Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk;
gelet op artikel 108 van de Gemeentewet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit vast te stellen de Subsidieregeling peuteropvang en VE Noordwijk 2026.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
aanbieder
degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum exploiteert in de gemeente;
ASV
Algemene Subsidieverordening gemeente Noordwijk 2021;
CJG
Centrum voor Jeugd en Gezin;
college
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk;
hele dagopvang
kinderopvang voor 0-4 jarige kinderen in dagen van 10-11 uur gedurende 52 weken per jaar in een kindercentrum dat in het LRK is geregistreerd in de gemeente;
doelgroeppeuter
een kind van 2,5 jaar tot 4 jaar, woonachtig in de gemeente, waarvoor een VVE-indicatie is afgegeven en dat in de periode tussen 2,5 en 4 jaar tenminste 960 uur VE volgt;
gemeente
gemeente Noordwijk;
inkomensverklaring
een officiële verklaring van de Belastingdienst met de inkomensgegevens over een bepaald belastingjaar;
kindercentrum
een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt en dat in het LRK in de gemeente is geregistreerd, anders dan gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet Kinderopvang;
kinderopvangtoeslag (KOT)
tegemoetkoming van het Rijk aan ouders bedoeld als gedeeltelijke bijdrage in de kosten voor kinderopvang;
kwaliteitssubsidie
subsidiebedrag per doelgroeppeuter ter dekking van de meerkosten van het aanbod van VE;
landelijk maximum uurtarief
de maximum uurprijs zoals opgenomen voor de dagopvang artikel 4 lid 1 sub a Besluit kinderopvangtoeslag voor het betreffende jaar;
LRK
Landelijk Register Kinderopvang, registratiesysteem met gegevens van alle kinderopvangvoorzieningen in Nederland;
ouder
ouder of verzorger van de peuter die gebruik maakt van de peuteropvang of hele dagopvang;
ouderbijdrage
de maandelijkse bijdrage die door aanbieders bij ouders in rekening wordt gebracht;
PBM’er VE
pedagogisch beleidsmedewerker VE: medewerker die ondersteunend wordt ingezet; de wettelijk verplichte inzet is gemiddeld 10 uur per jaar per doelgroeppeuter op peilmoment 1 januari;
peuteropvang
kinderopvang in dagdelen van 4 uur per dag en gedurende 40 weken per jaar op een kindercentrum dat in het LRK is geregistreerd binnen de gemeente;
reguliere peuter
een peuter in de leeftijd van 2 jaar tot 4 jaar die woont in de gemeente;
subsidiejaar
het kalenderjaar waarop de in deze regeling bedoelde subsidie betrekking heeft;
VE
Voorschoolse Educatie;
verzamelinkomen
door de Belastingdienst gehanteerde term voor het gezinsinkomen uit box1, box2 en box3 verminderd met de aftrekposten;
VNG adviestabel
de door de VNG geadviseerde tabel met ouderbijdragen voor de peuteropvang geldig voor het subsidiejaar;
VVE
Voor- en Vroegschoolse Educatie;
VVE-indicatie
een indicatie voor het volgen van VVE, afgegeven door het CJG aan kinderen met (een risico op) een ontwikkelingsachterstand, met name een taalachterstand.
Artikel 2. Doel
Deze regeling heeft als doel om peuteropvang en dagopvang met een aanbod van VE toegankelijk te maken voor reguliere en doelgroeppeuters, om hen een zo goed mogelijke start op de basisschool te geven.
Artikel 3. Subsidiabele activiteiten
Subsidie wordt verleend aan een aanbieder die peuteropvang en/of dagopvang aanbiedt met een aanbod van VE, ten behoeve van:
a.reguliere peuters met een contract voor peuteropvang,
b.doelgroeppeuters met een contract voor peuteropvang en/of
c.doelgroeppeuters met een contract voor dagopvang.
Artikel 4. Aanvraag subsidie
1De aanvraag wordt ingediend conform de geldende ASV.
2Aanbieders kunnen subsidie aanvragen voor peuters die gebruik maken van een kindercentrum dat met een aanbod van VE in het LRK is geregistreerd.
3Voor de aanvraag wordt een door het college vastgesteld formulier gebruikt.
4Voor de peuteraantallen in het subsidiejaar wordt in de aanvraag uitgegaan van het aantal geplaatste peuters op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar. In uitzonderlijke gevallen kan een aanbieder hiervan afwijken. Dit dient dan expliciet onderbouwd te worden en vooraf afgestemd te worden met het college.
5De aanvraag moet vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar worden ingediend. Het college kan besluiten om aanvragen die na 1 november zijn ingediend toch in behandeling te nemen.
