Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oegstgeest;
gelet op de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2020;
b e s l u i t:
vast te stellen de
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2026
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
1.1 Algemene inleiding
1.2 Definities en begrippen
1.3 Juridische status beleidsregels
Hoofdstuk 2 Toegangsprocedure: melding, onderzoek en aanvraag
2.1 Inleiding
2.2 Melding
2.3 Scheiding melding en aanvraag
2.4 Onafhankelijke Cliëntondersteuning
2.5 Behandeling melding
2.6 Persoonlijk Plan
2.7. Informatie van belang voor behandeling van de melding
2.8. Identificatie inwoner
2.9 Gesprek en onderzoek
2.9.1 Gesprek
2.9.2 Onderzoek
2.10 Verslag (en ondersteuningsplan)
2.11 Spoedeisende situatie
Hoofdstuk 3 Inhoud Ondersteuningsplan
3.1. Resultaten
3.2. Mate van de beperkingen
3.3 Mantelzorg
3.3.1. Mantelzorgondersteuning
Hoofdstuk 4 Voorliggende voorzieningen
4.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen
4.2 Algemene voorzieningen
4.3 Aanspraak op andere wetgeving
4.4 Afstemming met de Wet Langdurige Zorg (Wlz)
4.5 Eigen aanschaf
4.6 Gebruikelijke zorg
Hoofdstuk 5 Maatwerkvoorzieningen
5.1 Aanvraag maatwerkvoorziening
5.2 Verlengen beslistermijnen
5.2.1 Extern advies
5.2.2 Onjuiste/onvolledige gegevens
5.2.3 Verouderde informatie
5.3 Algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen
5.4 Maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning
5.5 Maatwerkvoorziening Maaltijdvoorziening
5.6 Maatwerkarrangement Ambulante ondersteuning en Wonen met ondersteuning
5.6.1 Eigen verantwoordelijkheid
5.6.2 Algemene doelen van maatwerkarrangementen
5.6.3 Soorten maatwerkarrangementen
5.6.4 De opbouw van de maatwerkarrangementen
5.6.5 Cliëntgroepen maatwerkarrangementen
5.6.6 Landelijke inkoop specialistische ondersteuning
5.7 Maatwerkvoorziening Kindzorg
5.8 Maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen
5.8.1 Criteria woonvoorzieningen
5.8.2 Primaat van verhuizen
5.8.3 Woonwagen, woonschip, binnenschip
5.9 Maatwerkvoorziening Rolstoelen
5.9.1 Criteria Rolstoelen
5.9.2 Incidenteel rolstoelgebruik
5.9.3 Sportrolstoel/voorziening
5.9.4 Rolstoel via een persoonsgebonden budget
5.10 Maatwerkvoorziening Vervoer
5.10.1 Algemeen
5.10.2 Criteria Vervoersvoorzieningen
5.10.3 Combinatie vervoersvoorzieningen
5.10.4 Regiotaxi
5.10.5 Rolstoeltaxi en gebruik eigen auto
5.11 Maatwerkvoorziening Lijfgebonden ondersteuning
5.12 Maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf (respijtzorg)
Hoofdstuk 6 Specialistische voorzieningen Wonen met ondersteuning
6.1 Specialistische maatwerkvoorzieningen Wonen met ondersteuning
6.1.1 Toegang
6.1.2 Overbruggingszorg
6.2 Specialistische voorzieningen
6.3 Persoonsgebonden budget Wonen met ondersteuning
Hoofdstuk 7 (Specialistische) Maatschappelijke opvang
7.1 Aanvullende criteria (Specialistische) Maatschappelijke Opvang
7.2 Aanvullende criteria vrouwenopvang
Hoofdstuk 8 Beschikking maatwerkvoorziening
8.1 Beschikking maatwerkvoorziening in natura
8.2 Beschikking persoonsgebonden budget
8.3 Beschikking vrouwenopvang
Hoofdstuk 9 Maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget
9.1 Keuze
9.2 Beheer persoonsgebonden budget
9.3 Weigering
9.4 Omvang van het persoonsgebonden budget
9.5 Geen uitruil budgetten
9.6 Kwaliteit van het persoonsgebonden budget
9.7 Persoonsgebonden budget voor Wonen met ondersteuning
9.8 Persoonsgebonden budget voor Woonvoorzieningen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen
9.8.1 Eenmalige uitkering voor materiële voorzieningen
9.8.2 Beëindiging van het persoonsgebonden budget materiële voorziening
9.9 Persoonsgebonden budget voor diensten
9.9.1 Tarieven verschillende typen zorgverleners
9.9.2 Betaling van het persoonsgebonden budget voor Begeleiding (maatwerkarrangementen) en huishoudelijke ondersteuning en begeleiding (het trekkingsrecht)
9.10 Verantwoording van het persoonsgebonden budget
Hoofdstuk 10 Maatwerkvoorziening tegemoetkoming
Hoofdstuk 11 Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en algemene voorzieningen
11.1 Eigen bijdrage maatwerkvoorzieningen
11.2 Start eigen bijdrage
11.3 Einde eigen bijdrage
11.4 Pauzeren (tijdelijk opschorten) eigen bijdragen
11.5 Eigen bijdrage specialistische maatschappelijke opvang en vrouwenopvang
Hoofdstuk 12 Overige bepalingen
12.1 Kwaliteitseisen aanbieders maatschappelijke ondersteuning
12.2 Contactmanagement Wmo
12.3 Klantervaringsonderzoek
12.4 Klachten en bezwaren
12.5 Toezichthoudende ambtenaar
12.6 Ondersteuning aan 16-27 jarigen
12.6.1 Zorgcontinuïteit
12.6.2 Verlengde jeugdhulp
12.7 Meldcode Huiselijk geweld
12.8 Privacy
12.9 Hardheidsclausule
12.10 Citeertitel en inwerkingtreding
Bijlagen
Bijlage 1 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen
Bijlage 2 Gebruikelijke hulp
Bijlage 3 Onderzoek dreigende overbelasting
Bijlage 4 Wat valt er wel en niet onder Begeleiding Individueel?
Bijlage 5 Huishoudelijke ondersteuning
Bijlage 6 Normtijden maaltijdvoorziening
Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor zorgverleners via een pgb
Bijlage 8 Uitvoeringsregels Leidse Regio voor meldingen en aanvragen Wonen met Ondersteuning van inwoners buiten de regio
Bijlage 9 Maatwerkarrangementen en Resultatengids Leidse Regio
Hoofdstuk 2 Toegangsprocedure: melding, onderzoek en aanvraag
2.9 Gesprek en onderzoek
2.9.1 Gesprek
De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de betrokken inwoner, en eventueel diens cliëntondersteuner en/of mantelzorger, wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Hieronder wordt nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(s) begrepen. Ook de mate van zelfredzaamheid van de inwoner en de oplossingen vanuit de eigen kracht worden besproken. Dit gesprek zal meestal bij de inwoner thuis zijn. Als het een melding betreft van een bij de gemeente ‘bekend’ persoon die eerder een voorziening of een gesprek heeft gehad dan kan het gesprek in overleg met de melder ook telefonisch plaatsvinden.
Het gesprek vormt de basis voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet. De medewerker verzamelt de benodigde informatie. Daarbij is de medewerking van de melder onontbeerlijk. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan in overleg met de melder worden afgezien van (delen van) het onderzoek.
De onderzoeksfase is een waarborg voor inwoners om gehoord te worden en in gezamenlijk overleg tot een kwalitatief goed ondersteuningsplan te komen. Bovendien is het van belang na te gaan of de voorziening/ondersteuning die de inwoner voor ogen heeft geen surrogaat is voor mogelijk onderliggende problematiek (vraag achter de vraag).
2.9.2 Onderzoek
De onderwerpen die in het onderzoek aan de orde moeten komen zijn opgenomen in artikel 5 van de Verordening:
Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk:
a.de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;
b.het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
c.de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan wonen met ondersteuning of specialistische maatschappelijke opvang;
d.de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan wonen met ondersteuning of specialistische maatschappelijke opvang;
e.de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
f.de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan wonen met ondersteuning of specialistische maatschappelijke opvang;
g.de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, of door doorstroom naar de Wet Langdurige Zorg (WLZ, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan wonen met ondersteuning of specialistische maatschappelijke opvang;
h.de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
i.welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en
j.de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Het zal regelmatig voorkomen dat niet alle aspecten die onderdeel van een onderzoek moeten zijn, ook in een concrete casus aan de orde hoeven te komen, omdat bijvoorbeeld blijkt dat aan de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning kan worden voldaan door het geven van informatie, een eenvoudige verwijzing of omdat bijvoorbeeld blijkt dat een combinatie van eigen kracht en gebruikelijke hulp van een huisgenoot volstaat. Dat is echter alleen zo wanneer de inwoner hiermee instemt en laat blijken dat hij geen maatwerkvoorziening wenst aan te vragen. Als de inwoner tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met aangereikte mogelijkheden uit de voeten kan of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het onderzoek als afgerond worden beschouwd.
Hoofdstuk 3 Inhoud Ondersteuningsplan
3.3 Mantelzorg
3.3.1 Mantelzorgondersteuning
Mantelzorgondersteuning is het pakket aan diensten, activiteiten en goederen dat beschikbaar wordt gesteld aan de mantelzorger en dat tot doel heeft die persoon te ondersteunen bij diens hulpverlening aan de zorgvrager en in staat te stellen zich te kunnen blijven ontplooien in zijn maatschappelijk leven. Het zijn voorzieningen waarvan gebruik kan worden gemaakt ter ontlasting van de ondersteuningstaken, ter ontplooiing van de capaciteiten en ter ontspanning van de mantelzorger. Het gaat hierbij om: ontspanningsactiviteiten, cursussen en themabijeenkomsten, lotgenotencontacten, emotionele en materiële hulp, informatie en advies en bijvoorbeeld respijtzorg voor de meest intensieve ondersteuningssituaties.
Bij een mantelzorger die zorgt voor een inwoner van Oegstgeest wordt in de week van de Dag van de Mantelzorg (november) een ‘waardering’, bijvoorbeeld een bloemstuk, bezorgd. Daarnaast wordt in die periode een ontmoetingsactiviteit georganiseerd. De mantelzorgwaardering wordt één keer per jaar uitgereikt.
Hoofdstuk 5 Maatwerkvoorzieningen
5.2 Verlengen beslistermijnen
5.2.1 Extern advies
Voor zover voor de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening extern advies nodig is, wordt dat gevraagd nadat de aanvraag is ingediend. De gemeente schort dan tevens de beslistermijn van de aanvraag op.
5.2.2 Onjuiste/onvolledige gegevens
Uit de wet vloeit eveneens de mogelijkheid voort om de beslistermijn op te schorten indien de inwoner niet de benodigde gegevens of bescheiden heeft ingediend of niet de benodigde medewerking heeft verleend aan het gesprek (onderzoek als bedoeld in art. 2.3.2 lid 4 van de Wet).
5.2.3 Verouderde informatie
Verder kan het voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het beschikbaar zijn van het verslag en het feitelijk indienen van een aanvraag. Dit kan tot gevolg hebben dat het verslag verouderde informatie bevat waardoor het college niet (meer) binnen de wettelijke kaders kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het college de inwoner (opnieuw) uitnodigen voor een gesprek, voordat op de aanvraag wordt beslist. Dit is analoog aan artikel 2.3.2 lid 9 van de Wet.
Deze situatie dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. Zodra het verslag/ondersteuningsplan met de inwoner is besproken kan ook, met eventuele begeleiding, de aanvraag worden ingediend.
5.6 Maatwerkarrangement Ambulante ondersteuning en Wonen met ondersteuning
5.6.1 Eigen verantwoordelijkheid
Het Sociaal Team Oegstgeest onderzoekt of iemand activiteiten kan aanleren en of er hulpmiddelen zijn waarmee iemand de dagelijkse activiteiten zelf kan uitvoeren. Ook wordt onderzocht of een inwoner in staat is zelf voor een dag invulling te zorgen, bijvoorbeeld door het doen van vrijwilligerswerk, het zoeken van een passende hobby of het bezoeken van (welzijns)activiteiten.
5.6.2 Algemene doelen van maatwerkarrangementen
Het college kan ondersteuning bieden om de volgende doelen te bereiken:
–een schoon en leefbaar huis;
–opbouwen van het sociaal netwerk;
–ondersteuning richting onderwijs en bij arbeidsparticipatie, dagbesteding; mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning;
–ondersteuning bij zelfzorg.
–het bieden van woonbegeleiding en een beschutte woonomgeving
5.6.3 Soorten maatwerkarrangementen
De volgende soorten maatwerkarrangementen zijn beschikbaar:
1ambulante ondersteuning:
a.ambulant: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of dag invulling waarbij de inwoner zelfstandig woont en de ondersteuning plaatsvindt op vaste contactmomenten. Er geen sprake is van de structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht.
b.ambulant plus: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of dag invulling waarbij de inwoner zelfstandig woont en de ondersteuning plaatsvindt op vaste contactmomenten. Vanwege de persoonlijke omstandigheden, is tevens er sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht.
2wonen met ondersteuning:
a.Begeleid wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of dag invulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning vindt veelal plaats op vaste contactmomenten. Vanwege de persoonlijke omstandigheden, is er sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht.
b.Beschut wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of dag invulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning door individuele ondersteuning vindt plaats op vaste contactmomenten én door een vaste aanwezigheid van begeleiders op de groepswonen locatie op bepaalde tijden van de dag. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonen locatie, is er minimaal sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht, eventueel aangevuld met aanwezigheid op de woonlocatie in de nacht in het weekend.
c.Beschermd wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of dag invulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning plaatsvindt door individuele ondersteuning op vaste contactmomenten én door een vaste aanwezigheid van begeleiders gedurende (bijna) de (hele) dag op de groepswonen locatie. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonen locatie, is er sprake van aanwezigheid in de nacht op de groepswonen locatie.
5.6.4 De opbouw van de maatwerkarrangementen
1De resultaatgebieden
De ondersteuning zoals genoemd in 5.6.3 vindt plaats in de vorm van een modulair opgebouwd arrangement, bestaande uit één of meer van de volgende resultaatgebieden, zoals genoemd in bijlage 7:
a.Sociaal en persoonlijk functioneren: richt zich op ondersteuning aangaande familie, relaties, netwerk; sociale vaardigheden; financiën, wonen, participatie; gedrag en organisatie van het leven. De ondersteuning is gericht om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zo veel mogelijk eigen regie te voeren.
b.Zelfzorg en Gezondheid: draagt ertoe bij dat de cliënt aandacht heeft voor zijn/haar gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan. Deze ondersteuning is aanvullend op het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en is in de regel tijdelijk van aard (bij ambulant is 1 jaar het uitgangspunt, bij wonen met ondersteuning de duur van het woontraject).
c.Geldzaken: draagt eraan bij dat cliënten een geordende en gebalanceerde financiële huishouding verkrijgen en/of behouden. Deze ondersteuning is aanvullend op het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en is in de regel tijdelijk van aard (bij ambulant is 1 jaar het uitgangspunt, bij wonen met ondersteuning de duur van het woontraject).
d.Dag invulling en vervoer (van en naar): draagt ertoe bij dat cliënt op zinvolle wijze de dagen kan invullen onder toezicht of met ondersteuning. Van dag invulling bestaan er twee typen regulier en plus. De plus variant is voor cliënten die vanwege de aard van hun problematiek en/of de te bereiken doelen niet kunnen deelnemen aan dag invulling met een reguliere groepsgrootte, maar waarbij een kleinere ratio groepsbegeleider en cliënten noodzakelijk is. Als onderdeel van dag invulling kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding.
e.Veiligheid: richt zich op 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid wanneer cliënten ’s avonds/’s nachts ondersteuning van een begeleider nodig kunnen hebben.
f.Sociaal Beheer: Ondersteuning die wordt geboden afwijkend van geplande contactmomenten overdag en eventueel ook de kosten van gezamenlijk wonen (gemeenschappelijke ruimtes) bij wonen met ondersteuning. Indien er sprake is van Beschut of Beschermd Wonen valt onder Sociaal Beheer ook de (vaste) aanwezigheid van een begeleider op de groep in de woonlocatie, boven op de individuele ondersteuning op de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren, zelfzorg en geldzaken. Deze vaste aanwezigheid overdag op de woonlocatie dient onder meer voor de ondersteuning van de gezamenlijke momenten met mede cliënten en/of het reguleren van het sociale verkeer tussen cliënten.
2De intensiteiten
De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten, zoals genoemd in bijlage 7 en de onderstaande tabel. De intensiteiten staan voor de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en de noodzakelijke zorgzwaarte.
Bij de keuze van een intensiteit wordt rekening gehouden met:
a.de persoonlijke situatie van de cliënt;
b.de directe en indirecte cliëntgebonden tijd die nodig is om de resultaten te behalen;
c.de mate van onplanbaarheid van de ondersteuning.
Indien (na het realiseren van de doelen) een toegekend maatwerkarrangement wordt beëindigd, kan er (tijdelijk) nog een noodzaak zijn om niet meer structureel maar incidenteel ondersteuning op het vlak van sociaal en persoonlijk functioneren te ontvangen. Het College kan dan de voorziening waakvlam instellen (maximaal 40 uur per jaar), waarbij de cliënt nog enige tijd wordt gemonitord.
Tabel I overzicht arrangementen model
Resultaatgebied
Intensiteiten
Sociaal en persoonlijk functioneren
Intensiteit 1
Intensiteit 2
Intensiteit 3
Intensiteit 4
Intensiteit 5
Zelfzorg en gezondheid
* Inbegrepen bij sociaal en persoonlijk functioneren
Intensiteit 2
Intensiteit 3
Niet beschikbaar
Niet beschikbaar
Geldzaken
* Inbegrepen bij sociaal en persoonlijk functioneren
Intensiteit 2
Intensiteit 3
Niet beschikbaar
Niet beschikbaar
Daginvulling en vervoer
Intensiteit 1
Intensiteit 2
Intensiteit 3
Intensiteit 4
Intensiteit 5
Veiligheid
Intensiteit 1
Intensiteit 2
Intensiteit 3
Intensiteit 4
Niet beschikbaar
Sociaal Beheer
Intensiteit 1
Intensiteit 2
Intensiteit 3
Intensiteit 4
Niet beschikbaar
Het modulair opgebouwde arrangement kan in het geval van wonen met ondersteuning uitgebreid worden met Huisvestingskosten Intramuraal. Het gaat om de uitzonderingssituaties dat cliënt niet in staat is om huur te betalen voor het wonen in een groepswonen locatie voor begeleid, beschut of beschermd wonen.
3Wonen met Ondersteuning in het bijzonder: ondergrens en inschaling Veiligheid en Sociaal Beheer
Voor cliënten met Wonen met Ondersteuning binnen dezelfde woonlocatie geldt dat de gekozen intensiteit van de resultaatgebieden Veiligheid en Sociaal Beheer hetzelfde is, dus locatiegebonden. De inzet op de Resultaatgebieden Sociaal en Persoonlijk Functioneren, Zelfzorg en Geldzaken kan wel per cliënt verschillen binnen dezelfde woonlocatie. Ten aanzien van Begeleid, Beschut en Beschermd Wonen geldt hierbij wel dat de inzet op het Resultaatgebied Sociaal en Persoonlijk Functioneren aan een minimum verbonden is, zoals weergegeven in onderstaande tabel:
Tabel 2: Ondergrens inzet op de Resultaatgebieden Sociaal en Persoonlijk Functioneren, Zelfzorg en Geldzaken bij Wonen met Ondersteuning
Ondergrens SPF (indien alleen geïndiceerd)2
Ondergrens indien er ook op zelfzorg of geldzaken een intensiteit wordt afgegeven
Begeleid Wonen
Intensiteit 3
Equivalent van SPF intensiteit 3
Beschut en Beschermd Wonen
Intensiteit 4
Equivalent van SPF intensiteit 4
Dit zijn nadrukkelijk ondergrenzen, in de regel zal de optelling van de gekozen intensiteiten op de drie individuele Resultaatgebieden doorgaans hoger liggen.
5.6.5 Cliëntgroepen maatwerkarrangementen
1Voor de maatwerkarrangementen is van belang te kunnen bepalen onder welke cliëntgroep deze valt. Enerzijds is dat van belang om te kunnen bepalen op welk soort ondersteuning een cliënt aanspraak kan maken. Anderzijds is dit van belang om vast te kunnen stellen welke aanbieder deze ondersteuning kan leveren.
2Er worden de volgende cliëntgroepen bij Ambulante Ondersteuning onderscheiden:
a.Ouderdom gerelateerd;
b.Verstandelijk en Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH));
c.GGZ (waaronder Jongvolwassenen afkomstig uit de Jeugdhulp)
3Bij Wonen met Ondersteuning wordt er een onderscheid gemaakt tussen:
a.Verstandelijk en Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH));
b.GGZ (waaronder Jongvolwassenen afkomstig uit de Jeugdhulp)
5.6.6 Landelijke inkoop specialistische ondersteuning
De VNG heeft, in afstemming met het ministerie van VWS, landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking tot stand gebracht. Deze afspraken zijn opgenomen in een raamovereenkomst tussen gemeenten en aanbieders van specialistische begeleiding betreffende mensen met een zintuiglijke beperking. De raamovereenkomst gaat over de inhoud van de ondersteuning en de afgesproken werkwijze tussen de gemeenten en aanbieders.
Dit betekent dat het college moet beoordelen of de beperkingen van de betreffende inwoner onder deze landelijke afspraken valt. Zo ja, dan heeft het college geen ‘aparte’ ondersteuningsplicht. Het college geeft de beschikking af voor de specialistische begeleiding. Voor de doelgroep is een (landelijk) programma van eisen vastgesteld. Het gaat om:
•specialistische begeleiding voor doofblinde volwassen;
•specialistische begeleiding voor visueel beperkte volwassenen;
•specialistische begeleiding voor vroegdove volwassen.
Tolk
Het college is gehouden om een maatwerkvoorziening te verlenen aan de inwoner voor zover het ondersteuning betreft die niet is opgenomen in de landelijke inkoop afspraken én de inwoner vanwege de mate van zelfredzaamheid is aangewezen op deze specialistische vorm van maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een tolk Nederlandse Gebarentaal bij het voeren van een gesprek in de normale leefsituatie zoals een bezoek aan huisarts of specialist, een notaris, de kerk, een conferentie of een ouderavond op school.
5.8 Maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen
5.8.1 Criteria woonvoorzieningen
De maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen betreft een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Als het gaat om het wonen in een geschikte woning worden zowel bouwkundige als niet-bouwkundige losse en nagelvaste voorzieningen bedoeld. Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. De gemeente zorgt niet voor een woning: dat is een eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard passend bij het bestedingspatroon.
Het college kan een maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen verstrekken wanneer iemand een woning heeft en er problemen zijn met het normale gebruik van de woning die niet zelf of met behulp van het eigen (sociale) netwerk kunnen worden opgelost. Deze maatwerkvoorziening moet er zorg voor dragen dat de inwoner zich in, om en nabij zijn woning zodanig kan redden dat normaal of in ieder geval acceptabel functioneren mogelijk is. Het gaat hierbij dus om alle verplaatsingen die nodig zijn voor een normaal gebruik van de woning. Voor alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een buurman of het maken van een korte wandeling) kan een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een rolstoel of een scootmobiel worden ingezet. Bij het normale gebruik van de woning horen wel verplaatsingen naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin. Wat de tuin en het balkon betreft moet het mogelijk zijn daar te komen, de inrichting van de tuin en/of balkon is een eigen verantwoordelijkheid.
Bij het normale gebruik van de woning moeten de gebruikelijke woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze noodzakelijk en regelmatig gebruikt.
In principe worden aanpassingen aan een zolder zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet als maatwerkvoorziening aangemerkt.
De maatwerkvoorzieningen kunnen nieuw of gebruikt zijn. Het is niet zo dat de maatwerkvoorziening altijd een nieuwe voorziening moet zijn. Het uitgangspunt is dat de voorziening de zelfredzaamheid en participatie bevordert en mede daardoor bijdraagt aan het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
In aanvulling op de onder artikel 5.3 genoemde algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen gelden voor woningaanpassingen nog een aantal specifieke criteria.
