Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders,
gelet op artikel 2, lid 2 van de Subsidieverordening instandhouding van gemeentelijke monumenten
BESLUIT:
vast te stellen:
nadere regels voor de instandhouding van gemeentelijke monumenten
PARAGRAAF 1 Subsidiabele kosten
Artikel 1 Subsidiabele kosten
Kosten van instandhoudingswerkzaamheden waarvoor –subsidie kan worden verleend zijn:
1herstel van het casco. Onder casco wordt in dit verband verstaan: de hoofdstructuur van het monument bestaande uit de dragende onderdelen en het omhulsel, te weten dak-, kap- en gebintconstructie, vloeren, balklagen, dragende muren, fundering, kelder en gewelven;
2de kosten voor het wind- en waterdicht houden van het casco;
3herstel van afzonderlijke monumentale onderdelen aan de binnen- en buitenkant al dan niet in combinatie met herstel van het casco. Het gaat om zaken als schouwen, vloeren, trappartijen, plafonds, schilderingen, pleister- en schilderwerk, bijzonder behang, raam- en deurpartijen met omlijsting en gevelonderdelen;
4herstel van specifieke technische installaties ten behoeve van bedrijf en techniek, bijvoorbeeld dieselmotoren, raamzagen en persen;
5het aanbrengen van technische installaties ten behoeve van bescherming van zeer waardevolle interieurelementen, bijvoorbeeld verwarming- en luchtbevochtigingsinstallaties;
6het verrichten van bouwhistorisch onderzoek of een haalbaarheidsonderzoek inzake de instandhoudingswerkzaamheden, alsmede de kosten van het jaarlijkse abonnement van de Monumentenwacht Overijssel / Flevoland;
7al het buitenschilderwerk;
8herstel en vernieuwen van rieten daken inclusief zonodig daklatten en herstel van sporen;
9herstel van dakvlakken gedekt met pannen inclusief met tengels en panlatten, leien, lood, zink of koper en, uitsluitend in samenhang hiermee, het herstel van gedeelten van het dakbeschot en sporen;
10herstel van goten, in zink, koper of lood, inclusief bijbehorende hemelwaterafvoeren, en het aanbrengen van voor de waterafvoer noodzakelijke goten waar deze niet eerder aanwezig waren, inclusief aansluitingen op riolering en open water;
11herstel van buitenkozijnen, buitendeuren, raampartijen, luiken en herstel of terugplaatsen van stoepen, roedenverdeling, lijstwerk en luiken;
12herstel van windveren, schoorstenen, kapellen en loodaansluitingen;
13het nemen van maatregelen tegen overlast van vogels;
14inboeten, herstel van gedeelten van muurwerk en voegen of pleisteren van gevels;
15op kleine schaal vervangen of inboeten van natuursteen;
16behandelen van muur- of houtwerk ter regulering van de vochthuishouding, dan wel ter bestrijding van zwamaantasting of houtaantasters;
17herstel van gedeelten van dragende constructies zoals ankerbalkgebinten, schoren en platen, balkkoppen en spantbenen;
18herstel van historisch waardevolle ramen onder de verplichting van het aanbrengen van beschermende beglazing voor historisch waardevol glas;
19het aanbrengen van beschermende beglazing onder de verplichting eventueel beschadigde historisch waardevolle ramen te herstellen;
20vervangen en herstel van overige bouwelementen van grote zeldzaamheid of met grote historische waarde;
21het plaatsen van achterzetbeglazing in samenhang met herstel van historisch waardevolle ramen;
22het gangbaar houden van historische krachtwerktuigen en machines;
23het opstellen van een instandhoudingsuitvoeringsplan.
24kosten verbonden aan de uitvoering van instandhoudingswerkzaamheden:
•de aanneemsom, danwel de materiaalkosten indien het werk volledig in zelfwerkzaamheid wordt uitgevoerd;
•de kosten voor het opstellen van een gespecificeerde werkomschrijving c.q. bestek;
•de kosten van de architect en van de constructeur;
•de verschuldigde omzetbelasting, voor zover deze niet kan worden verrekend;
•eventueel noodzakelijk meerwerk, voor zover direct na constatering schriftelijk gemeld en door het college goedgekeurd;
•kosten van de Construction All Risk-verzekering.