6Op het moment dat gedurende het subsidiejaar blijkt dat voor meer peuters subsidie nodig is, kan de aanbieder tot uiterlijk 1 oktober van het lopende jaar een aanvraag voor een aanvullende subsidie indienen.
Artikel 5. De grondslag voor de subsidie
1De grondslag voor de subsidie is het aantal peuters en het aantal uren dat een peuter gebruik maakt van het aanbod van VE gedurende het subsidiejaar.
2Voor de subsidie voor reguliere peuters in de peuteropvang geldt een plaatsing voor twee dagdelen per week als voorwaarde. De meerkosten van de plaatsing op extra dagdelen komt voor rekening van de ouders.
3De subsidie is beschikbaar tot maximaal 6 weken na de vierde verjaardag van de peuter, tenzij er gegronde redenen zijn om de plaatsing te verlengen. Een verzoek tot verlenging dient vooraf met het college te worden afgestemd.
4Voor doelgroeppeuters is subsidie beschikbaar als de doelgroeppeuter een aanbod van VE krijgt dat, naar rato van de geplaatste periode, overeenkomt met tenminste gemiddeld 640 uur per jaar.
5Het college subsidieert voor de peuteropvang per peuter, naar rato van de plaatsingsperiode, subsidiebedragen per jaar aan de hand van de volgende indeling:
Peuteropvang
reguliere peuter
ouders zonder recht op KOT
•320 uur x landelijk maximum uurtarief
doelgroeppeuter
ouders zonder recht op KOT
•640 uur x landelijk maximum uurtarief
•kwaliteitssubsidie
•subsidie inzet PBM’er VE
ouders met recht op KOT
•320 uur x landelijk maximum uurtarief
•kwaliteitssubsidie
•subsidie inzet PBM’er VE
De bijbehorende bedragen zijn in de bijlage opgenomen.
6Het college subsidieert voor de hele dagopvang per doelgroeppeuter, naar rato van de plaatsingsperiode, de volgende subsidiebedragen aan de aanbieder per jaar:
hele dagopvang
doelgroeppeuter
•kwaliteitssubsidie
•subsidie inzet PBM’er VE
De bijbehorende bedragen worden jaarlijks door het college bekend gemaakt, waarbij het streven is om mee te stijgen met de indexatie van de kinderopvangtoeslag. De GOAB-middelen die de gemeente ontvangt moeten toereikend zijn om dit uit te bekostigen.
7De aanbieder is vrij om het aanbod van gemiddeld 640 uren VE per jaar voor doelgroeppeuters naar eigen inzicht in te delen, mits dit niet de wettelijke grens van 6 uur per dag overschrijdt.
8De subsidie voor de inzet van de PBM’er VE is beschikbaar voor doelgroeppeuters die op peildatum 1 januari van het subsidiejaar zijn geplaatst.
Artikel 6. Ouderbijdragen
1De aanbieder hanteert voor ouders zonder recht op KOT van reguliere- en doelgroeppeuters de VNG-adviestabel voor het eerste kind. De ouderbijdrage wordt in rekening gebracht over 320 uur per jaar, naar rato van de plaatsingsperiode.
2Voor doelgroeppeuters van ouders met recht op KOT in de peuteropvang brengt de aanbieder bij de ouders het landelijk maximum uurtarief in rekening.
3Van het tweede lid kan worden afgeweken om klemmende redenen. De aanbieder geeft aan waarom in een dergelijk geval niet kan worden volstaan met het maximum KOT tarief. Het college beslist of een hoger tarief in dat geval is toegestaan.
4Voor het toetsen of ouders recht hebben op KOT en voor het bepalen van de hoogte van het gezinsinkomen, vraagt de aanbieder de meeste recente inkomensverklaring(en) van (bei)de ouder(s). Ouders die geen recht hebben op KOT vullen tevens een Verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag in.
5Indien het werkelijke verzamelinkomen afwijkt van het verzamelinkomen dat is aangegeven op de inkomensverklaring(en), dan kan deze verklaring aangevuld worden met documenten waaruit de hoogte van het werkelijke verzamelinkomen blijkt. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn: salarisstrook, uitkeringsspecificatie, werkgeversverklaring, verklaring van schuldsanering. Uit de documenten dient te blijken dat de inkomenswijziging structureel is, en in ieder geval geldt voor de maand voorafgaand aan de startdatum van de peuter.
6Wanneer een wijziging van het gezinsinkomen zodanig is dat ouders in een andere inkomensgroep van de VNG adviestabel vallen, dan kunnen zij een aanvraag doen tot aanpassing van de ouderbijdrage. Zij doen dit op basis van de meest recente inkomensverklaring of bijvoorbeeld met een salarisstrook, uitkeringsspecificatie, werkgeversverklaring, verklaring van schuldsanering. Uit de documenten dient te blijken dat de inkomenswijziging structureel is.