1In aanvulling op algemene criteria voor een maatwerkvoorziening kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij:
a.aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en
b.redelijkerwijs alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of
c.een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis, met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen.
2Een persoon met beperkingen kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet in beginsel de goedkoopst adequate voorziening is.
3Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het logeerbaar of bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van de cliënt in een erkende zorginstelling is.
Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een erkende instelling kan uitsluitend de woonruimte van het huishouden waar de betrokkene deel van uit maakte, logeerbaar of bezoekbaar worden gemaakt.
4De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op:
a.het treffen van woonvoorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur;
b.het treffen van woonvoorzieningen in, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.
5De aanvraag voor een woonvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien:
a.de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
b.de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;
c.deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan:
1°. het verbreden van toegangsdeuren;
2°. het aanbrengen van elektrische deuropeners;
3°. de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het gebouw te bereiken zijn met een rolstoel;
4°. het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders;
5°. het aanbrengen van een trapleuning bij een portiekwoning;
6°. het plaatsen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het gebouw;
d.de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden;
e.de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
f.de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.
Bij grotere bouwkundige aanpassingen moet worden gewerkt met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden conform gemeentelijk inkoopbeleid. Het gaat hierbij om woningaanpassingen die niet worden genoemd in de prijslijst met de gecontracteerde woningaanpasser, waardoor een goede inschatting van de kostprijs ontbreekt.
De kosten van een maatwerkvoorziening in de vorm van een bouwkundige aanpassing worden uitbetaald aan de eigenaar van de woning. Het besluit wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar. In overleg met de woningbouwvereniging of eigenaar van de woning kan hiervan worden afgeweken.
Bij het bepalen van een maatwerkvoorziening in de vorm van bouwkundige woonvoorzieningen moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.
Er kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt in de vorm van een vergoeding voor het verwijderen van een ingrijpende woningaanpassing, waarvoor op grond van de Wmo een is verstrekt, als de woonruimte in de huidige staat niet opnieuw verhuurbaar of verkoopbaar is. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de werkelijk gemaakte reële kosten.
In overleg met de woningbouwvereniging of eigenaar van de woning kan het verwijderen van woningaanpassingen in natura in opdracht en voor rekening van de gemeente worden uitgevoerd.
Er kan eenmalig een maatwerkvoorziening voor een woningsanering worden verstrekt. Hiervoor gelden de volgende drie voorwaarden.
1Er is een acute noodzaak voor woningsanering, vanwege COPD/astmaklachten in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt. Deze noodzaak dient door middel van een rapport van een longverpleegkundige te worden aangetoond.
2De aanvraag voor woningsanering is aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal allergie voor huisstofmijt is vastgesteld.
3Bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking is geen sprake geweest van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering en mag de huidige woning niet eerder door de aanvrager op grond van de Wet of andere wet- en regelgeving zijn gesaneerd.
4Bij het verstrekken van een voorziening voor woningsanering kan de gemeenterekening houden met de leeftijd van de huidige materialen in de woning. Immers, bij een bepaalde leeftijd zijn de materialen aan vervanging toe. De inwoner heeft dan kunnen sparen voor vervanging van deze materialen.
Het is mogelijk een maatwerkvoorziening te verstrekken voor de keuring en het onderhoud van de woning als deze kosten niet in de met de leverancier overeengekomen prijs zijn opgenomen.
Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van keuring en onderhoud/ reparatie aan voorzieningen, die door de gemeente zijn verstrekt, kunnen alleen de werkelijk gemaakte reële kosten van keuring en onderhoud/reparatie voor vergoeding in aanmerking komen en niet behoren tot de gebruikelijke onderhoudskosten. Hierbij wordt een afweging gemaakt of het verwijtbare/te voorkomen kosten betreft.
5.8.2 Primaat van verhuizen
Een persoon met beperkingen kan voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en het de meest adequate en goedkoopste voorziening is.
•het primaat van verhuizen kan worden toegepast indien de kosten van een noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan €10.000
•als het primaat van toepassing is, kan zonder aparte aanvraag een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden verstrekt;
•de inwoner kan voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing in aanmerking komen indien blijkt dat het primaat van de verhuizing niet binnen een redelijke en/of medische aanvaardbare termijn realiseerbaar is.
5.8.3 Woonwagen, woonschip, binnenschip
Voor woonwagens met een vaste standplaats, voor woonschepen met een officiële ligplaats en voor het woonverblijf van binnenschepen gelden dezelfde voorwaarden als voor zelfstandige woningen.
5.9 Maatwerkvoorziening Rolstoelen
5.9.1 Criteria Rolstoelen
Een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoelvoorziening is bedoeld om iemand in staat te stellen zich in en om de woning zittend te verplaatsen. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel.
Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal zo nodig via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld.
Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen.
Hierbij is bepalend dat de verleende mantelzorg relevant en substantieel is.
Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verstrekt kan worden.
Onder het verplaatsen in de woning wordt verstaan dat de inwoner in staat moet zijn de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging indien daar noodzakelijk en regelmatig gebruik van wordt gemaakt, de tuin of het balkon te bereiken en er zich zodanig te redden dat normaal functioneren mogelijk is.
De maatwerkvoorzieningen kunnen ook in dit geval nieuw of gebruikt zijn.
5.9.2 Incidenteel rolstoelgebruik
De zogenaamde rolstoel voor incidenteel gebruik valt hier niet onder: deze rolstoel wordt immers niet gebruikt voor verplaatsen in, om en nabij de woning, maar wordt vooral gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje.
Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen en dergelijke.
Ook is het wellicht in incidentele situaties noodzakelijk om vanwege andere redenen een dergelijke rolstoel voor incidenteel gebruik te verstrekken. Het gaat hierbij om uitzonderingen: uitgangspunt is dat een rolstoel alleen verstrekt wordt indien die noodzakelijk is voor het verplaatsen in, om en nabij de woning.
5.9.3 Sportrolstoel/-voorziening
De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Deze wordt gezien als een maatwerkvoorziening bedoeld om deel te nemen aan recreatieve activiteiten. Toekenning van een sportrolstoel kan alleen maar wanneer de rolstoel noodzakelijk is voor de beoefening van deze sport en wanneer aangetoond is dat de sport daadwerkelijk beoefend gaat worden (bijvoorbeeld door een lidmaatschap). In beginsel wordt deelname aan één sport als voldoende gezien. Wanneer men de sport professioneel gaat beoefenen zijn de sportvereniging, bond en fondsen voorliggend.
Indien voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportrolstoel/voorziening een pgb wordt verstrekt geldt het volgende:
•Voor de sportrolstoel geldt een eigen bijdrage;
•De minimale gebruiksduur is drie jaar;
•Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het pgb aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden;
•Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het pgb aangeschafte rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten;
•De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte.
•Na afloop van de periode van 3 jaar, volgt geen automatische vervanging van de sportrolstoel, maar zal, bij het verzoek tot vervanging, een beoordeling plaatsvinden van de technische staat van de sportrolstoel.
5.9.4 Rolstoel via een persoonsgebonden budget
Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die betrokkene zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.
De gemeente hanteert een gebruiksduur van 7 jaar voor een rolstoel. De betrokkene is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het persoonsgebonden budget aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden.
De betrokkene is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het persoonsgebonden budget aangeschafte elektrische rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten.
De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Hierbij gelden als maximum de in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest opgenomen bedragen voor de aanschaf inclusief standaard fabrieksopties en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering.
De kosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen aan de rolstoel worden voor 100% vergoed.
5.10 Maatwerkvoorziening Vervoer
5.10.1 Algemeen
De maatwerkvoorziening vervoer zal ingezet worden wanneer iemand geen gebruik kan maken van het regulier- en het aanvullend openbaarvervoer. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, is afhankelijk van de individuele situatie.
Bij maatwerkvoorzieningen voor vervoer moet worden gedacht aan scootmobielen, driewielfietsen, en de Regiotaxi.
Ook de voorziening voor de reguliere individuele (rolstoel)taxi of eigen auto, die kan worden vergoed als de Regiotaxi geen of onvoldoende compensatie kan bieden, behoort tot deze categorie. Deze vergoeding wordt op declaratiebasis verstrekt. Andere voorbeelden van mogelijke voorzieningen zijn een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto of ander verplaatsingsmiddel.
Een maatvoorziening Vervoer is primair gericht op het vervoer in het kader van het leven van alledag in de eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied (de directe woon- of leefomgeving, tot ca 25 km).
Een voorziening voor het verplaatsen met een vervoermiddel in de directe woon- of leefomgeving betreft een breed scala van verplaatsingen.
Een vervoersvoorziening heeft betrekking op verplaatsingen die nodig zijn voor het doen van boodschappen, om naar artsen, paramedici of specialisten te gaan en voor ziekenhuisbezoek. Verder kan de vervoersvoorziening worden toegekend om betrokkene de mogelijkheid te bieden bestemmingen te bereiken waar men contact heeft met medemensen en/of deel kan nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen.
5.10.2 Criteria vervoersvoorziening
Om in aanmerking te komen voor een individuele-/maatwerkvervoersvoorziening moet de noodzaak worden vastgesteld. Deze noodzaak zal aanwezig zijn als iemand geen gebruik van het regulier- en het aanvullend openbaarvervoer kan maken. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, zal afhankelijk zijn van de individuele situatie.
Het college houdt bij zijn beslissing rekening met de volgende voorliggende voorzieningen.
Vervoer in het kader van betaalde arbeid
Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een vervoermiddel gemaakt moeten worden voor betaalde arbeid. Dit vervoer wordt op een andere manier (via bv het UWV) geregeld. Heeft men een vervoersvoorziening nodig vanwege een beperking voor het werk, dan kan die, indien noodzakelijk, worden uitgebreid voor het vervoer van alledag. Dat valt echter niet onder de Wmo.
Vervoer in het kader van onderwijs
Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van het leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap.
Vervoer in het kader van dagbesteding
Vervoer naar en van dagbesteding is opgenomen in de maatwerkarrangementen.
Ziekenvervoer via de Zorgverzekeringswet (Zvw)
Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan; oncologische behandelingen met chemotherapie immuuntherapie of radiotherapie moet ondergaan; zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen; of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen;, jonger dan 18 jaar is, en gebruik maakt van verzorging vanwege complexe somatische (lichamelijke) problematiek, of een lichamelijke handicap heeft; aangewezen is op geriatrische revalidatiezorg.) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. De vergoeding van zittend ziekenvervoer is in 2019 verruimd. Hierdoor kunnen patiënten met bepaalde aandoeningen gebruik maken van vervoer (niet ambulance) van en naar consulten, onderzoek en controles, als deze samenhangen met de behandeling.
Buitenregionaal recreatief vervoer (Valysregeling)
Wanneer een inwoner een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner (met andere woorden: buiten de directe woon- en leefomgeving) kan het vervoer geregeld worden met de Valys regeling. Voordat gebruik gemaakt kan worden van de Valysregeling zal de inwoner hiervoor zelf een pas moeten aanvragen. Toegang tot Valys kan bijvoorbeeld met een Wmo toekenning voor de Regiotaxi of een invalidenparkeerkaart.
Tijdens het onderzoek naar de vervoersbehoeften houdt het college rekening met de volgende aspecten:
Mobiliteit:
•maximale loopafstand op goede dag;
•maximale loopafstand op slechte dag;
•gebruik loophulpmiddel (rollator, wandelstok, kruk, et cetera).
Uithoudingsvermogen:
•maximale reisduur;
•kan gedurende de reis overstappen;
•invloed weersomstandigheden op functioneren;
•invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren.
Organisatie en begeleiding van de reis
•kan zonder begeleiding met het OV;
•kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi;
•kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi;
•kan alleen met begeleiding met de taxi.
Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi
•kan met iedereen gecombineerd worden;
•kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden;
•kan met niemand gecombineerd worden.
Er wordt uitgegaan van een gemiddelde vervoersbehoefte van tenminste 1500 km per jaar. Aan de hand van deze gemiddelde vervoersbehoefte wordt de omvang van de vervoersvergoeding bepaald en vastgelegd in het in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2023.
5.10.3 Combinatie vervoersvoorzieningen
Als gebruik wordt gemaakt van een andere verstrekte maatwerkvoorziening voor vervoer zoals een scootmobiel, dan wel van een eigen verplaatsingsmiddel kan een aanpassing plaatsvinden. Het aantal kilometers wordt dan met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd, afhankelijk van de mate waarin het andere verplaatsingsmiddel in de vervoersbehoefte voorziet.
Indien een partner aanwezig is met eenzelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer, kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd worden, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte. Dit geldt niet voor de Regiotaxi. Immers beide partners betalen ook bij gezamenlijke ritten zelf de zones.
Tenslotte kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd worden indien het gaat om kinderen. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte.
Bij personen met een loopafstand van minder dan 800 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand.
Een dergelijk individueel vervoermiddel kan alleen worden verstrekt indien belanghebbende verantwoord met het middel overweg kan en over een adequate stalling beschikt. Indien deze niet aanwezig is wordt het realiseren van een stalling als maatwerkvoorziening vervoer verstrekt. De kosten van deze stalling moeten in redelijke verhouding staan tot de huur- of aanschafkosten én van de verwachte gebruiksduur van de betreffende voorziening.
Bijzonderheden
De beschikking wordt in principe voor onbepaalde tijd afgegeven. Bij wijzigingen in het soort vervoer, in de hoogte van tegemoetkomingen, de gezinssituatie of het inkomen moet een nieuwe beschikking worden afgegeven.
De voorziening gaat in per de eerste van de maand waarin de voorziening is aangevraagd.
Er vindt soms toekenning van een vergoeding plaats voor een tijdelijke periode. Dit is het geval als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden.
5.10.4 Regiotaxi
In de Leidse Regio, en de Duin- en Bollenstreek is het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) beschikbaar via de Regiotaxi Holland Rijnland. De Regiotaxi is een vorm van aanvullend openbaar vervoer. Deze taxi rijdt van deur tot deur. Het vervoerssysteem is toegankelijk voor een ieder die, met of zonder rolstoel, zelfstandig of met begeleiding kan reizen. De Regiotaxi kent een aantal vaste opstapplaatsen daar waar er mogelijk misverstanden kunnen ontstaan over de exacte ophaalplaats (station, winkelcentrum). Met de Regiotaxi kan ook buiten de regio (meer dan 25 kilometer) worden gereisd, hiervoor geldt het volledige tarief. Personen met beperkingen die geen gebruik kunnen maken van het reguliere openbaar vervoer, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding voor dit collectieve vervoersysteem vanuit de Wmo.
Voor wat betreft de Regiotaxi is de gemeente verantwoordelijk voor het voorzien in de vervoersbehoefte van de pashouder tot en met 25 kilometer vanaf diens woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 25 kilometer vanaf het woonadres van de pashouder.
Vorm van verstrekken
De standaardvergoeding betreft een vergoeding voor het gebruik van de Regiotaxi, waarbij een tegemoetkoming wordt gegeven voor de meerkosten van het CVV ten opzichte van het reguliere openbaar vervoer voor een maximaal aantal kilometers per jaar. Dit aantal is opgenomen in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2026 De meerkosten worden door de gemeente rechtstreeks afgerekend met de vervoerder. De persoon met beperkingen heeft een Wmo-pasje en betaalt in de Regiotaxi het gereduceerde tarief.
De gemeente kan een aantal specificaties aangeven bij de vervoerder. Bijvoorbeeld of begeleiding noodzakelijk is (wanneer iemand niet alleen kan reizen of wanneer iemand op plaats van bestemming niet zonder begeleiding verder kan).
5.10.5 Rolstoeltaxi en gebruik eigen auto
Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een (rolstoel)taxi of het gebruik van de eigen auto verstrekken.
Om redenen van medische, psychische en/of sociale aard kan het collectief vervoer voor bepaalde mensen geen adequate oplossing voor het vervoersprobleem bieden. Hierbij kan worden gedacht aan:
•personen die tijdens de rit noodzakelijk gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen in de regiotaxi;
•personen die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben met niet op te vangen incontinentie;
•personen die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie, CARA, longemfyseem waardoor reizen met anderen onmogelijk is;
•situaties in verband met privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne tot gevolg hebben voor de inwoner;
•personen die ernstige overlast veroorzaken voor medepassagiers.
a) Vergoeding voor het gebruik van de eigen auto
Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen voor het vervoer met de eigen auto, wordt beoordeeld of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode vóórdat de beperkingen ontstonden. Alleen dan kan er sprake zijn van een vervoersprobleem en komt men in aanmerking voor een individuele voorziening.
De bijdrage voor het gebruik van de eigen auto is bedoeld voor diegenen die in aanmerking komen voor een vergoeding voor de Regiotaxi en beschikken over een eigen auto. Voor deze groep mensen is de mogelijkheid gecreëerd om te kiezen tussen de Regiotaxi en een bedrag voor het gebruik van de eigen auto. Uit cijfers en enquêtes blijkt immers dat zij zelden of nooit gebruik (zullen) maken van de Regiotaxi. Deze keuze is niet toegestaan als men meereist in de auto van anderen.
De aard en de zwaarte van de beperkingen hebben geen invloed op de hoogte van de bijdrage. Dit heeft immers geen gevolgen voor het benzinegebruik. Het betreft namelijk een kilometervergoeding. Uitbetaling van het bedrag vindt net zoals het vrij besteedbaar bedrag op declaratiebasis in twee termijnen plaats, juli en januari.
Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een bijdrage voor het gebruik van een eigen auto moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
•er kan geen gebruik worden gemaakt van het reguliere openbaar vervoer;
•er kan wel gebruik worden gemaakt van de Regiotaxi;
•er is sprake van een gewijzigde situatie waardoor er aanzienlijke meerkosten ontstaan;
•er is geen andere adequate voorziening mogelijk die minder duur is;
•er is geen voorliggende voorziening beschikbaar (vergoeding via werkgever);
•er is een auto die op naam staat van de aanvrager of zijn/haar partner, en minimaal één van beiden is in het bezit van een geldig rijbewijs;
•de betrokkene (het betrokken echtpaar) ziet (zien) af van de Regiotaxi-vergoeding in combinatie met het vrij besteedbare bedrag.
Er kan alleen bij toekenning en bij de aanvang van een nieuw jaar gekozen worden voor de bijdrage eigen auto.
De hoogte van het bedrag ten behoeve van de eigen auto is in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2023 vastgesteld. Met dit bedrag kunnen zij, uitgaande van een vergoeding per kilometer, tenminste 1500 kilometer reizen. De vergoeding wordt niet direct aan de Wmo-gerechtigden uitbetaald. Zij kunnen de verreden ritten eenmaal per half jaar declareren.
b) Vergoeding voor aanpassingen aan de eigen auto
Wanneer mensen een eigen auto hebben en geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, een ander vervoermiddel op twee wielen dan wel de Regiotaxi, of wanneer mensen de auto veelal in gezinsverband gebruiken, kunnen zij mogelijk in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing. Deze aanpassingen kunnen betreffen:
•de bediening en besturing van de auto;
•het in en uit de auto komen;
•de zithouding;
•de verzorging van de gehandicapte;
•het mee kunnen nemen van hulpmiddelen.
Voorwaarden
Het persoonsgebonden budget voor de autoaanpassing wordt voor een periode van zeven jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor eenzelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts naar rato van de verstreken termijn vergoed. Dit geldt niet bij een calamiteit. De kosten worden alleen vergoed indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
•er kan géén gebruik gemaakt worden van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het (aanvullend)openbaar vervoer of de taxi; óf
•de belanghebbende maakt deel uit van een gezin bestaande uit meer dan 2 personen,
o én kan geen gebruik maken van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het openbaar vervoer,
o én de gezinssituatie speelt een substantiële rol in de vervoersbehoefte van belanghebbende. Dat wil zeggen: men kan aannemelijk maken dat er veelal in gezinsverband wordt gereisd.
•de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van de belanghebbende;
•er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden;
•de bestuurder is de aanvrager of lid van het gezin van de aanvrager;
•de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit (eigenaar) van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing;
•er treedt naar alle waarschijnlijkheid geen ingrijpende wijziging op in de rijbevoegdheid van de bestuurder.
Ook aan de eigen auto worden randvoorwaarden gesteld. Hij moet
•redelijk aan te passen en in goede staat zijn;
•het goedkoopst aan te passen model zijn;
•in principe niet ouder dan drie jaar zijn of nog minimaal zeven jaar mee kunnen. Dit hoeft niet te gelden bij overplaatsbare aanpassingen.
Tenslotte dienen de aanpassingen aan de auto door de eigenaar verzekerd te worden. Kosten van onderhoud en verzekering van uitsluitend de aanpassingen komen voor compensatie in aanmerking.
Hoofdstuk 6 Specialistische voorzieningen Wonen met ondersteuning
6.1 Specialistische maatwerkvoorzieningen Wonen met ondersteuning
6.1.1 Toegang
Aanmelding voor specialistisch Wonen met ondersteuning kan op dezelfde wijze als bij lokaal Wonen met ondersteuning bij het Sociaal Team Oegstgeest (zie hoofdstuk 2). Indien een inwoner mogelijk in aanmerking komt voor specialistisch Wonen met ondersteuning, wordt de aanvraag voorgelegd aan het regionaal team Maatschappelijke Zorg dat de aanvraag verder behandelt.
6.1.2 Overbruggingszorg
Wanneer een specialistisch Wonen met ondersteuning plek niet direct beschikbaar is, wordt de inwoner op een wachtlijst geplaatst. In de tussentijd kan de inwoner aanspraak maken op overbruggingszorg in de vorm van ambulante ondersteuning. Deze ambulante ondersteuning wordt georganiseerd door de lokale gemeente en staat beschreven in artikel 5.6.
Hoofdstuk 9 Maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget
9.8 Persoonsgebonden budget voor Woonvoorzieningen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen
9.8.1 Eenmalige uitkering voor materiële voorzieningen
Wanneer sprake is van een persoonsgebonden budget voor materiele maatwerkvoorzieningen in de vorm van eenmalige uitkering voor een woonvoorziening, individuele vervoersvoorziening en rolstoel levert de persoon met beperkingen binnen zes maanden een aankoopverplichting aan bij de gemeente. De betaling van het budget vindt plaats na aanlevering van het bewijs van aankoop, een onderhoudscontract en - indien van toepassing - een verzekeringsbewijs. De component voor de voorziening wordt in één keer volledig uitbetaald; de componenten voor het onderhoud en de verzekering worden betaald in jaarlijkse termijnen.
9.8.2 Beëindiging van het persoonsgebonden budget materiële voorziening
Bij intrekking of beëindiging van het persoonsgebonden budget gedurende de looptijd (zoals bij overlijden) dient de aangeschafte materiele maatwerkvoorziening in principe te worden overgenomen, door inwoner of bij overlijden door erfgenamen of nabestaanden, tegen de restwaarde. In het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest zijn hiervoor percentages vastgelegd. In bijzondere gevallen kan vanuit de gemeente verzocht worden het eigendomsrecht over te dragen aan de gemeente in verband met hergebruik. Deze voorwaarden dienen in de beschikking opgenomen te worden.
9.9 Persoonsgebonden budget voor diensten
9.9.1. Tarieven verschillende typen zorgverleners
Er wordt onderscheid gemaakt tussen professionele (professionele hulp die wordt ingekocht bij een zorginstelling of een ter zake kundig gediplomeerde zzp-er of éénmansbedrijf ) en non-professionele/informele hulp.
a) Tarief professionele zorg geleverd door zorginstelling:
De zorg wordt geleverd door gekwalificeerd personeel dat in loondienst is bij een erkende zorginstelling. In dit tarief is rekening gehouden met de werkgeverslasten die gebruikelijk zijn voor een dergelijke zorginstelling.