PARAGRAAF 2 Wijze van uitvoering van instandhoudingswerkzaamheden
Artikel 2 Algemeen
1Alle te vervangen onderdelen of constructies dienen overeenkomstig de historisch juiste vormgeving en detaillering te worden uitgevoerd;
2Alle te vervangen onderdelen of constructies dienen met behulp van historische juiste materialen en technieken te worden uitgevoerd;
3Toe te voegen elementen ten behoeve van geriefs- of functieverbetering dienen op een zodanige wijze te worden ingepast dat dit geen consequenties heeft voor de historische vormgeving en detaillering zoals bijvoorbeeld isolatie ten behoeve van warmte en geluid, beschermende beglazing, ventilatie etc.;
4Alle bij de voorbereiding, planvorming, uitvoering en controle van instandhoudingswerkzaamheden betrokken partijen zoals de eigenaar, architecten, opzichters, aannemers, uitvoerders, onderaannemers dienen, voordat met de werkzaamheden een aanvang wordt gemaakt, van deze nadere regels door de aanvrager van de subsidie op de hoogte te worden gebracht. De aanvrager dient dit desgewenst schriftelijk te kunnen aantonen.
Artikel 3 Metselwerk, voegwerk en pleisterwerk
1Het inboeten van het metselwerk dient met bijpassende stenen te geschieden, lettend op kleur, hardheid en afmeting. Inboetwerk dient in het bestaande metselverband te worden uitgevoerd;
2Nieuw voegwerk dient qua samenstelling, eigenschappen, kleur en uitvoering overeen te komen met het historisch juiste voegwerk;
3Het voegwerk dient tot ten minste 30 centimeter beneden het maaiveld te worden nagezien en indien nodig hersteld of vernieuwd;
4De voegen dienen in verband met een goede hechting van de voegspecie zodanig te worden uitgehakt dat de voeg voldoende massa heeft. Als richtlijn kan worden aangehouden een verhouding van voegdikte staat tot voegdiepte als één staat tot twee; Het uithakken van voegen dient uitsluitend met de hand of, indien pneumatisch, met een fijne beitel te geschieden. Het uitslijpen van de voegen is in verband met mogelijke beschadiging van de steen slechts toegestaan met gebruikmaking van een zo klein mogelijke slijptol, voorzien van een afzuiging;
5Bij uithakken van bestaand voegwerk mogen smalle stootvoegen niet worden verbreed; het zogenaamd ophakken van stootvoegen is niet toegestaan.
6Voorafgaand aan het uithakken en opnieuw voegen dient een proefstuk te worden beoordeeld door een door het college aangewezen medewerker van de gemeente. Dit proefstuk: - dient op een onopvallende plaats te zitten, bijvoorbeeld hoog op de gevel; - wordt beoordeeld op zowel het uithakken als het voegen; - het proefstuk dient te worden uitgehakt en gevoegd door diegenen die het gehele werk zullen gaan uithakken en voegen;
7Nieuw pleisterwerk dient qua samenstelling, eigenschappen, kleur en uitvoering overeen te komen met het historisch juiste pleisterwerk;
8Het pleisterwerk tot ten minste 30 centimeter beneden het maaiveld te worden nagezien en indien nodig hersteld of vernieuwd;
9De samenstelling van het pleisterwerk dient aan de hardheid van de onderliggende steen te zijn aangepast;
10Het toepassen en aanbrengen van gevelafwerking die niet aanwezig is in de bestaande situatie is niet toegestaan, tenzij dit in het inspectierapport van de Monumentenwacht Overijssel/Flevoland wordt geadviseerd en door het college is geaccordeerd;
11Bestaand metselwerk dient behouden te blijven. Metselwerk mag pas worden vervangen indien en in zoverre dit in het inspectierapport van de Monumentenwacht Overijssel/Flevoland wordt geadviseerd en door het college is geaccordeerd;
12Nieuw metselwerk dient qua samenstelling, eigenschappen, hardheid, kleur en textuur aansluiten op het bestaande metselwerk. De metselmortel moet aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van de bestaande mortel.
