aan medewerkers die deze activiteiten uitvoeren
Opleiding
Werkervaring
Aanvullende kennis
Frequentie
Basisopleiding:
•Relevante MBO
•Basiscursus APV
2jaar
Diepgaande kennis:
•Handhavingsprocedures
•APV
•Veiligheid
Besteden van 1/3 fte aan deze activiteiten
Aanvullende opleiding(en):
•Basiscursus (brand)veiligheid
•Verdiepingscursus toezicht en handhaving
Eisen aan organisaties die deze activiteiten uitvoeren
minimaal 2 medewerkers die voldoen aan bovengenoemde criteria
Tabel 11 Kwaliteitsniveau toezicht en handhaving APV/Bijzondere wetten
Bijlage IV Beoordelingsrichtlijn voor de toepassing van de Alcoholwet
In lijn met de uitgangspunten van dit Uitvoeringsbeleid, heeft het onderdeel ‘Bruikbaarheid’ een lage prioriteit. Dit betekent dat, mede gelet op de maatschappelijke belangen, op de aspecten met de prioriteit ‘laag’, geen toetsing en geen handhaving plaatsvindt bij (verenigings-)gebouwen met een beperkte omvang. In beginsel zal bij strijd met deze aspecten een vergunning worden verleend en hierop geen handhaving plaatsvinden. De onderdelen Gezondheid en Veiligheid hebben een hogere prioriteit. Deze aspecten worden gecontroleerd. Bij strijd met de aspecten met de prioriteit ‘Regulier’, wordt een vergunning geweigerd en kan handhaving plaatsvinden.
Inrichtingseisen
Verenigings-
gebouwen <50 m² en/of minder dan 50 leden
Overige gebouwen
Prioriteit
Prioriteit
1
Van de inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, heeft ten minste 1 horecalokaliteit een vloeroppervlakte van tenminste 35 m².
Laag
Regulier
2
De horecalokaliteiten hebben van de vloer af gemeten een hoogte van ten minste 2.10 meter voor bestaande bouw en 2.60 meter voor nieuwbouw.
Laag
Regulier
3
De luchtverversingscapaciteit bij nieuwbouw is 4 dm3/s per persoon (bij 100 personen), waarbij de luchttoevoer rechtstreeks van buiten komt. Voor bestaande bouw geldt 2,12 dm3/s per persoon (bij 100 personen).
Laag
Regulier
4
In de onmiddellijke nabijheid zijn t.b.v. de bezoekers tenminste 2 toiletten aanwezig (1 toilet bij nieuwbouw én maximaal 15 bezoekers of bij bestaande bouw én maximaal 25 bezoekers).
Laag
Regulier
Overige eisen
Verklaring sociale hygiëne.
Regulier
Regulier
Aantal leidinggevenden op vergunning.
Laag
(=minimaal één leidinggevende)
Regulier
Eisen aan gescheiden lokaliteiten detailhandel/horeca (niet zijnde blurring, zoals tussen restaurant- en afhaalgedeelte).
Laag
Laag
Tabel 12 Inrichtingseisen Alcoholwet
Noot: Brandveiligheid is geen onderdeel van de beoordeling van een alcoholvergunning. Deze zaken zijn opgenomen in het Bbl. Controle op deze aspecten vindt plaats in samenwerking met en volgens de prioritering zoals overeengekomen met de VRBZO.
Bijlage V Beoordelingsrichtlijn grootschalige evenementen
In lijn met de uitgangspunten van dit Uitvoeringsbeleid, hebben de aspecten Gezondheid en Veiligheid prioriteit. De keuzes over locaties, omvang et cetera zijn opgenomen in het Uitvoeringsbeleid evenementen.
Team Vergunningen van VTH de Kempen behandelt aanvragen, verzamelt en coördineert adviezen en zorgt voor een integrale afstemming met verschillende disciplines, zoals veiligheidsmedewerker gemeente, politie, veiligheidsregio, GHOR, verkeerskundige en organisatie.
Aandachtpunten
Verantwoordelijkheid voor beoordeling
1
Aantal bezoekers hoofdpodium
Bij evenementen met één of enkele podiums aantal bezoekers beperken, spreiding ‘afdwingen’ door vakindeling, toiletten spreiden, etc.
Toelichting: Binnen de Kempen is gebleken dat bij grote muziekevenementen met Nederlandse topartiesten met een hoofdpodium en een eventueel klein ander podium bezoekers allemaal op bij het hoofdpodium willen staan, het liefst allemaal vooraan. Bij grote muziekevenementen met meerdere grote podiums verspreid over het terrein zijn bezoekers meer verspreid aanwezig.
IVC-er i.o.m. VRBZO en VTH de Kempen
2
Scenario paniekontruiming
Het scenario paniekontruiming in de voorbereiding van evenementen nadrukkelijk doornemen, instructie en oefenen door beveiligers. In het veiligheidsplan van de organisator van het evenement moet dit scenario uitvoerig worden uitgewerkt.
