1 Algemeen
1.1. Begrippen
1In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
a.wet: de Participatiewet;
b.bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35 van de wet die verstrekt wordt voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag en het vermogen anders dan het vrij te laten vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm;
c.voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet waarop de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin aanspraak kan maken dan wel een beroep kan doen ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.
2De begripsbepalingen van de wet en de overige in de wet opgenomen en daaruit voortvloeiende bepalingen zijn bij de toepassing van deze beleidsregels onverkort van toepassing
1.2. Aanvraag en aanspraak
1Bijzondere bijstand wordt op aanvraag verstrekt.
2De aanvraag moet voorafgaand aan de gemaakte kosten zijn ingediend.
3Van het bepaalde in voorgaand lid kan worden afgeweken indien:
a.de aanvrager de aanvraag redelijkerwijs niet vooraf heeft kunnen indienen;
b.er bijzondere omstandigheden of dringende redenen zijn om voor al gemaakte kosten bijstand te verlenen.
4Bij toepassing van voorgaand lid is verstrekking van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht mogelijk tot maximaal 3 maanden voor de indiening van de aanvraag.
5Als de aanvrager voor een verstrekking van bijzondere bijstand eigenaar is van een woning, niet zijnde het hoofdverblijf, waaraan een in aanmerking te nemen vermogen is verbonden, wordt de bijzondere bijstand verleend voorzover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Dit moet worden aangetoond door een brief van een hypotheekverstrekker of verstrekker van leningen waarin wordt verklaard dat er geen hypotheek of lening kan worden gevestigd op de desbetreffende woning.
1.3. Vormen van bijzondere bijstand
1Bijzondere bijstand wordt, tenzij dat in deze beleidsregels anders is bepaald, om niet verstrekt.
2Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een geldlening overeenkomstig het bepaalde in artikel 51 van de wet.
1.4. Draagkracht
1Onder draagkracht wordt verstaan het deel van het inkomen en vermogen dat bestemd kan worden voor de betaling van de bijzondere kosten.
2De vaststelling van de draagkracht vindt plaats met inachtneming van de volgende punten:
a.het vermogen van de aanvrager wordt bij de vaststelling van draagkracht meegenomen voor zover dit hoger is dan het vrij te laten vermogen conform de wet;
b.een eigen woning wordt niet meegeteld als vermogen. Onder eigen woning wordt verstaan: de woning waarvan de aanvrager, diens fiscale partner, of beiden eigenaar zijn en als hoofdverblijf van de aanvrager gebruikt wordt.
c.in geval van bezit van een eigen woning geldt dat er draagkracht is in verband met de woning als de maandelijkse hypotheeklasten lager zijn dan het laagste bedrag van de normhuur in de Wet op de Huurtoeslag. De normhuur is een deel van de huur dat een huurder altijd zelf moet betalen omdat daarvoor geen huurtoeslag wordt verstrekt. Het verschil tussen de normhuur en de (lagere) hypotheeklasten wordt in dat geval als inkomen aangemerkt.
d.het inkomen voor zover dit hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm conform artikel 5, sub c van de wet, inclusief vakantietoeslag;
e.een eventueel verstrekte individuele inkomenstoeslag wordt niet meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht;
f.inkomsten in verband met een re-integratietraject als premies, inkomstenvrijlating, onkostenvergoeding vrijwilligerswerk worden niet meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht;
g.voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd wordt inkomen uit pensioen vrijgelaten tot het bedrag dat genoemd wordt in artikel 33, lid 5 van de wet;
h.als de kosten het gevolg zijn ernstig van verwijtbaar gedrag kan de gemeente besluiten het vermogen, de individuele inkomenstoeslag, het inkomen boven de bijstandsnorm en of het inkomen in verband met re-integratie wel mee te nemen bij het berekenen van de draagkracht.
3Voor een belanghebbende vanaf de pensioengerechtigde leeftijd wordt de draagkrachtperiode voor periodieke en incidentele bijzondere bijstand in beginsel voor drie jaar vastgesteld, beginnend op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere kosten zijn/worden gemaakt. Bij een nieuwe verstrekking in de vastgestelde draagkrachtperiode kan de laatst bepaalde draagkracht worden gehanteerd.
