Gemeentelijke regelgeving

VTH beleid fysieke leefomgeving 2023-2026

Gemeente Nissewaard · geldt sinds 29 december 2023

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Nissewaard, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft, hebben op 7 juli 2023 het ‘VTH beleid fysieke leefomgeving 2023-2026’ vastgesteld. Met de vaststelling van het VTH beleid is de ‘Meerjarennota toezicht en handhaving 2019 – 2022’ ingetrokken.

De wettelijke grondslag waarop het VTH beleid is gebaseerd is artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht.

Het VTH beleid treedt in werking op de dag na de kennisgeving in het gemeenteblad en het werkt terug tot 7 juli 2023.

De beslissing en het VTH beleid is bij de gemeente bekend onder het kenmerk 23.B.00232.

Het VTH beleid luidt als volgt.

VTH beleid fysieke leefomgeving 2023-2026

Gemeente Nissewaard

Juli 2023

1 Inleiding

1.3 Scope

1.1.1 Flankerend beleid

Naast dit VTH beleid, gericht op de fysieke leefomgeving kent de gemeente Nissewaard ander beleid in het fysieke en veiligheidsdomein. Daarbij is te denken aan het Integraal veiligheidsbeleid, VTH beleid, Milieu DCMR en Bibob-beleid. Dit VTH beleid fysieke leefomgeving maakt daar geen onderdeel vanuit en heeft zijn grondslag in paragraaf 7.2 van het Bor.

1.1.2 Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor de VTH-taken vloeit enerzijds voort uit landelijke wet- en regelgeving zoals de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Besluit omgevingsrecht, Omgevingswet, onderliggende Algemene maatregelen van bestuur, omgevingsregeling, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Bestemmingsplannen, maar ook uit provinciale regelgeving (Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland) en ook de gemeentelijke wet- en regelgeving is van toepassing. De grondslag voor het VTH beleid is onder de Wabo gelegen in het Besluit omgevingsrecht paragraaf 7.2. Via de Invoeringswet Omgevingswet is de huidige regelgeving over VTH beleid van de Wabo opgenomen in paragraaf 18.3.2 van de Omgevingswet.

In de verordening Kwaliteit VTH van de gemeente Nissewaard is de door de gemeenteraad het commitment en de zorg voor de kwaliteit van de VTH taken verwoord.

4 Ontwikkelingen

4.7 Overige ontwikkelingen

4.7.1 Landelijk Handhavingsstrategie Omgevingsrecht

De Landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht (LHSO) van oktober 2022 bevat een brede reikwijdte. Deze strategie is dan ook met name bij de integrale handhaving een goed handelingskader. De gemeente Nissewaard onderschrijft de LHSO en zal de implementatie ervan verkennen en waar nodig verwerken.

4.7.2 Basis registraties

De basis registraties zoals de Bag en de Bro worden vanuit de VTH-keten gevoed. Goede data kwaliteit van deze registraties wordt in belangrijke mate bepaald door de data en processen in de VTH-keten. De Omgevingswet en de Wkb hebben invloed op deze data en processen.

4.7.3 Regionale samenwerking

Samenwerken doen wij in beginsel via twee cirkels: Voorne-Putten en Rotterdam-Rijnmond. Daarbij sluiten wij aan op de schaalgrootte van enerzijds de GR Syntrophos en anderzijds op die van de VRR, DCMR en GGD. Gelet op de omgevingswet en de Wkb wordt deze samenwerkingen voor wat betreft VTH continu verbeterd. Het vastleggen, monitoren en evalueren van samenwerkingsafspraken en dienstverleningsovereenkomsten draagt bij een goede samenwerking.

4.7.4 Versterken VTH stelsel

Het rapport “Om de leefomgeving” van de Commissie Van Aartsen doet verslag van het onderzoek naar het landelijke stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving. De commissie was gevraagd welke mogelijkheden er zijn om het VTH stelsel, en daarmee milieuhandhaving, -toezicht en vergunningverlening, te versterken. Dit ziet op de uitvoering van de Basis taken door de omgevingsdiensten in Nederland. Vanuit het interbestuurlijk programma ‘versterking VTH-stelsel’ wordt invulling gegeven aan de aanbevelingen van de sommisse van Aartsen. Deze aanbevelingen hebben een primaire werking op de basis taken en vallen daarmee buiten de scope van dit VTH beleid. Tegelijk is wel de landelijke strategie handhaving Omgevingsrecht uit 2022 uit dit interbestuurlijk programma voortgekomen en heeft en plek gekregen in dit VTH- beleid.

5 Evaluatie, Analyse & Prioriteiten

5.2 Analyse

5.2.1 Omgevingsanalyse

De gemeente Nissewaard kent een groot landelijk gebied met de kernen Hekelingen, Simonshaven, Zuidland, Abbenbroek, Geervliet en Heenvliet en buurtschap Biert. Daarnaast is er het stedelijk gebied van Spijkenisse. Het gebied wordt begrensd door hoofdzakelijk water, van het Spui, Voornse kanaal, Hartelkanaal en de Oude Maas. De Bernisse doorkruist het landelijk gebied met verschillende vormen van recreatie. De gemeenten Rotterdam, Albrandswaard, Hoeksche Waard en Voorne aan Zee vormen de buurgemeenten. Nissewaard ligt in het zuidelijke centrum van de Rotterdam-Rijnmond regio.

Rond Nissewaard is met name aan de noordkant een zone met (zware) industrie. Hoewel buiten de gemeentegrens, heeft dit invloed (zoals geluid en externe veiligheid) op het aangrenzend landelijk en stedelijk grondgebied.

Het landelijke gebied kent een combinatie van de agrarische sector, lokale bedrijvigheid, wonen, sport en recreatie. Spijkenisse is een stedelijk gebied, met een combinatie van stedelijk groen, hoogbouw, woonwijken, horeca, winkelcentra en lokale bedrijven. Als groeikern heeft Spijkenisse een relatief groot aandeel van bebouwing van na 1970

In zowel de kernen als Spijkenisse is in het afgelopen decennia nieuwe bebouwing bijgekomen.

Verspreid over de gemeente zijn 189 monumenten, waarvan 96 rijksmonumenten. De historische kernen van Abbenbroek, Geervliet, Heenvliet en Zuidland zijn aangewezen als Rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht.

De (gekende) bewoningsgeschiedenis van Nissewaard gaat terug tot circa 2900 voor Christus. In de grond zijn hier verschillende sporen en resten van terug te vinden. Bij archeologische onderzoeken zijn in Nissewaard vindplaatsen uit de Steentijd, IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen teruggevonden.

Water is zowel rond als in het gebied van Nissewaard een factor van betekenis, waarbij het Waterschap Hollandse Delta als bevoegd gezag haar rol heeft.

5.2.2 Probleemanalyse

Een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is gebaat bij een goede toebedeling van functies. De huidige wetgeving van het rijk, provincie, gemeente en het waterschap geven op inhoud invulling aan deze toebedeling van functies. Zonder beoordeling in de VTH-keten van activiteiten van bewoners en bedrijven aan deze wetgeving kan de gezonde en fysieke leefomgeving in Nissewaard in gevaar komen. Hoewel ‘een ieder geacht wordt de wet te kennen’, kan onvoldoende en onjuiste informatie verstrekking door de gemeente leiden tot verkeerde interpretaties van inwoners en bedrijven. Zonder (regionale) samenwerking in de uitvoering van de VTH-taken is geen verbinding met de omgeving waarin dit plaats vindt. De uitvoering van de VTH-taken kan op gespannen voet staan met verwachtingen uit de samenleving en de juridische realiteit. De verwachtingen van inwoners en bedrijven van toezicht en handhaving kan afwijken van de uitkomst van het proces.

De huidige arbeidsmarkt heeft een krapte voor het VTH-domein. Dit terwijl zich in de jaren 2020, 2021 en 2022 een aanzienlijke toename van vergunningaanvragen heeft voorgedaan. Dit tegelijk met inzet van dezelfde medewerkers voor het invoeren van de Ow en Wkb, gelijktijdig met een Corona crisis.

Zonder de inzet van VTH worden de doelstellingen van inhoudelijk beleid niet gerealiseerd.

Handhaving op het gebied van bouwen en ruimtelijke ordening heeft in voorgaande jaren vooral reactief plaatsgevonden op basis van meldingen. Daar was dan ook slechts de capaciteit voor beschikbaar. Dit heeft een stuwmeer aan situaties opgeleverd, waarbij de feitelijke situatie afwijkt van de gewenste situatie, op basis van onderliggend inhoudelijk beleid. Deze situaties (zoals schuttingen zonder vergunning, airco’s aan de gevel, aanbouwen in zijerven, paardenbakken in buitengebied) zijn voorbeelden waar naar verwezen wordt bij de inhoudelijke behandeling van een vergunningaanvraag ‘maar daar mag het wel!?’. Ook leidt een stuwmeer aan potentiële illegale situaties tot verwijzen als wel wordt gehandhaafd op basis van een melding. ‘Als jullie bij mij handhaven, dan meld ik de 25 gevallen om mij heen ook!’. Dergelijke kwesties kunnen een aanzienlijk beslag leggen op de beperkte capaciteit. Het uitblijven van proactief handelen door de gemeente vormt dus een bedreiging voor het inhoudelijk beleid, zoals welstand, bestemmingsplan, stedenbouw. Tegelijkertijd zijn situaties denkbaar die oplosbaar zijn met een beleidswijziging. Waarom regels stellen voor zaken waar behoefte aan is, en maatschappelijke acceptatie bestaat?

Het Omgevingsplan gaat de gemeente Nissewaard ruimte geven om op basis van een integrale afweging de (lokale) vergunningplicht te verruimen, waar nu op basis van de Wabo nog geen mogelijkheid is.

5.2.3 Risico analyse

De gemeentelijke taken zijn zeer divers en omvangrijk. Het is niet mogelijk om al deze taken zonder meer uit te voeren. Daarom zullen er keuzes gemaakt moeten worden met betrekking tot de wijze waarop en met welke intensiteit de taken worden uitgevoerd. Voor het opstellen van dit VTH beleid zijn diverse VTH-taken geanalyseerd. Dit heeft geleid tot een uitwerking in niveaus voor verschillende activiteiten, zoals bouwen, slopen, monumenten, milieu, brandveilig gebruik, kappen maar ook evenementen en alcohol schenken.

Een risico analyse geeft een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. De vereenvoudiging is nodig om gestructureerd tot een gerichte weging te komen. Er zullen risico’s en situaties blijven die niet zijn meegenomen in de risico analyse. Zo nodig kan gekozen worden om op casus /onderwerp niveau een risico analyse te maken.

Voor de risicoanalyse en prioriteitenstelling voor diverse onderwerpen is een matrix opgesteld, zie bijlage 2. Daarbij zijn we aan de hand van effecten en de kans gekomen tot een risico bepaling. Hoe groter het gevolg en hoe groter de kans des te diepgaander het uitvoeringsniveau zal zijn.

Per onderdeel wordt de kans bepaald, op basis van het voorvallen in een strategie. Op grond van een risicoanalyse kan worden vastgesteld welk risico wij als gemeentebestuur bereid zijn te accepteren en wat de prioriteiten moeten zijn. De bestuurlijke prioriteit heeft in een formule voor de uitvoeringsniveaus een duidelijke plaats gekregen.