Dit kan aangetoond worden door het overleggen van een kopie van een inschrijving van het Handelsregister waaruit blijkt dat er sprake is van een onderneming die geheel of voor het grootste deel bestaat uit het verlenen van (Wmo)zorg en een kopie van een geanonimiseerde arbeidsovereenkomst waaruit blijkt welke voor de betreffende sector relevante cao wordt toegepast.
b) Tarief professionele zorg geleverd door zzp-er:
De zorg wordt geleverd door een ter zake kundig persoon die beroepsmatig is gekwalificeerd voor de betreffende ondersteuning en bij de Kamer van Koophandel staat geregistreerd als zelfstandige, eenmansbedrijf of freelancer. Dit kan aangetoond worden door een kopie van een inschrijving van het Handelsregister waaruit blijkt dat er sprake is van een onderneming die geheel of voor het grootste deel bestaat uit het verlenen van (Wmo)zorg.
c) Tarief non-professionele zorg:
De zorg wordt verleend door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig zorg verlenen. Inwoners die een Pgb aanvragen voor de ondersteuning van iemand in dezelfde leefeenheid worden altijd als een non-professional beschouwd. Hetzelfde geldt voor ouders die voor kinderen zorgen en kinderen die voor ouders zorgen.
Voorwaarden:
Het betalen van ondersteuning of hulp die anders geleverd zou worden uit het sociale netwerk van de inwoner komt niet voor vergoeding in aanmerking. Er zijn situaties die hierop een uitzondering kunnen zijn. Aan de hand van de volgende criteria wordt bepaald of dit het geval is:
1Er moet sprake zijn van zorg die de algemeen gebruikelijke hulp overstijgt;
Als iemand vanuit het netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie, omdat tijdens het gesprek blijkt dat vanuit de bestaande situatie de inzet van het sociale netwerk ontoereikend is. Er is dus extra inzet nodig buiten de inzet die al door het sociale netwerk geleverd wordt.
2De inzet van het sociaal netwerk is (aantoonbaar beter en flexibeler) dan professionele ondersteuning;
Het uitgangspunt is dat het persoonsgebonden budget voor niet-professionele zorgverleners beperkt moet blijven tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt. Het belang van de inwoner staat hierbij centraal. Het gaat om argumenten zoals:
–zorgcontinuïteit: partner of ouder kan zorgen voor permanent toezicht. Een professional kan dit niet.
–emotionele binding: partner, ouder of andere familie/kennis heeft een emotionele band, dat bijdraagt aan de effectiviteit van de ondersteuning/hulp.
–veiligheid: hulp of zorg in de eigen leefomgeving door ouder, partner of andere familie/kennis is vertrouwd en veilig en draagt daarmee bij aan de resultaten in het arrangement of de beschikking.
–praktische reden: partner of ouder kan taken flexibel combineren die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties worden uitgevoerd.
3De ondersteuning moet passend, adequaat en veilig zijn.
Als iemand vanuit het sociale netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet diegene wel de juiste vaardigheden hebben. Of een persoon in staat is om de juiste ondersteuning te bieden wordt besproken tijdens het gesprek en is afhankelijk van de specifieke situatie. Eventueel worden de mogelijkheden besproken om door middel van scholing te komen tot de juiste vaardigheden.
4Het netwerk moet zich bewust zijn van de consequenties.
De persoon die vanuit het netwerk de ondersteuning biedt moet zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die hij, mogelijk langdurig, op zich neemt. Vraag die daarbij gesteld moet worden is, kan de degene die de hulp levert een keer overslaan als hij ziek is of op vakantie gaat, en hoe wordt de hulp dan geleverd?
5Geen persoonsgebonden budget bij dreigende overbelasting.
Wanneer ondersteuning wordt ingezet in situaties waarin sprake is van (dreigende) overbelasting van de Pgb-houder en/of de verlener, zal zorgvuldig gekeken worden of het inzetten van persoonsgebonden budget de juiste oplossing is.
9.9.2 Betaling van het persoonsgebonden budget voor Begeleiding (maatwerkarrangementen) en huishoudelijke ondersteuning (het trekkingsrecht)
In de Wmo 2015 is sprake van trekkingsrecht. Trekkingsrecht wil zeggen dat de gemeente het persoonsgebonden budget niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op de rekening van het servicecentrum PGB van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten of de ondersteuning is geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. Het niet volledig besteedde persoonsgebonden budget wordt door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Het trekkingsrecht is alleen aan de orde bij een persoonsgebonden budget voor Begeleiding (maatwerkarrangementen), Huishoudelijke Ondersteuning en wonen met ondersteuning. Na ontvangst van de gegevens en de goedgekeurde zorgovereenkomst zal de SVB op basis van declaratie tot betaling overgaan. De klant dient vervolgens facturen in bij de SVB. Door het trekkingsrecht is het voor inwoners niet meer mogelijk om te betalen via een automatische incasso. Wanneer aanbieders hiervoor extra kosten rekenen mogen deze kosten worden voldaan vanuit het persoonsgebonden budget.
Hoofdstuk 12 Overige bepalingen
12.6 Ondersteuning aan 16-27 jarigen
12.6.1 Zorgcontinuïteit
Iedere jeugdige die al in jeugdhulp is, wordt door de betreffende aanbieder tijdig voorbereid op de achttiende verjaardag: jeugdhulpaanbieders in Holland Rijnland wordt verplicht om uiterlijk bij 16,5 jaar, samen met de jongere een (perspectief)plan opgesteld te hebben. In dit plan worden alle relevante leefdomeinen opgenomen, van werk of school tot financiën, zorg en welzijn, inclusief mogelijke vervolgtrajecten. Dit plan heeft als doel zorgcontinuïteit beter te regelen, en zorgt er daarnaast voor dat jongeren goed voorbereid zijn op alle veranderingen en verplichtingen als zij achttien worden.
Hierbij wordt ook gekeken of de situatie qua problematiek het best afgehandeld kan worden door het jeugd- en gezinsteam of door het loket Zorg, Werk en Inkomen van de gemeente. Dit kan per situatie variëren. Nauwe afstemming tussen de jeugdige zelf, het jeugd- en gezinsteam, de zorgconsulent en de betrokken aanbieder(s) is daarom ten alle tijden cruciaal. De invulling van de voort te zetten begeleiding is zowel afhankelijk van de behoefte van de jongere als van de mogelijkheden van de aanbieder(s),
12.6.2 Verlengde jeugdhulp
Soms kan de begeleiding vanuit de jeugdhulp doorlopen. Het gaat dan om verlengde jeugdhulp. Of, en op welke wijze, dit het geval is, zal in nauwe onderlinge afstemming met de jongere, het jeugd- en gezinsteam, en het loket Zorg, Werk en Inkomen beoordeeld worden. Van verlengde jeugdhulp kan alleen sprake zijn als er geen ander wettelijk kader is waarin hulp kan worden aangeboden. Om in aanmerking te komen voor verlengde jeugdhulp dient tijdig - tenminste een half jaar voor de 18e verjaardag - een perspectiefplan te worden gemaakt op basis waarvan een besluit voor verlengede jeugdhulp kan worden genomen.
Bijlage 1 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen
WOONVOORZIENINGEN
Aankleedtafel voor kinderen en volwassenen
Airco – losse eenheid
Antislip coating
Antislip tegels bij nieuwbouw of renovatie
Automatische deuropeners voor garages
Centrale verwarming
Dakkapellen
Douchecabine
Douchekop en glijstang / standaard douche(toilet)beugel
Eengreepsmengkranen
Eenhendelmengkraan (m.u.v. lange hendel)
Elektrische bediening inrichtingselementen (licht, gordijnen, zonwering)
Elektrische bediening zonwering
Kookplaten Inductie en keramisch
Handgrepen/beugels (m.u.v. stationaire/opklapbare toiletbeugels, wastafelbeugels)
Raamopeners (m.u.v. rolstoelgebonden personen)
Renovatie badkamer (20 jaar)
Renovatie keuken (15 jaar)
Screens en zonneschermen
Thermostatische mengkraan
Toiletpot (verstelbaar/verlaagd/verhoogd 6+ t/m 9+)
Toilet verhoger (los)
Vervanging keukenapparatuur
Vervanging lavet door douche
Spoel-föhn installatie toilet
Drempelhulpen
VERVOERSVOORZIENINGEN
Auto – airconditioning
Auto - automatische transmissie
Auto - blindering
Auto – elektrische raambediening
Auto - stuurbekrachtiging
Fiets – aankoppelfiets voor kinderen
Fiets – bakfiets
Fiets – buggy (tot 18 kilo)
Fiets – elektrische fiets
Fiets – fietskarretje voor kinderen (voor fiets en scootmobiel)
Fiets – fiets met hulpmotor
Fiets – fiets met lage instap
Fiets – ligfiets
Fiets – tandem (normale uitvoering en uitvoering met hulpmotor
OVERIGE
boodschappendienst
crèche
financieel-administratieve ondersteuning
Gastouder
Hondenuitlaatservice
Kinderopvang
Maaltijdservice
Glazenwasser
Bijlage 2 Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Onder een leefeenheid wordt verstaan alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de inwoner behoort. Bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid.
Algemeen uitgangspunt
Bij een ondersteuningsvraag wordt eerst bezien of en in hoeverre iemand zelf of met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten als dat nodig en mogelijk is hun rol nemen in het huishouden. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden.
Afwegingskader gebruikelijke hulp
Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijk hulp om te voorkomen dat sprake is van toeval of van willekeur. Het college neemt daarbij een aantal uitgangspunten over zoals die golden in de AWBZ en voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden blijven de regels gelden zoals onder de Wmo 2007.
Begeleiding en overnemen huishoudelijke werkzaamheden
Het college houdt bij de boordeling of van de huisgenoot gebruikelijke hulp kan worden gevergd in ieder geval rekening met:
•De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner;
•De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de inwoner;
•De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen;
•De mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren.
Daarbij kan onderscheid bestaan tussen gebruikelijke hulp ingeval van begeleiding en/of het overnemen van huishoudelijke taken door huisgenoten.
De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner
De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De inwoner kan aangewezen zijn op hulp bij zelfzorg, de thuisadministratie, het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie of bij problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de inwoner daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de inwoner wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden.
Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Zo kan de inwoner zijn aangewezen op permanent toezicht wat zware eisen kan stellen aan de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. Daarnaast kan de totale omvang van de ondersteuningsbehoefte met zich meebrengen dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel daarvan kan daarom als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Is dat niet aan de orde, dan kan het college een maatwerkvoorziening verlenen. Het kan echter ook gaan om een meer incidentele vorm van hulp die wel een structureel karakter heeft. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de hulp kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt.
Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte
Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de inwoner. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de inwoner. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Indien er sprake is van hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden, is het in principe niet van belang of sprake is van een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte.
Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt ook in principe geen rekening gehouden met een onderscheid tussen een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte.
De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de inwoner
Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de inwoner. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de inwoner.
Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt in principe geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid.
Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn:
•hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera;
•hulp bij of het overnemen van taken die tot een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie;
•Hulp aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, et cetera;
•Hulp van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden.
Er zijn meer voorbeelden denkbaar die afhankelijk zijn van de individuele situatie. Verder kan het zijn dat de naar algemene maatstaven geldende ‘gebruikelijke hulp’ substantieel wordt overschreden bij ouders en kinderen. Hier kan het gaan om een langdurige ondersteuningsbehoefte, die in vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel, substantieel wordt overschreden. In die gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen.
Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer: de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij de sociale redzaamheid.
Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen naar hun ouders. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(s) bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot zelfzorg bepalend zijn.
Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot zelfzorg bepalend zijn.
De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van de gebruikelijke hulp van de kinderen kan een Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet.
De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen
Als de inwoner thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Ondersteuning bieden, zoals begeleiding, ligt minder voor de hand en dat beoordeelt het college in het individuele geval.
In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Als uitgangspunt hanteert het college 2 uur voor uitstelbare taken en 3 uur per week voor niet-uitstelbare taken. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Onder omstandigheden kan ook andere hulp of ondersteuning van het meerderjarige kind aan de ouder(s) onder de gebruikelijke hulp vallen. Verder geleden de volgende uitgangspunten.
•Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding;
•Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand doen;
•Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen;
Hier wordt door het Sociaal Team Oegstgeest gekeken of dit redelijk en reëel van kinderen verwacht kan worden.
De mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren.
Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de inwoner door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de inwoner. Ook de leerbaarheid van de inwoner speelt hierbij een belangrijke rol. Die kan betrekking hebben op het (leren) accepteren van de gebruikelijke hulp.
Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de inwoner te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht.
Overbelasting en gebruikelijke hulp
De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Een van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen.
Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten.
Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet.
Bijlage 3 Onderzoek dreigende overbelasting
Algemeen
Het college onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Een van de redenen om in de individuele situatie af te wijken kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt, reeds overbelast dreigt te raken.
Overbelasting is: “meer belasten dan het prestatievermogen toelaat”. In medische kringen praten we over het (on)evenwicht tussen draagkracht(= belastbaarheid) en draaglast (= belasting).
Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger of de persoon die gebruikelijke hulp levert overbelast is, in ander gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het gesprek moeten worden uitgediept.
Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer:
•lichamelijke conditie;
•geestelijke conditie;
•wijze van omgaan met problemen (coping);
•motivatie voor zorgtaak;
•sociaal netwerk.
Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer:
•omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken;
•ziektebeeld en prognose;
•inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de zorgvrager;
•woonsituatie;
•bijkomende sociale problemen;
•bijkomende emotionele problemen;
•bijkomende relationele problemen.
Hieronder volgt een reeks van vragen die tijdens het gesprek zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de mantelzorger.
•Wat zegt de mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het zorgen?
•Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de mantelzorger?
•Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?
•Heeft de mantelzorger een “uitlaatklep”? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen? Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen?
•Hoe is de relatie tussen de mantelzorger en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de mantelzorger grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de mantelzorger en cliënt?
•Heeft de mantelzorger inzicht in de ziekte van de cliënt? (Als men weet dat
•bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren.)
•Hoeveel tijd heeft de mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat zorg behoeft? Voorbeeld: een echtgenoot wordt ziek, terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.
•Is de zorg te plannen of is er continue controle en toezicht nodig?
•Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn.)
•Wat zijn de knelpunten in de zorg?
•Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de mantelzorger min of meer samen opgesloten zitten.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Het is mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is. Over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate, waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal, aspecifieke symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere van onderstaande symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de mantelzorger zijn huisarts raadpleegt, omdat bij langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen weer kunnen leiden tot andere, ernstige stoornissen.
Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:
•Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug;
•Hoge bloeddruk;
•Gewrichtspijn;
•Gevoelens van slapte;
•Slapeloosheid;
•Migraine, duizeligheid;
•Spierkrampen;
•Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid;
•Opvliegingen;
•Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst;
•Plotseling hevig zweten;
•Gevoelens van beklemming in de hals;
•Spiertrekkingen in het gezicht;
•Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen;
•Ongeduld;
•Vaak huilen;
•Neerslachtigheid;
•Isolering;
•Verbittering;
•Concentratieproblemen;
•Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen;
•Rusteloosheid;
•Perfectionisme;
•Geen beslissingen kunnen nemen;
•Denkblokkades.
Bijlage 4 Wat valt wel en niet onder Begeleiding individueel?
Wat is begeleiding?
De individuele Begeleiding is in de nieuwe inkoop opgedeeld in Sociaal persoonlijk functioneren, Geldzaken en Zelfzorg. In artikel 7 van deze beleidsregels zijn de terreinen van beperkingen beschreven. Wanneer een cliënt een of meer zware beperkingen heeft kan overgegaan worden tot het toekennen van een maatwerkvoorziening. Onder begeleiding individueel vallen handelingen waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven. Begeleiding is erop gericht om de zelfredzaamheid van belanghebbende te handhaven of te bevorderen. Begeleiding individueel kan gaan om het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, praktische ondersteuning bij vaardigheden/handelingen, toezicht en interventies op- en het aansturen/corrigeren van gedrag ten gevolge van een stoornis. Ook kan het gaan om oefenen met het aanbrengen van structuur of het uitvoeren van handelingen ten behoeve van de zelfredzaamheid, niet te verwarren met therapie/behandeling.
Begeleiding individueel bestaat uit activiteiten waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven. Het bieden van toezicht buitenshuis kan nodig zijn voor de regie over het eigen leven en valt daarom onder de definitie van begeleiding.
Inzet van begeleiding
De cliënt ontvangt één maatwerkarrangement. Dit Arrangement bestaat uit een op de cliënt individueel afgestemd pakker aan ondersteuning op één of meerdere resultaatgebieden. Als de ondersteuning via Zorg in Natura (ZIN) wordt geleverd, ontvangt cliënt de benodigde ondersteuning in principe van één gecontracteerde zorgaanbieder. Als een aanbieder bijvoorbeeld bepaalde expertise niet in huis heeft doe wel helpend voor de cliënt is, kan de zorgaanbieder kiezen om een andere zorgaanbieder in te zetten als onderaannemer. Dit gebeurt altijd in overleg met de cliënt. De aanbieder die de opdracht krijgt is verantwoordelijk voor de gehele begeleiding.
Bij individuele begeleiding of groepsbegeleiding in de vorm van een pgb is ook sprake van één indicatie per soort maatwerkvoorziening. Een belanghebbende kan er vervolgens wel voor kiezen om uit het budget via de zorgovereenkomst meerdere personen of organisaties voor bijvoorbeeld de individuele begeleiding in te huren.
Hier volgt een overzicht dat de gemeente hanteert van producten of diensten die volgens de gemeente Leiden al dan niet passen binnen de maatwerkvoorziening begeleiding individueel. Deze lijst is geen limitatieve opsomming; het kan zijn dat een onderwerp niet op de lijst staat omdat er nog geen uitspraak over gedaan is, of omdat er zelden tot nooit vragen over zijn gesteld. Het kan ook zijn dat een onderwerp wel op de lijst staat, maar dat de situatie zo bijzonder is dat het toch kan worden toegekend.
1Administratie: Nee, behalve het aanleren/ondersteunen (als onderdeel van de dagelijkse begeleiding.
2Arbeids(re)integratie: Nee (loopt via Werk en Inkomen of het UWV)
3Begeleiding via moderne media (face to face begeleiding): Ja, mits de begeleiding op zich valt onder de Wmo. Er moet sprake zijn van substantieel direct contact (een combinatie van fysiek contact en beeldbellen). Dit sluit begeleiding via bijvoorbeeld mail of sms uit. Het gaat hier bijvoorbeeld om het ondersteunen in het aanbrengen van structuur, het stimuleren en aanzetten tot activiteit en daardoor het uitvoeren van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen.
4Begeleiding in het buitenland: Nee, behalve wanneer het buitenlandse verblijf verplicht is voor de studie, er al begeleiding plaatsvindt en de begeleiding (op afroep, in een lage intensiteit) strikt noodzakelijk is.
5Beheer pgb: Nee, inwoner moet zelf een pgb kunnen beheren dan wel iemand uit diens netwerk. Het pgb mag niet worden beheerd door de begeleidende aanbieder en is daarom ook geen activiteit van de begeleiding (anders moet Zorg in Natura worden toegekend).
6Casemanager dementie: Nee.
7Coaching: Nee. Dit geldt voor zowel coaching met dieren, individuele coaching als groepscoaching
8Fitness (medische - fysio - ): Nee.
9Gespecialiseerd verpleegkundig handelen: Nee. Alle verpleging valt binnen de Zvw aanspraak.
10Huiswerkbegeleiding: Nee, tenzij het plannen en structureren van het huiswerk maken betreft en onderdeel is van de reguliere dagelijkse begeleiding. Het betreft dan hulp bij het plannen en structureren van de gehele week waar huiswerkplanning onderdeel van is. Deze begeleiding is in de regel tijdelijk en gericht op normalisatie.
11Hulp bij eten en drinken: Nee, hier is de maaltijdvoorziening (i.h.k.v. PV/Verpleging/Wmo) voor.
12Hulphonden*: Nee, alleen op individuele gronden en indien niet overwegend therapeutisch. Hulphonden ten behoeve van een fysieke en/of zintuigelijke beperking (bijvoorbeeld blindengeleidenhond) worden vergoed door de zorgverzekeraar.
13Jobcoach: Nee. Zie arbeids (re)intergratie
14Meegaan naar afspraken met instanties en (para)medische afspraken: nee, het stelselmatig meegaan naar (para)medische afspraken en instanties is niet de bedoeling van een maatwerkvoorziening begeleiding. Incidenteel meegaan naar een afspraak is mogelijk als dit noodzakelijk is voor de aanbieder om de doelen van de cliënt te kunnen realiseren.
15Neurolinguïstisch programmeren (NLP): Nee.
16Orthopedagogische hulpverlening: Nee.
17Pastorale hulpverlening: Nee.
18Pedagogische hulpverlening: Nee.
19Pgb administratie: Nee.
20Reclassering en begeleiding tijdens reclasseringstoezicht: Nee, indien inwoner toezicht heeft vanuit reclassering dan valt eventuele hierop aanvullende begeleiding onder de zorginkoop van justitie.
21Remedial teaching: Nee.
22Rouwverwerking: Nee.
23Seksuele dienstverlening, knuffelzorg, flexzorg: Nee.
24Stage, begeleiding bij: Nee.
25Studiebegeleiding (bijles): Nee. Alleen ja als er sprake is van meervoudige problematiek en nooit als enig doel. Dagbesteding die plaatsvindt vanuit een prikkelarme studieruimte, die grotendeels gericht is op de studiebegeleiding, wordt derhalve niet als onderdeel van de Wmo gezien. Dagbesteding als onderdeel van een herstel- of reïntegratietraject (nadat er sprake is geweest van discontinuïteit in de studie) is wel mogelijk.
26Toezicht: Ja, mits dit onderdeel is van de begeleiding individueel en nooit als enig doel
27Uitstapjes school, begeleiding bij: Nee.
28Vertalen/tolken: nee
29Video home training: Nee.
30Vrijetijdsbesteding (begeleiding bij): Ja, mits het begeleiding in de vorm van toezicht betreft en deze begeleiding op grond van de indicatie noodzakelijk is. De recreatieve activiteit zelf (denk aan contributie sport, toegangskaartje concert/ theater bezoek) wordt niet vergoed.
Training: Nee. LET OP, dit is een beperkte opsomming:
31Agressieregulatietraining
32Brugklastraining
33Cognitieve training
34Communicatietraining
35Feldenkraismethode
36Fietstraining
37Kanjertraining
38Luistertraining
39Motorische vaardigheidstraining
40Sociale vaardigheidstraining
41TOM (Theory of Mind) training
42Rots, water, vuur training
43Weerbaarheidstraining
*In veel gevallen blijkt de psychosociale hulphond primair een therapeutisch doel te dienen (o.a. gedragsregulatie van cliënt). De training van een psychosociale hulphond past vanwege dit therapeutisch karakter bij de Zorgverzekeringswet (Zvw). In uitzonderlijke gevallen kan de hulphond een duurzame oplossing bieden voor een inwoner en kunnen hogere Wmo kosten als gevolg van bijvoorbeeld Wonen met Ondersteuning worden voorkomen. Op individuele gronden is het in uitzonderlijke gevallen mogelijk om een vergoeding via de Wmo te krijgen voor de training. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
•De hulphond draagt substantieel bij aan de doelen vanuit de Wmo; het zelfstandige bestaan en het participeren in de samenleving. Er kan daadwerkelijk verwacht worden dat een hulphond bijdraagt aan het bereiken van deze Wmo doelen. En een gewone hond of ander huisdier kan dit niet bereiken.
•De psychosociale hulphond biedt een duurzame en compenserende oplossing voor de Wmo hulpvraag. De inwoner kan de hond voldoende sturing geven en de training volgen. Met duurzaam wordt bedoeld dat een inwoner niet binnen een korte termijn alsnog een andere voorziening (via de Wmo of via een andere wet) nodig heeft om tegemoet te komen aan deze ondersteuningsvraag.
•De hulphond vervangt (deels) andere Wmo maatwerkvoorzieningen of voorkomt dat een inwoner meer van dezelfde ondersteuning of een duurdere Wmo voorziening nodig heeft. De vergoeding voor de training compenseert (grotendeels) de te verwachten extra kosten voor een andere Wmo voorziening.
•De inwoner is in staat om goed voor de hulphond te zorgen. De veiligheid en welzijn van de hond kan geborgd worden. En de inwoner kan de aanschafkosten van een hond zelf betalen en voorzien in de dagelijkse kosten van een hond (incl. dierenarts).