4In tegenstelling tot het bepaalde in voorgaand lid, wordt voor alle overige belanghebbenden de draagkrachtperiode voor periodieke en incidentele bijzondere bijstand vastgesteld voor 1 jaar , ingaande de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, dan wel de eerste dag van de maand waarin de bijstandsverlening ingaat, vastgesteld en dient de aanwezige draagkracht naar evenredigheid van de periode waarover bijstand wordt verstrekt te worden verrekend
5Als er met terugwerkende kracht bijzondere bijstand wordt aangevraagd gaat de draagkracht in op de eerste van de maand waarin de kosten zijn gemaakt (dus ook met terugwerkende kracht).
6De draagkracht wordt vastgesteld op 35% van de overschrijding boven het vrij te laten vermogen, c.q. op 35 % van de overschrijding boven de 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald.
1.5. Drempelbedrag
Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt géén drempelbedrag toegepast.
1.6. Uitbetaling van de bijstand
1Bijzondere bijstand wordt uitbetaald na overleg van een nota, c.q. betalingsbewijs
2Op verzoek van de klant of als aanvullende voorwaarde kan de bijstand aan derden worden uitbetaald.
3Periodieke bijzondere bijstand wordt maandelijks uitbetaald.
2 Kosten levensonderhoud
2.1. Jongeren 18 tot 21 jaar
1Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van jongeren van 18 tot 21 jaar kan worden verleend mits en voorzover:
a) deze kosten uitgaan boven de bijstandsnorm;
b) het onderhoudsrecht tegenover ouders niet te gelde kan worden gemaakt.
2De jongere bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval geacht het onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te gelde te kunnen maken als:
a) de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn;
b) de ouder(s) is / zijn overleden of in het buitenland woont / wonen;
c) de jongere in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening buiten het gezin is geplaatst;
d) de jongere op de ingangsdatum van de bijstandverlening 12 maanden of langer zelfstandig woont;
e) er sprake is van een acute crisissituatie. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie.
3De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de individuele omstandigheden. Het totale inkomen mag daarbij de bijstandsnorm, die geldt als de 18 tot 21 jarige(n) de leeftijd van 21 jaar zouden hebben, niet overschrijden.
2.2. Overbruggingsuitkering
1Bijzondere bijstand kan worden verleend voor noodzakelijke bestaanskosten ter overbrugging naar de eerstvolgende uitbetaling van een periodieke uitkering of van het loon.
2De in lid 1 bedoelde bijzondere bijstand wordt slechts verleend indien:
a) de overbruggingsproblematiek niet volledig kan worden opgelost door middel van versnelde uitbetaling van de periodieke uitkering of het loon;
b) de overbruggingsproblematiek redelijkerwijs niet viel te overzien.
3De in lid 1 bedoelde bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van leenbijstand en verstrekt in de vorm van een eenmalige betaling van de in de overbruggingsperiode werkelijk te betalen noodzakelijke bestaanskosten.
4De te overbruggen periode betreft maximaal één maand.
5De hoogte van de in lid 1 bedoelde bijzondere bijstand bedraagt, onder aftrek van alle eventueel aanwezige middelen, maximaal 90 % van de hoogte van de algemene bijstand, bedoeld in artikel 19, tweede lid van de wet.
2.3. Woonkostentoeslag
1Bijzondere bijstand kan worden verleend in de vorm van een woonkostentoeslag voor aan wonen verbonden noodzakelijke lasten.
2Woonkostentoeslag wordt slechts verleend indien het inkomen niet hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het draagkrachtpercentage bedraagt 100% van de overschrijding boven de bijstandsnorm.
3Tot de aan wonen verbonden noodzakelijke lasten worden gerekend:
a) de rekenhuur als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;
b) de woonlasten in verband met eigen woning.
4Tot de in voorgaand lid bedoelde woonlasten in verband met eigen woning worden gerekend:
a) de hypotheekrente na aftrek van belastingvoordeel;
b) premie opstalverzekering;
c) eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting, voor zover geen recht op kwijtschelding;
d) erfpachtcanon;
e) onderhoudskosten woning conform Divosa richtlijn.
5Woonkostentoeslag in geval van bewoning van een woning in eigendom wordt slechts verleend indien:
a) de noodzakelijke woonlasten onder de huurgrens blijven; óf
b) bij woonlasten boven de huurgrens geen goedkoper alternatief aanwezig is gedurende een overbruggingsperiode naar goedkopere huisvesting.