7Indien ouder(s) zonder recht op KOT geen inzicht geven in de hoogte van het inkomen, dan wordt de ouderbijdrage in rekening gebracht die hoort bij de hoogste inkomensgroep van de VNG adviestabel.
8Aanbieders innen zelf de ouderbijdragen en dragen het risico van niet-betalers. Over een voorgenomen besluit om een plaatsing te beëindigen als gevolg van het niet betalen van de ouderbijdrage, vindt vooraf overleg met de gemeente plaats.
Artikel 7. Verplichtingen voor de aanbieder
1Aanbieder geeft peuters woonachtig in de gemeente Noordwijk, die met dezelfde startdatum als peuters buiten de gemeente, zijn ingeschreven voorrang bij plaatsing.
2Aanbieder geeft doelgroeppeuters voorrang bij plaatsing.
3Aanbieder heeft een inspanningsverplichting om doelgroeppeuters vanaf 2,5 jaar tenminste 640 uur per jaar gebruik te laten maken van het VE-aanbod.
4Aanbieder neemt actief deel aan de beleidsontwikkeling en -uitvoering op het gebied van VVE van de gemeente Noordwijk en neemt daartoe ook actief deel aan de overlegstructuur.
5Aanbieder verschaft op verzoek informatie aan gemeente, de Inspectie van het Onderwijs, het Ministerie van OCW of aan andere door het college aangewezen instanties.
6Aanbieder levert op verzoek van het college gedurende het subsidiejaar periodiek gegevens aan, over onder andere de gerealiseerde peuteraantallen.
7Onverminderd de bepalingen in de ASV beschikt de aanbieder over onderliggende gegevens en kan deze indien gewenst, binnen een redelijke termijn beschikbaar stellen aan het college. Het gaat daarbij onder meer om:
•de door ouders ondertekend contract van de plaatsing van de peuter waarop de subsidie betrekking heeft;
•per peuter het aantal uren peuteropvang of dagopvang per week, de hoogte van de ouderbijdrage, de startdatum en de (verwachte) einddatum van de plaatsing;
•inkomensgegevens van ouders die geen recht hebben op KOT;
•van ouders die geen recht hebben op KOT een door ouders ingevulde en getekende ‘Verklaring geen recht op KOT’ en
•voor doelgroeppeuters: een bewijs van indicatiestelling voor VVE van het CJG.
Artikel 8. Overgangsrecht
Alle ouders van doelgroeppeuters die voor de periode vanaf 1 januari 2025 al een contract voor de peuteropvang voor 16 uur per week hebben getekend, behouden hun contract waarmee zij geen ouderbijdrage hoeven te betalen.
Artikel 9. Aanvraag vaststelling subsidie
1De aanbieder dient uiterlijk op 1 mei van het jaar volgend op het subsidiejaar, de aanvraag tot vaststelling in.
2De aanvraag tot vaststelling bestaat uit het door het college vastgesteld format met gerealiseerde aantallen reguliere- en doelgroeppeuters en de gefactureerde ouderbijdragen.
3Bij een subsidiering van meer dan € 50.000,- kan het college vragen om de aanvraag tot vaststelling aan te vullen met een controleverklaring, over de peuteraantallen en ouderbijdragen, opgesteld door een accountant.
4Het college stelt, binnen 8 weken na ontvangst, op basis van de aanvraag tot vaststelling het definitieve subsidiebedrag vast.
5Het college kan de subsidie op een lager bedrag vaststellen als de aanbieder minder peuters heeft geplaatst en/of hogere ouderbijdragen heeft gefactureerd, dan waarop de hoogte van de subsidie was gebaseerd.
Artikel 10. Weigeringsgronden
Onverminderd de subsidieverplichtingen zoals opgenomen in deze regeling, kan de subsidie worden geweigerd indien voor één van de Noordwijkse vestigingen van de aanbieder vanaf het moment van subsidieaanvraag tot het moment van subsidieverlening vanuit Toezicht en Handhaving een bestuurlijke sanctie is opgelegd door het daarvoor bevoegde bestuursorgaan. Een sanctie kan worden opgelegd als een gebrek door de GGD is geconstateerd en de daarvoor geboden hersteltermijn is verlopen.
Artikel 11. Hardheidsclausule
Het college kan afwijken van de bepalingen in deze regeling voor zover de toepassing daarvan kan leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 12. Slotbepalingen
1Deze regeling treedt in werking een dag na publicatie en werkt terug tot 1 januari 2025.
2De huidige regeling Subsidiebeleid Voorschoolse Educatie 2024 komt per 1 januari 2025 te vervallen.
3Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling peuteropvang en VE gemeente Noordwijk 2026.