13Gevelreiniging is niet toegestaan, tenzij dit in het inspectierapport van de Monumentenwacht Overijssel/Flevoland wordt geadviseerd. Onder gevelreiniging wordt onder meer verstaan: stralen met grit, zand en water en het reinigen met behulp van chemische middelen;
14Het hydrofoberen en impregneren van gevels is niet toegestaan, tenzij in het inspectierapport van de Monumentenwacht Overijssel/Flevoland wordt geadviseerd;
15Het toepassen van steenverstevigers is niet toegestaan;
Artikel 4 Timmerwerk
1De te vervangen houten onderdelen moeten op historisch verantwoorde wijze worden uitgevoerd, waarbij de bestaande detaillering en vormgeving, indien historisch juist, als uitgangspunt dient.
2De te vervangen houten onderdelen moeten dezelfde zwaarte en profilering krijgen als de bestaande. De vervangen houten onderdelen dienen ter controle te worden bewaard tot de subsidie is vastgesteld;
3Het houtwerk dat in aanraking komt met metselwerk dient tweemaal in lijvige menie of grondverf te worden gezet;
4De toe te passen houtsoorten dienen overeenkomstig het bestaande werk te zijn;
5Toepassing van multiplex, kunststof, kunststof-verlijmde vezelplaten en hiermee vergelijkbare plaatmaterialen ten behoeve van herstel van dakgoten, windveren, dekplanken, gevel en dakbeschietingen is niet toegestaan;
6Staalconstructies of stalenhulpconstructies mogen niet worden toegepast ter vervanging van houten constructies of constructiedelen, tenzij dit in het inspectierapport van de Monumentenwacht Overijssel/Flevoland wordt geadviseerd en door het college geaccordeerd.
Artikel 5 Schilderwerk
1Nieuw schilderwerk dient qua systeem, kleur en uitvoering overeen te komen met het historisch juiste schilderwerk;
2Het verwijderen van oude verflagen mag niet door middel van afbranden geschieden. Het verwijderen van oude verflagen door middel van hete lucht (föhnen) is wel toegestaan;
3Het schilderen van pleisterwerk of natuursteen dient uitsluitend met een glad opdrogende verf te geschieden. In verband met de waterhuishouding in de constructie dient het verfsysteem aan het over te schilderen type pleisterwerk of natuursteen te worden aangepast;
4Het afkitten van naden en kieren in kozijnen, ramen, deuren en timmerwerk in de buitengevel dienen te worden opgevuld en strak te worden afgewerkt met een 2-componenten vulmiddel. Naden tussen kozijnen en metselwerk of tussen kozijnen en natuursteen mogen niet worden afgedicht met behulp van 2-componenten vulmiddel, PUR-schuim of kit, dit dient bij grote naden te geschieden met voegmortel die overeenkomt met het overige voegwerk. Kleine naden dienen open te blijven;
5Het schilderen van een baksteengevel is in principe niet toegestaan, tenzij dit in het inspectierapport van de Monumentenwacht Overijssel/Flevoland wordt geadviseerd en door het college is geaccordeerd.
6Het is niet toegestaan schilderwerk uit te voeren in de periode eind oktober tot eind maart, dit in verband met de overwegend heersende klimatologische omstandigheden. In deze periode mag het houtwerk wel in de grondverf worden gezet;
Artikel 6 Zink-, koper- en loodwerk
1Het toe te passen zink is minimaal 1,1 millimeter (STZ 16) en koper minimaal 0,8 millimeter. Het zink in de bakgoten dient, indien nodig in verband met de lengte, van een broek of rekstuk te worden voorzien. Het lood moet volgens de richtlijnen van de Stichting Informatie Bewerkt Lood worden aangebracht;
2Het zink in de kilgoten dient in meterstukken, aan de bovenzijde vernageld en aan de zijkanten voorzien van een felsnaad te worden uitgevoerd;
3Nieuw zink mag niet aan oud zink worden gesoldeerd;