6De in het voorgaande lid bedoelde overbruggingsperiode is maximaal 12 maanden.
7Woonkostentoeslag wordt in geval van bewoning van een huurwoning slechts verleend voorzover:
a) de rekenhuur van de woning uitgaat boven de huurgrens als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag;
b) er sprake is van noodzakelijke woonlasten voortkomend uit bijzondere omstandigheden.
8De in het voorgaande lid bedoelde woonkostentoeslag wordt eenmalig en onder voorwaarde van een verhuisplicht verleend voor een periode van maximaal 6 maanden, met mogelijkheid tot verlenging met nog een termijn van 6 maanden.
9Woonkostentoeslag kan in geval van bewoning door een gehandicapte in een vanwege de handicap anders dan middels algemeen gebruikelijke voorzieningen aangepaste huurwoning, zonder oplegging van een verhuisplicht, worden verleend voorzover:
a) de rekenhuur van de woning uitgaat boven de huurgrens als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, of
b) het na aftrek van huurtoeslag zelf te betalen deel in de huur de basishuur als bedoeld in artikel 16 in de Wet op de huurtoeslag, te boven gaat.
4 Overige kosten
4.1. Babyuitzet
1Kosten van een babyuitzet komen slechts in aanmerking voor vergoeding in het kader van bijzondere bijstand ingeval aantoonbaar geen reserveringsmogelijkheid aanwezig is.
2De hoogte van de bijstand bedraagt maximaal 50% van de bedragen in de prijzengids van het NIBUD.
3De aanvraag voor bijzondere bijstand wordt niet voor de vijfde maand van de zwangerschap afgehandeld. Een verklaring van een arts of verloskundige over de verwachte geboortedatum dient bij de aanvraag te worden overlegd.
4.2. Reiskosten
1Bij vergoeding van reiskosten in verband met bezoek aan gezins,- of familieleden of pleegkinderen die elders verpleegd of verzorgd worden, dan wel in bewaring zijn gesteld of zijn gedetineerd, bedraagt de hoogte van de vergoeding maximaal de kosten van openbaar vervoer.
2Indien voor de in het voorgaande lid bedoelde reizen het vervoer per auto noodzakelijk dan wel goedkoper is, bedraagt de maximale vergoeding € 0,19 per kilometer.
3Het aantal voor vergoeding in aanmerking komende reizen bedraagt bij verpleging of verzorging:
. Gezinsleden of pleegkinderen : 1 x per dag
. Familie in de eerste graad : 1 x per week
. Familie in de tweede graad : 1 x per twee weken
4Het aantal voor vergoeding in aanmerking komende reizen bedraagt bij detentie en in bewaring stelling:
. Gezinsleden of pleegkinderen : 1x per twee weken
. Familie in de eerste graad : 1x per vier weken
. Familie in de tweede graad : 1x per zes weken.
5Bij vergoeding van reiskosten in verband met medisch onderzoek of - behandeling binnen Nederland bedraagt de hoogte van de vergoeding maximaal de kosten van openbaar vervoer met dien verstande dat per enkele reis en per bezoek de eerste 20 kilometer van de enkele reisafstand altijd voor eigen rekening zijn.
6Indien voor de in het voorgaande lid bedoelde reizen het vervoer per auto noodzakelijk dan wel goedkoper is, bedraagt de maximale vergoeding € 0,19 per kilometer.
7Reiskosten van minderjarige kinderen die voortgezet onderwijs volgen buiten de gemeente kunnen voor vergoeding in aanmerking komen voorzover de aanvrager geen gebruik kan maken van het leerlingenvervoer en de opleiding niet in de gemeente Noordoostpolder kan worden gevolgd.
4.3. Duurzame gebruiksgoederen
4.3.1 Woninginrichting
1Bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt verleend in de vorm van leenbijstand.
2De hoogte van de in het eerste lid bedoelde bijstand bedraagt maximaal 70% van de NIBUD-prijzen woninginrichting.