•De training wordt bij een erkende hulphondenschool gevolgd die is aangesloten bij de accredetatieorganisaties Assistence Dogs International (ADI) of de International Guide Dog Federation (IGDF).
Bijlage 5 Huishoudelijke Ondersteuning
Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning
Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, maken we gebruik van het HHM-normenkader. Het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning maakt onderdeel uit van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van de gemeenten in de Leidse regio. Het is een leidraad waarin werkzaamheden en uitgangspunten benoemd zijn, die leiden tot een schoon en leefbaar huis. Samen met inwoner wordt bekeken welke werkzaamheden in de specifieke situatie overgenomen moeten worden Het is goed mogelijk dat inwoner nog wel in staat is (een deel van) de lichte huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Dit wordt gestimuleerd in het kader van de zelfstandigheid. Het leveren van maatwerk is het uitgangspunt.
Resultaatgericht indiceren
Huishoudelijke Ondersteuning wordt resultaatgericht ingezet. “Hoe” de resultaten het beste gerealiseerd kunnen worden, wordt overgelaten aan de zorgaanbieder in overleg met de inwoner. Hierbij wordt ook gekeken welke werkzaamheden de inwoner zelf nog kan uitvoeren (of het sociale netwerk). Afspraken hierover leggen inwoner en de zorgaanbieder vast in een ondersteuningsplan. Daar waar inwoner en zorgaanbieder niet gezamenlijk tot een ondersteuningsplan kunnen komen, zal de gemeente betrokken worden om in goed overleg met partijen tot een werkbare oplossing te komen. De afspraken die gemaakt worden in het ondersteuningsplan (van de aanbieder) en wat de inwoner (of zijn sociale netwerk) zelf kunnen doen worden opgenomen in de beschikking.
Een inwoner moet gebruik kunnen maken van de ruimtes die frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik zijn, zoals de woonkamer, slaapkamers die in gebruik zijn, keuken, badkamer, toilet en gang/trap. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren.
Buitenruimtes bij het huis (tuin, balkon etc.) of buitenzijde van het huis (ramen) en overige kamers/ruimtes in het huis worden niet door de huishoudelijk ondersteuner schoongemaakt.
Verzwarende omstandigheden
Er kunnen factoren zijn die ervoor zorgen dat schoonmaakwerkzaamheden met een hogere frequentie of intensiever mogen plaatsvinden. Inwoners zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk om de factoren die leiden tot een hogere frequentie weg te nemen. Het kan daarbij gaan om roken door inwoner of eventuele huisgenoten, het aantal en de grootte van de meubels, de aanwezigheid van veel kleine spullen of het hebben van huisdieren. Als de aanwezigheid van huisdieren tot vervuiling van de woning leidt zal het Sociaal Team Oegstgeest het gesprek met belanghebbende aangaan. De huishoudelijk ondersteuner heeft de taak alert te zijn op verwaarlozing van huisdieren. In deze situaties is er (in principe) geen sprake van verzwarende omstandigheden. Per inwoner zal echter beoordeeld worden of er in die specifieke situatie sprake is van verzwarende omstandigheden en daarmee een toekenning voor de intensiteit Zwaar nodig is.
Soms is het nodig dat schoonmaakwerkzaamheden met een hogere frequentie of intensiever plaatsvinden. Voorbeelden van verzwarende omstandigheden kunnen zijn (niet limitatief):
•Als door gevolg van rolstoelgebruik, bedlegerigheid, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren of besmet wasgoed (bijv. bij chemokuur), een hogere frequentie van schoonmaken en/of wassen nodig is om vervuiling te voorkomen.
•Als door ernstige klachten als gevolg van huisstofmijtallergie, astma, longemfyseem of COPD een hoger hygiëneniveau en hogere frequentie van schoonmaken nodig is.
•Als inwoner door ernstige beperkingen door reuma, spasticiteit, verlamming of amputatie niet in staat is om de woning dagelijks op orde te houden (aanrecht schoonmaken, algemeen opruimen, etc.) en dit een hogere frequentie van schoonmaken noodzakelijk maakt.
•Als vanwege de aanwezigheid van drie of meer kinderen onder de 12 jaar een hogere frequentie van schoonmaken nodig is.
Veranderende situatie
De situatie van inwoners kan veranderen. Bijvoorbeeld doordat de gezondheid verandert of doordat de ondersteuning vanuit het netwerk wijzigt. Daarmee kan ook de behoefte aan ondersteuning wijzingen. Door korte lijnen tussen aanbieder en belanghebbende is er ruimte om daar waar nodig aanpassingen te verrichten in de mate van ondersteuning. Als de zorgaanbieder en inwoner concluderen dat het resultaat niet bereikt kan worden binnen de ingezette voorziening nemen zij contact op met het Sociaal Team Oegstgeest.
Voorwaarden voor ondersteuning
Belanghebbende moet zelf zorgdragen voor schoonmaakmiddelen en –attributen, als afwasmiddel, poetsdoeken en een (werkende) stofzuiger. Ook het hebben van een wasmachine is een voorwaarde voor het ontvangen van huishoudelijke hulp. Het schoon te maken huis moet zodanig zijn ingericht dat het zonder veel moeite te reinigen is. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat de huishoudelijk ondersteuner met zware meubels moet schuiven.
Activiteiten
We maken onderscheid tussen basisactiviteiten en incidentele activiteiten. Voor de resultaten Schoon en leefbaar huis en wasverzorging wordt in het normenkader onderscheid gemaakt tussen basis-en incidentele werkzaamheden. Basiswerkzaamheden zijn werkzaamheden die regelmatig uitgevoerd moeten worden. Incidentele werkzaamheden hoeven slechts één of enkele keren per jaar uitgevoerd te worden om een schoon en leefbaar huis te bereiken. Samen met de inwoner wordt gekeken welke werkzaamheden belanghebbende of zijn sociale netwerk uit kunnen uitvoeren en welke activiteiten de zorgaanbieder uitvoert. De daadwerkelijke frequentie en activiteiten zijn afhankelijk van de situatie van de inwoner.
Normenkader: activiteiten en frequenties
Schoon en leefbaar huis
Ruimte
Basisactiviteit
Frequenties
Woonkamer (en andere kamers)
Stof afnemen hoog incl. luchtfilters
1xper 2 weken
Stof afnemen midden
1xper week
Stof afnemen laag
1xper week
Opruimen
1xper week
Stofzuigen
1xper week
Dweilen
1xper week
Slaapkamer(s)
Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters
1xper 6 weken
Stof afnemen midden
1xper week
Stof afnemen laag
1xper week
Opruimen
1xper week
Stofzuigen
1xper week
Dweilen
1xper 2 weken
Bed verschonen of opmaken
1xper 2 weken
Keuken
Stofzuigen
1xper week
Dweilen
1xper week
Keukenblok (buitenzijde) inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel
1xper week
Keukenapparatuur (buitenzijde)
1xper week
Afval opruimen
1xper week
Afwassen
1xper week
Sanitair
Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen)
1xper week
Toilet schoonmaken
1xper week
Hal
Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters
1xper week
Stof afnemen midden
1xper week
Stof afnemen laag
1xper week
Stofzuigen
1xper week
Trap stofzuigen (binnenshuis)
1xper week
Dweilen
1xper week
Ruimte
Incidentele activiteit
Frequenties
Woonkamer (en andere kamers)
Gordijnen wassen
1xper jaar
Reinigen lamellen/luxaflex
2xper jaar
Ramen binnenzijde wassen
4xper jaar
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten
2xper jaar
Zitmeubels afnemen (droog/nat)
1xper 8 weken
Radiatoren reinigen
2xper jaar
Slaapkamer(s)
Gordijnen wassen
1xper jaar
Reinigen lamellen/luxaflex
2xper jaar
Ramen binnenzijde wassen
4xper jaar
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten
2xper jaar
Radiatoren reinigen
2xper jaar
Matras draaien
2xper jaar
Keuken
Gordijnen wassen
2xper jaar
Reinigen lamellen/luxaflex
3xper jaar
Ramen binnenzijde wassen
4xper jaar
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten
2xper jaar
Radiatoren reinigen
3xper jaar
Keukenkastjes (binnenzijde)
2xper jaar
Koelkast (binnenzijde)
3xper jaar
Oven/magnetron (grondig schoonmaken)
4xper jaar
Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)
1xper jaar
Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasserbestendig
2xper jaar
Afzuigkap reinigen (binnenzijde) – niet vaatwasserbestendig
2xper jaar
Bovenkant keukenkastjes
1xper 6 weken
Tegelwand (los van keukenblok)
2xper jaar
Sanitair
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten
2xper jaar
Radiatoren reinigen
2xper jaar
Tegelwand badkamer afnemen
4xper jaar
Gordijnen wassen
1xper jaar
Ramen binnenzijde wassen
4xper jaar
Reinigen lamellen/luxaflex
3xper jaar
Hal
Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten
2xper jaar
Radiatoren reinigen
2xper jaar
Wasverzorging
Activiteit
Frequenties*
Wasgoed sorteren
1xper week
Behandelen van de vlekken
5xper 2 weken (indien nodig)
Was in de wasmachine stoppen (incl. wasmachine aanzetten)
5xper 2 weken
Wasmachine leeghalen
5xper 2 weken
Sorteren naar droger of waslijn
5xper 2 weken
Was in de droger stoppen
5xper 2 weken
Droger leeghalen
5xper 2 weken
Was ophangen
5xper 2 weken
Was afhalen
5xper 2 weken
Was opvouwen
5xper 2 weken
Was strijken**
1xper week
Was opbergen/opruimen
5xper 2 weken
* In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van 5x per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden is dat 2x per week.
** Strijken vindt in principe niet plaats. Het strijken (van bovenkleding) kan slechts in uitzonderingsgevallen plaatsvinden, als dit vanwege medische redenen noodzakelijk is. De frequentie is dan 1x per week.
Normenkader: normtijd
De activiteiten, frequenties en bijbehorende normtijden zijn gebaseerd op een gemiddelde cliëntsituatie. Dit betekent dat gemiddeld genomen de totale tijd per resultaatgebied voldoende is om de activiteiten volgens de bijbehorende frequenties uit te voeren. Maar per inwoner kan de benodigde/ingezette tijd verschillen. Er kan zowel meer als minder tijd ingezet worden dan de gemiddelde normtijd om de genoemde resultaten te kunnen bereiken. Dit is afhankelijk van de afspraken in het ondersteuningsplan dat de aanbieder in overleg met de inwoner opstelt (zie Resultaatgericht indiceren). In onderstaande tabel zijn de normtijden voor een gemiddelde cliëntsituatie per resultaat benoemd.
Intensiteit
Resultaat
Normtijd per week
Licht*
Schoon en leefbaarhuis
Midden
Schoon en leefbaar huis
125minuten
Wasverzorging
35minuten 1 persoons huishouden43 minuten 2(+) persoons huishouden
Regie
30minuten
Zwaar
Schoon en leefbaar huis (+ extra inzet)
200minuten
Wasverzorging
51minuten 1 persoons huishouden59 minuten 2(+) persoons huishouden
Regie
30minuten
* Bij intensiteit Licht hebben inwoners een lichtere ondersteuningsbehoefte dan de gemiddelde cliëntsituatie zoals beschreven bij intensiteit Midden. Inwoners kunnen zelf en/of met behulp van hun netwerk nog in bepaalde mate en langdurig bijdragen aan huishoudelijke werkzaamheden. Daar waar bij intensiteit Midden wordt uitgegaan van een frequentie van huishoudelijke ondersteuning van eenmaal per week geldt voor intensiteit Licht een frequentie van om de week. Voor de werkzaamheden die worden overgenomen van de inwoner gelden de normtijden zoals vermeld bij intensiteit Midden.
Eenmalige aanpak schoonmaakwerkzaamheden bij ernstige vervuiling
Grote schoonmaak/eenmalige aanpak schoonmaakwerkzaamheden bij ernstige vervuiling varieert van de bekostiging van containers voor de afvoer van huisvuil en/of de bekostiging van schoonmaakbedrijven om de huizen weer begaanbaar/bewoonbaar te maken tot het inzetten van vrijwilligers voor de schoonmaak en het vullen van de containers.
De eenmalige schoonmaak van een ernstig vervuilde woning kan een maatwerkvoorziening Wmo zijn. Voordat wordt overgegaan tot het verstrekken van een Wmo-voorziening moeten een aantal vragen doorlopen worden:
•Is er sprake van een aanmelding door b.v. Meldpunt Zorg en Overlast?
•Is de inwoner bekend met begeleiding door bijvoorbeeld een GGZ-aanbieder of wordt de aanmelding door een andere aanbieder/huisarts of andere professional/betrokkene gedaan?
•Is er (nog) sprake van eigen kracht? Is de inwoner in staat om, eventueel met ondersteuning, zelf regie te nemen bij het opruimen van de woning?
•Is er (nog) sprake van een sociaal netwerk en in welke mate kan de inwoner gebruikmaken van dit netwerk?
•Is er mogelijk gebruik te maken van vrijwillige organisaties in het voorveld?
Let op: de eventueel te huren containers zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en zouden via de bijzondere bijstand geregeld moeten worden.
De noodzakelijke omvang van de eenmalige schoonmaak moet vooraf worden ingeschat. De gecontracteerde aanbieder doet een voorstel voor het aantal benodigde uren voor de eenmalige schoonmaak, waarna de gemeente dit voorstel beoordeelt.
Bijlage 6 Normtijden maaltijdvoorziening
Maaltijdvoorziening
Broodmaaltijden (voor)bereiden
Omschrijving
Tafeldekken, broodmaaltijd en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel en indien nodig 1 in de koelkast), afruimen of in/uitruimen van de vaatwasmachine
Normtijd
20minuten per keer, in het principe 1 x per dag. Max 2 x per dag.
Warme maaltijden (voor)bereiden
Omschrijving
Warme maaltijd opwarmen, tafeldekken, warme maaltijd en drinken klaarzetten, afwassen of in/uitruimen van de vaatwasmachine. In uitzonderlijke gevallen kan het bereiden van de maaltijd hierbij horen (o.b.v. indicatie)
Normtijd
20minuten per keer, maximaal 1 x per dag
Toezicht op het nuttigen van de maaltijd
Omschrijving
Wanneer toezicht op de maaltijd aan de orde is, ziet de medewerker erop toe dat de client het eten en drinken daadwerkelijk tot zich neemt (dit geld bijvoorbeeld voor mensen die anders vergeten te eten)
Normtijd
15minuten per keer, maximaal 3 x per dag. (Deze tijd wordt opgeteld bij de normtijd behorende bij de desbetreffende maaltijd).
Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor zorgverleners via een pgb
In deze bijlage is uitgewerkt aan welke kwaliteitseisen alle typen pgb-zorgverleners moeten voldoen voor de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning, maaltijdvoorziening, kindzorg, kortdurend verblijf en de maatwerkarrangementen. Instellingen moeten aan alle benoemde kwaliteitseisen voldoen, voor zorgverleners die als ZZP-er werken of informele zorgverleners gelden een deel van de benoemde kwaliteitseisen. Ook kan er een verschil zijn door het type ondersteuning dat een zorgverlener biedt.
Deze bijlage gaat nadrukkelijk over de kwaliteitseisen bij de zorgverlener, niet over de eisen waar een budgethouder/-beheerder aan moet voldoen.
1Voor alle typen Wmo ondersteuning
Algemene eisen voor alle zorgverleners van alle typen Wmo ondersteuning via een pgb:
•Zorgverlener dient te voldoen aan de basis set Kwaliteitseisen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), zoals:
* de cliënt wordt betrokken;
* de ondersteuning is veilig;
* de ondersteuning garandeert continuïteit, samenhang en resultaten;
* de ondersteuning is hoogwaardig, cliëntgericht, doeltreffend en doelmatig.
•Bovendien zijn zorgverleners discreet en stemmen zij hun houding, bejegening en gedrag af op de cliënt.
•De zorgverlener houdt zich aan alle geldende wet- en regelgeving zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet Bibob) en de verordening en beleidsregels van de Leidse Regio-gemeenten.
•Zorgverleners hebben ervaringen (en in het geval van ZZP’ers en instellingen kwalificaties & opleidingen) die passend zijn bij de te verrichten activiteiten, complexiteit en aard van de problematiek(en) van de cliënt.
•Zorgverleners zijn in staat om eventuele veranderingen in de leefomstandigheden en/of fysieke en/of mentale omstandigheden van de cliënt te signaleren en daar waar nodig naar te handelen.
•Zorgverleners beheersen minstens de Nederlandse taal in woord en geschrift. Voor de maatwerkarrangementen geldt bovendien een minimale beheersing op het Europees Referentiekader niveau A2.
•De afgelopen 5 jaar is niet uit een onderzoek van toezichthouders van een Nederlandse gemeente, de IGJ of een andere ketenpartner gebleken dat de zorgverlener ondeskundige zorg levert, handelt in strijd met relevante wetgeving of beleidsregels of er sprake is van misleiding of fraude.
•De zorgverlener is bekend met de sociale kaart in de regio en specifiek met het voorliggende veld zoals de welzijnsorganisaties en leidt de cliënt daar naar toe voor zover dat mogelijk is.
•Er is een scheiding tussen de budgethouder van het pgb en de uitvoerende zorgverlener. De budgethouder is financieel verantwoordelijk. De budgethouder legt verantwoording af over het bestede bedrag aan de gemeente.
•De zorgverlener meldt calamiteiten en incidenten conform het calamiteitenprotocol van de gemeente bij de toezichthouder kwaliteit (Hecht).
Algemene eisen voor instellingen en ZZP’ers van alle typen ondersteuning:
•De zorgverlener handelt naar de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (HGKM) en beschikt over een protocol meldcode dat voldoet aan de eisen van het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Voor instellingen geldt bovendien dat zij een scholingsbeleid hebben op het gebied van omgaan met huiselijk geweld en kindermishandeling (waaronder het signaleren en/of het bespreekbaar maken van HGKM). De instelling heeft minimaal één gecertificeerde aandachtsfunctionaris die een ondersteunende en coördinerende rol heeft bij de uitvoering van de meldcode HGKM.
•Alle in te zetten medewerkers van de zorgorganisatie en/of de ZZP-er, inclusief stagiair(e)s en vrijwilligers met direct cliëntencontact, moeten een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) kunnen overhandigen, als daar om wordt gevraagd. Deze mag niet ouder zijn dan vijf jaar.
•Voor instellingen geldt bovendien dat nieuwe medewerkers en vrijwilligers met direct cliëntencontact bij aanvang van de werkzaamheden bij de zorgorganisatie moet beschikken over een VOG die niet ouder is dan 3 maanden.
•De zorgverlener houdt zich aan alle geldende wet- en regelgeving zoals (dit is een niet-limitatieve opsomming):
* Algemene verordening gegevensbescherming (AVG);
* Wet normering topinkomens (WNT)
•Voor een instelling geldt bovendien dat de aanbieder zich houdt aan de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018).
•Instellingen beschikken over en handelt conform een vastgelegde interne procedure voor het reageren op calamiteiten.
•De zorgverleners (instelling en ZZP-er) zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
Algemene eisen voor instellingen bij alle typen ondersteuning:
•De zorgorganisatie valt onder de voor zijn sector toepasselijke CAO en handelt conform deze CAO. De zorgorganisatie betaalt medewerkers volgens CAO’s die voor de specifieke sector gelden en conform de branchenormen. ZZP’ers in dienst van een zorgorganisatie moeten (minimaal) gelijkwaardig aan de toepasselijke CAO betaald worden.
•Aanvullend aan de ondersteuning door de zorgverlener mogen vrijwilligers en stagiairs ingezet worden die de zorgverlener bijstaan, maar niet vervangen bij de ondersteuning of het vervoer. Ze zijn te allen tijde boventallig. De zorgverlener draagt er zorg voor dat met hun inzet de kwaliteit van de ondersteuning wordt geborgd. De zorgverlener faciliteert de vrijwilligers en stagiairs, begeleidt hen actief en voert minstens één keer per jaar een evaluatiegesprek met hen.
•De zorgorganisatie houdt zich aan de geldende Zorgbrede Governance Code en handelt conform.
•De zorgorganisatie is in het bezit van een geldig ISO-9001, HKZ, PREZO of gelijkwaardig kwaliteitscertificaat en draagt er zorg voor dat de medewerkers dit naleven. Voor kindzorg en maaltijdvoorbereiding geldt dat een kwaliteitshandboek waarin de processtappen met werkinstructies zijn vastgelegd eventueel ook voldoende is. Bij maaltijdvoorbereiding is dan in het kwaliteitshandboek ook uitgewerkt hoe er wordt omgegaan met hygiëne en voedselveiligheid. en maaltijdvoorbereiding geldt dat een kwaliteitshandboek waarin de processtappen met werkinstructies zijn vastgelegd eventueel ook voldoende is. Bij maaltijdvoorbereiding is dan in het kwaliteitshandboek ook uitgewerkt hoe er wordt omgegaan met hygiëne en voedselveiligheid.
•De zorgorganisatie beschikt over een goed werkende en toegankelijke klachtenregistratie en klachtenafhandelingsprocedure. Een klacht is een uiting van onvrede over een handeling door de zorgverlener, of het nalaten daarvan, die gevolgen heeft voor een cliënt. De klachtenprocedure dient geïntegreerd te zijn in de bedrijfsvoering. Hiermee wordt bedoeld dat de klachtenprocedure onderdeel is van het bedrijfsproces, waardoor klachten structureel worden besproken, opgelost en (interne) maatregelen worden genomen ter voorkoming van soortgelijke klachten.
2Aanvullende kwaliteitseisen voor een professionele zorgaanbieder of ZZP voor de maatwerkarrangementen ambulant en (specialistische) wonen met ondersteuning
Voor een pgb voor een maatwerkarrangement gelden onderstaande kwaliteitseisen aanvullend aan de algemene eisen die al eerder zijn benoemd.
Voor alle zorgverleners:
•De zorgverlener werkt op basis van een integraal ondersteuningsplan dat samen met de cliënt en budgethouder is opgesteld. Dit ondersteuningsplan is gebaseerd op het plan met begeleidingsdoelen van de toegang. In het ondersteuningsplan staan de doelen waaraan gewerkt wordt, de activiteiten die worden uitgevoerd om de resultaten te behalen en indien van toepassing de hulp en zorg die vanuit andere terreinen wordt geboden. Dit ondersteuningsplan moet binnen 4 weken opgesteld en overlegd zijn aan de betreffende sociaal werker. Het ondersteuningsplan wordt minimaal 1x per 6 maanden en aan het eind van het ondersteuningstraject met de cliënt en/of de budgethouder besproken en zo nodig bijgesteld. Uit het Ondersteuningsplan moet blijken dat het plan met de Cliënt en/of diens netwerk is opgesteld. Wanneer naast Opdrachtnemer ook andere partijen een vorm van hulp bieden, moet uit het ondersteuningsplan blijken wie de regie voert op de ondersteuning. Het Ondersteuningsplan dient door of namens Cliënt te worden ondertekend.
•1x per 6 maanden of halverwege de geïndiceerde periode, evalueert de zorgverlener de voortgang van de cliënt. Dit gebeurt samen met de cliënt, mantelzorgers/netwerk en de budgethouder. De tussenevaluaties worden schriftelijk vastgelegd en door (of namens) cliënt ondertekend. De tussenevaluaties kunnen opgevraagd worden door de toegang of toezichthouders.
•De ondersteuning eindigt wanneer de gestelde resultaten zijn bereikt of wanneer de cliënt de ondersteuning beëindigt of wanneer de indicatie verloopt. De zorgverlener stelt dan samen met de cliënt en budgethouder een eindevaluatieverslag op. Als er een vervolgindicatie nodig is, vraagt de budgethouder en/of cliënt een nieuwe indicatie aan. Dit eindverslag wordt dan naar de toegang verstuurd en er wordt ook een nieuw ondersteuningsplan voor de komende tijd toegevoegd.
•De zorgverlener houdt zich aan de eisen uit de Resultatengids (zie beleidsregels, bijlage 2).