4De hemelwaterafvoeren in zink dienen in de dikte 0,8 millimeter (STZ 14), met opgesoldeerde wrongen, opgehangen aan beugels en vrij van de muur te worden uitgevoerd;
5Tapeinden van zinken, koperen en loden goten dienen 100 millimeter langer dan de dikte van het totale houtpakket van de bakgoot ter plaatse te zijn;
6De hemelwaterafvoeren dienen in zink, koper of lood te worden uitgevoerd. Waar nodig is de toepassing van gietijzeren of gietstalen ondereinden toegestaan;
7Toepassing van PVC is niet toegestaan, met uitzondering van ondergrondse aansluitingen op het riool;
8Sprongen of verzetten in hemelwaterafvoeren dienen door middel van gesoldeerde valse verstekken te worden geformuleerd. Gebogen standaard hulpstukken mogen niet worden toegepast;
9Koperen goten dienen volgens de hiervoor geldende richtlijnen te worden uitgevoerd, zie hiertoe het info-blad "Koperen goten" van de Monumentenwacht;
10Het loodwerk dient in minimaal 20 kg/ m2, uitsluitend met koper vernageld te worden uitgevoerd. Het gebruik van gegalvaniseerde nagels is niet toegestaan;
11Het loodwerk dient ter plaatse van muuraansluitingen door middel van loodproppen in drie centimeter diep uitgehakte voegen, te worden vastgezet en daarna te worden afgevoegd;
12Alle aansluitingen op schoorstenen e.d. dienen door middel van muurlood en loketten te worden uitgevoerd in lood zwaar 20 kg/ m2 (Nederlands HandelsLood 20) en met loodproppen in drie centimeter diep uitgehakte voegen vastgezet en daarna te worden afgevoegd;
13Het lood op hoekkepers en nokken dient in minimaal 25 kg/ m2 (Nederlands HandelsLood 25), in meterstukken gefelst en uitsluitend met koper vernageld te worden uitgevoerd. Op iedere felsnaad dient een klang ter bevestiging te worden aangebracht. Ieder stuk lood dient slechts in het midden te worden vernageld met koperen nagels. Eventueel zichtbare koperen nagels dienen met trotseerloodjes te worden afgedekt;
14Bevestiging van 'lood- en zinkbekleding dient zodanig te geschieden dat het materiaal volledig vrij kan werken;
15Bij vervanging van goten en hemelwaterafvoeren moet hetzelfde of historisch juiste materiaal worden toegepast als aangetroffen is, met uitzondering van kunststof dat bij vervanging niet is toegestaan. Indien er sprake is van koperen goten en afvoeren die uitstromen in zinken goten en afvoeren, is het, vanwege het zogeheten thermisch koppel, toegestaan om - na overleg hieromtrent met de gemeente - hiervan af te wijken.
Artikel 7 Dakpannendakbedekking
1Bij het afnemen van de pannen dienen deze gesorteerd te worden en de bruikbare exemplaren, dat wil zeggen pannen waarvan de levensverwachting 15 jaar of langer is, te worden hergebruikt.
2Bij inboeten, geheel of gedeeltelijk vernieuwen van panbedekking moeten nieuw aan te brengen pannen qua vorm, type en kleur overeenkomen met de oorspronkelijke, historisch juiste pannen;
3Bij het indekken van het dak dienen de bestaande pannen en de nieuwe pannen in aparte vlakken te worden gelegd.
4Indien mogelijk dient het voordakvlak met oude pannen te worden gedekt.
5Het dak dient met keramische dakpannen te worden gelegd. Betonpannen zijn niet toegestaan. De toepassing van oud-Hollandse pannen dient in samenhang met DRAKA ventifolie te geschieden. De folie dient bij dakdoorbrekingen en opgaand muurwerk voldoende te worden opgezet. Bij voorkeur dienen oude pannen in plaats van nieuw gebakken pannen te worden toegepast;
6Alle aan te brengen keramische dakpannen dienen met de bij de pansoort behorende hulpstukken te worden toegepast;
7De nok- en hoekkepervorsten dienen met behulp van een gewapende kalkspecie te worden aangebracht. De mortel kan, indien nodig, iets worden bijgekleurd;
8De eventueel toe te passen panhaken dienen in roestvast staal te zijn uitgevoerd.