Doelstelling

De resultaten van deze risicoanalyse leveren een uitgangspunt op hoofdlijn op. Dit vormt dan het kader voor de nadere uitwerking van onderwerpen voor het toezicht en toets niveau en kan de inzet van toezicht vormen.

Beoogd resultaat

Het vaststellen van de protocollen beoogt een verantwoorde wijze van de afhandeling van vergunningaanvragen en het houden van toezicht daarop. Naast een transparante werkwijze voor onze klanten, derde-belanghebbenden en politiek bestuur, kunnen de medewerkers afgewogen en expliciete keuzes maken bij uitvoeren van hun werk.

5.2.4 Risico’s vergunningen

Onder vergunningen wordt in brede zin het begeleiden van initiatiefnemers en betrokkenen van idee naar besluit verstaan. Dit kan zijn het voorlichten over vergunningsvrije dan wel vergunningsplichtige activiteiten, procedures, beoordelingskaders, het behandelen en beoordelen van aanvragen en meldingen en ook het verlenen, buiten behandeling stellen, en weigeren van aanvragen. Deze risico’s lenen zich in minder maten dan toezicht en handhaving zaken om in een matrix te vatten en zien ook op procesmatige onderwerpen..

De volgende risico’s worden gezien ten aanzien van vergunningen;

–Vermijden contact en overleg met de gemeente;

–Onduidelijke vraagstelling en informatie verstrekking aan de gemeente;

–Geen zicht op proces van de gemeente;

–Onjuiste administraiteve verwerking door de gemeente;

–Onjuiste en onvolledige beoordeling door de gemeente;

–Lange doorlooptijd van het proces door de gemeente;

–Verschil in verwachtingen tussen de gemeente, iniatiefnemer en betrokkenen;

–Verschuiven van onderwerpen naar achterzijde van het proces;

–Onvoldoende (digitale) proces ondersteuning bij de gemeente;

–Overheidsaansprakelijkheid;

–Kwaliteit beoordelingen in relatie tot de kwaliteitscriteria 2.3.

In de vergunningen strategie worden de beheersmaatreglen bij deze risico’s nader utigewerkt.

Voorbeeld: bij een aanvraag bouw mag de de constructieve berekening uiterlijk 3 weken voor aanvang werkzaamheden (van dat onderdeel) worden ingediend. Dit heeft tot gevolg dat pas in de uitvoeringsfase deze informatie op tafel komt. Door deze gegevens, naar redelijkheid, al in de vergunningsfase te vragen en te beoordelen, heeft de bouwende partij nog gelegeheid tot het realiseren van aanpassingen uit de beoordeling en kan een relatie gelegd worden ten aanzien van bouwmethoden bouw- en omgevingsveiligheid.

5.2.5 Risico’s toezicht en handhaven

Illegaal handelen van burgers en bedrijven wordt in de hand gewerkt als de gemeente niet handhaaft. Dit heeft een negatief effect op de veiligheid en gezondheid, de leefbaarheid en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ook blijkt uit constante jurisprudentie dat de gemeente onrechtmatig handelen kan worden verweten, indien blijkt dat zij onzorgvuldig/nalatig heeft gehandeld op het gebied van toezicht en handhaving van veiligheid in de fysieke leefomgeving. De gemeente kan hierdoor aansprakelijk worden gesteld voor de geleden (letsel-)schade, hetgeen voor haar ook de nodige financiële consequenties kan hebben.

Een ander risico is dat de gemeente door niet te handhaven haar eigen beleid ondermijnt. Het niet naleven van voorschriften kan leiden tot onomkeerbare situaties met alle gevolgen van dien.

Het langdurig hanteren van toezicht op basis van klachten en meldingen creëert een stuwmeer aan potentieel illegale situaties. Bij deze situaties is de kans groot dat niet wordt voldaan aan de inhoudelijke beleidsdoelstellingen.

Wanneer toezicht en handhaving op een juiste manier wordt uitgeoefend, heeft dit een preventieve werking. Ongewenste situaties kunnen hiermee voorkomen worden. Omgekeerd geeft het uitblijven van preventief toezicht en risico op toename van ongewenste situaties (pakkans).

Toezicht op alleen geprioriteerde locaties en gevallen, brengt met zich mee dat overige locaties langdurig buiten beeld zijn.

Toezicht in de uitvoeringsfase van werkzaamheden kan nooit 100 %. Hierbij zit het risico dat bepaalde onderwerpen niet worden gecontroleerd door de gemeente.

Prioriteiten van inwoners en bedrijven kunnen afwijken van de prioriteiten in het beleid van de gemeente, in het geval van klachten en meldingen.

5.2.6 Prioriteitenanalyse

Bestuurlijke aandacht wordt in belangrijke mate bepaald door de interne en externe risico’s die de gemeente loopt. In een interactieve sessie met de raadswerpgroep Omgevingswet zijn op 11 mei 2023 de prioriteiten in beeld gebracht die de raadswerkgroep ziet bij onderwerpen.

Op basis van ervaring en de input uit de raadswerkgroep zijn vervolgens accenten aangebracht in de prioriteiten voor zowel vergunningen als toezicht en handhaving.

6 Strategie en uitvoering

6.1.1 Uitgangspunten

Voor het ten uitvoering brengen van de opvolgende keten van vergunningen, toezicht en handhaving hanteren wij de volgende vijf uitgangspunten. De uitgangspunten bepalen onze houding en verwachtingen ten aanzien de voorkomende casussen.

VTH uitgangspunten

1De primaire verantwoordelijkheid voor activiteiten in de fysieke leefomgeving ligt bij de burgers, bedrijven en instanties dan wel de partijen die namens hen optreden.

2De gemeente ziet toe of de verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen en onderneemt acties op basis van geschat risico, wettelijke voorschriften en bestuurlijke prioriteit. De bemoeienis van de gemeente beperkt zich tot een minimum afgesproken niveau.

3Altijd moet voldoende aannemelijk zijn dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan.

4De gemeente zorgt ervoor dat zij zelf voldoende kennis en een professionele organisatie op de diverse disciplines bezit, zodat de gemeente zich er altijd van vergewissen of derden voldoen aan de regelgeving. Dit vergt een basis kennisniveau.

5De gemeente heeft een vangnetfunctie voor de naleving van de wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke omgeving.

Ad 1 Verantwoordelijkheid

Door ontwikkelingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie en evaluaties na calamiteiten, wordt steeds meer een scheiding duidelijk tussen de bestuurlijke en privaatrechtelijke verantwoordelijkheid. De bestuurlijke verantwoordelijkheid richt zich meer op het beperken van risico’s en houden van toezicht hierop. Enerzijds door toetsing van vergunningen en anderzijds het toezien op de naleving van algemene regels en voorschriften uit de vergunningen. Bedrijven en burgers hebben hierin een grote verantwoordelijkheid. Dit geldt voor vergunning plichtige en melding plichtige, maar ook voor vergunning vrije activiteiten binnen de fysieke leefomgeving. Daarom worden initiatiefnemers gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid. Indien nodig worden zij op hun verantwoordelijkheid aangesproken. Bij verwijtbare overtredingen worden zij ook privaatrechtelijk aangesproken voor de gevolgen na bijvoorbeeld overtredingen en calamiteiten.

Ad 2 Risico, wettelijke voorschriften en bestuurlijke prioriteit

Een uitwerking van de wettelijke uitvoeringstaken van gemeenten is het bestuurlijk vastleggen van de wijze waarop taken worden uitgevoerd. Dit VTH beleid gaat hier verderop in dit document concreet op in.

Ad 3 Voldoende aannemelijk

Het is voor gemeenten niet mogelijk alle wettelijke aspecten integraal te toetsen en hierop toezicht te houden. Bij de taakuitoefening geldt het uitgangspunt dat altijd voldoende aannemelijk moet zijn dat aan de geldende regelgeving wordt voldaan. Het is niet de bedoeling om het werk van deskundigen (ondernemers, adviseurs, bouwers) over te doen. Afhankelijk van het risico is een keuze gemaakt in het niveau van taakuitoefening.

Ad 4 Voldoende kennis en een professionele organisatie

De uitvoering van de taken moet op een adequaat niveau gebeuren. Wat het adequate niveau is, is vastgelegd in landelijke kwaliteitscriteria, verankerd in de gemeentelijke Verordening Kwaliteit Vergunningen, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht. VTH zal inzichtelijk maken op welke wijze aan de kwaliteitscriteria is voldaan. In hoofdstuk 5 is reeds ingegaan op de kwaliteitscriteria en borging van kwaliteit.

Ad 5 Vangnetfunctie

De vangnetfunctie heeft vooral een publiekrechtelijk en geen privaatrechtelijk karakter. Ook speelt hierbij de eigen verantwoordelijkheid een rol. Als de eigen verantwoordelijkheid van een burger of bedrijf onvoldoende of niet wordt genomen, zal de gemeente zorg dragen voor het naleven van de voorschriften, vaak met als gevolg het voeren van handhaving procedures. De gemeente hanteert hierbij de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Dat wil zeggen dat burgers, bedrijven en instanties direct worden aangesproken op de geleverde kwaliteit. Communicatie met de betrokkene speelt daarbij een centrale rol. De gemeente voelt zich niet geroepen om in private kwesties via het publiekrecht te acteren . Bij de inzet van capaciteit blijft de focus op de door gemeente gestelde prioriteiten.

Ad 6 Toezicht en handhaving bij overheidsorganen

Handhaving van voorschriften bij een object van een andere overheid of van een onderdeel van de eigen organisatie is niet anders dan handhaving van voorschriften bij derden. Als er sprake is van een incident, ongewoon voorval of overtreding door de eigen organisatie, dan heeft dit echter in principe altijd prioriteit. Afhankelijk van de aard en de effecten kan er worden besloten kortere termijnen of hogere dwangsombedragen te hanteren. Ook kan er voor spoed of super spoed bestuursdwang gekozen worden. Als er matige spoed is, kan ook worden gekozen voor een last onder dwangsom met een korte termijn met het achterwege laten van de constateringsbrief. Voor meer informatie over de incidenten, ongewone voorvallen en overtredingen door de eigen organisatie wordt verwezen naar die protocollen.

6.1.2 Toepassing Wet Bibob

De Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) is een belangrijk instrument in de aanpak naar georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Bij de uitvoering van de VTH-taken wordt aan het gemeentelijk beleid getoetst of de Wet Bibob van toepassing is. Correspondentie wordt voor alle aspecten integraal, inclusief de Wet Bibob, via de procedures van de VTH-taken gevoerd.

6.1.3 Preventiestrategie

Vanuit het credo voorkomen is beter dan handhaven, zien wij het belang van goede communicatie van gemeente, burgers, bedrijven en belanghebbenden, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Wij verwachten dat voorafgaande aan de uitvoering van activiteiten georiënteerd wordt op de van toepassing zijnde regelgeving en de benodigde toestemmingen. Dit bevorderen wij met informatieverschaffing en een laagdrempelig proces om vragen te beantwoorden.

De gemeente zet in op goede informatieverstrekking, het laagdrempelig beantwoorden van eenvoudige vragen en het met een goed proces oppakken van meer complexe onderwerpen. Dit vraagt investering aan de voorzijde van alle partijen. Het goede gesprek van een toezichthouder kan herhaling van overtredingen voorkomen en heeft daarmee een preventieve werking

6.1.3.1 Voorzijde

Aan de voorzijde van initiatieven is flexibiliteit nodig om soepel tot afstemming te komen. Onderstaande schema geeft aan hoe de invloed aan de beginfase zich verhoudt tot hoge kosten en ongemak in de eindfase.