Voor instellingen en ZZP’ers:
•De zorgverlener houdt zich aan de voor hen geldende beroepscode.
•De zorgverlener is verplicht bij cliënt en/of budgethouder en bij de betrokken sociaal werker zo snel mogelijk melding te maken van het opleggen van waarschuwingen of maatregelen door het Tuchtcollege of Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), ook als hiertegen bezwaar of beroep is ingesteld.
•De zorgverlener is deskundig en beschikt over de benodigde kwalificaties en competenties. Het opleidingsniveau en de werkervaring van deze medewerker(s) past bij de te bieden ondersteuning qua soort, intensiteit en complexiteit en is gericht op een structurele verbetering dan wel zo lang mogelijk behoud van de zelfredzaamheid en participatie van inwoners. Voor de eenvoudigere begeleidingsvraagstukken geldt een relevante opleiding en MBO4 werk- en denkniveau. Voor de meer complexe begeleidingsvraagstukken geldt een relevante HBO opleiding of een MBO4 opleiding plus minimaal 5 jaar werkervaring en een HBO werk- en denkniveau. Zorgverleners moeten dit diploma kunnen overhandigen, als daar om wordt gevraagd.
Voor instellingen:
•Voor complexe casussen hebben instellingen een gedragswetenschapper of orthopedagoog beschikbaar voor raadpleging.
•Als (tijdelijk) verblijf of dagbesteding wordt geboden, beschikt de instelling over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven en die voldoet aan de planologische vereisten en gebruiksvoorschriften, waaronder brandveiligheid.
3Aanvullende kwaliteitseisen voor (specialistisch) wonen met ondersteuning
Het pgb voor (specialistische) wonen met ondersteuning kan alleen worden ingezet voor het inhuren van een instelling. Deze instelling mag niet gecontracteerd zijn voor wonen met Zorg in natura. Aanvullend aan alle eerder benoemde eisen gelden de volgende kwaliteitseisen bij het inzetten van een pgb bij het wonen in een wooninitiatief:
•Er is 24 uurs zorg oproepbaar.
•Indien het gaat om één zorgverlener dan dient belanghebbende aan te tonen op welke manier de zorg gewaarborgd kan worden als deze zorgverlener uitvalt.
•In het wooninitiatief wonen minimaal 3 en maximaal 26 bewoners die een pgb ontvangen voor ten minste de resultaatgebieden individuele ondersteuning en sociaal beheer en veiligheid.
•De bewoners verblijven op één BRP adres, of op meerdere BRP adressen binnen een straal van 100 meter, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is, die geschikt is om de bewoners in de gelegenheid te stellen samen activiteiten te ontplooien.
•Het inwonen bij ouders, vertegenwoordigers of andere particuliere personen, wordt niet beschouwd als een wooninitiatief. Belanghebbende moet formeel wonen bij het wooninitiatief (basis registratie personen).
Voor wonen met ondersteuning en ambulant plus geldt bovendien dat zij beschikken over een protocol waarin taken en verantwoordelijkheden van medewerkers worden beschreven, in ieder geval voor de weekendbezetting, nachtelijk toezicht en ongeplande oproepbaarheid.
4Aanvullende kwaliteitseisen voor kindzorg en kortdurend verblijf (logeerzorg/respijtzorg)
Aanvullend aan de benoemde punten bij punt 1 (algemene eisen) gelden voor kindzorg en kortdurend verblijf de volgende eisen.
Kindzorg
Zorgverleners beschikken over actuele kennis en kunde. Zorgverleners (ZZP en instelling) dienen:
•arbeidsmatige ervaring te hebben met het verzorgen en begeleiden van kinderen in verschillende leeftijden.
•flexibel om te kunnen gaan met verschillende situaties.
•klantvriendelijk te zijn en inlevingsvermogen te hebben m.b.t. de situatie van de cliënt.
•in het bezit te zijn van een kinder-EHBO-diploma.
Kortdurend verblijf
•De instelling werkt op basis van een samen met de cliënt en budgethouder opgesteld ondersteuningsplan. Hierin staan minimaal de uitkomsten beschreven van het afstemmingsgesprek tussen inwoner, mantelzorger en zorgverlener (bijvoorbeeld afspraken over te leveren zorg en medicijn-inname).
•De instelling beschikt over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven en die voldoet aan de planologische vereisten en gebruiksvoorschriften, waaronder brandveiligheid.
•De instelling beschikt over een protocol waarin taken en verantwoordelijkheden van medewerkers worden beschreven, waaruit in ieder geval blijkt dat er altijd een medewerker in de buurt is en meerdere keren per dag wordt langsgegaan bij de cliënten.
Bijlage 8 Uitvoeringsregels Leidse Regio voor meldingen en aanvragen Wonen met Ondersteuning van inwoners buiten de regio
Landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen en toegang tot Wonen met Ondersteuning in de Leidse Regio
•De regels van landelijke toegankelijkheid (en de mogelijkheid om je bij elke centrumgemeente als wensgemeente te melden) voor Beschermd wonen zien alleen toe op intramuraal Beschermd Wonen.
•De Leidse Regio kent circa 145 plekken voor Wonen met Ondersteuning (hierna WO). Van de bestaande cliënten heeft nog circa 30% een intramurale indicatie. Dit aandeel gaat de Leidse Regio de komende jaren afbouwen. De gemeenten hanteren voor nieuwe cliënten een beleid van scheiden wonen en zorg, tenzij. Het tenzij is gebonden aan eventuele persoonlijke omstandigheden van een cliënt. In uitzonderingsgevallen kan er sprake zijn van het afgeven van een intramurale indicatie. Die zal altijd tijdelijk van aard te zijn.
•De extramurale Wonen met Ondersteuning-plekken van de Leidse Regio zijn primair gericht op inwoners van de Leidse Regio. Alleen in uitzonderingsgevallen zal de Leidse Regio toegang verlenen aan een cliënt die niet woonachtig is in een van de vijf Leidse Regio-gemeenten;
•Omdat de Leidse Regio in principe alleen nog WO op basis van scheiden wonen en zorg biedt, dient de cliënt die niet woonachtig is in een van de vijf Leidse Regio-gemeenten, maar die wel in Leidse Regio WO zou willen gaan ontvangen, zich te melden bij diens eigen woon(centrum)gemeente voor een aanvraag;
•De woongemeente is dus aan zet om aan de hand van het stappenplan de hulpvraag vast te stellen. Het is aan de woongemeente om in eerste aanleg de behoefte aan een beschutte woonvorm vast te stellen en te bezien welke mogelijkheden er liggen in het aanbod van de eigen regio/centrumgemeente.
•Indien de woongemeente wel een noodzaak tot een beschutte woonvorm ziet, maar geen passende mogelijkheden heeft voor een woonplek ten behoeve van duurzaam herstel van de cliënt, kan door de woongemeente een onderbouwd verzoek worden ingediend voor een plaatsing op een WO plek in de Leidse Regio;
Uitvoeringsregels en route voor de melding en aanvraag voor WO voor cliënten van buiten Leidse Regio
1De cliënt die niet woonachtig is in een van de vijf Leidse Regio-gemeenten, maar die wel in Leidse Regio WO zou willen ontvangen, meldt bij diens eigen woon(centrum)gemeente met diens aanvraag voor WO;
2De woongemeente onderzoekt op basis van het stappenplan de hulpvraag m.b.t. de behoefte en noodzaak tot een beschutte woonvorm;
3De woongemeente beziet welke mogelijkheden er liggen in het aanbod van de eigen regio/centrumgemeente.
4Indien de woongemeente wel een noodzaak tot een beschutte woonvorm ziet, maar geen passende mogelijkheden heeft voor een woonplek ten behoeve van duurzaam herstel, kan deze een verzoek indienen voor een plaatsing in één van de gemeenten van de Leidse Regio;
5De betreffende Leidse Regio-gemeente zal het verzoek inhoudelijk beoordelen;
6Zij neemt daarin onder meer mee:
a.De bevindingen van de woongemeente;
b.Leeftijd van cliënt;
c.Thuissituatie;
d.In het geval van studie (en een verzoek tot wonen in Leiden):
i.Soort studie en de mogelijkheden om deze ook dichterbij huis te doen;
ii.Aantal contactlesuren bij de studie;
iii.Mogelijkheden tot reizen of te leren omgaan met de belemmeringen omtrent het reizen (eerste jaar of paar jaar van studie nog vanuit ouderlijke huis naar studiestad reizen op collegedagen is gebruikelijk);
iv.Reistijd naar Leiden vanaf woon/centrumgemeente (< 1uur, dan is op en neer reizen bij studenten zeer gebruikelijk).
7Indien de betreffende Leidse Regio-gemeente op inhoudelijke gronden bereid is om een cliënt van buiten haar regio toch (op de wachtlijst) voor een van de WO-plekken in de Leidse regio te plaatsen, dan kan dat alleen indien de woon/centrumgemeente schriftelijk bevestigt dat zij instemmen met het betalen van de kosten van het eerste jaar van het WO-traject in de Leidse Regio.
8Indien de woon/centrumgemeente niet bereid is tot het bekostigen van het eerste jaar van het WO-traject in de Leidse Regio, zal de Leidse Regio geen toegang verlenen tot WO in de Leidse Regio aan de cliënt, ondanks dat hiervoor op zorginhoudelijke gronden wel aanknopingspunten zouden kunnen worden zien.
Voor inwoners uit de Leidse Regio die tijdelijk buiten de Holland Rijnland regio verblijven, bijvoorbeeld in een instelling in het kader van behandeling, de Jeugdwet of een buitenregionale plaatsing voor een specialistische beschermd woonvoorziening Holland Rijnland gelden de bovenstaande spelregels niet. Voor cliënten uit de andere subregio’s van Holland Rijnland geldt het gestelde onder 7 en 8 niet vanwege de afspraken die binnen Holland Rijnland zijn gemaakt over het ruilen van plekken.
Bijlage 9 Maatwerkarrangementen en Resultatengids Leidse Regio
Resultatengids Arrangementenmodel Leidse Regio
Voor de percelen Wonen met Ondersteuning, Volwassenen (O)GGZ ambulant en ambulant plus, Volwassenen LVB / LG / NAH ambulant en ambulant plus en voor de doelgroep met ouderdomsgerelateerde problematiek.
In dit document is de Resultatengids van de Leidse Regio vastgelegd. De Resultatengids wordt door de Sociale Teams gebruikt om een Beschikking in het kader van de Wmo op te stellen. De omschreven Resultaatgebieden en hun Intensiteiten zijn geen vervanging van de hulpvraag van de cliënt. Het uitgangspunt blijft de hulpvraag van de cliënt en de omvang ervan. Deze Resultatengids wordt gebruikt als hulpmiddel om de passende mate van ondersteuning in te schalen voor de cliënt.
Allereerst omschrijft dit document de systematiek van het Arrangementenmodel van de Leidse Regio. Het verband tussen de Modules en Resultaatgebieden wordt uitgelegd, en het document beschrijft welke factoren doorslaggevend zijn in het Inschalen van de Intensiteit op een Resultaatgebied.
Vervolgens worden alle Resultaatgebieden omschreven, daarbij is aandacht voor de doelen die binnen het Resultaatgebied gerealiseerd kunnen worden en is uitgewerkt op welke wijze de Intensiteiten binnen het Resultaatgebied van elkaar verschillen. Voor het resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren is dat tevens in een overzichtstabel weergegeven.
Aan het einde van de resultatengids staat een overzichtstabel met percelen, ondersteuningsvormen, onderscheidende kenmerken en de modules die van toepassing zijn. Voor de doelgroep Ouderdomsproblematiek is alleen de ondersteuningsvorm Ambulant en daarmee alleen de vier Resultaatgebieden van de Module Ondersteuning. Het gedeelte over de Modules Sociaal Beheer, Veiligheid of Intramuraal (pagina 21 en verder) zijn voor deze doelgroep niet aan de orde.
Modules en Resultaatgebieden
i.Module Ondersteuning Leefgebieden(groen) met daarin de vier Resultaatgebieden op het vlak van individuele (of groepsgewijze) ondersteuning en daginvulling:
•Het primaire Resultaatgebied is Sociaal en persoonlijk functioneren. Bij dit Resultaatgebied gelden vijf Intensiteiten. Indien er relatief veel begeleidingsinzet gaat naar indirecte cliëntgebonden uren zal een hogere Intensiteit worden afgegeven.1
•Het Resultaatgebied zelfzorg bestaat uit twee Intensiteiten. Een zeer lichte behoefte op het gebied van Zelfzorg maakt deel uit van Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren. Het Resultaatgebied zelfzorg zal alleen worden geïndiceerd indien er een grote opgave ligt die intensieve inzet en/of specifieke expertise vraagt. Het Resultaatgebied zal in de regel alleen tijdelijk worden geïndiceerd (maximaal 1 jaar in ambulante setting (richtlijn) en bij Wonen met Ondersteuning maximaal de duur van het woontraject).
•Het Resultaatgebied geldzaken bestaat uit twee Intensiteiten. Een zeer lichte behoefte op het gebied van Geldzaken maakt deel uit van Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren. Het Resultaatgebied geldzaken zal alleen worden geïndiceerd indien er een grote opgave ligt die intensieve inzet en/of specifieke expertise vraagt. Het Resultaatgebied zal in de regel alleen tijdelijk worden geïndiceerd (maximaal 1 jaar in ambulante setting (richtlijn) en bij Wonen met Ondersteuning maximaal de duur van het woontraject).
•Voor Resultaatgebied Daginvulling gelden vijf Intensiteiten. Bij daginvulling wordt een onderscheid gemaakt in daginvulling regulier en daginvulling plus. De laatste is bedoeld voor cliënten waarbij het vanuit de begeleidingsbehoefte noodzakelijk is dat er een groepsgrootte van minder dan 6 cliënten op één begeleider is.
Indien een cliënt geen andere mogelijkheden heeft om naar en van de daginvulling via het Maatwerkarrangement te komen, zal er aanvullend op dit Resultaatgebied ook vervoer van en naar de daginvulling worden geïndiceerd en gefinancierd.
De laagste Intensiteit (0-2 dagdelen per week) geldt doorgaans alleen bij de opstartfase (wenfase) en is dus in de regel tijdelijk. Er wordt vanuit gegaan dat er vervolgens doorgaans wordt doorgeschakeld naar meer dagdelen. Hiervan kan worden afgeweken indien de laagste Intensiteit het hoogst haalbare blijkt te zijn en geen oplossing hiervoor gevonden kan worden in het Voorveld.
De bedoeling is dat daginvulling (niet gespecialiseerd) met een frequentie van 1 tot 6 dagdelen per week voornamelijk (gaat) verlopen via het aanbod in het Voorveld.
ii.Module en Resultaatgebied Veiligheid(blauw) uiteenlopend van 24 uurs oproepbaarheid tot een wakende aanwezigheid op de locatie in de avond en nacht.
iii.Module en Resultaatgebied Sociaal Beheer(zalmroze) hierin zit ten eerste de structurele behoefte aan ongeplande ondersteuning overdag, zowel bij ambulante cliënten als bij het wonen in een woonlocatie.
Ten tweede behoren bij het wonen in een woonlocatie ook de volgende aspecten:
A. substantiële gezamenlijke groepsruimtes of een inwonend beheerder;
B. optioneel eventuele vaste aanwezigheid overdag van de begeleiding op de groep cliënten van de woonlocatie.
iv.Module Intramuraal(oker) waarin de kosten zitten voor huur, inrichting en extra verblijfskosten.
Tabel 1. Beschikbare Modules en Resultaatgebieden per Perceel
* Voor Veiligheid en Sociaal Beheer staat bij perceel 2 en 3 x/✓ aangegeven, omdat van deze modules alleen de eerste intensiteit van toepassing is. Dde andere intensiteiten van deze modules zijn niet beschikbaar binnen deze percelen. Voor cliënten met ouderdomsgerelateerde problematiek zijn Sociaal Beheer, Veiligheid of Intramuraal niet aan de orde.
Modules samen één pakket
Modules zijn gericht op de realisatie van het ontwikkelingsperspectief en doelen van de cliënten op verschillende Resultaatgebieden, de doelen ten aanzien van de ondersteuning bij stabilisatie en herstel, dan wel de ondersteuning gericht op het voorkomen van verdere achteruitgang van de situatie. Per Resultaatgebied zijn er maximaal vijf Intensiteiten waarop door het Sociaal Team de mate van professionele inzet wordt bepaald.
Een Intensiteit wordt uiteindelijk uitgedrukt in een geldbedrag. Het verschil in de geldbedragen tussen de intensiteiten in de Module Ondersteuning staan voor het verschil in de mate van gevraagde inzet aan ondersteuning per week op een Resultaatgebied. Het tarief per Intensiteit kent weliswaar als onderlegger een aantal uren per week, maar de indicatie wordt gesteld in resultaten en niet in uren. Er wordt uiteindelijk één totaalpakket geïndiceerd, opgebouwd uit meerdere Modules en Resultaatgebieden. De sturing vindt plaats op het realiseren van de doelen en de duur van het traject. Er vindt geen afrekening op daadwerkelijke uren plaats.
Percelen/Doelgroepen
Het Sociaal Team zal aan de hand van de benodigde ondersteuning en problematiek bezien welke Modules en Resultaatgebieden bij een cliënt aan de orde zijn en vanuit welk perceel de cliënt geholpen dient te worden. Het Sociaal Team beschikt over een overzicht van de aanbieders per perceel.
De tijdseenheden waarmee gerekend is voor de Intensiteiten van de Modules en Resultaatgebieden zijn voor alle percelen gelijk. Het tarief waarmee die tijdseenheid is vermenigvuldigd is per perceel/ doelgroep iets verschillend. Deze zijn berekend door het bureau Rebel en hun rapport is een bijlage van de aanbestedings/toelatingsstukken.
Binnen de percelen “Wonen met Ondersteuning” en "Volwassenen (O)GGZ Ambulant en Ambulant plus” geldt de tijdelijke mogelijkheid tot een verbijzonderd verhoogd tarief voor de doelgroep Jongvolwassenen indien voldaan wordt aan alle vereisten zoals vastgelegd in het bijschrijvend document. Die vereisten zijn:
–De jeugdige heeft een leeftijd van 16 tot 23 jaar;
–De jeugdige stroomt vanuit de Jeugdwet door naar de Wmo (of indien het een 16 of 17 jarige betreft, zou anders zijn ingestroomd in de Jeugdwet);
–De begeleiding is gericht op de jeugdige, dat begeleid wordt richting zelfstandigheid;
–De begeleiding is niet gericht op ouder- of opvoedproblematiek;
–De jeugdige heeft een beperkt sociaal netwerk;
–Het perspectiefplan is de basis voor de begeleiding, waarbij wonen, onderwijs/werken en versteviging netwerk een belangrijke basis vormen;
–Het verhoogd tarief voor de jeugdige kan maximaal twee jaar worden ingezet.
In het afwegingskader 16-23 jarigen Leidse Regio is nader uitgewerkt in welke gevallen Jongvolwassenen (vervroegd) via de Wmo worden geholpen en in welke gevallen zij (eventueel verlengd) via de Jeugdwet worden ondersteund.
Wonen met Ondersteuning in het bijzonder: ondergrens en inschaling Veiligheid en Sociaal Beheer
Voor wat betreft Wonen met Ondersteuning geldt dat vooral de inzet op de Resultaatgebieden Sociaal en persoonlijk functioneren, zelfzorg en geldzaken per cliënt kan verschillen binnen dezelfde woonlocatie. Ten aanzien van Begeleid, Beschut en Beschermd Wonen geldt hierbij wel dat de inzet op het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren aan een minimum verbonden is, zoals weergegeven in onderstaande tabel.
Deze ondergrenzen worden gehanteerd om ervoor te zorgen dat de personele bezetting en daarmee de benodigde inzet richting de cliënten enigszins geborgd is. Het zijn nadrukkelijk ondergrenzen. In de regel zal de optelling van de gekozen Intensiteiten op de drie individuele Resultaatgebieden doorgaans hoger liggen.
Voor cliënten binnen dezelfde woonlocatie zal de gekozen Intensiteit van de resultaatgebieden Veiligheid en Sociaal Beheer hetzelfde, dus locatiegebonden, zijn. Voor het Sociaal Team is een overzicht beschikbaar van alle woonlocaties in de Leidse Regio met de toepasselijke Intensiteit voor Sociaal Beheer en Veiligheid.
Tabel 2: Ondergrens inzet op de Resultaatgebieden Sociaal en persoonlijk functioneren, zelfzorg en geldzaken bij Wonen met Ondersteuning
Ondergrens SPF (indien alleen geïndiceerd)2
Ondergrens indien er ook op Resultaatgebied zelfzorg of geldzaken een Intensiteit wordt afgegeven
Begeleid Wonen
Intensiteit 3
Equivalent van SPF intensiteit 33
Beschut en Beschermd Wonen
Intensiteit 4
Equivalent van SPF intensiteit 4
Inschaling door Sociaal Team van Intensiteit van Arrangement
Per Resultaatgebied wordt de hoeveelheid van professionele ondersteuning ingeschat en geïndiceerd door de medewerkers van de Sociale Teams. De zwaarte van de ondersteuning per Resultaatgebied wordt uitgedrukt in een Intensiteit. Een forse behoefte aan ondersteuning vanwege de situatie van de cliënt wordt uitgedrukt in ondersteuning op een hogere Intensiteit binnen het Resultaatgebied. De inschaling per Intensiteit wordt verder bepaald, rekening houdend met:
•De persoonlijke situatie van de cliënt;
•De directe en indirecte cliëntgebonden tijd die nodig is om de resultaten te behalen;
•De mate van onplanbaarheid van de ondersteuning.
Het eerste uitgangspunt gaat om de persoonlijke situatie van de cliënt. Onderzocht wordt in hoeverre voorliggende voorzieningen dan wel het netwerk van de cliënt een deel van de ondersteuning kan oppakken. Als een deel van de ondersteuning opgepakt kan worden door voorliggende voorzieningen zal een lagere Intensiteit worden ingezet. De ondersteuning van de Aanbieder is namelijk altijd aanvullend op voorliggende voorzieningen. Daarnaast bepaalt de belastbaarheid van de cliënt ook de hoogte van de Intensiteit. De belastbaarheid van de cliënt verschilt per cliënt. Een beperkte belastbaarheid van een cliënt kan ervoor zorgen dat de ondersteuning op een lagere Intensiteit wordt toegekend. En dat cliënten die zwaarder belast kunnen worden, mogelijk eerder in aanmerking zullen komen voor een hogere Intensiteit.
Ondersteuning op meerdere Resultaatgebieden waarbij de ondersteuningsvraag van de cliënt complex is, vraagt om een grotere inzet dan bij een cliënt die deels beschikt over zelfregie. In de eerste situatie zal een hogere Intensiteit of (tijdelijk) meerdere Resultaatgebieden gelijktijdig worden beschikt dan in de tweede situatie. Ook kan er bij gebrek aan zelfregie en/of sociaal netwerk sprake zijn van veel indirect cliëntgebonden inzet van de Aanbieder. Deze zal meegenomen worden in de af te geven Intensiteit.
Bij het tweede uitgangspunt gaat het erom hoeveel inzet de aanbieder moet leveren om de resultaten te behalen. Moet er tegelijkertijd aan verschillende resultaten worden gewerkt of kan de aanbieder een fasering aanbrengen in het oppakken van de hulpvraag van de cliënt. Wanneer er meer inzet van de aanbieder verlangd wordt om de opgestelde doelen te realiseren zal een hogere Intensiteit en/of (tijdelijk) meerdere Resultaatgebieden gelijktijdig worden afgegeven.
Tot slot gaat het erom in welke mate de ondersteuning onplanbaar is. Bij sommige cliënten heeft het ziektebeeld en het herstelproces een onvoorspelbaar verloop. De ondersteuning is dan minder goed planbaar dan bij cliënten die zich in een stabielere situatie bevinden. De mate van onplanbaarheid kan worden vertaald naar het afgeven van een hogere Intensiteit binnen de module Ondersteuning, dan wel het aanvullend indiceren van de modules Sociaal Beheer en/of Veiligheid.
