Aanhef
De burgemeester van de gemeente Nijmegen,
overwegende dat
•dit beleid toe ziet op de verantwoordelijkheden van de gemeente en wanneer en op welke wijze de gemeente de haar toekomende bevoegdheden inzet.
•Met deze beleidsregel een eenduidig proces ontstaat wat aansluit bij de praktijk.
gelet op artikel 2.4.18 van de Algemeen Plaatselijke Verordening en artikel 172 Gemeentewet
Besluit:
deze ‘Beleidsregel Bijtincidenten honden’ vast te stellen;
2. Incident
2.1 Registratie bijtincidenten
Inwoners van Nijmegen kunnen bij de politie aangifte doen van een bijtincident. De politie registreert de aangifte en geeft deze, met toestemming van de melder/ aangever, door aan de gemeente. Inwoners kunnen ook rechtstreeks bij bureau Toezicht en Handhaving een melding indienen van een bijtincident. Wanneer er een aangifte wordt opgenomen, zal er worden beoordeeld of strafvervolging mogelijk is. Als er geen aangifte mogelijk is, zal er een melding door de politie worden opgesteld. Daarnaast kan de gemeentelijke BOA ook een proces-verbaal opmaken op ambtseed. Dit proces-verbaal is alleen te gebruiken voor het bestuurlijke traject.
Met de politie is afgesproken dat in de registratie, zo mogelijk, de volgende gegevens worden opgenomen:
•de personalia van de melder en van de eigenaar/houder van de hond;
•de adresgegevens van de melder en van de eigenaar/houder van de hond;
•de plaats van het incident en een korte omschrijving van het incident.
Deze melding wordt vanuit de politie aan een vast contactpersoon bij de gemeente doorgegeven.
2.2 Bestuursrechtelijk onderzoek
Een van de buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s) van de gemeente gaat bij de melder langs voor het opnemen van een proces-verbaal van de gebeurtenissen. Hiermee start het bestuursrechtelijk onderzoek.
In het proces-verbaal worden de gebeurtenissen chronologisch beschreven vanuit het gezichtspunt van de melder. Dit gebeurt eveneens met de bevindingen van de eigenaar/houder van de hond en de eventuele getuigen. De getuigen worden enkel gehoord indien dit naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is. Een proces-verbaal van bevindingen enkel gestoeld op getuigenverklaringen is onvoldoende.
Het verslag bevat, zo mogelijk, de volgende gegevens:
•persoonsgegevens, van degene die een verklaring aflegt;
•gegevens van de bijtende hond inclusief ras, chipnummer, roepnaam hond, kopie van paspoort en/of stamgegevens en foto;
•indien van toepassing gegevens gebeten hond, inclusief vermelding van ras, chipnummer, roepnaam hond, kopie paspoort en/of stamboomgegevens;
•indien van toepassing gegevens gebeten mens/dier;
•aard en omvang van de schade;
•een beschrijving van de omstandigheden waaronder en de aanleiding waarom de hond heeft gebeten;
•of er andere of ‘oudere’ meldingen zijn (tot drie jaar terug) over de desbetreffende hond.
Indien mogelijk zitten bij de verslagen foto’s van de honden en van het letsel, de schade. Als sprake is van een huisartsenbezoek of dierenartsbezoek, dan worden hiervan gegevens (facturen, verklaring e.d.) bij de verslagen gevoegd.
Indien de melder niet weet wie de eigenaar / houder van de hond is, onderzoekt de boa of hij achter de naam van de eigenaar / houder kan komen. Bijvoorbeeld naar aanleiding van eerdere meldingen.
Indien de eigenaar / houder van de hond niet te vinden is, wordt de melder hiervan in kennis gesteld en wordt aangegeven dat de melding zal worden opgenomen in het gemeentelijk bestand met betrekking tot bijtincidenten. Mocht bij een volgend bijtincident in die buurt een soortgelijke hond betrokken zijn, dan kan de melding alsnog worden meegenomen.
2.3 Beoordeling bijtincident
Na het verzamelen van de gegevens wordt het incident door de gemeente beoordeeld en gekwalificeerd. Uitgangspunt in onze gemeente is, dat iedereen zich vrijelijk in de openbare ruimte moet kunnen bewegen en iedereen zijn werk moet kunnen uitoefenen, zonder gebeten of aangevallen te worden door honden.