Een zorgvuldige, transparante en volledige analyse van bepalende aspecten door betrokken partijen heeft invloed op het proces en eindresultaat. Dit illustreert het belang van de gemeente en initiatiefnemers bij preventie in alle fasen van de uitvoering van de VTH-taken .

6.1.3.2 Onderlinge afstemming

Communicatie en afstemming tussen initiatiefnemers en de omgeving heeft een bijdrage aan wederzijds begrip van ontwikkelingen. De beoordeling van het initiatief aan de kaders van de gemeente komt in beginsel na deze participatie. Wij stimuleren dit onderlinge gesprek tussen de partijen voorafgaande aan vraagstelling aan de gemeente.

6.1.3.3 Oriëntatie initiatiefnemer

Burgers en bedrijven oriënteren op verschillende wijzen over de haalbaarheid van initiatieven. Het gaat daarbij om vragen als; ’heb ik een toestemming nodig? Mag dat wel? Met welke regels moet ik rekening houden?’ Deze oriëntatie kan tweedelijns zijn, via een architect, leverancier van overkappingen, een familielid of een herinnering uit het verleden. Wij zien dat wij met name invloed hebben op de eerstelijns communicatie met de gemeente in de oriëntatie fase. Dit kan via de website van de gemeente, informatie bij de provincie, waterschap, rijksoverheid, GGD, DCMR, en VRR.

De website van de gemeente zien wij als een belangrijk portaal waar een wegwijzer staat voor de oriëntatie fase. Via de website willen wij informatie verschaffen over waar nadere informatie is te krijgen (DSO), wat de processen zijn en op welke wijze en waar vragen gesteld kunnen worden.

Er zijn grenzen aan wat digitaal via vragenbomen kan worden opgepakt. Via een gesprek met de gemeente kan in veel gevallen een antwoord worden gegeven.

Wij staan open voor laagdrempelige en toegankelijke informatie verstrekking. Per telefoon zijn wij bereikbaar om vragen te beantwoorden en initiatiefnemers verder te helpen.

Informatie verstrekking en het met een toegankelijk proces beoordelen van initiatieven heeft een preventieve werking op handhavingszaken. Daarnaast kan communicatie over overtredingen ook een preventieve werking.

6.1.3.4 Initiatieven beoordelen

Voor vragen die per telefoon niet eenvoudig zijn te beantwoorden, zetten wij in op het proces van ‘verkennen en begeleiden initiatief’, naar het model van de VNG. Initiatieven die eenvoudig of complex zijn kunnen wij met dit proces snel en adequaat beoordelen. Dit laagdrempelig proces is nadrukkelijk geschikt voor zowel eenvoudige als complexe initiatieven. Ook vragen over bijvoorbeeld vergunningsplicht en haalbaarheid ervan beantwoorden wij via dit proces. Het onderscheid tussen eenvoudige en complexe initiatieven maakt dit mogelijk.

De initiatieven ontvangen wij digitaal en brengen wij naar 1 ingang en worden geprioriteerd. Complexe plannen worden nader beoordeeld op wenselijkheid op de intaketafel. De haalbaarheid wordt beoordeeld aan de multidisciplinaire omgevingstafel. Hierbij kunnen meerdere interne en externe adviseurs (waaronder ketenpartners, zoals de VRR en de DCMR) aanhaken. De adviezen kunnen met het oog op een veilige en gezonde fysieke ook mogelijke koppelkansen bevatten. De uitkomst kan zijn dat een concept vergunning moet worden aangevraagd. Het kan ook zijn dat een wenselijk initiatief niet haalbaar blijkt. Eenvoudige plannen behandelen wij schriftelijk in korte termijnen.

Wij werken continu aan de optimalisatie en verbreding van dit proces naar 1 ingang. Het behandelen van initiatieven heeft daarom een hoge prioriteit bij de inzet van capaciteit. Met de komst van de Ow en de Wkb is inzet op informatieverstrekking en kennis belangrijk. Ook onze ketenpartners werken mee aan het optimaliseren van het proces en het aan de voorzijde mee denken met initiatiefnemers. Dit bevordert de kans op goed naleef gedrag.

Wij gaan ervanuit dat aanvragen vooraf door de initiatiefnemers zijn besproken met omwonenden en/of belanghebbenden. Wij kunnen aan initiatiefnemers vragen dit nog te doen, als blijkt dat dit niet is gebeurd.

6.1.4 Vergunningenstrategie

Vergunningen voor de Wabo, Ow, APV en Bijzondere wetten hebben uitlopende inhoudelijke beoordelingskaders. De (reguliere) procedures hebben ook verschillende grondslagen. Toch zijn de volgende basis stappen van toepassing.

•Er is een aanvraag.

•De aanvraag moet voldoende gegevens bevatten voor de beoordeling ervan.

•De beoordeling vindt plaats op basis van het van toepassing zijnde beoordelingskader.

•Voor de beoordeling worden (indien nodig) interne en externe adviezen uitgebracht.

•Het besluit wordt genomen met in achtneming van de (verlengde) beslistermijn.

•Het besluit wordt toegezonden en gepubliceerd.

•Het besluit heeft rechtsgevolgen en is appellabel.

6.1.4.1 De aanvraag

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) duidt wanneer sprake is van een aanvraag. Wij hanteren de landelijke formulieren (DSO of OLO) als basis voor aanvragen omgevingsvergunning. Als dit landelijk niet beschikbaar is werken wij met een lokaal formulier dat wij beschikbaar stellen. Wij gaan ervan uit dat aanvragen vooraf door de initiatiefnemers zijn besproken met omwonenden en/of belanghebbenden. Wij vragen aanvragers om dit alsnog te doen als blijkt dat dit niet is gebeurd. Als een gemachtigde is betrokken bij de procedure , dan communiceren wij met de gemachtigde over de aanvraag. Wij gaan ervan uit dat de gemachtigde zelf over de aanvraag met de aanvrager communiceert. Wij volgen de van toepassing zijnde wettelijke procedures van de aanvraag. Indien wij niet bevoegd zijn op de aanvraag te beslissen, dan zenden de aanvraag door naar het, voorover wij weten, juiste bevoegd gezag. Het ontvangst van een aanvraag en het doorzenden ervan bevestigen wij schriftelijk aan de aanvragen dan wel de gemachtigde ervan. Ontvangen aanvragen publiceren wij overeenkomstig de wettelijke wijze.

6.1.4.2 Ontvankelijkheid

Uitgangpunt bij vergunningen is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen, conform de Mor als het een aanvraag omgevingsvergunning betreft. Indien nodig zullen wij nadere gegevens opvragen die, naar ons oordeel, nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aanvraag vormt immers de basis voor de beoordeling en het besluit. Een goede aanvraag duidt op een goed plan en verhoogde de kans op een snelle procedure en goede uitvoeringskwaliteit. Wij willen zo vroeg mogelijk volledige informatie ontvangen.

Burgers en bedrijven kunnen professionele partijen inschakelen om te helpen bij het opstellen van een goede en ontvankelijke aanvraag. Als gegevens naar oordeel van de gemeente ontbreken bij de aanvraag, dan geven wij schriftelijk gelegenheid om binnen een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen, onder opschorting van de beslistermijn. Bij het uitblijven van een volledige aanvulling kunnen wij op grond van de Awb de aanvraag buiten behadeling stellen.

6.1.4.3 Beoordeling

De beoordeling van aanvragen doen wij op basis van de gestelde kaders van het gevraagde besluit.

Wij informeren aanvragers over eventuele mogelijkheden om de aanvraag aan te passen als dat kan leiden tot een positief besluit. De boordeling van de aanvraag doen wij risicogericht. Voor beoordeling kunnen wij interne en externe adviseurs inschakelen indien dat nodig is.

Aan het risicogericht beoordelen geven wij invulling door het toets niveau van beoordelingen te bepalen.

Het toets niveau wat wij als basis hanteren per type activiteit en aanvraag is weergegeven in bijlage 2. Dit niveau voor het toetsen van aanvragen aan de van toepassing zijnde regelgeving, wordt toegepast bij de verschillende activiteiten en meldingen en aanvragen, tenzij een specifiek niveau in dit beleid of aanhangend uitvoeringsplan is opgenomen. Daarnaast kunnen niet voorziene gevallen en omstandigheden leiden tot een afwijking van dit basisniveau.

6.1.4.4 Besluit

Wij nemen een besluit op een ontvankelijke aanvraag. Dit besluit is schriftelijk en zenden wij toe aan de aanvrager dan wel zijn gemachtigde. Aan dit besluit kunnen wij voorwaarden verbinden. Het besluit wordt door ons gepubliceerd. Wij houden rekening met de wettelijke beslistermijnen en kunnen deze ook eenzijdig en of in overleg met de aanvrager verlengen.

6.1.4.5 Maatwerkvoorschriften

Het Bal en Bbl bieden mogelijkheid tot maatwerkvoorschriften. Er zijn twee typen maatwerkvoorschriften:

•gekoppeld aan vergunning, dan is een maatwerkvoorschrift een vergunningvoorschrift;

•een separaat maatwerkbesluit (los van een vergunning).

Met een maatwerkvoorschrift kan de gemeente afwijken van algemene regels. De gemeente kan met maatwerkvoorschriften bijvoorbeeld:

•algemene regels nader invullen of aanvullen;

•eisen opstellen die strenger of minder streng zijn dan de algemene regels; en

•afwijken van een verbod in algemene regels.

Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld gebruiken voor onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden of het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het maatwerkvoorschrift kan ambtshalve worden opgesteld of op verzoek.

Er zijn algemene uitgangspunten (paragraaf 4.3.2 Omgevingswet) die zaken als veiligheid en het beschermen van de gezondheid in het kader van maatwerkvoorschriften waarborgen. Verder zijn er ook meer specifieke uitgangspunten, zoals toegankelijkheid van bouwwerken voor mensen met een functiebeperking en het toepassen van de beste beschikbare technieken. Maatwerkvoorschriften zijn niet onbeperkt mogelijk. Beoordelingsregels voor vergunningen en de eisen aan vergunningvoorschriften gelden vaak ook voor maatwerkvoorschriften. Mogelijkheden zijn aangeduid in het Bal en Bbl.

Bij het opstellen van maatwerkvoorschriften is het belangrijk dat ook aandacht wordt besteedt aan de handhaafbaarheid van deze voorschriften. Daarom zal de gemeente Nissewaard bij het opstellen van eventuele maatwerkvoorschriften zowel toezichthouders als handhavers betrekken zodat inzichtelijk wordt hoe we hier ook na vergunning of na het maatwerkbesluit mee opgegaan moet worden.

6.1.4.6 Gelijkwaardige maatregel

Op grond van artikel 4.7, eerste lid, van de Omgevingswet kan in plaats van een in een algemene regel voorgeschreven maatregel (zoals een technische bouw eis in het Bbl) toestemming worden verleend om in plaats daarvan een gelijkwaardige maatregel te treffen. We bedoelen hiermee regels waaruit een vergunningplicht voortvloeit. De gelijkwaardige maatregel moet ten minste hetzelfde resultaat bereiken als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Maatregelen op het gebied van omgevingsveiligheid hebben als doel om mensen in gebouwen te beschermen tegen de effecten van een van buiten komende brand of explosie. Een voorbeeld is een opvanggeul voor uitstromende brandbare vloeistoffen die soms gelijkwaardig of beter beschermt dan een brandwerende gevel (wat eigenlijk de technische eis is).