Volgtijdelijk indiceren
Het Sociaal Team zal waar mogelijk en nodig in het kader van de regie en sturing op het begeleidingstraject volgtijdelijk indiceren. Dat wil zeggen dat het Sociaal Team al bij aanvang kiest voor een indicatie die bestaat uit twee delen, bijvoorbeeld:
1Een Arrangement met een beperkte looptijd, gebaseerd op de actuele noodzaak om bijvoorbeeld in de eerste 6 maanden fors in te zetten op geldzaken (intensiteit 3) en daarnaast Sociaal en persoonlijk functioneren op intensiteit 2.
2Een lichter Arrangement met een ingangsdatum die aansluit op het eerste deel van de indicatie, gebaseerd op de toekomstige voldoende geachte ondersteuning. In het genoemde voorbeeld na de forse inzet op geldzaken (Resultaatgebied geldzaken staat weer uit) gaat het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren van intensiteit 2 naar 3 om aan verder te werken aan de andere doelen.
Resultatengids: nadere beschrijving van Modules, Resultaatgebieden en Intensiteiten
Leesopmerking vooraf!
De onderstaande beschrijving per resultaatgebied geeft een beschrijving van de Intensiteiten in relatie tot de mogelijke situatie en problematiek van de cliënt. Dit is gedaan om een beeld te schetsen. Vaak zal het voorkomen dat bijvoorbeeld minder inzicht in eigen functioneren of een zwaardere problematiek ook vraagt om het inzetten van een zwaardere intensiteit. Maar zoals omschreven onder het voorgaande kopje “Inschaling door Sociaal Team van Intensiteit van Arrangement” spelen bij het bepalen van de benodigde Intensiteit bij een cliënt ook andere zaken, waaronder de ingeschatte directe en indirecte cliëntgebonden tijd die nodig is om de resultaten met de cliënt te behalen, een belangrijke rol in de afweging welke Intensiteit het meest passend is bij de hulpvraag van de cliënt.
Module Ondersteuning
Resultaatgebied Sociaal & persoonlijk functioneren
Het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren richt zich op ondersteuning aangaande familie, relaties, netwerk, sociale vaardigheden, financiën, wonen, participatie, gedrag en organisatie van het leven. De ondersteuning is gericht om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zo veel mogelijk eigen regie te voeren.
Activiteiten
•Psychosociale begeleiding – zelfpresentatie;
•Begeleiding gericht op regulatie van emotionele vaardigheden, herstellen en/of versterken van contact met naasten en vrienden, verwerking van verlies van contacten;
•Het hebben en/of organiseren van een zingevende daginvulling zoals een dagactiviteit, opleiding, en/of (vrijwilligers)werk;
•Het krijgen en/of behouden van huisvesting/aanleren woonvaardigheden zodat de cliënt zelfstandig kan wonen;
•Het stimuleren en ondersteunen van naasten bij het overnemen van taken, indien dit voor cliënt blijvend (deels) onmogelijk is;
•Inzicht gevende begeleiding t.a.v. mogelijk reactief gedrag;
•Ondersteunen bij overgang naar volwassenheid;
•Het krijgen en/of behouden van structuur of regie in het dagelijks leven/plannen van dagelijkse activiteiten.
Als het niet lukt om een cliënt zelf of met begeleiding door de toegang naar een voorliggende, algemene voorziening te laten gaan, kunnen onderstaande activiteiten tijdelijk ook worden uitgevoerd:
•Toeleiding naar workshops en lotgenotencontact gericht op persoonlijk herstel, sociale weerbaarheid en opnieuw aannemen van rolidentiteiten;
•Toeleiding naar Maatjesproject/ Vriendendiensten;
•Toeleiding naar deelname aan collectieve (buurt)voorzieningen en toeleiding naar reguliere verenigingen indien mogelijk, bijvoorbeeld herpakken sport;
•Toeleiding naar deelname aan workshops/cursussen/opleidingen voor het aanleren van praktische en digitale vaardigheden.
Doelstellingen
•De cliënt kan wederkerige verbindingen aangaan in de eigen leefomgeving;
•De cliënt kan een beroep doen op personen uit zijn eigen netwerk;
•De cliënt kan omgaan met zijn mogelijkheden en beperkingen;
•De cliënt heeft een gezonde en veilige woonsituatie;
•De cliënt is toegeleid naar passende daginvulling en/of beschikt daarover;
•Het netwerk van de cliënt voelt zich erkend, gesteund en ontlast;
•De cliënt voelt zich veilig;
•De cliënt is voldoende zelfredzaam om terugval/verergering te voorkomen of (in het geval van ouderdomsproblematiek) achteruitgang te vertragen;
•De cliënt heeft regie over het dagelijks leven;
•De cliënt kan eigen emoties reguleren;
•De cliënt kan eigen grenzen aangeven en stellen;
•De inkomsten en uitgaven van de cliënt zijn in balans;
•De cliënt kan regie voeren op het voeren van een huishouden;
•De cliënt ontvangt op elkaar afgestemde ondersteuning, hulp en zorg.
Intensiteit omschrijving
Intensiteit 1
De cliënt woont zelfstandig, heeft redelijk inzicht in zijn Sociaal en persoonlijk functioneren. Er is sprake van meervoudige problematiek, die zich uit in bijvoorbeeld een gebrekkig sociaal netwerk en/of het ontbreken van dagelijkse activiteiten. De situatie is stabiel en de cliënt heeft de ruimte en vaardigheden om aan de resultaten te werken. De mate van regie is redelijk tot goed, het verlies eraan is beperkt. De cliënt is in staat zijn ondersteuningsvraag uit te stellen tot een afgesproken contactmoment met de Begeleider. De ondersteuning kan gericht zijn op stimuleren van het plannen en organiseren van dagelijkse activiteiten, het op orde krijgen van de (financiële) administratie en/of versterken van vaardigheden om het sociale netwerk te herstellen. De ondersteuning is goed planbaar. De cliënt kan op basis van aanwijzingen en advies van de Begeleider een planning opstellen en is in staat deze (grotendeels) zelfstandig uit te voeren.
De cliënt wordt waar mogelijk op korte termijn toegeleid naar voorliggende en algemene voorzieningen. Echter er kan ook sprake zijn van het behoud van het huidige niveau van zelfredzaamheid of het voorkomen van achteruitgang van de zelfredzaamheid in die gevallen waar herstel niet mogelijk is.
De contactmomenten vinden op een lage frequentie (wekelijks kort of 2-wekelijks een langer moment) plaats en zijn bedoeld om de algehele situatie te bestendigen en/of aan kleine doelen te werken. Wanneer nodig is er tussentijds telefonisch of digitaal contact tussen cliënt en de Begeleider.
Intensiteit 2
De cliënt woont zelfstandig (of in een locatie voor begeleid wonen of staat op de wachtlijst voor Wonen met Ondersteuning en ontvangt nog veel steun vanuit sociaal netwerk), heeft redelijk inzicht in zijn Sociaal en persoonlijk functioneren. Er is sprake van meervoudige problematiek. Dit uit zich bijvoorbeeld in een gebrekkig sociaal netwerk, een verstoord zelfbeeld en/of verstoorde huiselijke relaties of het ontbreken van regie op het uitvoeren van dagelijkse activiteiten. De situatie is stabiel. De cliënt heeft ruimte en bezit ook de meeste vaardigheden die nodig zijn, om aan de resultaten te werken. De mate van regie is redelijk, het verlies eraan is beperkt. De cliënt is over het algemeen redelijk goed in staat zijn ondersteuningsvraag uit te stellen tot een afgesproken contactmoment met de Begeleider. De ondersteuning kan gericht zijn op stimuleren van het plannen en organiseren van dagelijkse activiteiten, het op orde krijgen van de (financiële) administratie en/of versterken van vaardigheden om het sociale netwerk te herstellen. De ondersteuning is goed planbaar. De cliënt kan op basis van aanwijzingen en advies van de Begeleider een planning opstellen en is in staat deze (grotendeels) zelfstandig uit te voeren. De Begeleider stimuleert vooral en ziet toe op de uitvoering door de cliënt.
De intentie is om de cliënt op termijn toe te leiden naar voorliggende en algemene voorzieningen waar dat mogelijk is. Echter er kan ook sprake zijn van het behoud van het huidige niveau van zelfredzaamheid of het voorkomen van achteruitgang van de zelfredzaamheid in die gevallen waar herstel niet mogelijk is. De contactmomenten vinden op een lage frequentie (wekelijks) plaats en zijn bedoeld om aan overzichtelijke doelen te werken en de algehele situatie te verbeteren. Wanneer nodig is er tussentijds telefonisch of digitaal contact tussen cliënt en de Begeleider.
Intensiteit 3
De cliënt heeft beperkt inzicht in zijn Sociaal en persoonlijk functioneren. Er is sprake van meervoudige tot complexe problematiek. De cliënt kan sociaal onaangepast gedrag vertonen. Daarnaast kan er sprake zijn van verstoorde (huiselijke) relaties. De cliënt heeft soms onvoldoende vaardigheden om relaties te herstellen en kan zich bijvoorbeeld terugtrekken uit de samenleving en hierdoor vereenzamen.
De cliënt woont weliswaar zelfstandig, maar in sommige gevallen is de ondersteuning een voorwaarde om dit te kunnen blijven doen danwel de wachttijd voor Wonen met Ondersteuning te overbruggen. Of de cliënt woont in een Begeleid, Beschut of Beschermde woonlocatie.
De situatie is meestal stabiel, maar kan soms even instabiel zijn. De mate van regie is matig, het verlies eraan is duidelijk aanwezig en uit zich soms in het niet gemotiveerd lijken om de huidige situatie te kunnen veranderen. Meestal is de ondersteuning goed te plannen, maar soms ook niet. De cliënt is meestal wel maar soms ook niet in staat zijn ondersteuningsvraag uit te stellen tot een afgesproken contactmoment met de Begeleider. Vaak heeft de cliënt nog niet genoeg vaardigheden om zijn dagelijkse activiteiten te plannen en organiseren. De ondersteuning kan gericht zijn op stimuleren, aanleren, of soms overnemen van het plannen en organiseren van dagelijkse activiteiten, het op orde krijgen van de (financiële) administratie, het vergroten van het sociale netwerk, herstellen van relaties, motiveren tot deelname aan de samenleving en het toeleiden naar en behouden van een zingevende invulling van de dag.
De ondersteuning aan de cliënt is voorwaardelijk om aan de resultaten te werken. Cliënt heeft deels behoefte aan aansporen en coaching en daar waar de vaardigheden nog verder ontwikkeld moeten worden kan het ook de vorm krijgen van aanleren met gedetailleerde instructies en soms tijdelijke overname van taken. De cliënt maakt samen met de Begeleider een planning, maar de cliënt heeft vaak meer motivatie nodig om aan de resultaten te werken. Het kan ook nodig zijn dat de acties samen worden uitgevoerd omdat de cliënt niet de ruimte en de vaardigheden heeft om zelfstandig aan de resultaten te werken.
De contactmomenten vinden redelijk frequent (wekelijks een lang moment of een beperkt aantal korte momenten per week) plaats en zijn bedoeld om aan meerdere doelen te werken, die de nodige inspanning vragen. Begeleider moet soms naast het directe contact met de cliënt ook tijd en inzet plegen ten behoeve van het begeleidingstraject van de cliënt. Wanneer nodig is er tussentijds telefonisch of digitaal contact tussen cliënt en de Begeleider.
Intensiteit 4
De cliënt heeft weinig inzicht in zijn Sociaal en persoonlijk functioneren. De problematiek is complex en wisselend. De cliënt kan sociaal onaangepast gedrag vertonen. Daarnaast kan er sprake zijn van verstoorde (huiselijke) relaties. De cliënt heeft onvoldoende vaardigheden om relaties te herstellen en kan zich bijvoorbeeld terugtrekken uit de samenleving en hierdoor vereenzamen. De cliënt woont weliswaar zelfstandig, maar de ondersteuning is meestal een voorwaarde om dit te kunnen blijven doen danwel de wachttijd voor Wonen met Ondersteuning te overbruggen. Of de cliënt woont in een Begeleid, Beschut of Beschermde woonlocatie. De situatie is vaak niet heel stabiel. De cliënt kan regelmatig slechtere perioden kennen. De mate van regie is zeer matig, het verlies eraan is behoorlijk en uit zich onder meer in het zelfstandig niet de kracht hebben om de huidige situatie te kunnen veranderen. De ondersteuning is niet altijd goed te plannen, met enige regelmaat kan er op ongeplande momenten ondersteuning nodig zijn. Dat komt omdat de cliënt soms niet in staat is om zijn ondersteuningsvraag uit te stellen tot een afgesproken contactmoment met de Begeleider.
Vaak heeft de cliënt zeer beperkte vaardigheden om zijn dagelijkse activiteiten te plannen en organiseren. De ondersteuning kan gericht zijn op stimuleren, aanleren, of overnemen van het plannen en organiseren van dagelijkse activiteiten, het op orde krijgen (financiële) administratie, het vergroten van het sociale netwerk, herstellen van relaties, motiveren tot deelname aan de samenleving en het toeleiden naar en behouden van een zingevende invulling van de dag.
De ondersteuning aan de cliënt is voorwaardelijk om aan de resultaten te werken. Cliënt heeft vooral behoefte aan meer inzicht krijgen, motiveren en het opbouwen van vaardigheden. Dat betekent coaching en aansturing, ook in de vorm van gedetailleerde instructies. Er is dan sprake van overname van taken, zoals het voeren van een telefoongesprek of het maken van een afspraak. Cliënt kan of wil vanwege zijn problematiek regelmatig niet zelf om hulp vragen en/of het netwerk is daartoe niet in staat, bereid of beschikbaar. Eventueel is samenwerking en afstemming met gespecialiseerde hulpverlening nodig om de situatie in kaart te brengen en te stabiliseren. De contactmomenten vinden frequent (aantal keer per week) plaats en zijn bedoeld om aan een aantal forse doelen te werken, die de nodige inspanning vragen. Begeleider moet regelmatig naast het directe contact met de cliënt, ook tijd en inzet plegen ten behoeve van het begeleidingstraject van de cliënt. Wanneer nodig is er tussentijds telefonisch of digitaal contact tussen cliënt en de Begeleider.
Intensiteit 5
De cliënt heeft nauwelijks tot geen inzicht in zijn Sociaal en persoonlijk functioneren en heeft niet de vaardigheden om zich aan te passen. De problematiek is complex en wisselend. Er kan sprake zijn van acute problematiek waardoor de cliënt de regie (tijdelijk) kwijt is. Het uitgangspunt is dat deze Intensiteit in ambulante setting meestal alleen tijdelijk wordt ingezet om deze problematiek te stabiliseren. De Begeleider werkt samen met de cliënt aan de stabilisatie van de problematiek waarna er ruimte is om aan vaardigheden te werken.
De situatie is vaak instabiel. De cliënt kan regelmatig slechtere perioden kennen. De behoefte aan ondersteuning is vaak niet goed te plannen of onvoorspelbaar, vaak is er op ongeplande momenten ondersteuning nodig zijn. Dat komt omdat de cliënt regelmatig niet in staat is om de ondersteuningsvraag uit te stellen tot een afgesproken contactmoment met de Begeleider. De mate van regie is zeer laag, het verlies eraan is aanzienlijk en uit zich onder meer in het zelfstandig niet de kracht hebben om de huidige situatie te kunnen veranderen.
De cliënt woont wel zelfstandig, maar de ondersteuning is een voorwaarde om dit te kunnen blijven doen danwel de wachttijd voor Wonen met ondersteuning te overbruggen. Of de cliënt woont in een Beschut of Beschermde woonlocatie. De ondersteuning kan gericht zijn op stimuleren, aanleren, of overnemen van het plannen en organiseren van dagelijkse activiteiten, het op orde krijgen van de (financiële) administratie, het vergroten van het sociale netwerk, herstellen van relaties, motiveren tot deelname aan de samenleving en het toeleiden naar en behouden van een zingevende invulling van de dag. De cliënt maakt samen met de Begeleider een planning, maar de cliënt moet veelvuldig gemotiveerd worden om aan de resultaten te werken. Veel acties worden samen uitgevoerd of overgenomen.
Er kan sprake zijn van acute problematiek, waardoor direct begeleiding door gespecialiseerde hulpverlening ingezet moet worden, afstemming en samenwerking is in dat geval noodzakelijk.
De contactmomenten vinden hoogfrequent (meerdere keer per week/ (nagenoeg) dagelijks) plaats en zijn bedoeld om aan een aantal forse doelen te werken, die de nodige inspanning vragen. Begeleider moet regelmatig naast het directe contact met de cliënt, ook tijd en inzet plegen ten behoeve van het begeleidingstraject van de cliënt. Wanneer nodig/mogelijk is er tussentijds telefonisch of digitaal contact tussen cliënt en de Begeleider.
De belangrijkste onderscheidende elementen van de intensiteiten zijn opgenomen in de overzichtstabel op pagina 11.
Samenhang met andere Resultaatgebieden
Het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren is het hoofdresultaatgebied en vormt daarmee de basis van het Arrangement.
Binnen het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren zit ook al de niet intensieve ondersteuning besloten met betrekking tot:
•ondersteuning op het Resultaatgebied zelfzorg & gezondheid
•ondersteuning op het Resultaatgebied geldzaken.
In het geval dat de ondersteuning op zelfzorg of geldzaken inbegrepen is bij Sociaal en persoonlijk functioneren gaat het veelal om het vinger aan de pols houden op deze vlakken of het zo nu en dan motiveren van cliënt om het vol te houden. De gevraagde inzet hiervoor kan hierdoor gemakkelijk worden meegenomen bij en gecombineerd worden in het wekelijkse (of frequentere) contactmoment om te werken aan de doelen op het vlak van Sociaal en persoonlijk functioneren. De inzet op het vlak van zelfzorg en gezondheid of voor geldzaken is in dat geval laag frequent. Het gaat in dat geval dus om het stabiel houden of om kleine doelen te realiseren.
Indien er sprake is van veelvuldige aansporen/ aanleren dan wel instructie/ actieve ondersteuning vereist is om zelfzorg of een goede omgang met financiën te bevorderen of in stand te houden, dan is er vaak sprake van de noodzaak tot een meer trajectmatige aanpak. In dat geval dient er Extra Ondersteuning op de Resultaatgebieden zelfzorg en gezondheid of voor geldzaken tijdelijk (ambulant in de regel maximaal 1 jaar, bij Wonen met Ondersteuning maximaal de duur van het woonbegeleidingstraject) erbij te worden geïndiceerd.
Voorbeelden van zelfzorg en gezondheid als onderdeel van Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren:
•Het motiveren van de cliënt tot betere zelfzorg;
•Het motiveren voor toeleiding naar behandeling of stimuleren van het volhouden daarvan;
•Het stabiel houden van de ondersteuning indien sprake is van de afwezigheid van een netwerk waar de cliënt op kan terugvallen.
Voorbeelden van geldzaken als onderdeel van Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren:
•De cliënt helpen bij het vinden van passende voorzieningen en/of cursussen die hem kunnen ondersteunen bij het weer zelfstandig uitvoeren van zijn financiële taken;
•In geval van een (afgerond) hulpverleningstraject op het vlak van financiën en/of schulden zal de cliënt bij de uitvoering/bestendiging van het plan zo nodig begeleid worden door de Aanbieder. Deze begeleiding richt zich op de laagfrequente (praktische) ondersteuning bij de uitvoering van het plan of het motiveren van de cliënt om zich aan de gemaakte afspraken en doelstellingen te houden (gedragscomponent).
Het Resultaatgebied voeren van een huishouden maakt geen onderdeel uit van het arrangementenmodel en dit Inkooptraject. Van Aanbieder wordt wel verwacht dat de cliënt gestimuleerd wordt om het huishouden zelfstandig vorm te geven. Het gaat hier dan nadrukkelijk om het coachen op het krijgen van regie op het voeren van het huishouden in plaats van het overnemen van huishoudelijke taken.
Waakvlam na maatwerkwerkarrangement
Waakvlam
Als een maatwerkarrangement is afgesloten, kan het noodzakelijk zijn dat de aanbieder nog een tijdje vinger aan de pols houdt. In dat geval kan het product Waakvlam worden geïndiceerd. De aanbieder kan deze vorm van ondersteuning incidenteel factureren indien de cliënt zelfstandig woont, dankzij Wmo-maatwerkondersteuning meer zelfredzaam is geworden en/of naar vermogen participeert in de maatschappij. Er is geen continue ondersteuning meer nodig. Om terugval te voorkomen, wordt laagfrequent een vinger aan de pols gehouden. Het moment en de duur van het contact wordt in overleg tussen Aanbieder en cliënt afgestemd. De Waakvlam bedraagt in de regel maximaal 40 uur per jaar. Om deze Intensiteit af te geven is het van belang dat er nog wel met enige regelmaat een fysiek contactmoment plaats vindt. Primair doel van inzet van Waakvlam is om de professionele ondersteuning vanuit een Maatwerkvoorziening uiteindelijk definitief te kunnen afbouwen. In uitzonderingsgevallen kan het noodzakelijk blijken om de Waakvlam langduriger af te geven, omdat definitieve afbouw niet mogelijk is. Tevens is het in uitzonderingssituaties mogelijk om het product Waakvlam preventief in te zetten om cliënten die nog niet klaar zijn voor het starten met een Maatwerkarrangement in beeld te houden, indien het Sociaal Team of andere voorliggende voorzieningen hierin niet kunnen voorzien.
Tabel 3: Overzicht met onderscheidende elementen bij de Intensiteiten van Sociaal en persoonlijk functioneren.
Leeswijzer
Deze overzichtstabel is bedoeld als een hulpmiddel bij keuze uit de vijf intensiteiten. Vaak zullen niet alle beschreven elementen van een Intensiteit passen bij de persoonlijke situatie van een cliënt. Daarom is het belangrijk om steeds hetgeen wat beschreven staat onder het kopje “Inschaling door Sociaal Team van Intensiteit van Arrangement” te betrekken bij de afweging welke Intensiteit meest passend is. Dat betekent bijvoorbeeld dat een cliënt met complexe problematiek vanwege andere factoren, bijvoorbeeld overzichtelijke doelen niet wordt ingedeeld in intensiteit 4 of 5, maar toch in intensiteit 2 of 3. Andersom kan gelden dat iemand met meervoudige problemen die stabiel is en al veel vaardigheden heeft om aan doelen te werken, wellicht met het afgeven van hogere intensiteit (3 of 4 in plaats van 2) in staat is om aan meerdere doelen te werken en/of in een kortere tijd het begeleidingstraject te doorlopen.
Element
Intensiteit 1
Intensiteit 2
Intensiteit 3
Intensiteit 4
Intensiteit 5
Complexiteit
Meervoudig
Meervoudig
Meervoudig tot Complex
Complex & Wisselend
Complex & Wisselend
Stabiliteit
ja
Ja
Meestal
Matig
(Kan regelmatig slechte periodes kennen)
Zeer matig/ Onvoorspelbaar (soms regie volledig kwijt)
Mate van inzicht
Redelijk
Redelijk
Beperkt
Weinig
Nauwelijks tot geen
Mate van regie
Redelijk tot Goed
Redelijk
Matig
Matig tot vaak geen
Zeer laag/ Vaak geen
Vaardigheden om aan doelen te werken
Aanwezig
Grotendeels aanwezig: vooral stimuleren en toezien op uitvoering
Deels aanwezig, deels aanleren, soms overname
Onvoldoende: Regelmatig overnemen/ gedetailleerde instructie nodig
Veelvuldig overnemen/ gedetailleerde instructie nodig
Planbaar
Goed
Goed
Meestal wel
Regelmatig niet
Vaak niet
In staat ondersteuningsvraag uit te stellen
Goed
Redelijk goed
Meestal wel
Regelmatig niet
Vaak niet
Bestendiging/werken aan doelen
Bestendigen en/of kleine doelen
Overzichtelijke doelen
Grotere doelen
Omvangrijke doelen
Omvangrijke doelen
Sprake van relatief veel indirect cliëntgebonden tijd
Weinig
Weinig
Soms
Regelmatig
Regelmatig
Frequentie
Laag
Laag
Medium
Hoog
Hoog
Contactmomenten
Wekelijks kort of 2-wekelijks een langer moment
Wekelijks
Wekelijks één lang moment of een aantal kortere momenten per week
Aantal keer per week
Meerdere keren per week tot nagenoeg dagelijks
Module Ondersteuning
Resultaatgebied Extra Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid
Ondersteuning op dit Resultaatgebied wordt ingezet als een trajectmatige aanpak nodig is om stevige doelen op dit gebied te bereiken en er geen aanspraak gedaan kan worden op de zorgverzekeringswet (die voorliggend is) of een andere voorliggende, algemene voorziening.