Toelichting: Gebleken is dat bij grote drukte bij met name het hoofdpodium er een signalen zijn die kunnen leiden tot verdrukking.
IVC-er i.o.m. VRBZO
3
Beoordeling constructies podia, tenten
Voor de beoordeling van constructies van podia, tenten en andere objecten op/nabij het evenemententerrein, moet door de organisatie van het evenement een onafhankelijke constructeur worden ingeschakeld. Deze moet bij de schouw een schriftelijke verklaring/akkoord overleggen over de werkelijk gerealiseerde objecten. Ook voor andere specifieke activiteiten (zoals bij, niet limitatief: auto-, motor-, truckcross of demonstratie), moet de organisator van het evenement een onafhankelijke deskundige inschakelen die rapporteert aan de organisator en gemeente.
Toelichting: Volgens dit Uitvoeringsbeleid toets de gemeente niet zelf de voormelde gegevens. Gewezen wordt op de eigen verantwoordelijkheid. Voor de grootschalige evenementen wordt het toch nodig geacht wat meer grip te krijgen. Door de organisatie te verplichten een onafhankelijk constructeur in te schakelen, wordt deze meer gedwongen de eigen verantwoordelijkheid te borgen en kan de gemeente in haar toetsende rol acteren.
VTH de Kempen
4
Verkeerskundig medewerker gemeente
De verkeerskundig medewerker van de gemeente wordt integraal betrokken bij alle verkeersaspecten (ontsluitingen, verkeersbewegingen van auto’s, bussen, fietsers en voetgangers).
Toelichting: Door de organisatie van evenementen wordt een verkeerskundig bureau ingeschakeld. Bij de advisering van het evenement worden verkeerskundig medewerkers van provincie en Rijkswaterstaat betrokken, indien het provinciale wegen of rijkswegen betreft. Een integrale afweging vanuit de gemeente werd door de IVC-er/VTH gemaakt. Gezien verkeerskundig belang, wordt het nodig geacht dat de gemeente hierin meer haar rol neemt in een integrale beoordeling van dit aspect.
Verkeerskundig medewerker gemeente, in samenwerking met IVC-er en VTH de Kempen.
5
Startoverleg met bestuurder (burgemeester)
De burgemeester wordt op diverse momenten betrokken bij de voorbereiding van het evenement. De burgemeester wordt door VTH de Kempen op de hoogte gehouden over de voortgang van de aanvraag en specifieke aandachtspunten/problematiek. Uiterlijk twee weken voor aanvang van het evenement wordt een startgesprek gehouden met de burgemeester, organisatie en de adviseurs van de gemeente (zoals VTH de Kempen, IVC-er, MT-leden, Politie, Veiligheidsregio).
Toelichting: de burgemeester moet altijd voldoende betrokken worden, op de hoogte zijn van risico’s om zijn verantwoordelijkheid op het juiste moment te kunnen nemen. Geen verrassingen achteraf. De IVC-er heeft structureel (wekelijks) overleg met de burgemeester.
IVC-er
6
Evaluatie individueel
Voor elk evenement vindt een evaluatiegesprek plaats met de organisatie en de adviseurs van de gemeente (zoals hiervoor genoemd). Deze evaluatie wordt schriftelijk vastgelegd en gedeeld met de burgemeester. Bij volgende evenementen worden de evaluaties betrokken.
Toelichting: Deze werkwijze wordt in de praktijk al toegepast. VTH de Kempen neemt initiatief voor organisatie en verslaglegging van gesprekken, IVC’er zit gesprek voor.
VTH de Kempen
7
Evaluatie na afloop seizoen
Na afloop van het evenementenseizoen (oktober-november) worden alle evaluaties van individuele evenementen beschouwd. Aandachtspunten en verbeteringen die hieruit voortkomen worden bij volgende evenementen betrokken. Zo nodig wordt beleid bijgesteld.
Toelichting: VTH de Kempen neemt initiatief voor organisatie en verslaglegging van gesprekken, IVC’er zit gesprek voor.
VTH de Kempen
Tabel 13 Beoordelingsrichtlijn grootschalige evenementen
Bijlage VI Risicoanalyse en Prioritering Toezicht en Handhaving
Tabel 14 Prioritering toezicht en handhaving
* Betreft taak Boa domein 2.
**Bijvoorbeeld afgraven grond, omploegen van waardevolle grond, verharden van een weiland.
Noot: overtredingen met een relatief lage prioriteit, maar welke een zeer negatieve uitstraling hebben op de (leef)omgeving, weerstand oproepen onder omwonenden of gebruikers van deze (leef)omgeving kunnen op 'ad-hoc' basis alsnog een hoge prioriteit krijgen. Het zelfde geldt wanneer sprake is van een situatie van gevaar voor veiligheid en/of gezondheid van directe bewoners/gebruikers/omwonenden.