De gelijkwaardige maatregel wordt opgenomen als extra voorschrift in de vergunning. Ketenpartners zoals de Veiligheidsregio (VRR) en de Omgevingsdienst (DCMR) kunnen hierover adviseren.

6.1.4.7 Overige activiteiten in het kader van vergunningverlening

De volgende activiteiten zijn overige activiteiten die mogelijk zijn in het kader van vergunningverlening. Indien zij in grote mate voorkomen dan kunnen zij van invloed zijn op de capaciteit.

•Verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit;

•Wijzigen omgevingsvergunning;

•Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning;

•Intrekken omgevingsvergunning;

•Beoordeling onderzoeksrapporten (zonder omgevingsvergunning);

•Niet genoemd besluit op aanvraag;

•Magneet activiteiten.

6.1.4.8 Activiteiten

Vanuit bovenstaande algemene uitgangspunten voor vergunningen is hieronder verder uitgewerkt hoe wij omgaan met specifieke activiteiten.

6.1.4.8.1 Bestemmingsplan / Omgevingsplan

Aanvragen van omgevingsvergunningen voor het bouwen worden beoordeeld aan het vigerende bestemmingsplan, beheersverordening, voorbereidingsbesluit, exploitatieplan (hierna: bestemmingsplan) overeenkomstig artikel 2.10 lid 1 onder c van de Wabo en andere bepalingen waar een beoordeling aan het bestemmingsplan is opgenomen, zoals in de Apv.

6.1.4.8.2 Bouw (technisch)

Uitgangpunt bij vergunningen is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te verlenen vergunning.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor het bouwen maken wij de knip tussen Bouwtechnisch (Bouwbesluit of Bbl) en het overige beoordelingskader, zoals de bouwverordening, welstand en het bestemmingsplan. Hiermee anticiperen wij op de Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb) ook wat betreft de toets niveau.

Het Bouwbesluit 2012 en per 1 januari 2024 het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) geven landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen. Na de inwerkingtreding van de Ow zal het Bouwbesluit 2012 vervangen worden door het Bbl voor nieuwe aanvragen. Het bevat voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu.

Het toetsen van elke aanvraag aan alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 en Bbl is binnen de huidige formatie niet mogelijk en ook niet noodzakelijk. Bij vergunningverlening vindt prioritering plaats door specifieke keuzes te maken in het niveau van diepgang van toetsing van de aanvraag. Niet alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 zijn namelijk voor alle bouwwerken van even groot belang bij een preventieve toets.

Bij het toetsen van bouwaanvragen aan het Bouwbesluit 2012 (of Bbl) legt de gemeente nadruk op de constructieve veiligheid en brandveiligheid. Dit is vertaald in de Landelijke de toets matrixtoets matrix Bouwbesluit, zie bijlage 4. Deze matrix geldt als specifieke basis voor de bouwtechnische toets en voor toetsing aan het Bbl, waarbij op basis van inhoud een vertaling van bouwbesluit naar Bbl kan worden verkregen. De aandacht voor de overige aspecten uit het Bouwbesluit kan per jaar afhankelijk van factoren verschillen, zoals de ervaringen uit voorgaande jaren, werkaanbod en capaciteit. In het jaarlijkse uitvoeringsplan kan worden aangegeven waar in dat jaar specifiek aandacht aan wordt geschonken.

Op basis van de risicomatrix (Infoblad Veiligheid en gezondheid Bouw- en sloopwerkzaamheden, VNG feb 2023, of recenter) bepalen wij óf en in welke fase een bouwveiligheidsplan nodig is. Dit kan betekenen dat wij het bouwveiligheidsplan in de fase vooroverleg of de vergunningen opvragen.

6.1.4.8.3 Sloop en Bouwhinder

Bij de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden, en de hinder daarvan zoals bedoeld in afdeling 8.1 van het Bouwbesluit 2012, of diens rechtsopvolger (Bbl), kunnen wij aan de uitvoerder van de werkzaamheden vragen om een plan op te stellen om hinder aantoonbaar te voorkomen en te monitoren. De communicatie met de omgeving over bouw- en sloopwerkzaamheden is een primaire verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer.

6.1.4.9 Brandveiligheid

Aanvragen om vergunningen in verband met nieuwbouw, uitbreiding en verbouw (minimaal voor zover dit ziet op gevolg klasse 2 of hoger) worden door ons, ter beoordeling en advies (met betrekking tot het Bbl) voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (hierna; VRR). Voorliggende casuïstiek kan aanleiding geven om beoordeling en advies te vragen aan de VRR. Gelijkwaardigheden en of gelijkwaardige maatregelen worden aan de VRR voorgelegd, ter beoordeling en advies.

Meldingen en vergunningen die zien op brandveilig gebruik zenden wij ter behandeling en beoordeling door aan de VRR.

Onder de Ow is de gebruiksvergunning vervallen, maar geldt voor bepaalde gebouwen nog wel een meldingsplicht. In artikel 6.6 Bbl is een tabel opgenomen waarin per gebruiksfunctie is aangegeven vanaf welk aantal mogelijk aanwezige personen sprake is van een meldingsplicht voor brandveilig gebruik van het bouwwerk.

Op grond van artikel 6.7 Bbl moet de gebruiksmelding 4 weken voor het begin van het gebruik worden gedaan. In artikel 6.8 staan de gegevens en bescheiden die moeten worden ingediend.

6.1.4.10 Beoordeling welstand

De beoordeling aan redelijke eisen van welstand wordt gedaan op grond van criteria die voor welstand van toepassing zijn. Deze beoordeling wordt ambtelijk uitgevoerd in aangewezen gevallen. De welstandscommissie / gemeentelijke advies commissie beoordeeld in de overige gevallen. De boordelingen worden vastgelegd.

Bij haar advisering kijkt de commissie naar hoe het plan past in de omgeving, hoe het ontwerp eruit komt te zien en welke materialen zijn gebruikt. Bij het formuleren van haar advies hanteert de commissie de actuele beleidsrichtlijnen van de gemeente, en werkt in de geest van de Omgevingswet.

6.1.4.11 Beoordeling Bouwverordening

De beoordeling aan de bouwverordening ziet op de milieukundige bodemkwaliteit. Hierbij treedt de DCMR op als adviseur bij de beoordeling van ingediende rapporten.

6.1.4.12 Slopen /asbest

Voor slopen geldt een meldingsplicht of (indien in bestemmingsplannen of Erfgoedverordening bepaald) een vergunningplicht (Opa). De beoordeling en behandeling van de sloopmelding op het aspect asbest wordt door de DCMR namens de gemeente gedaan.

De aanvraag om een vergunning voor het slopen (in verband met bestemmingsplan of Erfgoedverordening) wordt op de van toepassing zijnde thema’s beoordeeld.

6.1.4.13 Erfgoed

De omgevingsvergunning voor monumenten (wijziging), beeldbepalende panden (cultuurhistorisch waardevolle objecten) en beschermde stads- en dorpsgezichten vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan (cultuurhistorisch) erfgoed. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zal in de wettelijk voorgeschreven gevallen voor advies worden gevraagd.

Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag via de (gemeentelijke) monumentencommissie ligt het voor de hand dat bij de toetsing van aanvragen om monumentenvergunningen wordt aangesloten bij de toetsingsstrategie voor omgevingsvergunningen activiteit bouwen. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is ook een omgevingsvergunning vereist. Door de intensiteit van toetsing en toezicht te vergroten als het een monument betreft, kan een afdoende waarborg tegen vernietiging van monumentale waarden worden verkregen.

6.1.4.14 Ruimtelijke ordening

Bij de beoordeling van aanvragen voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (zoals bepaalt in artikel 2.1, lid 1 sub c van de Wabo ) hanteren wij het wettelijk beoordelingskader van goede ruimtelijke ordening. Dit wordt nader vormgegeven door de onderhavige aanvraag, jurisprudentie en aanverwante regels van bestuursorganen. De gemeenteraad van de gemeente Nissewaard heeft aangegeven in welke gevallen het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen is overgelaten aan het college. Hiervoor in de plaats zal het adviesrecht van de raad komen, na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

6.1.4.15 Omgevingsplanactiviteit

De evenwichtige toebedeling van functies onder de Omgevingswet is bij vergunningaanvragen met een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit ((B)opa) aan de orde. De gemeente bereidt een stappenplan Bopa voor om dit proces vorm te geven. Het vooraf aan de vergunningaanvraag doorlopen van het proces Verkennen en begeleiden initiatief (VBI) bevordert de behandeling van een aanvraag voor deze activiteit. Indien blijkt dat een initiatiefnemer het proces VBI heeft overgeslagen en direct een vergunningaanvraag indient, dan kunnen wij de uitgebreide voorbereidingsprocedure op die aanvraag hanteren, in plaats van de reguliere voorbereidingsprocedure. Tevens kunnen wij aandringen op het intrekken van de aanvraag het alsnog doorlopen van het VBI proces.

Onder de omgevingsplanactiviteit vallen de onderwerpen van omgevingsplan van rechtswege. Deze bandbreedte zal veranderen gedurende transitie fase van bestemmingsplan naar omgevingsplan.

Wij werken hierbij aan het continu verbeteren van deze processen, mede op basis van praktijk ervaringen.

6.1.4.16 APV kap en inritten

Voor het realiseren van activiteiten die als wettelijke basis in de APV zijn geregeld, vindt toetsing primair plaats op basis van de bepalingen in de APV.

6.1.4.17 Natuurbescherming

Indien een activiteit van een omgevingsvergunning gevolgen kan hebben voor beschermde diersoorten en gebieden als bedoeld in de Wet natuurbescherming, dan heeft het nadrukkelijk niet de voorkeur om de beoordeling en toestemming in brede zin via de gemeente te laten lopen. De gemeente verwijst hiervoor naar de uitvoerende partij (omgevingsdienst Haaglanden) van het bevoegd gezag (Provincie Zuid-Holland) van de Wet natuurbescherming om daar afstemming over de wetnatuurbescherming te verkrijgen. Het toezicht van de Wet natuurbescherming heeft het bevoegd gezag bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid belegd.

6.1.4.18 Evenementen

Aanvragen en meldingen voor evenementen worden onder andere getoetst aan de leidraad evenementen van de gemeente Nissewaard en het bestemmingsplan. Indien B en C evenementen plaatsvinden in tijdelijke bouwwerken, vindt de toetsing plaats aan het Bouwbesluit 2012, overeenkomstig COBc Richtlijn "Constructieve Toetsingscriteria Evenementenvergunning" versie november 2018. De overige evenementen worden getoetst overeenkomstig het algemene toets niveautoets niveau. Alle categorie evenementen worden aan de VRR voorgelegd, ter beoordeling en advies. De VRR beoordeeld aan de hand van de regionale handreiking Publieksevenementen Rotterdam-Rijnmond, Besluit brandveilig gebruik en de basishulpverlening overige plaatsen (hierna Bgbop), en overige relevante kaders.

Het is van belang dat organisatoren een melding of vergunningaanvraag tijdig indienen. Bij een niet tijdige indiening spreken wij de organisatoren daarop aan en wijzen hen op het belang van tijdig indienen en hun eigen verantwoordelijkheid hierin. De aanvraag kan om deze reden buiten behandeling worden gelaten. Afhankelijk van het soort evenement en de complexiteit maken we een afweging of de vergunningaanvraag alsnog kan worden behandeld.