Activiteiten ten aanzien van mentale gezondheid:
•Ondersteuning gericht op het herkennen van en anticiperen op de psychische klachten;
•Ondersteunen bij tegengaan van zelfdestructief gedrag;
•Ondersteuning gericht op het voorkomen en omgaan met verward gedrag/signalen van crisis;
•Ondersteuning gericht op het versterken van de mentale weerbaarheid;
•Ondersteuning gericht op het omgaan met de problemen op het gebied van sociale, werkgerelateerde of fysieke activiteiten als gevolg van een verslaving (voor zover dit geen onderdeel is of kan zijn van een behandeling);
•Indien nodig toeleiding naar GGZ behandeling, vinger aan de pols houden bij het verloop ervan en ondersteuning bieden bij het volhouden ervan;
•Toeleiding naar workshops en lotgenotencontact gericht op persoonlijk herstel, psychische weerbaarheid en sociale weerbaarheid.
Activiteiten ten aanzien van lichamelijke gezondheid:
•Stimuleren, aanleren van en toezien op Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) gericht op persoonlijke hygiëne en verzorging;
•Ondersteuning gericht op het verbeteren van het slapen/dag- en nachtritme;
•Ondersteuning gericht op goed en zelfstandig medicatiegebruik/beheer;
•Aansporen tot gezond en regelmatig eten en eventueel toeleiding naar leefstijlprogramma;
•Indien nodig toeleiding naar behandeling bij middelengebruik/verslavingszorg), vinger aan de pols houden bij het verloop ervan en ondersteuning bieden bij het volhouden ervan.
Doelstellingen
Gericht op het versterken van de vaardigheden van cliënt ten aanzien van fysieke en mentale gezondheid (voeding, gedrag, gebruik verslavingsmiddelen, alcohol) en persoonlijke hygiëne.
Het gaat om ondersteuning bij het (zelf laten) uitvoeren van de ADL door cliënten die belemmeringen hebben in de eigen regie hierop.
De ondersteuning wordt gegeven in het verlengde van de overige benodigde begeleiding bij Sociaal en persoonlijk functioneren. Dat neemt niet weg dat in sommige gevallen de Beroepskracht actief ondersteunt en de ondersteuning feitelijk verricht (al dan niet in het kader van (weer) aanleren).
Doelen zijn:
•Kunnen omgaan met psychische kwetsbaarheid, zelfpresentatie, anticiperen op terugval, hulpvraag kunnen stellen;
•Cliënt is zich bewust van diens fysieke en/of psychische/mentale conditie;
•Cliënt heeft een evenwichtig dag-/nachtritme;
•Cliënt kan lichamelijke klachten kenbaar maken;
•Cliënt heeft middelengebruik/verslaving onder controle;
•Cliënt is in staat om zelf medicatie te beheren (op tijd en volgens voorschrift);
•Cliënt ontvangt ondersteuning om terugval/verergering van problematiek te voorkomen;
•Cliënt is in staat zichzelf te verzorgen en de mate van verzorging vormt geen belemmering voor participatie in brede zin;
•Cliënt kan zich oriënteren in tijd en plaats.
Intensiteit omschrijvingen
In het geval het gaat om laag frequent vinger aan de pols houden of zo nu en dan het motiveren om het vol te houden is het inbegrepen in Sociaal en persoonlijk functioneren. Om die reden begint de telling van de intensiteiten van dit Resultaatgebied niet bij intensiteit 1, maar bij 2.
Intensiteit 2
De cliënt heeft forse belemmeringen op het gebied van zelfzorg en gezondheid, door psychische, lichamelijke, verstandelijke en/of verslavingsproblemen. Er kan sprake zijn van verwaarlozing op het gebied van zelfzorg en gezondheid, behandeling of medicatie. Het kan zijn dat de cliënt niet gemotiveerd is voor behandeling.
De ondersteuning kan bestaan uit stimuleren, aanleren, of (tijdelijk) overnemen van korte dagelijkse activiteiten gericht op basale zelfzorg en gezondheid of motiveren/begeleiden richting behandeling en/of het volhouden ervan. Eventueel is ondersteuning in combinatie met behandelaren, andere Begeleiders of verpleegkundigen noodzakelijk. Het kan zijn dat de Begeleiders de ruimte nodig hebben om vertrouwen op te bouwen en aan de ondersteuningsrelatie te werken.
Contactmomenten ambulant zullen vaak 1 keer (of 2x korter) per week zijn. Bij Wonen met Ondersteuning kan het ook de vorm hebben van korte momenten meerdere keren per week.
Intensiteit 3
De cliënt heeft door psychische, lichamelijke, verstandelijke en/of verslavingsproblemen ernstige belemmeringen, die kunnen leiden tot acute problematiek, waardoor situaties met gevaar voor de cliënt of voor anderen kunnen ontstaan. Vaak is behandeling nog niet opgestart. Samenwerking en afstemming met gespecialiseerde hulpverlening is nodig om de situatie in kaart te brengen en te stabiliseren. Hierbij is het van belang dat de Begeleiders de ruimte krijgen om vertrouwen op te bouwen en aan de ondersteuningsrelatie te werken.
Indien de cliënt open staat voor hulpverlening kan de ondersteuning bestaan uit het opstarten van de begeleiding bij het ontwikkelen en bevorderen van de zelfzorg en gezondheid. De cliënt moet mogelijk (blijvend) worden gemotiveerd om ondersteuning te accepteren, of heeft geen overzicht over diens zelfzorg en gezondheid, of de situatie is ontwricht. Ook kan de ondersteuning bestaan uit aanleren, of tijdelijk overnemen van taken in relatie tot zelfzorg.
Contactmomenten ambulant zullen vaak 2 keer (of meerdere korte) per week zijn. Bij Wonen met Ondersteuning kan het de vorm hebben van korte momenten nagenoeg dagelijks.
Extra Ondersteuning op het resultaatgebied zelfzorg wordt in de regel tijdelijk (ambulant (richtlijn) maximaal 1 jaar, bij Wonen met Ondersteuning maximaal de duur van woonbegeleidingstraject) aanvullend op het resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren erbij geïndiceerd.
Samenhang met andere Resultaatgebieden
Het Resultaatgebied Extra Ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid wordt alleen ingezet wanneer aanvullende inzet op het gebied van zelfzorg en gezondheid noodzakelijk is. Er is sprake van extra inzet op het gebied van zelfzorg en gezondheid wanneer veelvuldig aansporen en/of aanleren noodzakelijk is, er taken (structureel) overgenomen dienen te worden, de cliënt veelal gemotiveerd moet worden om behandeld te worden of wanneer situaties ontstaan waar cliënt en/of de directe omgeving van de cliënt gevaar loopt.
De Aanbieder is verantwoordelijk om ondersteuning niet zijnde extra inzet op het gebied van zelfzorg & gezondheid reeds op te pakken binnen het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren indien deze laag frequent van aard is. Onderstaande taken op het gebied van zelfzorg en gezondheid maken deel uit van het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren:
•Het motiveren van de cliënt tot betere zelfzorg;
•Het motiveren voor toeleiding naar behandeling of stimuleren van het volhouden daarvan;
•Het stabiel houden van de ondersteuning indien sprake is van de afwezigheid van een netwerk waar de cliënt op kan terugvallen.
De Ondersteuning bij de zorg van kinderen valt niet onder dit Resultaatgebied, hiervoor kennen de gemeenten de voorziening Kindverzorging. Ook hoog frequente langdurige lijfgebonden ondersteuning bij zelfzorg via de Wmo, indien hiervoor geen toegang wordt verleend tot Persoonlijke Verzorging via de Zvw en er ook geen sprake is van het aanleren van vaardigheden, valt niet onder dit Resultaatgebied. Voor deze uitzonderingssituatie voorzien de gemeenten in een oplossing op maat, gebaseerd op de benodigde hoeveelheid aan lijfgebonden Wmo ondersteuning.
Module Ondersteuning
Resultaatgebied Extra Ondersteuning bij geldzaken
Ondersteuning op dit Resultaatgebied wordt tijdelijk ingezet als een trajectmatige aanpak nodig is om stevige doelen op dit gebied te bereiken en voorliggende oplossingen (nog) geen oplossing zijn. Hierbij kan sprake zijn van het inschakelen van een andere professional met andere expertise dan de Begeleider. Het Resultaatgebied geldzaken draagt eraan bij dat cliënten een geordende en gebalanceerde financiële huishouding verkrijgen en/of behouden. De ondersteuning vanuit dit Resultaatgebied wordt primair ingezet als er sprake is van een ernstige instabiele financiële situatie, waarvoor specifieke financiële deskundigheid nodig is. Het gaat hierbij om de toeleiding van cliënten die beperkingen hebben in de regievoering vanwege gedragsproblematiek in combinatie met psychische, verstandelijke en/of verslavingsproblemen naar een schuldregeling, beschermingsbewind of een daarmee vergelijkbare voorziening. De Extra Ondersteuning bij geldzaken kan ook gericht zijn op het aanleren van vaardigheden om de problematiek in de regievoering te verkleinen, indien wordt ingeschat dat met een intensieve inzet het mogelijk is om verandering te bereiken. En dat hierdoor bewerkstelligd kan worden dat de cliënt - op termijn - (grotendeels) zelf in staat is om een gezonde financiële huishouding te voeren, waaronder het betalen van de huur en andere vaste lasten.
Specifiek bij Wonen met Ondersteuning kan de Extra Ondersteuning vanuit dit Resultaatgebied ook worden ingezet indien er geen sprake is van een ernstige instabiele financiële situatie, maar dat het zicht op de situatie ontbreekt (bijvoorbeeld bij instroom in Wonen met Ondersteuning) en hiervoor intensievere inzet vereist is om dit te bereiken, waardoor het de inzet vanuit het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren te boven gaat. Of dat de situatie wel instabiel zou kunnen worden, indien er geen ondersteuning op dit vlak wordt geboden en waarvoor algemene voorzieningen een ontoereikend antwoord zijn (bijvoorbeeld bij de voorbereidingen op de overgang van Wonen met Ondersteuning naar Ambulant).
Activiteiten
•Individuele begeleiding gericht op het verkrijgen van inzicht in de financiële situatie, aangaan van (financiële) verplichtingen en aanbrengen van structuur in financieel beheer;
•Signaleren en formuleren van de hulpvraag op het vlak van financiën;
•Het toeleiden van de cliënt naar een passende gemeentelijke schuldregeling (schuldhulpverlening) en/of bewindvoering;
•Het stabiliseren van de financiële problemen.
Doelstellingen
•De cliënt heeft een toereikend inkomen voor levensonderhoud en inzicht in diens financiële administratie;
•De cliënt is bewust op welke manier schuldhulpverlening en of bewindvoering bijdraagt aan het verkrijgen van financiële stabiliteit;
•De cliënt is toegeleid naar beschermingsbewind of een daarmee vergelijkbare voorziening;
•De cliënt is zich bewust van uitgaven die cliënt zich wel/niet kan veroorloven:
–Kan zelf contact opnemen met instanties in geval van betalingsachterstanden;
–Accepteert hulp door bewindvoerder of schuldhulpmaatje bij financiële problemen.
•Specifiek ten aanzien van Wonen met Ondersteuning: het zo kort mogelijk laten zijn van de tijdelijke noodzaak tot het afgeven van Huisvestingskosten Intramuraal en het voorkomen van financiële problemen bij uitstroom naar Ambulant.
Intensiteit omschrijvingen
In het geval het gaat om laag frequent vinger aan de pols houden of zo nu en dan het motiveren om het vol te houden is het inbegrepen in Sociaal en persoonlijk functioneren. Om die reden begint de telling van de intensiteiten van die Resultaatgebied niet bij intensiteit 1, maar bij 2.
Intensiteit 2
De cliënt heeft problemen bij het organiseren van en/of de regie voeren over diens financiën en is daardoor (nog) niet in staat financiële taken uit te voeren en daarvoor hulp in te schakelen. De cliënt heeft vaak langdurige schulden bij meerdere schuldeisers. Er is geen overzicht van de schulden. Vaak is er een schuldhulpverleningstraject en/of (tijdelijke) bewindvoering nodig om de schulden van de cliënt af te betalen. De ondersteuning is dan tevens gericht op het toeleiden naar (gemeentelijke) schuldhulpverlening (aanvangswerkzaamheden). Het gaat hierbij om cliënten met ernstige problemen bij de regievoering over de financiën (het niet of slechts beperkt opvolgen van adviezen, voorwaarden en regels). De ondersteuning kan ook gericht zijn om intensief in te zetten op het aanleren van vaardigheden om de problematiek in de regievoering te verkleinen, indien er een intensieve inzet vereist is om verandering te bereiken, zodat de cliënt - op termijn - (grotendeels) zelf in staat is om een gezonde financiële huishouding te voeren, zoals het betalen van de huur en andere vaste lasten.
Intensiteit 3
De cliënt heeft problemen bij het organiseren van en/of de regie voeren over diens financiën en is daardoor (nog) niet in staat financiële taken uit te voeren en daarvoor hulp in te schakelen. Er kan sprake zijn van een crisissituatie veroorzaakt door de financiële problemen van de cliënt. Zoals een dreigende uithuisplaatsing, een cliënt die niet in staat is te communiceren met schuldeisers en/of deurwaarders door psychische problematiek of een cliënt die door de stress omtrent de schuldenproblematiek niet in staat is diens dagelijkse bezigheden uit te voeren. Er is tijdelijk intensieve inzet nodig om de financiën en/of schulden voor de cliënt in kaart te brengen en de cliënt toe te leiden naar een passende voorziening voor verdere ondersteuning bij de financiële problematiek. Een groot deel van deze cliënten moet worden toegeleid naar bewindvoering.
In de regel wordt Extra Ondersteuning op het Resultaatgebied geldzaken tijdelijk (ambulant maximaal 1 jaar (richtlijn), bij wonen met Ondersteuning maximaal de duur van woonbegeleidingstraject) aanvullend op het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren erbij geïndiceerd.
Samenhang met andere Resultaatgebieden
Extra
Ondersteuning bij geldzaken wordt alleen ingezet wanneer aanvullende intensieve inzet op het gebied van geldzaken noodzakelijk is. Er is sprake van extra inzet op het gebied van geldzaken wanneer een trajectmatig aanpak nodig is om de doelstellingen te kunnen behalen en specifieke financiële expertise ingezet moet worden. Dit is onder meer het geval wanneer aanvullende (Gemeentelijke) schuldhulpverleningstrajecten en/of bewindvoering aan de orde is en er veelal sprake is van hoge en langlopende schulden.
De Aanbieder is verantwoordelijk om ondersteuning niet zijnde extra inzet op het gebied van geldzaken reeds op te pakken binnen het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren. Onderstaande taken op het gebied van geldzaken maken deel uit van het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren:
•De cliënt helpen bij het vinden van passende voorzieningen en/of cursussen die cliënt kunnen ondersteunen bij het weer zelfstandig uitvoeren van zijn financiële taken.
•In geval van een (afgerond) hulpverleningstraject op het vlak van financiën en/of schulden zal de cliënt bij de uitvoering/bestendiging van het plan zo nodig begeleid worden door Aanbieder. Deze begeleiding richt zich op de laagfrequente (praktische) ondersteuning bij de uitvoering van het plan of het motiveren van de cliënt om zich aan de gemaakte afspraken en doelstellingen te houden (gedragscomponent).
Module Ondersteuning
Resultaatgebied daginvulling
Ondersteuning op dit Resultaatgebied wordt ingezet als de inzet uit het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren niet voldoende is en algemene, voorliggende oplossingen geen oplossing bieden en er geen andere wet is waar een oplossing beter bij zou passen (zoals Participatiewet of Wet langdurige zorg). Daginvulling (dagbesteding) betreft groepsbegeleiding, waarbij in een groep en door middel van activiteiten gewerkt wordt aan de individueel gestelde doelen. Daginvulling gaat met andere woorden om het via een groep en door middel van activiteiten werken aan het hebben van een dagstructuur. Daginvulling kan gericht zijn op het vertragen of voorkomen van achteruitgang en zo mogelijk de ontwikkeling van cognitieve, motorische en ADL-vaardigheden. De activiteiten worden uitgevoerd onder begeleiding van een Begeleider die (aantoonbare) ervaring heeft met de cliëntgroep.
Als het om arbeidsmatige dagbesteding gaat wordt door de aanbieder samengewerkt met uitkeringsinstanties en sociale werkvoorziening (beschut werk) over de werkzaamheden en de verdere mogelijkheden tot arbeidsintegratie.
Daginvulling regulier en plus
Bij daginvulling wordt een onderscheid gemaakt in daginvulling regulier en plus. Indien het vanuit de begeleidingsbehoefte noodzakelijk is voor de cliënt om deel te nemen aan daginvulling met een groepsgrootte per medewerker van < 6 cliënten, is daginvulling plus aan de orde. Onder een dagdeel wordt minimaal 3,5 uur verstaan.
Vervoer
De Aanbieder is verantwoordelijk om het vervoer van en naar de dagbesteding te organiseren. Vanzelfsprekend wordt er eerst gekeken naar de eigen mogelijkheden van Cliënten om naar de dagbestedingslocatie te komen en is het uitgangspunt dat er gekeken wordt naar de dichtstbijzijnde passende dagbesteding. De Aanbieder dient in ieder geval voor het vervoer vanaf de woning van de cliënt tot aan de buitengrenzen van de Leidse regio aan te bieden. Voor het bezoeken van dagbestedingslocaties buiten de Leidse regio geldt dat vervoer tot maximaal 10 kilometer vanaf het woonadres van de client door de Aanbieder binnen het gestelde tarief georganiseerd dient te worden. De intensiteit van het vervoer wordt bepaald aan de hand van het aantal reisbewegingen per week. In principe wordt er aan een cliënt regulier vervoer toegekend, tenzij een cliënt rolstoelvervoer nodig heeft.
Arbeidsmatige activiteiten
•Activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de cliënt om daarmee werkervaring op te doen;
•Gericht op het toeleiden naar een traject in de participatiewet, een opleiding of vrijwilligerswerk of Beschut Werk;
•Aanleren en/of onderhouden van arbeidsvaardigheden;
•Stimulerend leer- en oefenmilieu;
•Bieden van zingeving, routine en structuur voor de dag;
•Werken aan herstel en stimuleren (van behoud) van de Zelfredzaamheid en cognitieve, sociale en motorische capaciteiten en vaardigheden;
•Stimuleren (van behoud) van regie over het eigen leven;
•Aanleren van digitale vaardigheden aan cliënt t.b.v. ondersteuning via eHealth;
•Stimuleren (van behoud) van niet-uitstelbare ADL;
•Handelingen zoals toiletgang, toezien op medicatie-inname, nuttigen maaltijd.
Recreatieve activiteiten
Activiteiten aangepast aan mogelijkheden en interesse van de cliënt, waaronder handvaardigheid, expressie, beweging en belevingsactiviteiten. Het betreft niet de activiteiten die als invulling van de vrije tijd of normale bezigheden betiteld kunnen worden (bijv. samen koken, wandelen).
De activiteiten dragen bij aan het versterken van de eigenwaarde, participatie in de samenleving, zingeving, bieden van dagstructuur, opbouwen of behoud van het sociaal netwerk en/of sociale vaardigheden en ontlasten mantelzorger.
Doelstellingen
•De vaardigheden van de cliënt met betrekking tot de zelfredzaamheid worden behouden of ontwikkeld;
•De cliënt heeft zijn arbeidsmatige en/of sociale competenties ontwikkeld;
•De cliënt heeft zijn arbeidsmatige en/of sociale competenties behouden;
•De cliënt maakt gebruik van een zingevende activiteit, passend bij diens behoeften;
•De mantelzorger van de cliënt kan tot rust komen en is niet overbelast;
•De cliënt kan participeren door dagbesteding;
•De cliënt behoudt de kracht om deel te nemen aan de dagbesteding;
•Deelname aan de dagbesteding voorkomt dat de situatie van de cliënt verslechterd of dat verslechtering wordt vertraagd.
Intensiteit omschrijvingen
Intensiteit 1
De cliënt heeft 1-2 dagdelen per week Daginvulling. Deze Intensiteit zal vooral een opstart Intensiteit zijn. In de regel zal deze Intensiteit tijdelijk en van korte duur zijn en daarna worden doorgeschakeld naar een hogere intensiteit.
Intensiteit 2
De cliënt heeft 3-4 dagdelen per week Daginvulling.
Intensiteit 3
De cliënt heeft 5-6 dagdelen per week Daginvulling.
Intensiteit 4
De cliënt heeft 7-8 dagdelen per week Daginvulling.
Intensiteit 5
De cliënt heeft 9-10 dagdelen per week Daginvulling. Dit betreft uitzonderingen, vaak zal 8 dagdelen per week toereikend zijn.
Samenhang met andere Resultaatgebieden
Het motiveren en toeleiden van cliënten om deel te gaan nemen aan (een vorm van) Dagbesteding, waaronder vrijwilligerswerk, opleiding of betaald werk valt onder individuele begeleiding en dus onder het Resultaatgebied Sociaal & persoonlijk functioneren.
Het gedeelte van de Resultatengids vanaf hier is niet van toepassing op de doelgroep Ouderdomsproblematiek
Module Veiligheid: beschikbaarheid avond & nacht
Resultaatgebied 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid
Het Resultaatgebied 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid is aan de orde wanneer cliënten ’s avonds/'s nachts (tussen 23.00 uur en 7.00 uur) ondersteuning van een Begeleider nodig kunnen hebben.
24uurs oproepbaarheid en aanwezigheid wordt met verschillende doelen ingezet en verschilt daarom in Intensiteit. Deze vorm van ondersteuning is inhoudelijk gelijk aan die van de ondersteuning overdag. De uitgevoerde werkzaamheden zullen in de nacht logischerwijs niet in dezelfde verhouding voorkomen als overdag. 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid moet gedurende de periode van 23.00 uur tot 7.00 uur beschikbaar zijn en proactief worden ingezet. Afhankelijk daarvan kan de ondersteuning op verschillende manieren vorm krijgen.
Tijdens de 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid wordt regelmatig extra aandacht gevraagd voor:
•Het voorkomen of de-escaleren van ongewenste situaties gedurende de nacht;
•Het ondersteunen bij het hanteren van een gezond dag- en nachtritme;
•Het ingrijpen wanneer de cliënt te veel onder invloed staat van anderen waar dit een risico tot achteruitgang met zich meebrengt;
•De veiligheid en/of de leefbaarheid in en om de locatie waar de cliënt woont in het geding is. Zo nodig een beroep doen op politie en/of Crisisdiensten.
Doelstellingen
•De cliënt kan met hulp van de Begeleider snel de-escaleren;
•De duur van de escalaties van de cliënt is teruggebracht;
•De cliënt woont in een reguliere en gestructureerde omgeving;
•De cliënt beschikt over een gezond dag- en nachtritme;
•De cliënt heeft positieve invloed op de veiligheid en/of leefbaarheid van de locatie waar cliënt verblijft.
Intensiteit omschrijvingen
Intensiteit 1: bereikbaarheid avond en nacht
Bij deze Intensiteit is sprake van 24 uurs oproepbaarheid uitgevoerd door een ambulante Begeleider die 's avonds en 's nachts bereikbaar is. In uitzonderlijke situaties dient de Begeleider naar de cliënt toe te gaan. Deze Intensiteit wordt ingezet voor cliënten Ambulant Plus, Begeleid Wonen geclusterd of Beschut Wonen.