4.3.2 Witgoed
1Bijzondere bijstand kan worden verleend voor vervanging van een niet functionerend huishoudelijk apparaat mits:
a.het inkomen van de aanvrager voor de duur van 24 maanden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag om bijzondere bijstand gemiddeld niet hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm;
b.het te vervangen apparaat niet meer gerepareerd kan worden of de reparatie niet zinvol is gelet op de kosten en levensduur van het apparaat;
c.het te vervangen apparaat ouder is dan in lid twee genoemde levensduur;
d.er voor de duur van 48 maanden voorafgaand aan de aanvraag om bijzondere bijstand geen verstrekking is ontvangen voor woninginrichting
2Fornuis of kooktoestel:
15jaar
Koelkast:
8jaar
Koel-vriescombinatie:
10jaar
Wasmachine:
6jaar
3De in het eerste lid bedoelde bijstand wordt verleend in natura nadat een door de gemeente aangewezen firma heeft vastgesteld dat het apparaat niet meer te repareren is of reparatie niet meer zinvol is.
4Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor voorrijkosten en of kosten van een reparatie.
Artikel 4.4. Rechtsbijstand
1De kosten voor rechtsbijstand komen slechts voor vergoeding in het kader van bijzonder bijstand in aanmerking indien de aanvraag voor vergoeding vergezeld gaat met een diagnosedocument van het Juridisch Loket.
2Een aanvraag voor vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt niet eerder in behandeling genomen dan na overlegging van het in het eerste lid genoemde diagnosedocument, tenzij dringende omstandigheden nopen tot afhandeling van de aanvraag.
TOELICHTING
Toelichting algemeen
1Recht op bijzondere bijstand
Het recht op bijzondere bijstand hangt af van de omstandigheden in het individuele geval en kan dan ook slechts van geval tot geval worden beoordeeld. Het kan hierbij om zeer diverse kostensoorten gaan. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het recht op bijzondere bijstand dus niet naar kostensoort is begrensd. De noodzaak van de kosten moet wel vaststaan. De gemeente kan deskundigen inschakelen om de noodzaak vast te stellen.
2Voorliggende voorziening en recht op bijzondere bijstand.
Er is geen recht op bijzondere bijstand als er een toereikende voorliggende voorziening is of als de kosten als niet noodzakelijk worden aangemerkt door de voorliggende voorziening. Als de voorliggende voorziening om budgettaire redenen geen vergoeding geeft kan bijzondere bijstand wel worden verleend. Hieruit volgt dat bijzondere bijstand kan worden verstrekt als een voorziening noodzakelijk is, maar de voorliggende voorziening toch geen vergoeding geeft (bijvoorbeeld om budgettaire redenen).
3Draagkracht
Een draagkrachtpercentage van 35% houdt in dat 65% van de overschrijding wordt vrijgelaten.
4Individualisering van bijstand
Bijstand wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van de klant. Dat geldt voor algemene bijstand en voor bijzondere bijstand. Dit betekent dat in individuele gevallen in positieve en negatieve zin afgeweken kan worden van de beleidsregels. Afwijken is mogelijk na een grondig onderzoek en moet altijd door de kwaliteitsmedewerkers goedgekeurd worden.
5Eigen bijdrage ziektekosten
Als de eigen bijdrage voor bepaalde ziektekosten gezien wordt als het equivalent van de normale kosten die een ieder heeft, dan komt de desbetreffende eigen bijdrage niet in aanmerking voor vergoeding in het kader van bijzondere bijstand. In deze gevallen is sprake van een besparingsmotief voor het heffen van een eigen bijdrage. Een voorbeeld hiervan betreft de eigen bijdrage voor orthopedisch schoeisel. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat iedereen schoenen moet kopen. Het wordt daarom billijk geacht dat mensen die orthopedische schoenen nodig hebben daar een verglijkbaar bedrag in de aanschafkosten van die schoenen betalen.
Toelichting Artikelsgewijs
Artikel 2.1, lid 2 onder punt b
In dit artikel wordt geregeld dat een jongere wiens ouders in het buitenland wonen, de onderhoudsplicht jegens hen niet te gelde kan maken. Deze regel heeft geen algemene strekking maar is van toepassing op situaties waarbij het aannemelijk is dat verhaal van de aan de desbetreffende jongere verleende bijzondere bijstand op diens ouders niet mogelijk is. Die situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij jonge ex-asielzoekers.