6.1.4.19 Apv overig

De overige vergunningen, meldingen en ontheffing in de APV die binnen de scope van dit VTH beleid vallen worden overeenkomstig het beoordelingskader behandeld. Daarbij is het algemene toets niveautoets niveau van toepassing.

6.1.4.20 Exploitatie horeca

De exploitatievergunning biedt de mogelijkheid preventief te toetsen. Daarbij is mede van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te verwachten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt aantasten. Bij de beoordeling van de aanvraag let de burgemeester op de aard van de inrichting, de mate van de te constateren overlast, het karakter van de omgeving (de straat en de wijk) en de (justitiële) achtergrond van de beheerder. Bij de “aard van de inrichting” wordt gekeken naar het soort horeca (bijvoorbeeld discotheek of lunchroom) in relatie tot overlast en het bestemmingsplan. Bij de mate van overlast valt te denken aan de overschrijding van de sluitingstijden die de exploitant hanteert en overlast van bezoekers (door parkeren en verkeerslawaai). Bij het karakter van de omgeving moet worden gedacht aan de verkeersituatie, aantal beschikbare parkeerplaatsen voor bezoekers, afstand tot woningen, breedte van de straat, etc. De gemeente heeft hiermee een middel in handen om overlast gevende horeca inrichtingen aan te pakken. Deze vorm van reguleren biedt voordelen in het kader van het waarborgen van de leefomgeving. Tevens kan een dergelijke vergunning preventief werken.

De gemeente hanteert een handhavingsprotocol voor horeca. Dit wordt geactualiseerd en eiland breed (Voorne-Putten) van toepassing zal worden verklaard. In het handhavingsprotocol wordt opgenomen hoe de gemeente zal acteren op overtredingen in en rondom horeca inrichtingen. Het gaat dan met name om overtredingen die te herleiden zijn naar ondernemers en/of klanten. De gemeente hanteert daarnaast ook een Bibob beleid.

6.1.4.21 Alcoholvergunning

Een Alcoholvergunning is vereist voor ieder bedrijf dat, of andere organisatie die, alcoholhoudende dranken schenkt en/of verkoopt. Deze vergunning wordt verleend op grond van de Alcoholwet, maar ook de APV bevat bepalingen rondom horecagelegenheden en paracommerciële inrichtingen, zoals buurthuizen en sportkantines.

6.1.4.22 Ontheffing alcoholwet

Naast een vergunning kent de Alcoholwet ook een ontheffing (artikel 35 Alcoholwet). Het betreft een tijdelijke ontheffing voor de verstrekking van zwak-alcoholische dranken. Artikel 35 is niet alleen van toepassing bij evenementen maar bij "bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen”.

6.1.4.23 Samenwerking bij de vergunningen

Vergunningaanvragen worden besproken in een afstemmingsoverleg, waarbij vanuit de benodigde disciplines wordt beoordeeld of een toetsing noodzakelijk is. Afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs.

Voor de kwaliteit van de specialistische bouwplantoetsing (bouwfysica, bouwakoestiek, constructieve veiligheid) werken wij samen met externe adviseurs. Toetsing van de brandveiligheidsaspecten vindt plaats door de VRR . Bouwplannen in de gebieden waarvoor welstandseisen gelden en aanvragen voor monumenten worden voorgelegd aan de gemeentelijke adviescommissie.

6.1.5 Toezichtstrategie

Het besluit omgevingsrecht (Bor) geeft slechts in algemene bewoordingen aan hoe toezicht georganiseerd dient te worden. Op grond van het Bor moet het bestuursorgaan inzicht geven in de wijze waarop toezicht op de naleving van wet- en regelgeving wordt uitgeoefend. In de gemeente Nissewaard vindt toezicht in een vorm en intensiteit plaats welke leidt tot een adequate naleving van wet en regelgeving.

6.1.5.1 Vormen van toezicht

Bij het houden van toezicht kunnen verschillende methoden worden gebruikt. Het onderscheid is van belang omdat per activiteit en per beleidsterrein de aspecten waar de controle zich op richt verschillend kan zijn. Het is effectief om verschillende vormen van controles te hanteren, welke zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden.

•Toezicht op naleving van vergunningen, meldingen en ontheffingen.

•Toezicht naar aanleiding van meldingen, klachten en verzoeken van derden.

•Thema / branche toezicht; op initiatief van bevoegd gezag, gericht op thema of branche.

•Gebied / locatie toezicht; op initiatief van bevoegd gezag, gericht op gebied of locatie.

•Veldtoezicht / surveillance; algemeen, zonder directe aanleiding tijdens rondgang toezichthouder.

•Administratief toezicht; toezicht aan de hand van databronnen.

•Routine / planmatig toezicht; gepland of terugkerend toezicht.

Onder toezicht wordt verstaan: het feitelijk toezien op naleving van wet- en regelgeving door het uitvoeren van controles.

In de uitvoering is er een onderscheid gemaakt tussen vergunning gebonden toezicht (preventief) en de overige toezicht soorten (repressief). Dit onderscheid is ingegeven door de aanleiding, doelstelling en inzet van het toezicht.

6.1.5.2 Prioriteiten bij toezicht

Het is niet mogelijk om toezicht te houden op alle activiteiten en op elk onderdeel daarvan. Daarom is het nodig om risicogericht en geprioriteerd toezicht te houden. Dit heeft een algemene en specifieke doorwerking. Algemeen in de zin van waarop en wanneer toezicht plaatsvindt. Specifiek in de zin van welke mate en op welke (deel) onderwerpen toezicht plaatsvindt. Dit verschilt sterk per onderwerp. De beschikbare capaciteit van de voor de uitvoering van toezicht en daaropvolgende handhaving zijn gerelateerd aan de mate van toezicht. Deze vertaling komt terug in het jaarlijks uitvoeringsplan.

Door het stellen van prioriteiten is niet gezegd dat geen aandacht wordt besteed aan de beleidsvelden met een lage prioriteit. Daarbij moet ook steeds in acht worden genomen dat een verzoek om handhaving in behandeling moet worden genomen, vanwege de beginselplicht tot handhaving en niet zomaar terzijde kan worden geschoven. De beginselplicht tot handhaving kan dus de prioriteiten uit dit beleid doorkruisen.

Elk beleidsveld heeft zijn specifieke taken die uitgevoerd moeten worden. Wel is de wijze waarop toezicht en handhaving wordt uitgevoerd verschillend qua frequentie van toezicht en intensiteit. Dit vertaalt zich uiteindelijk ook in de inzet van mensen en middelen.

6.1.5.3 Basis toezicht niveau

Het niveau van toezicht wat plaatsvindt op basis een vergunning, melding, ontheffing of andere toestemming valt onder de noemer vergunning gebonden toezicht. Dit toezicht is er op gericht om na te gaan of en in welke mate aan de vergunning en aan de daaraan verbonden voorschriften wordt voldaan.

Het toezicht niveau dat wij hierbij als basis hanteren is per activiteit weergegeven in bijlage 2. Dit niveau voor toezicht wordt toegepast bij de verschillende activiteiten en meldingen en aanvragen, tenzij een specifiek niveau in dit beleid of uitvoeringsplan is opgenomen. Daarnaast kunnen niet voorziene gevallen en omstandigheden leiden tot een afwijking van dit basis niveau.

Reactief en actief toezicht

Als basis wordt toezicht gehouden op de naleving van vergunningen, meldingen en ontheffingen. We hanteren in de basis dat het overige toezicht plaats vindt op basis van (externe) meldingen. Dit is reactief en wordt doorgaans beschreven als het zogenaamde ‘piep systeem’. Uitzonderingen op het reactieve toezicht is de toezicht op het brandveilig gebruik. Ook in het VTH uitvoeringsplan kunnen onderwerpen en projecten van reactief toezicht worden opgenomen.

6.1.5.4 Toezicht op de bouw (technisch)

Het toezicht op technische bouwactiviteiten en de omgevingsveiligheid vindt plaats in de realisatiefase. Dit toezicht ziet op de naleving van de omgevingsvergunning en de algemene voorschriften (zoals omgevingsveiligheid) uit het Bouwbesluit en BBL. Het is van belang dat er tijdens het bouwen van een bouwwerk toezicht wordt gehouden op een aantal belangrijke aspecten uit het bouwproces. Het is echter niet efficiënt en daarnaast praktisch onmogelijk om elk bouwwerk op elk bouwonderdeel in de realisatiefase te controleren. Toezicht zal zich dan ook juist richten op de cruciale momenten/fasen in een bouwproces, afhankelijk van het type bouwwerk en de prioriteit die aan de betreffende taak is gegeven.

De gemeente Nissewaard past als basis het landelijke toezichtprotocol van vereniging Bouw- en woningtoezicht Nederland toe bij het risicogericht toezicht op de technische bouwactiviteit. Dit toezichtprotocol van de vereniging Bouw- en woningtoezicht Nederland is een landelijk instrument voor het bepalen van de mate van toezicht. Dit toezichtprotocol beschrijft op een transparante wijze wat een toezichthouder dient te controleren op de bouw. Hiervoor worden objectieve criteria gegeven en de resultaten van de controle worden traceerbaar vastgelegd.

Door het toezicht niveau eenduidig (bestuurlijk) vast te leggen, wordt de algehele kwaliteit van toezicht verbeterd en de uitvoering van adequaat toezicht geborgd. Kenmerkend is een heldere keuze voor prioriteiten: aandachtspunten met een hoge prioriteit krijgen meer tijd dan deze met een lage prioriteit. Hierdoor kan op een efficiënte wijze met middelen (tijd/capaciteit) worden omgegaan.

In de toezichtmatrix is een gewogen basisniveau aangegeven. Het huidige werkaanbod maakt dat de toepassing van dit basisniveau niet te realiseren is met de beperkt beschikbare capaciteit. Dit aangepaste niveau wordt vastgelegd in het jaarlijks uitvoeringsplan.

Een goede afstemming tussen de vergunningverlener en de bouwkundig toezichthouder is van belang. Dit zodat aandachtspunten kunnen worden doorgegeven en meegenomen in het toezicht.

Het is voorstelbaar dat bij kleinere bouwwerken (zoals gevolg klasse 0) volstaan kan worden met een selectie van voornoemde toezichtmomenten. Enkel een gevel controle, of controle op basis van ‘Streetview’ kan voldoende zijn om te beoordelen of aannemelijk is dat de activiteiten overeenkomstig de vergunning zijn uitgevoerd.

Bij grote bouwwerken (zoals gevolg klasse GK 2 en 3) of onderwerpen waaraan prioriteit is toegekend, ligt het voor de hand dat (vrijwel) alle toezichtmomenten worden ingevuld. Het is dan zelfs mogelijk dat binnen deze toezichtmomenten meerdere controlebezoeken op meerdere aspecten binnen de betreffende bouwfase voor het invullen van één toezichtmoment nodig zijn. In het toezichtprotocol voor bouwen wordt per type bouwwerk het daadwerkelijke toezichtniveau en het aantal momenten vastgelegd evenals welke van de gedefinieerde momenten tijdens het bouwproces worden gecontroleerd.

Een constatering tijdens bouwproces kunnen aanleiding geven om (eventueel na intern overleg) het toezichtniveau op een specifieke vergunning te veranderen.