Artikel 8 Leien dakbedekking
1Bij inboeten, gedeeltelijk vernieuwen of geheel vernieuwen van leibedekking dienen de nieuw aan te brengen leien qua vorm, afmeting, kleur en wijze van dekken overeen te komen met de historisch juiste leibedekking;
2De leien mogen uitsluitend met koper worden vernageld of met roestvrij stalen leihaken (type 316) bevestigd;
3De levering van leien dient te geschieden onder overlegging van een bewijs van herkomst en garantie voor kwaliteit en dikte, af te geven door de groeve, waarbij de te verwachten levensduur van een natuurlei ten minste 80 jaar dient te zijn;
4De toe te passen leien moeten vrij zijn van breuk, insluitingen, schadelijke verbindingen zoals kalk, ijzer, zwavel alsook van bitumineuze verbindingen;
5De ladder- en klimhaken dienen in roestvast staal of zogenaamd "monumentenbrons" te zijn uitgevoerd;
6De ladder- en klimhaken mogen nooit alleen op het dakbeschot worden bevestigd, maar steeds op de sporen van de dakconstructie of op een extra rib tussen twee gordingen of met behulp van een hechthoutplaat van 18 millimeter, 30 x 30 centimeter, die aan de binnenzijde van het dakbeschot wordt aangebracht;
7Over de plaats, materiaal en de wijze van bevestiging van ladder- en klimhaken en eventueel toe te voegen inspectieluiken dient vooraf overleg te worden plegen met de Monumentenwacht Overijssel/Flevoland;
8Kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien zijn niet toegestaan;
9Bij partieel herstel dient de bestaande leidekkingswijze te worden aangehouden. Bij gehele vernieuwing dient de oorspronkelijke, historisch juiste, leidekkingswijze te worden aangehouden.
Artikel 9 Rieten dakbedekking
1Het nieuw aan te brengen riet dient dun éénjarig riet te zijn met frisgele kleur en een sterke harde dikwandige stengel, behoudens een zeer dunne spreilaag van wat dikker en langer riet;
2Er dient inlands riet te worden toegepast, voorzien van certificaat van herkomst. Zogenaamd dullenriet is niet toegestaan. Het heeft een te korte levensduur;
3Het riet dient 140 centimeter tot maximaal 180 centimeter lang te zijn, het mag niet op maat gesneden worden zodat de pluimen of het uitgegroeide boveneinde er af gaan, behoudens aanpassing bij de nokafwerking en aansluitingen;
4Dakvlakken korter dan 7 meter dienen onder 25 centimeter en boven 22 centimeter dik te zijn. Dakvlakken langer dan 7 meter respectievelijk 28 centimeter en 25 centimeter. Bij dakhellingen minder dan 45o komt er per graad ongeveer 1 centimeter dikte bij;
5Er dient gedekt te worden met een zo groot mogelijke slijtlaag, circa 9 tot 10 centimeter en een korte gelijkmatige stoppel. Deze factoren zijn naast dekhelling en situering medebepalend voor de levensduur van het riet;
6Bij het dekken van het riet bij voorkeur spandraad nr. 6 gebruiken in roestvaststaal of dubbel gegalvaniseerd en binddraad nr. 18 in roestvaststaal. Gegalvaniseerd draad is hiervoor niet toegestaan, omdat dit op den duur doorroest;
7Te vernieuwen deklatten mogen nooit geniet, maar slechts geschroefd of gespij-kerd worden. Bij voorkeur draadnagels met dunne schacht en 80 millimeter lengte. Voorzover er herstelwerk plaatsvindt aan de dakconstructie, dient aangepast te worden op de aanwezige constructie. Dus bezaagde eiken sporen aanhelenmeteiken, rondhoutsporen met rondhout, inclusief de kenmerkende traditionelehoutverbindingen.
Artikel 10 Natuursteen
1Het toe te passen natuursteen dient op ambachtelijke wijze door middel van hakken, frijnen en dergelijke te zijn verwerkt;
2De te vervangen natuurstenen onderdelen of constructies dienen overeenkomstig de, historisch juiste detaillering te worden uitgevoerd. Vervangen onderdelen dienen ter controle te worden bewaard tot de subsidie is vastgesteld;
3Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet mogelijk is. Ernstige aangetaste natuurstenen elementen waarvan het materiaalverlies door verwering meer dan 10% is ten opzichte van het volume van het oorspronkelijke element, mogen vervangen worden door een kopie van dezelfde steensoort. Voor ornamenten kan, indien de expressie volledig verloren is gegaan, het element vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort;
4Reparatie van natuursteen dient bij voorkeur met minerale mortel te geschieden;
5Het reinigen van natuursteen is niet toegestaan;
6Het impregneren en toepassen van steenverstevigers ten behoeve van gevels, gevelelementen en ornamenten is niet toegestaan.