De ambulante Begeleider is niet alleen oproepbaar maar anticipeert ook op de (verwachte) situatie van cliënt en neemt daarom zo nodig op eigen initiatief contact op met de cliënt en/of gaat naar de cliënt (of in de buurt van) toe. cliënt is normaal gesproken in staat om in de nacht zelf de hulpvraag te stellen en deze vraag kan telefonisch en/of met behulp van beeldbellen worden afgehandeld. Het fysiek naar de cliënt toegaan is alleen in uitzonderlijke situaties noodzakelijk, gemiddeld niet meer dan maximaal éénmaal per maand. Deze vorm van 24 uurs oproepbaarheid moet zeven dagen per week tussen 23.00 uur en 7.00 uur beschikbaar zijn. De ondersteunende Begeleider dient in uitzonderlijke gevallen uiterlijk binnen 30 minuten na een oproep ter plekke aanwezig te zijn. Een eerste telefonische dan wel digitale (beeldbellen) reactie dient binnen vijf minuten na een signaal te hebben plaatsgevonden.
Intensiteit 2: bereikbaarheid avond en nacht gecombineerd met deels aanwezigheid in avond en nacht
Deze Intensiteit verschilt van Intensiteit 1 indien sprake is van het feit dat er een gedeelte van de week (vaak weekend) een slapende wacht op de locatie aanwezig is. Dit zal hand-in-hand gaan met een vaste aanwezigheid overdag (Beschut Wonen). De slaapwacht is in de directe nabijheid beschikbaar gedurende twee á drie dagen per week tijdens de gehele periode van 23.00 uur tot 7.00 uur.
De ambulante Begeleider is niet alleen oproepbaar maar anticipeert ook op de (verwachte) situatie van cliënt en neemt daarom zo nodig op eigen initiatief contact op met de cliënt en/of gaat naar de cliënt (of in de buurt van) toe. cliënt is normaal gesproken in staat om in de nacht zelf de hulpvraag te stellen en deze vraag kan telefonisch en/of met behulp van beeldbellen worden afgehandeld. Het fysiek naar de cliënt toegaan vanwege diens hulpvraag is alleen in uitzonderlijke situaties noodzakelijk. Vanwege het samenwonen met andere cliënten op de woonlocatie is het vooral vanuit de groepsdynamiek en/of invloed van buitenaf noodzakelijk dat een deel van de week (vaak weekend) er wel 24 uurs aanwezigheid is. In sommige gevallen is er namelijk aandacht nodig voor de veiligheid op de locatie vanwege de beperkte regie van de cliënt in relatie tot de medebewoners en de buurt waarin zij wonen/verblijven en de afspraken die er met de buurt gemaakt zijn. De Begeleider heeft de verantwoordelijkheid zo nodig een beroep te doen op externe partijen zoals de politie en/of Crisisdiensten.
Intensiteit 3: aanwezigheid in avond en nacht
Voor deze Intensiteit is sprake van de noodzaak tot 24 uurs aanwezigheid op alle dagen van de week (bijvoorbeeld in de vorm van een locatie gebonden slaapwacht). De slaapwacht vervult deze ondersteuning veelal voor één woongroep in een setting waarbij ook sprake is van een intensieve vorm van vaste aanwezigheid op de locatie overdag (Beschermd Wonen). De slaapwacht is in de directe nabijheid beschikbaar gedurende zeven dagen per week tijdens de gehele periode van 23.00 uur tot 7.00 uur. De slaapwacht is niet alleen aanwezig maar anticipeert ook op de (verwachte) situatie van cliënt. De slaapdienst is altijd onderdeel van adequate en toereikende ondersteuning die 24 uur per dag gegarandeerd is.
Deze 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid is nodig vanwege het gebrek aan regie bij de cliënt. De cliënt kan zelf in de nacht de hulpvraag niet altijd stellen en/of er is dan geen uitstelbare hulpvraag. In sommige gevallen is er aandacht nodig voor de veiligheid op de locatie vanwege de beperkte regie van de cliënten in relatie tot de medebewoners en de buurt waarin zij wonen/verblijven en de afspraken die er met de buurt gemaakt zijn. De Begeleider heeft de verantwoordelijkheid zo nodig een beroep te doen op externe partijen zoals de politie en/of Crisisdiensten.
Ambulante 24 uurs oproepbaarheid volstaat niet, omdat frequenter en sneller gehandeld moet worden, onder andere als directe reactie op waargenomen gedrag van de cliënt. De situatie is echter nog niet zo, dat wakende ondersteuning noodzakelijk is. Het onderscheid met de wakende ondersteuning wordt vooral bepaald door de mate waarin de inzet van de ondersteuning voor een individuele cliënt nodig is. Bij de slaapwacht is dit incidenteel, met Wakende ondersteuning is dat op reguliere basis.
Intensiteit 4: wakende aanwezigheid in avond en nacht
Het gaat hierbij om locatie gebonden 24 uurs aanwezigheid in de directe nabijheid van de cliënt. De 24 uurs aanwezigheid door een wakende Begeleider komt overeen met de ondersteuning zoals beschreven bij de slaapwacht. Zoals de naam veronderstelt is de Begeleider wakend, dus wakker aanwezig. De frequentie waarmee de inzet van de 24 uurs aanwezigheid nodig is voor een individuele cliënt ligt gemiddeld hoger ten opzichte van Intensiteit 3.
De locatie waar de cliënt met deze Intensiteit wordt geïndiceerd beschikt over een gezamenlijke voordeur. De Begeleider heeft zicht op deze voordeur en regisseert wie er binnen komt. Hierbij kunnen elektronische hulpmiddelen worden ingezet zodat op afstand kan worden bepaald wie er binnenkomt.
Deze Intensiteit zal - gelet op de scope van deze opdracht - in uitzonderlijke situaties subregionaal worden geïndiceerd. De Leidse Regio kent op dit moment geen subregionale woonlocaties die een wakende wacht hebben. De centrale Maatschappelijke Opvang en zeer gespecialiseerde Beschermd Wonen zijn op Holland-Rijnland niveau ingekocht. Daar is het waarschijnlijker dat deze Intensiteit aan de orde is.
Samenhang met andere Resultaatgebieden en Percelen
Het Resultaatgebied 24 uurs oproepbaar of aanwezigheid wordt altijd beschikt in combinatie met de Module Ondersteuning.
In Onderstaand schema is weergeven voor welke Ondersteuningsvorm dit Resultaatgebied geïndiceerd kan worden.
#
Intensiteit
Perceel 1
Perceel 2
Perceel 3
1
Oproepbaarheid avond & nacht
Begeleid of Beschut Wonen
Ambulant Plus
Ambulant Plus
2
Deels oproepbaar, deels slaapwacht
Beschut Wonen
✖︎
✖︎
3
Slapende wacht
Beschermd Wonen
✖︎
✖︎
4
Wakende wacht
Beschermd Wonen
✖︎
✖︎
Tabel 4: De ondersteuningsvorm binnen het Perceel waarvoor dit Resultaatgebied ingezet kan worden.
Module Sociaal Beheer
Resultaatgebied Ongepland en/of Sociaal Beheer en/of kosten gezamenlijk wonen
Onder het Resultaatgebied sociaal beheer wordt verstaan: Ondersteuning die wordt geboden afwijkend van geplande contactmomenten overdag, dus onplanbare ondersteuning en eventuele interventies gedurende de dag. Bij Wonen met Ondersteuning gaat het tevens het reguleren van het sociale verkeer tussen de cliënten en de kosten van gezamenlijk wonen (substantiële gemeenschappelijke groepsruimtes). Indien er sprake is van Beschut of Beschermd Wonen tevens: de (vaste) aanwezigheid van een Begeleider op de groep bij de woonlocatie, bovenop de ondersteuning op de Resultaatgebieden van de Module Ondersteuning, voor onder andere de al genoemde ongeplande momenten en interventies, reguleren van het sociale verkeer tussen de cliënten en daarnaast het zorgen voor een gestructureerde dagindeling op de woonlocatie overdag.
Dit Resultaatgebied gaat uit van de ongeplande nabijheid van de ondersteuning. Afhankelijk van de situatie van de cliënt en de vorm van ondersteuning is een andere Intensiteit gevraagd. Dit Resultaatgebied wordt ingezet wanneer de aard van de ondersteuning (in sommige situaties) niet planbaar en niet uitstelbaar is. De Begeleider moet afhankelijk van de situatie snel bij de woonruimte van cliënt kunnen om in te kunnen springen op de hulpvraag van de cliënt.
De ondersteuning is daarnaast waar nodig ook proactief. Dat wil zeggen dat wanneer wordt ingeschat dat er een (ongewenste) situatie gaat ontstaan, van de Begeleider wordt verwacht daar adequaat op te anticiperen en niet wordt gewacht tot de cliënt om hulp vraagt.
Doelstellingen
•De cliënt kan met hulp van de Begeleider snel de-escaleren;
•De duur van de escalaties van de cliënt is teruggebracht;
•De cliënt woont in een reguliere en gestructureerde omgeving;
•De cliënt beschikt over een gezond dag- en nachtritme;
•De cliënt heeft positieve invloed op de veiligheid en/of leefbaarheid van de locatie waar cliënt zelfstandig of met mede cliënten woont.
Intensiteit omschrijvingen
Intensiteit 1: sociaal beheer ambulant
De cliënt beschikt vanwege psychische, verstandelijke en/of verslavingsproblemen nog niet over voldoende vaardigheden om volledig zelfstandig te wonen. De cliënt is nog gevoelig voor negatieve invloed uit zijn omgeving. De eigen woonomgeving biedt de cliënt een zo normaal mogelijke woonomgeving met een gereguleerd en/of gestructureerd klimaat.
Deze Intensiteit kan worden ingezet wanneer een cliënt zelfstandig thuis woont maar de ondersteuningsvraag van de cliënt regelmatig vraagt om ongeplande ondersteuning overdag. De Begeleider wordt opgeroepen om de situatie te de-escaleren waarbij de inzet gericht is om cliënt de regie over de situatie terug te geven. De gemeente kan de situaties waarin deze Intensiteit kan worden ingezet nader benoemen, door het bijvoorbeeld te verbinden aan tevoren goedgekeurde gemeentelijke projecten. Eveneens kan deze Intensiteit worden ingezet als cliënt is uitgestroomd van (een vorm van) Wonen met Ondersteuning (Begeleid wonen, Beschut of Beschermd Wonen) naar een ambulante zelfstandige woonplek maar waarbij de eerste periode met regelmaat vinger aan de pols gehouden dient te worden.
Binnen deze Intensiteit is een vergoeding opgenomen voor ongeplande begeleidingsmomenten en/of momenten van sociaal beheer ten behoeve van samen leven met buren.
Intensiteit 2: sociaal beheer begeleid wonen geclusterd4
De cliënt beschikt vanwege psychische, verstandelijke en/of verslavingsproblemen nog niet over voldoende vaardigheden om zelfstandig te wonen. De cliënt is nog gevoelig voor negatieve invloed uit diens omgeving. De cliënt zorgt zelf, eventueel hierin gestimuleerd door de Begeleider, voor een schoon en leefbaar huis en schone was. Het aanleren van deze vaardigheden valt overwegend onder het resultaatgebied Sociaal en Persoonlijk Functioneren. Onder het resultaatgebied sociaal beheer gaat het vooral om het schoon en leefbaar houden van de gezamenlijke ruimten in het kader van samenleven.
Er is sprake van geclusterd wonen van meerdere cliënten. Veelal gaat het om een locatie die exclusief bewoond wordt door de doelgroep begeleid Wonen. Er is geen sprake van de noodzaak tot (structurele) vaste aanwezigheid van Begeleiders overdag op de groep. De begeleide woonomgeving biedt de cliënt een zo normaal mogelijke woonomgeving met een gereguleerd en gestructureerd klimaat. De cliënt heeft (in de meeste gevallen) de mogelijkheid om gebruik te maken van gemeenschappelijke groepsruimtes (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een gezamenlijke woonkamer), waardoor de cliënt in sociaal contact kan komen met anderen en daar steun uit kan halen.
Er is (voor bestaande cliënten in de toekomst) sprake van scheiden van wonen en zorg, de cliënt betaalt zelf de huur.
Bij toekenning van deze Intensiteit is een vergoeding opgenomen voor:
•Ongeplande begeleidingsmomenten en/of momenten van sociaal beheer ten behoeve van samen leven met buren en medebewoners van de locatie (het dagelijks of meerdere keren per week inchecken op de woonlocatie door de aanbieder);
•De kosten voor substantiële gemeenschappelijke groepsruimtes en/ of kosten die verbonden zijn aan een ervaringsdeskundige als inwonend beheerder.
Intensiteit 3: sociaal beheer met vaste bloktijden aanwezigheid overdag
De cliënt beschikt vanwege psychische, verstandelijke en/of verslavingsproblemen nog niet over voldoende vaardigheden om zelfstandig te wonen. De cliënt is nog gevoelig voor negatieve invloed uit diens omgeving. De cliënt heeft mogelijk nog ondersteuning nodig bij het zorgen voor maaltijden en service gerelateerde zaken in en om de woning. De cliënt zorgt, eventueel hierin gestimuleerd door de Begeleider zelf voor een schoon en leefbaar huis en schone was. Het aanleren van deze vaardigheden valt overwegend onder het resultaatgebied Sociaal en Persoonlijk Functioneren. Onder het resultaatgebied sociaal beheer gaat het vooral om het schoon en leefbaar houden van de gezamenlijke ruimten in het kader van samenleven.
Er is sprake van vaste aanwezigheid van Begeleiders overdag op bepaalde vaste momenten/tijdsblokken van de dag op de groep. De locatie wordt exclusief bewoond door de doelgroep beschut en/of beschermd. De beschutte of beschermde woonomgeving biedt de cliënt een zo normaal mogelijke woonomgeving met een gereguleerd en gestructureerd klimaat. De cliënt woont geclusterd met andere cliënten en heeft de mogelijkheid om gebruik te maken van gemeenschappelijke ruimtes (delen van keuken, badkamer en/of aanwezigheid van gezamenlijke woonkamer), waardoor de cliënt in sociaal contact kan komen met anderen en daar steun uit kan halen.
Er is (voor bestaande cliënten in de toekomst) veelal sprake van scheiden van wonen en zorg, de cliënt betaalt zelf de huur.
Bij toekenning van deze Intensiteit is een vergoeding opgenomen voor:
•Ongeplande begeleidingsmomenten en/of momenten van sociaal beheer ten behoeve van samen leven met buren en medebewoners van de locatie);
•De kosten voor substantiële gemeenschappelijke ruimtes;
•De kosten voor de vaste aanwezigheid van Begeleiders overdag op de groep gedurende bepaalde tijdsblokken.
Intensiteit 4: sociaal beheer met intensieve vaste aanwezigheid overdag
De cliënt beschikt vanwege psychische, verstandelijke en/of verslavingsproblemen (nog) niet (meer) over de vaardigheden om zelfstandig te wonen. De cliënt heeft bescherming nodig tegen zichzelf of zijn omgeving of zorgt voor overlast en/of cliënt heeft gedurende de dag veel interventies nodig. De cliënt heeft (mogelijk) ondersteuning nodig bij het zorgen voor een schoon en leefbaar huis, schone was, maaltijden en service gerelateerde zaken in en om de woning. Het aanleren van deze vaardigheden valt overwegend onder het resultaatgebied Sociaal en Persoonlijk Functioneren. Onder het resultaatgebied sociaal beheer gaat het vooral om het schoon en leefbaar houden van de gezamenlijke ruimten in het kader van samenleven.
De beschermde woonomgeving heeft een gecontroleerd, gereguleerd en gestructureerd klimaat en biedt de cliënt veiligheid en stabiliteit.
Er is sprake van de noodzaak tot semi permanente vaste aanwezigheid van Begeleiders overdag op de groep. Bij deze intensiteit zijn er gedurende de dag veel interventies nodig om cliënt vorderingen te laten maken in het hersteltraject. De locatie wordt exclusief bewoond door de doelgroep (beschut of) Beschermd Wonen. De beschutte of beschermde woonomgeving biedt de cliënt een zo normaal mogelijke woonomgeving met een gereguleerd en gestructureerd klimaat. De cliënt woont geclusterd met anderen en heeft de mogelijkheid om gebruik te maken van gemeenschappelijke ruimtes (aanwezigheid van gezamenlijke woonkamer etc.), waardoor de cliënt in sociaal contact kan komen met anderen en daar steun uit kan halen.
Er is (voor bestaande cliënten in de toekomst) veelal sprake van scheiden van wonen en zorg, de cliënt betaalt zelf de huur. Bij toekenning van deze Intensiteit is een vergoeding opgenomen voor:
•Ongeplande begeleidingsmomenten en/of momenten van sociaal beheer ten behoeve van samen leven met buren en medebewoners van de locatie);
•De kosten voor substantiële gemeenschappelijke ruimtes;
•De kosten voor de semi permanente vaste aanwezigheid van Begeleiders overdag op de groep.
Samenhang met andere Resultaatgebieden en Percelen
Het ongepland en/of sociaal Beheer en/of kosten gezamenlijk wonen wordt beschikt bij de Ondersteuningsvormen Ambulant Plus, Begeleid, Beschut of Beschermd Wonen. Het Resultaatgebied wordt altijd beschikt in combinatie met de Module Ondersteuning en het Resultaatgebied Veiligheid ten behoeve van beschikbaarheid avond & nacht.
De reguliere begeleiding en het aanleren van de woonvaardigheden valt onder het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren. Dit Resultaatgebied Sociaal Beheer wordt aanvullend op het Resultaatgebied Sociaal en persoonlijk functioneren ingezet voor ongeplande en incidentele ondersteuning, de kosten voor gemeenschappelijke ruimtes in het geval van Wonen met Ondersteuning en de vaste aanwezigheid op de groepslocaties bij Beschut en Beschermd Wonen.
Dit Resultaatgebied verschilt van het Resultaatgebied Veiligheid (beschikbaarheid avond & nacht) omdat het compenseert voor ongeplande ondersteuning en/of vaste aanwezigheid tussen 07:00-20:00 uur.
In onderstaand schema is weergeven voor welke type van Wonen met Ondersteuning dit Resultaatgebied geïndiceerd kan worden.
#
Intensiteit
Perceel 1
Perceel 2
Perceel 3
1
Ongepland
✖︎
Ambulant Plus
Ambulant Plus
2
Ongepland & gemeenschappelijke ruimtes
Begeleid Wonen
✖︎
✖︎
3
Ongepland & (vaste) aanwezigheid sociaal beheer & gemeenschappelijke ruimtes
Beschut & Beschermd Wonen
✖︎
✖︎
4
Ongepland & intensieve (vaste) aanwezigheid sociaal beheer intensief & gemeenschappelijke ruimtes
Beschut & Beschermd Wonen
✖︎
✖︎
Tabel 5: De Ondersteuningsvorm binnen het Perceel waarvoor dit Resultaatgebied ingezet kan worden.
Module Huisvestingskosten Intramuraal
Huur & inrichting plus extra verblijfskosten in geval van intramuraal
Dit Resultaatgebied geldt enkel voor de cliënten met een bestaande Indicatie Beschermd Wonen Intramuraal afgegeven uiterlijk 31 december 2022. De cliënt betaalt geen huur en betaalt een Intramurale eigen bijdrage. In uitzonderingsgevallen kan dit resultaatgebied vanwege de persoonlijke omstandigheden van een cliënt ook (tijdelijk) worden toegekend aan cliënten met een toekenning van na 31-12-2022. Het gaat dan om het overbruggen van een periode waarin het zelf betalen van huur door de cliënt tijdelijk nog niet mogelijk is.
Doelstellingen
De Leidse regio streeft ernaar om aan het eind van de eerste contractperiode voor minimaal 80% van de huidige cliëntaantallen Beschermd Wonen scheiden wonen en zorg te realiseren (zie paragraaf 1.9 Bijlage 1. Beschrijvend document).
Intensiteit omschrijvingen
Intensiteit
De module zal aangezet worden voor huidige cliënten met een indicatie Intramuraal Wonen en in uitzonderingsgevallen voor nieuwe cliënten na 1-1-2023.
Samenhang met andere Resultaatgebieden
Dit Resultaatgebied staat alleen open voor cliënten die vallen binnen Perceel 1 “Wonen met Ondersteuning”.
Tabel 6 Overzicht van percelen, ondersteuningsvormen, kenmerken ervan en bijbehorende arrangementen
Perceel
Ondersteunings-vormen
Kenmerken
Modules in arrangement
1Wonen met Ondersteuning
Begeleid Wonen geclusterd
•Cliënt woont in geclusterde woonvoorziening (op termijn) op basis van scheiden wonen en zorg;
•Er is sprake van substantiële gemeenschappelijke groepsruimtes en/ of een ervaringsdeskundige als inwonend beheerder;
•Naast op gezette tijden ondersteuning ook noodzaak tot ongepland;
•24 uurs oproepbaarheid in avond en nacht.
Ondersteuning Resultaatgebieden
Plus de modules:
•Veiligheid Intensiteit 1
•Sociaal beheer Intensiteit 2
•Bij bestaande BW cliënten eventueel voorlopig nog huisvestingkosten intramuraal. In uitzonderingsgevallen huisvestingkosten intramuraal bij nieuwe cliënten mogelijk.
Beschut Wonen
•Cliënt woont in geclusterde woonvoorziening (op termijn) op basis van scheiden wonen en zorg;
•Er is sprake van substantiële gemeenschappelijke groepsruimtes;
•Naast op gezette tijden ondersteuning ook noodzaak tot ongepland;
•24 uurs oproepbaarheid en/of gedeeltelijke 24 uursaanwezigheid in avond en nacht;
•Er is sprake van een mate van vaste aanwezigheid op de groep overdag.
Ondersteuning Resultaatgebieden
Plus de modules:
•Veiligheid Intensiteit 1 of 2
•Sociaal beheer Intensiteit 3 (of 4)
•Bij bestaande BW cliënten eventueel voorlopig nog huisvestingkosten intramuraal. In uitzonderingsgevallen huisvestingkosten intramuraal bij nieuwe cliënten mogelijk.
Beschermd Wonen
•Cliënt woont in geclusterde woonvoorziening (op termijn) op basis van scheiden wonen en zorg;
•Naast op gezette tijden ondersteuning ook noodzaak tot ongepland;
•Er is sprake van substantiële gemeenschappelijke groepsruimtes;
•24 uurs aanwezigheid in avond/nacht
•Er is sprake van een intensieve mate van vaste aanwezigheid op de groep overdag.
Ondersteuning Resultaatgebieden
Plus de modules:
•Veiligheid (beschikbaarheid avond/nacht) Intensiteit 3 of 4
•Sociaal beheer Intensiteit (3 of) 4
•Bij bestaande BW cliënten eventueel voorlopig nog huisvestingkosten intramuraal. In uitzonderingsgevallen huisvestingkosten intramuraal bij nieuwe cliënten mogelijk.
Perceel
Ondersteunings-vormen
Kenmerken
Modules in arrangement
2Ambulant GGZ
Ambulant
•Cliënt woont in wijk;
•Ontvangt op gezette tijden ondersteuning.
Ondersteuning Resultaatgebieden
Ambulant Plus
•Cliënt woont (gespikkeld) in wijk;
•Naast op gezette tijden ondersteuning ook structurele noodzaak tot ongepland overdag;
•24 uurs oproepbaarheid in avond en nacht.
Ondersteuning Resultaatgebieden
Voor plus tevens:
•Veiligheid Intensiteit 1
•Sociaal beheer Intensiteit 1
3Ambulant VG/LG/NAH
Ambulant
•Cliënt woont in wijk;
•Ontvangt op gezette tijden ondersteuning.
Resultaatgebieden Ondersteuning
Ambulant Plus
•Cliënt woont in wijk;
•Naast op gezette tijden ondersteuning ook structurele noodzaak tot ongepland overdag;
•24 uurs oproepbaarheid in avond en nacht.
Resultaatgebieden Ondersteuning
Voor Plus tevens:
•Veiligheid Intensiteit 1
•Sociaal beheer Intensiteit 1