6.1.5.5 Toezicht bouwactiviteiten ruimtelijk

Het toezicht op de naleving van omgevingsvergunningen voor het ruimtelijke aspect (zoals welstand en ruimtelijke ordening) vindt plaats al dan niet gecombineerd met het toezicht op de samenhangende bouwactiviteit en omgevingsveiligheid. Dit overeenkomstig het van toepassing zijn de toezicht niveau

6.1.5.6 Toezicht op sloopwerken

Preventieve toezicht op sloopwerkzaamheden vindt plaats naar aanleiding van meldingen (Bouwbesluit en BBL). Er kan sprake zijn van samenhang tussen asbest sanering, bouwwerkzaamheden en bijzondere lokale omstandigheden (zoals centrum gebied en nabij gelegen monumenten, beschermd stadsgezicht). Toezicht op asbest werkzaamheden is gelegen bij de DCMR. Als sprake is van samenhangende werkzaamheden en of omstandigheden dan zal dit betrokken worden in het toezichtniveau.

Er is onderscheid gemaakt in sloopactiviteiten waar asbest vrij komt en sloopactiviteiten zonder asbestverwijdering. Als de sloopactiviteit enkel ziet op het saneren van asbest, dan is de volledige toezichttaak bij de DCMR belegd. Als naast asbest sanering, ook andere (bouwkundige) sloop werkzaamheden (> 10m³ sloopafval) aan de orde zijn, dan vindt toezicht op de sloopwerkzaamheden plaats door de gemeente, terwijl DCMR toezicht houdt op de asbest sanering. Hierover vindt over en weer actieve afstemming en communicatie plaats.

6.1.5.7 Toezicht op brandveiligheid

Het preventief toezicht op de brandveiligheid onderscheidt zich in;

–toezicht op de uitvoering van bouwwerkzaamheden op basis van een omgevingsvergunning bouwtechnisch.

–Toezicht op de oplevering van een omgevingsvergunning en/of melding brandveilig gebruik.

–Het risicogericht toezicht op naleving van de brandveiligheidsvoorschriften bij bestaand gebruik.

Bij toezicht op gebouwen in gevolgklasse 2 en 3 wordt met het oog op de brandveiligheid, het toezicht en de eindoplevering van de vergunning (bouwtechnisch) gezamenlijk met de VRR uitgevoerd, indien de VRR hierom in het advies heeft verzocht

Bij grote projecten wordt de VRR al vroeg in het proces betrokken. Afstemming kan dan plaats hebben over bijvoorbeeld de aan te leveren certificaten en de toezichtmomenten.

Toezicht op de uitvoering van bouwwerkzaamheden, vindt plaats overeenkomstig het toezichtprotocol van de bouwtechnische vergunningen.

De toezichtstaak op brandveilig gebruik van gebouwen is specialistisch werk en vindt daarom plaats door de VRR.

Tijdens het toezicht wordt er in dit kader met name gecontroleerd op:

•de aanwezigheid van een vergunning brandveilig gebruik/melding op basis van het Bouwbesluit 2012 /Bbl;

•de voorschriften van een vergunning brandveilig gebruik/melding Bouwbesluit 2012/Bbl;

•de aanwezigheid van vereiste documenten, logboeken en certificaten;

•De vluchtmogelijkheden;

•De ontruimings- en alarmeringsinstallaties;

•Aanpassingen aan de bouwkundige en brandpreventieve voorzieningen.

De VRR hanteert risico gericht toezicht, op basis waarvan bepaald wordt welk bouwwerk, wanneer, op welke punten en in welke mate wordt gecontroleerd. Gelet op de inwerkingtreding van de Wkb en de Ow wordt dat nog nader uitgewerkt door de VRR. In het uitvoeringsplan kan dit (jaarlijks) worden vastgelegd.

6.1.5.8 Preventief toezicht op aanleg en kap

In geval van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wordt volstaan met maximaal één toezichtmoment op het moment van aanvang van de werkzaamheden. Dan wordt met de vergunninghouder doorgesproken waarop de vergunning betrekking heeft en hoe het werk uitgevoerd dient te worden. Opleveringscontroles zijn – in sommige gevallen - niet noodzakelijk, de eindcontrole op de werkzaamheden kunnen waar mogelijk en tenzij een bijzondere omstandigheid veelal worden uitgevoerd tijdens de reguliere gebiedscontroles. Deze aanpak is voornamelijk gebaseerd op het geringe aantal vergunningen wat de laatste jaren is verleend. Voor de activiteiten reclame aanbrengen en kappen van bomen beperken wij ons echter tot het steekproefsgewijs controleren. In dit kader gaan wij uit van de eigen verantwoordelijkheid van de uitvoerder van de werkzaamheden. In het gebiedstoezicht wordt de uitvoering verder beoordeeld. In het geval er sprake is van een herplantplicht kan een controle van een toezichthouder wel van belang zijn.

6.1.5.9 Preventief toezicht op monumenten

Nadat een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw en monumenten is afgegeven, zullen de monument specifieke aspecten worden meegenomen in de reguliere bouwinspecties, tenzij in een specifieke zaak extra toezicht nodig is. Hierdoor blijft dit toezicht beperkt van omvang. In de gebruiksfase houden wij in onze gemeente toezicht op monumentale waarden. Voor het toezichtprotocol zijn de verschillende onderdelen van controle benoemd. Per onderdeel is beschreven op welke wijze het toezicht wordt uitgevoerd.

6.1.5.10 Preventief toezicht: gebiedscontroles

Zolang geen (nieuwe) activiteiten plaatsvinden, vindt slechts beheer van het grondgebied plaats. Tijdens het beheer gaan wij met toezichthouders na of het gebruik volgens de regels plaatsvindt. Gebiedsgericht toezicht wordt toegepast met aandacht voor diverse, vastgelegde controlepunten ten aanzien van ruimtelijke ordening, bouwen, (brand-)veiligheid, milieu, APV en bijzondere wetten. Afhankelijk van het type gebied en/of bestuurlijke prioriteit kan de nadruk meer of juist minder op enig rechtsgebied liggen. In het algemeen vindt toezicht plaats vanaf de openbare weg en is het gericht op het voorkomen en tegengaan van excessen. Voor deze wijze van controle worden zowel bouw- als milieutechnische toezichthouders ingezet. Bij nader te bepalen feiten wordt een collega toezichthouder geïnformeerd, die op dat specifieke terrein vakbekwaam is. Het gaat vooral om zaken die geen vakinhoudelijke kennis verlangen. Hoewel iedere toezichthouder van oorsprong een bepaalde specialiteit (bouw, milieu, brandveiligheid, etc.) heeft, worden zijn of haar vaardigheden tevens benut voor het toepassen van de ‘oog- en oorfunctie’ voor zaken die buiten zijn of haar specialisme liggen. Op deze manier denken wij de integrale handhaving verder te optimaliseren.

6.1.5.11 Preventief toezicht: themacontroles

In het verleden zijn op basis van landelijke incidenten thema’s gevonden waarvoor controles nodig waren. Dit gaat bijvoorbeeld over onderzoeken naar wateraccumulatie op platte daken, balkons, breedplaatvloeren, brandveiligheid gevels. Indien aanleiding ontstaat, wordt hierop ingezet, met thema specifieke aanpak. Daarnaast vinden controles plaats door de DCMR op de energiezuinigheid van utiliteitsgebouwen.

6.1.5.12 Repressief toezicht

Onder repressief toezicht wordt verstaan: toezicht dat plaatsvindt op basis van klachten, meldingen, verzoeken om handhaving en calamiteiten/incidenten.

6.1.6 Handhavingsstrategie

Er zullen altijd situatie aan de orde zijn die niet voldoen aan de gestelde regelgeving. De oorzaken hiervan zijn uiteenlopend. Handhaving ziet in hoofdlijn op het beëindigen van geconstateerde overtredingen en het voorkomen van toekomstige (nieuwe) overtredingen, of herhalen van geconstateerde overtredingen. Overtredingen worden in beginsel geconstateerd op basis van de toezichtstrategie.

Hoe wij deze handhaving inzetten beschrijven wij in algemene zin hiernavolgend.

6.1.6.1 Klachten en meldingen

Klachten en meldingen over vermoedelijke illegale situaties kunnen via verschillende kanalen bij de gemeente binnenkomen. Deze worden centraal geregistreerd in één systeem. De registraties in dit systeem wordt gezien als de werkvoorraad.

In principe worden klachten en meldingen, afhankelijk van de prioriteit, zo veel mogelijk meegenomen tijdens het reguliere gebiedsgericht toezicht. Het streven is om de melder binnen een redelijke termijn op de hoogte te stellen over hoe de klacht of melding is opgepakt en wat de vervolgstappen zijn.

In het kader van het VTH beleid heeft een klacht of een melding over de fysieke leefomgeving betrekking op een handhavingstaak binnen de scope van dit beleid. Bijvoorbeeld klachten over buren die (ver)bouwen of een klacht over een voorwerp op of naast de openbare weg.

Bij de beoordeling van een klacht wordt bepaald of deze bij de juiste afdeling van de gemeente of bestuursorgaan is ingediend. Zo nodig wordt de melding doorgestuurd. Ook wordt bepaald of sprake is van een overtreding. Bestaat er onduidelijkheid over de aard van de klacht, dan wordt contact gezocht met de klager om vastgesteld te krijgen hoe de klacht dient te worden opgevat en hoe de klacht vervolgens dient te worden afgehandeld. Een klacht wordt in beginsel behandeld binnen de reikwijdte van de melding. Uitgangspunt voor de afhandeling van klachten en meldingen met een onderwerp met een hoog risico of hoge prioriteit is dat deze binnen een redelijke termijn worden behandeld.

Een anonieme klacht wordt in beginsel niet in behadeling genomen. Dit omdat bij een anonieme melding niet een toelichting kan worden gevraagd en het geven van een terugkoppeling over de melding niet mogelijk is. Ook is bij een anonieme klacht of melding onvoldoende bekend of iemand belanghebbende is of niet. De identiteit van melders wordt niet gedeeld met een eventueel overtreder.

Bij de afhandeling van klachten wordt een onderscheid gemaakt in de risico’s en prioriteit van de afhandeling van klachten/meldingen. Indien de klacht/melding een taakonderdeel betreft die, volgens het VTH beleid, een hoge prioriteit heeft gekregen, krijgt deze voorrang op klachten en meldingen waarvan de prioriteit op gemiddeld tot laag is vastgesteld. Het is daarom van belang dat er bij binnenkomst van de klachten en meldingen gelijk een goed beeld ontstaat van (het belang van) de melding en het taakonderdeel waarop de klacht/melding betrekking heeft. Uiteraard wordt afhankelijk van het belang en de spoedeisendheid van de klacht/melding ingeschat of directe afhandeling van de melding noodzakelijk is. Het is voorstelbaar dat in bepaalde gevallen kan worden afgeweken van de prioriteit die aan het betreffende taakonderdeel is toegekend. Uiteraard worden bijzondere klachten/meldingen waarbij sprake lijkt te zijn van direct gevaar en/of een onveilige situatie altijd direct behandeld.