Artikel 11 Kozijnen, ramen en deuren
1Indien in het verleden vensters en deurpartijen zijn vervangen in een materiaal dat historisch gezien niet toegepast had mogen worden, dienen deze bij een vernieuwing te worden vervangen door een historisch verantwoord materiaal en detaillering;
2Kozijnen, ramen en deuren van kunststof zijn niet toegestaan;
3Indien vensters, kozijnen en deurpartijen qua materiaal, constructie en detaillering historische waarde hebben, moeten deze worden hersteld met inachtneming van materiaal, constructie en detaillering;
4Stalen vensters, kozijnen en deurpartijen mogen alleen worden vervangen als herstel niet mogelijk is. In geval van herstel of vervanging van stalen elementen, zijn bouwtechnische verbetering toegestaan, mits het oorspronkelijk uiterlijk gehandhaafd blijft.
Artikel 12 Diversen
1Het glaswerk dient in enkel glas in stopverf gezet, zonder gebruikmaking van glaslatten, te worden uitgevoerd. Glaslatten mogen slechts worden toegepast in situaties waar dit historisch juist is;
2Bij onderhoud of herstel van smeedijzeren onderdelen zoals tuinhekken, gevelankers en ander siersmeedwerk, dient al het ijzerwerk volledig van oude verflagen en roest te worden ontdaan;
3Bij het demonteren van smeedijzeren tuinhekken moeten de hoofdstaanders in de voetmuur blijven staan. Afslijpen en later weer aanlassen van deze hoofdstaanders is niet toegestaan;
4Het hang- en sluitwerk van ramen, deuren en luiken dient zoveel mogelijk overeenkomstig bestaande, oorspronkelijke modellen te worden uitgevoerd;
5Nieuw of te vervangen onderdelen van historische stoepen, trappen, leuningen, poortjes, beelden, hekken e.d. dienen eenzelfde afwerking en detaillering te krijgen als de oorspronkelijke onderdelen. Nagemaakte historische onderdelen zijn alleen toegestaan indien de oorspronkelijke vormgeving exact bekend is;
6Eventuele zonwering en rolluiken moeten qua materiaal, vorm, afmeting en kleur worden afgestemd op het monument en zijn omgeving;
7Eventuele isolatie zoals tochtdichtingsvoorzieningen en isolatiesystemen is niet toegestaan indien deze visueel zichtbaar is;
8Ten behoeve van nieuwe schoorstenen, rookgas- en ventilatiekanalen mogen geen monumentale waarden worden aangetast;
9Bestrijding van houtaantasters dient met de daarvoor geëigende middelen te worden gedaan conform de daarvoor geldende NEN-normen. Alvorens tot bestrijding wordt overgegaan, moeten eerst de ruimten en de constructies goed stofvrij worden gemaakt;
10Bij toepassing van injectoren ter bestrijding van houtaantasters moet vooraf op het kapplan of op de spanttekeningen het aantal en de plaats van de injectoren worden aangegeven. Dit kapplan of eventuele tekeningen dienen vooraf ter goedkeuring aan burgemeester en wethouders worden voorgelegd.
11Het uitvoerend bedrijf moet na uitvoering van de bestrijding een garantie van ten minste vijf jaar afgegeven, dit in verband met de cyclustijd van de larven;
12Van het uitvoerend bedrijf dient te worden verlangd dat deze bij de toegang tot de behandelde ruimten of kappen een plaat bevestigt met daarop de datum van de bespuiting, het toegepaste middel, de garantietermijn en de naam van het bedrijf dat de bestrijding heeft uitgevoerd.
PARAGRAAF 3 Slotbepalingen
Artikel 13 Citeertitel
Deze nadere regels voor de instandhouding van gemeentelijke monumenten kan worden aangehaald als Nadere regels monumenten 2015.
Artikel 14 Inwerkingtreding
Deze nadere regels voor de instandhouding van gemeentelijke monumenten treden op 1 juli 2015 in werking.