Aanhef
De burgemeester van de gemeente Noordoostpolder;
gelet op:
-artikel 151d van de Gemeentewet;
-artikel 2:79 Algemene Plaatstelijke Verordeninge Gemeente Noordoostpolder (APV);
-Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat:
-Op 1 juli 2017 de Wet aanpak woonoverlast in werking is getreden;
-De gemeenteraad heeft besloten tot toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 151d, lid 1 van de Gemeentewet
-Het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de toepassing van artikel 151d van de Gemeentewet wat betreft de bevoegdheden bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast;
B E S L U I T
vast te stellen het volgende:
“beleidsregels Wet aanpak woonoverlast gemeente Noordoostpolder” betreffende het gebruik van de bevoegdheid op grond van artikel 2:79 Algemene plaatselijke verordening (verder te noemen: APV) om toepassing te geven aan de in artikel 151d van de Gemeentewet bedoelde bevoegdheid.
BELEIDSREGELS WET AANPAK WOONOVERLAST GEMEENTE NOORDOOSTPOLDER
Hoofdstuk 2 Juridisch kader
Artikel 151d Gemeentewet
1De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van wat daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.
3Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.
Artikel 2:79 APV
1Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruikgeeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratiepersonen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning ofdat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijkehinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid inieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
a.geluid- of geurhinder;
b.hinder van dieren;
c.hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
d.overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
e.intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.