6.1.6.2 Wraken

Het kan voorkomen dat een overtreding wordt geconstateerd waarbij op basis van de prioritering niet direct actie wordt ondernomen bijvoorbeeld door gebrek aan beschikbare capaciteit. In dat geval kan een wrakingsbrief worden gestuurd. Hierin wordt de overtreder in kennis gesteld van de overtreding waarbij hij/zij op zijn/haar eigen verantwoordelijkheid wordt gewezen om de overtreding ongedaan te maken. Ook kan het aan de orde zijn dat de gemeente wil nagaan of een beleidswijziging mogelijk is. Ook wordt hiermee het recht uitgesproken om in de toekomst alsnog sanctionerend op te treden. Zodra in de uitvoering of beleidsmatig aan deze overtredingen meer prioriteit wordt gegeven, dan wordt bepaald of tegen die overtredingen alsnog wordt opgetreden.

6.1.6.3 Verzoeken om handhaving

Uitgangspunt bij verzoeken om handhaving is dat op alle schriftelijke handhavingsverzoeken wordt gereageerd. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt “een beginselplicht tot handhaving”, zeker als derden hierom verzoeken. Het is daarom van belang dat bij de afhandeling van verzoeken om handhavend op te treden extra zorgvuldig te werk wordt gegaan. Door mogelijkheden voor de verzoeker om, bij niet tijdige besluitvorming op een verzoek om handhaving, na een ingebrekestelling aanspraak te maken op een dwangsom van de gemeente, is naast zorgvuldigheid ook tijdigheid van besluitvorming essentieel. De beslistermijn kunnen wij verlengen, mede in belang van zorgvuldigheid en het oplossen van de situatie.

Op verzoeken om handhaving dient een besluit te volgen, inhoudende:

1een besluit tot afwijzing van het verzoek;

2een besluit tot het opleggen van een sanctie, zoals een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang aan de overtreder.

Ad. 1) Indien een verzoek om handhaving wordt afgewezen dient de verzoeker dit bij formeel besluit kenbaar te worden gemaakt. Het afwijzingsbesluit dient net als alle overige besluiten te voldoen aan de vereisten van de Awb. Redenen voor afwijzing van het verzoek kunnen zijn:

–na controle en juridische toetsing blijkt dat er geen sprake is van een overtreding;

–na controle en juridische toetsing blijkt dat er wel sprake is van een overtreding, maar dat er daarbij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien (bijvoorbeeld in het geval van concreet zicht op legalisatie of indien handhavend optreden onevenredig is ten opzichte van de overtreding).

Ad. 2) Indien er na controle en juridische toetsing blijkt dat er sprake is van een overtreding, waarbij er tevens geen bijzondere omstandigheden bekend zijn op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien, dient er op het verzoek om handhaving altijd een handhavingsbesluit te volgen. Concreet betekent dit dat er alsdan een bestuursrechtelijk sanctiemiddel dient te worden opgelegd aan de overtreder.

Om te voorkomen dat de overtreder ineens geconfronteerd wordt met een handhavingsbesluit, wordt overtreder alvorens dit besluit wordt opgelegd eerst in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze te geven (tenzij er sprake is van spoed, dan wordt de mogelijkheid om eerst een zienswijze in te dienen achterwege gelaten). Pas daarna volgt het definitieve handhavingsbesluit.

Ad.3) Van het besluit tot opleggen van een sanctie kan worden afgezien indien de verzoeker ermee instemt dat een mededeling dat er wordt gehandhaafd voldoende is. In sommige gevallen krijgt dan verzoeker een e-mail of een telefoontje dat wij gaan handhaven of een constateringsbrief sturen. Vaak gaan de verzoekers daarmee akkoord. Dit is aan de orde bij gevallen met een laag of gemiddeld risico.

6.1.6.4 Mediation

Klachten, meldingen en verzoeken om handhaving worden om verschillende redenen bij de gemeente ingebracht. Het komt voor dat een zakelijk geschil of een relationeel moeilijke situatie een achterliggende reden is. Dan wordt het de gemeente als derde partij ingeschakeld om op te treden iets bij een andere partij te bewerkstelligen. Daarbij is de vermoedelijke overtreding een middel en geen doel. Beëindiging van de overtreding leidt in veel gevallen niet tot beëindiging van een relationeel moeilijke situatie. Een dergelijke situatie kost (negatieve) energie, middelen en tijd van betrokkenen. Een mediation zaak wordt doorgezonden naar de behandelende afdeling.

Met de inzet van mediation willen wij een doeltreffende positie innemen en met partijen bereiken dat het juiste wordt opgepakt. Ook willen wij bewaken dat dergelijke situaties een onevenredig beslag op capaciteit van het team VTH leggen, ten koste van geprioriteerde zaken.

6.1.6.5 Calamiteiten

Hoewel buiten de scope van het VTH beleid vermelden wij dat de gemeente beschikt over een crisisorganisatie. Milieuklachten kunnen (ook) buiten kantooruren worden gemeld bij de klachtenlijn van de DCMR.

6.1.7 Sanctiestrategie

Indien een overtreding is geconstateerd, dan is het handelen van de gemeente in beginsel gericht op het beëindigen van de overtreding. Daarbij onderschrijven we de in najaar 2022 opgeleverde ‘Landelijke handhavingsstrategie omgevingsrecht’ (LHSO). Wij onderschrijven ook de aan de LHSO verbonden actuele leidraden, zoals de leidraad-handhavingsacties-en-begunstigingstermijnen en de leidraad dwangsombedragen en-begunstigingstermijnen. De essentiële onderdelen van de landelijke handhavingsstrategie zijn in onderstaande alinea’s uitgewerkt en aangevuld met lokale overwegingen.

Als basis geldt dat de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder invloed hebben op de sanctie. Het toepassen van de LHSO betekend dat op landelijk en regionaal niveau het handelen van de verschillende overheden in een grotere mate overeenkomt en bij integrale acties er een gelijk handelingskader bestaat.

6.1.7.1 Formele overtreding, gelijkwaardige oplossingen

Er kan sprake zijn van een formele afwijking van de voorschriften, maar dat er maatregelen zijn getroffen die het door de rechtsregel beschermde belang in dezelfde mate of beter waarborgen. Indien op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, kan deze oplossing als voldoende worden geacht en is geen vervolgactie noodzakelijk.

6.1.7.2 Formele, legaliseerbare overtreding

Is er wel sprake van een formele overtreding en is er geen sprake van een gelijkwaardige oplossing, dan is een eerste vraag of het in principe een vergunbare situatie is. Als dit het geval is, wordt in beginsel een vergunningprocedure gestart. Voor aanvragen die achteraf worden ingediend, hanteert de gemeente een verhoogd legestarief overeenkomstig de leges verordening. Afhankelijk van de ernst van de overtreding (is er een verhoogd risico? Is er al schade opgetreden?) en het profiel van de overtreder zijn er de volgende aanvullende opties.

6.1.7.3 Vergunnen met sanctionerende tik

Indien de illegale situatie is ontstaan uit opzet calculerend/malafide gedrag en/of sprake is van recidive, wordt tevens proces-verbaal opgemaakt. Ook ingevallen waarbij een overtreding een onomkeerbaar effect heeft, zoals het aanzienlijk aantasten van erfgoed, kan een sanctionerende tik aan de orde zijn. Wat de aard van de sanctie wordt, is beschreven in deze sanctiestrategie.

6.1.7.4 Vergunnen

Indien bij een vergunbare situatie geen sprake is van opzet, calculerend/malafide gedrag en geen sprake van recidive, wordt afgezien van een sanctionerende tik. In sommige situaties is het denkbaar dat ondersteuning wordt geboden om de situatie te verbeteren.

6.1.7.5 Vergunnen met bestuursrechtelijke handhaving

Als een situatie legaliseerbaar is, kunnen wij bestuursrechtelijk toch handhavend optreden zolang de illegale situatie voortduurt en/of de vergunningaanvraag nog niet is ingediend. Er dient immers concreet zicht op legalisatie te zijn. De aard van de sanctie is beschreven in deze sanctiestrategie.

6.1.7.6 Sanctie instrumenten

In deze paragraaf wordt stilgestaan bij de wijze waarop wordt opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Hiervoor zijn bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten in te zetten.

Bestuursrechtelijk zijn dat:

•Een bestuursrechtelijke (vooraankondiging)sanctiebeschikking:

–(preventieve) last onder dwangsom (LOD);

–last onder bestuursdwang (LOB);

–wrakingsbrief;

–constateringsbrief;

–Bestuurlijke waarschuwing.

•Schorsen of intrekken van de vergunning, certificaat of erkenning;

•Een bouwstop (tijdelijk stilleggen activiteiten);

•Verscherpt toezicht.

Bij een bestuursrechtelijke sanctiebeschikking (last onder dwangsom of last onder bestuursdwang) krijgt de overtreder een hersteltermijn aangeboden waarbinnen de overtreding moet zijn beëindigd. Als de overtreding na deze termijn niet is beëindigd dan wordt de sanctie geëffectueerd.

Bij spoedeisende bestuursdwang kan een begunstigingstermijn achterwege blijven.

In samenhang met de sanctiebeschikking of los daarvan kan de strafrechtelijke sanctie worden toegepast. Strafrechtelijke instrumenten zijn:

•Een proces verbaal (PV);

•De bestuurlijke boete;

•De bestuurlijke strafbeschikking (BSB).

In onze organisatie zijn twee toezichthouders aangewezen om strafrechtelijk op te treden tegen overtredingen in Domein 2 (Milieu, Welzijn en Infrastructuur). Wij signaleren richting onze partners (onder andere de DCMR), waarna zij strafrechtelijk kunnen optreden. Bij strafrechtelijke handhaving is naast het bereiken van de gewenste situatie tevens het bestraffende element van belang.

In de Omgevingswet is het gebruik van de bestuurlijke boete vergroot. In hoofdstuk 18 van de Omgevingswet staan artikelen over de situaties waarin het bevoegd gezag een bestuurlijke boete kan opleggen. Het gaat hier vooralsnog om:

•Milieuregels Seveso-richtlijn (artikel 18.11 Omgevingswet), nieuw;

•Regels over bouwen, slopen gebruik en in stand houden van bouwwerken (artikel 18.12 Omgevingswet);

•Erfgoedregels (artikel 18.13 Omgevingswet) nieuw;

•Beperkingengebied luchthaven (artikel 18.14 Omgevingswet);

•Beperkingengebied spoor (artikel 18.15 Omgevingswet); en

•Regels over handel in dieren, planten, hout of producten daarvan (artikel 18.15a Omgevingswet).

De privaatrechtelijke handhaving valt buiten de scope van dit VTH beleid. In dat geval is het eigendomsrecht van de gemeente in het geding en treedt de gemeente op als rechtspersoon.

6.1.8 Gedoogstrategie

De gedoogstrategie is ten opzichte van de overige strategieën bewust kort beschreven. Dit omdat gedogen in beginsel niet aan de orde is. Gedogen wordt overwogen is zeer specifieke situaties, waarvoor geen gedoog kader in voorziet. Derhalve is om discussie over het gedoog kader te voorkomen en een discretionaire handelingsvrijheid te waarborgen gekozen tot onderstaande gedoog strategie.

Onder gedogen wordt verstaan het expliciete besluit van een bestuursorgaan om tegen een bepaalde overtreding niet handhavend op te treden. De nota ‘Gedogen in Nederland’ (TK 25085, nr. 2, 1996-1997) bevat het landelijke kader voor gedogen. De gedoogstrategie volgt deze landelijke nota.

7 Borging uitvoering

7.14 Voortgangsbewaking en verantwoording

7.14.1 Beleidsevaluatie

Sluitstuk van de toepassing en uitvoering van dit VTH beleid evaluatie aan het einde van de bewindsperiode. Daarin staat de vraag centraal of de uitvoering van de strategieën hebben bijgedragen aan het realiseren van de gestelde doelen en of de ingezette maatregelen succesvol zijn geweest. Daarom moet beleid periodiek geëvalueerd en gemonitord worden. Zo wordt de beleidscirkel gesloten.

De evaluatie bestaat uit het beoordelen van jaarresultaten en het effect hiervan op de uitgangspunten en doelstellingen uit het beleid. Er wordt periodiek gemonitord aan de hand van het beleid om de tussenresultaten te beoordelen, jaarlijks verslag gelegd over het uitvoeringsplan VTH en het beleid wordt tussentijds geëvalueerd. Hieronder worden monitoring, verantwoording en evaluatie van het beleid verder toegelicht.

7.14.2 Monitoring

Een goede registratie vergemakkelijkt het vervolgtraject (repressief toezicht en sancties) en verschaft inzicht in de hele keten vanaf een vergunning tot en met een overtreding en de naleving. Het voordeel hiervan is dat alle ketenpartners profiteren van de informatie. Het registreren van kwantitatieve en kwalitatieve gegevens is met name van belang voor het uit te voeren beleid, de in te zetten capaciteit en de verantwoording naar het bestuur en management.

De voortgang van VTH wordt periodiek gemonitord op basis van het uitvoeringsplan VTH en de monitoringstool doelstellingen en acties. Deze monitoring wordt gebruikt om te beoordelen of de gestelde doelen uit het VTH beleidsplan worden behaald.

7.14.3 Verantwoording

Het VTH uitvoeringsplan wordt jaarlijks geëvalueerd en vastgesteld, overeenkomstig hoofdstuk 2.6 van dit beleid.

Evaluatie VTH beleid

Voor de afloop van de beleidsperiode van het VTH beleid (2023-2026), wordt ten behoeve van het nieuwe beleid een evaluatie uitgevoerd. Er wordt dan beoordeeld of:

•Vastgestelde beleidsdoelen uit het VTH beleidsplan zijn bereikt;

•De voorgenomen activiteiten uit het VTH beleidsplan zijn uitgevoerd;

•Er aan de afspraken is voldaan die met externe partijen zijn gemaakt.

De resultaten worden gebruikt voor het nieuwe VTH beleid voor de volgende beleidsperiode en het uitvoeringsplan VTH voor het volgende jaar.

9.2 Bijlage 2: Risico’s matrix en prioriteiten matrix

Toelichting bij risico matrix

In de bovenstaande tabel zijn de omschrijvingen van effecten en kansen die in de matrix zijn verwerkt.

9.4 Bijlage 4 toets matrix bouwtechnisch

Toets matrix Bouwbesluit 2012

Deze bouwbesluit 2012 toets matrix kan op basis van inhoud worden getransponeerd naar het Bbl.

Toet matrix bouwconstructies (nadere uitwerking)

Ten aanzien van bouwconstructies is onderstaande toets matrix aan de orde als nadere uitwerking. Door de Vereniging BWT Nederland, het Centraal Overleg Bouwconstructies en de dienst SO, afdeling expertise, van de gemeente Utrecht is in maart 2010 een methodiek tot stand gekomen voor het constructief toetsen van bouwplannen, “Methodiek constructief toetsen bouwplannen”. Het is een protocol dat rekening houdt met het vakmanschap van de controlerend constructeurs. Onderstaande is deze overgenomen.

Toelichting toets niveau constructieve veiligheid

niveau

benaming

definitie

praktische handelingen

1

betrouwbaarheidstoets

Globale uitgangspuntentoets, kijken of er voldoende samenhangende informatie aanwezig is.

De relevante stukken doorbladeren en met ervaring en gevoel toetsen op dit niveau. Kijken of er iets ontbreekt.

2

globale toets

Controleren of de uitgangspunten kloppen en de berekeningsresultaten plausibel zijn zonder de onderbouwing inhoudelijk te toetsen.

Vanuit de tekeningen en berekeningen controleren op hoofdlijnen. Kijken of de dimensioneringen realistisch zijn en geen belangrijke zaken ontbreken.

3

representatieve toets

Toetsen op niveau 2 plus de belangrijkste representatieve onderdelen inhoudelijk toetsen.

Inhoudelijk toetsen door middel van een eigen zelfstandige berekening of door stap voor stap de ingediende berekening doorlopen.

4

integrale toets

Toetsen op niveau 2 plus alle representatieve onderdelen inhoudelijk toetsen.

Als bij niveau 3.

Met de representatieve onderdelen worden de kritieke, kenmerkende en maatgevende onderdelen bedoeld, die vanuit vakmanschap worden bepaald.

Onderstaande volgende de toets matrixen voor verschillende situaties.

9.5 Bijlage 5: Intrekken vergunningen

9.5.1Intrekken vergunningen en ontheffingen

Na het verlenen van een vergunning of ontheffing wordt vaak snel gevolg gegeven aan de uitvoering of ingebruikname. Het komt ook voor dat geen of pas na lange tijd gebruik wordt gemaakt van een verleende vergunning of ontheffing. Wanneer ongebruikte vergunningen of ontheffingen jaren geleden zijn verleend en niet zijn ingetrokken, blijft vaak het recht bestaan om hiervan gebruik te maken.

Om uiteenlopende redenen is het ongewenst om verleende vergunningen en ontheffingen in stand te laten zonder dat daar binnen een bepaalde termijn gebruik van wordt gemaakt. Voor de rechtszekerheid van omwonenden en belanghebbenden is het ongewenst oude vergunningen en ontheffingen in stand te houden. Doordat de bekendmaking van deze besluiten lang geleden kunnen hebben plaatsgevonden, kunnen zij alsnog verrast worden door de activiteiten. Daarnaast wil de gemeente voorkomen dat er een stuwmeer ontstaat van latente (ongebruikte) vergunningen. Ook vanuit administratief oogpunt is het gewenst dat het gemeentelijke (bouw)archief zoveel mogelijk overeenstemt met de feitelijke situatie. Ook voor het beheer van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is een actuele administratie nodig.

Aanleiding voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen kan zijn handhaving, waarbij het intrekken van een vergunning als sanctie wordt gezien, intrekken op verzoek van de vergunninghouder of belanghebbende. De Wet Bibob kan aanleiding geven tot intrekking van een vergunning, melding of ontheffing in te gaan. Ook kan ambtshalve de procedure tot het intrekken van vergunningen of ontheffingen worden gestart.

9.5.2Intrekken omgevingsvergunningen

In de Wabo zijn regels opgenomen voor het intrekken van vergunningen. De gemeente wil voorkomen dat een stuwmeer aan ongebruikte omgevingsvergunningen ontstaat. Daarmee wordt ook voorkomen dat (nieuwe) planologische, stedenbouwkundige of andere inzichten over de fysieke leefomgeving doorkruist worden door vergunde, nog te realiseren of te slopen bouwwerken en het gebruik ervan. Door oude vergunningen in stand te houden kunnen projecten worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen conform verouderde (bouw)technische inzichten, milieutechnische aspecten of zelfs in strijd met nieuwe (planologische) regels. Dit vindt de gemeente ongewenst. Na verloop van een bepaalde periode worden omgevingsvergunningen geheel of gedeeltelijk ingetrokken.

De gronden voor het intrekken van omgevingsvergunningen zijn opgenomen in de Wabo. Zo kan een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu worden ingetrokken als gedurende drie jaren geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Voor omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen of aanleggen is in de Wabo een termijn van 26 weken opgenomen.

Indien de gemeente na het verzenden van de vergunning geen startmelding heeft ontvangen en of geen gebruik is gemaakt van de vergunning, nemen wij contact op met de vergunninghouder. Daarbij wordt geïnformeerd over de mogelijkheid tot intrekking van de vergunning binnen 1 jaar na verzending ervan. De gemeente heeft ervoor gekozen alle niet-gebruikte vergunningen in te trekken na een termijn van 1 jaar.

9.5.3Voornemen intrekken vergunning

Indien 1 jaar na het verzenden van de vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, dan zal de gemeente de procedure voor het intrekken van de vergunning starten.

9.5.4Zienswijze

Voordat tot intrekking van de vergunning wordt overgegaan, wordt de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen naar voren te brengen.

Als de vergunninghouder niet reageert op een voornemen tot intrekking van een vergunning, wordt de vergunning ingetrokken. Bij zienswijzen wordt een belangenafweging gemaakt. De zienswijzen worden betrokken bij de besluitvorming. Hierbij wordt beoordeeld of voldoende gronden aanwezig zijn om niet tot intrekking van de vergunning over te gaan. Van redelijke gronden is in ieder geval sprake als met concrete documenten (geaccepteerde offerte van een ondernemer die de werkzaamheden zal uitvoeren, facturen van bestelde (bouw)materialen die nodig zijn voor de uitvoering en/of in gebruik name van het werk en/of hiermee gelijk te stellen documenten) de intentie tot op korte termijn (een aantal weken) het starten met de uitvoering en/of in gebruik name van de werken aangetoond wordt. Het ontbreken van financiële middelen of conflicten met uitvoerende partijen (architect of aannemer) leiden niet tot het afzien van intrekking van de omgevingsvergunning. In familiaire kwesties (scheiding, ziekte, overlijden) kan, indien door de vergunninghouder de reden goed wordt gemotiveerd, intrekking van de vergunning worden uitgesteld. Ook hierbij zal voldoende aannemelijk gemaakt moeten worden wanneer wel van de vergunning gebruik zal worden gemaakt.

9.5.5Nadere termijn

Indien redelijke gronden aanwezig zijn om niet direct tot intrekking van de vergunning over te gaan, stellen wij een concrete nadere termijn (met einddatum) waarbinnen de vergunninghouder alsnog gebruik moet maken van de vergunning (dit betekent feitelijk aanvangen van of hervatten van de uitvoering van de werkzaamheden en/of ingebruikname). De nadere termijn wordt schriftelijk vastgelegd. Wij hanteren naar gelang de situatie een half jaar of een jaar als redelijke nadere termijn.

Als na de nader gestelde termijn geen aanvang is gemaakt met de uitvoering of hervatting van de werkzaamheden of in gebruik name van het project, wordt de vergunning alsnog ingetrokken.

9.5.6Uitsluiting overige intrekkingsgronden omgevingsvergunningen

Het voorgaande over intrekking van vergunningen staande laat de besluitvorming over de overige in artikel 2.33 van de Wabo of andere wetgeving opgenomen intrekkingsgronden onverlet.

9.5.7Intrekken overige vergunningen en ontheffingen

Behalve in de Wabo zijn ook in andere wetgeving regels opgenomen voor het intrekken van vergunningen of ontheffingen. Net als voor omgevingsvergunningen geldt voor andere vergunningen en ontheffingen in het algemeen dat voorkomen moet worden dat regels en inzichten doorkruist worden door oude vergunningen of ontheffingen. Het is daarom nodig na verloop van een bepaalde periode overige ver- gunningen en ontheffingen geheel of gedeeltelijk in te trekken.

9.5.8Hardheidsclausule - belangenafweging

Het college blijft bevoegd om af te wijken van dit intrekkingenbeleid, vooral wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen of als sprake is van urgentie en/of zwaarwegende planologische of maatschappelijke belangen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.