Veelal zal een eigenaar van een hond de uitgangspunten van de gemeente kunnen onderschrijven. In de situatie dat een eigenaar - desgevraagd - besluit vrijwillig afstand te doen van de hond of vrijwillig een herplaatsing te regelen dan wel te euthanaseren, ligt er geen taak meer voor de gemeente. Het dossier kan dan gesloten worden.
In de situaties dat er geen afstand wordt gedaan, wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende bijtincidenten. Afhankelijk van de kwalificatie wordt er dan opgetreden. De gemeente hanteert bij incidenten de kwalificaties lichte en ernstige bijtincidenten.
2.3.1 Lichte bijtincidenten
Er wordt van een lichte bijtincident gesproken wanneer een hond een ander dier of persoon bijt, waarbij er sprake is van gering letsel. Van gering letsel wordt gesproken indien niet direct medische behandeling door een (dieren)arts noodzakelijk is.
2.3.2 Ernstige bijtincidenten
Er wordt van een ernstig bijtincident gesproken:
1wanneer een hond een persoon of een andere hond bijt of aanvalt, waarbij er sprake is van meer dan gering letsel (van meer dan gering letsel is sprake indien er wel medische behandeling nodig is).;
2wanneer meerdere lichte bijtincidenten plaatsvinden binnen een periode van drie jaar;
3in ieder ander geval dat door de Burgemeester als ernstig wordt aangemerkt.
2.4 Maatregelen naar aanleiding van bijtincidenten
Lichte bijtincidenten
Indien er sprake is van een licht bijtincident, dan wordt een waarschuwingsbrief verzonden naar de eigenaar of houder van de hond. De melder van het incident krijgt een afschrift van deze brief. Deze brief is geen besluit in de zin van de Awb, dus staat hiertegen geen bezwaar of beroep open. Een licht bijtincident wordt bij een tweede melding van een licht bijtincident binnen drie jaar opgeschaald naar een ernstig bijtincident.
In de waarschuwingsbrief wordt aangegeven dat de gemeente het vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid onacceptabel vindt dat een mens of dier gebeten wordt. Voorts wordt van de eigenaar / houder verwacht dat hij alle maatregelen zal treffen om herhaling van een dergelijk incident te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door uit voorzorg de hond aan te lijnen en te muilkorven op openbaar gebied.
Ernstige bijtincidenten
Indien er sprake is van een ernstig bijtincident is het uitgangspunt en daarmee stap 1 dat de burgemeester besluit tot gevaarlijk verklaren van de hond op grond van artikel 2.4.18 APV. De consequentie hiervan is het opleggen van een aanlijn- en/of muilkorfgebod.
In beginsel zal een kort-aanlijn- alsmede een muilkorfgebod worden opgelegd. Er zijn echter situaties denkbaar dat alleen een kort- aanlijngebod voldoende is om een herhaling van een bijtincident te voorkomen. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De eigenaar of houder of verzorger ontvangt een voorgenomen besluit tot gevaarlijkverklaring waarin de aanleiding wordt beschreven en de voorgenomen maatregelen zijn opgenomen. Binnen één week kan een zienswijze naar voren worden gebracht (schriftelijk dan wel mondeling) . Vervolgens wordt een besluit genomen, stap 2, en indien de gevaarlijkverklaring wordt gehandhaafd dient vanaf dat moment de hond aangelijnd te worden en/of een muilkorf te dragen.
Bij een ernstig bijtincident kan er ook aanleiding zijn om nader onderzoek te gelasten (gedragstest). Voor de ernstige of herhaalde overtreding hebben we soms ook te maken met direct gerelateerde maatschappelijke onrust binnen een wijk of directe omgeving. Om deze onrust weg te nemen is het soms van belang dat maatregelen worden genomen. Indien daar niet vrijwillig aan meegewerkt wordt door de eigenaar, verzorger of houder van de hond, kan op dat moment ook inbeslagname van de hond aan de orde zijn. De inbeslagname kan plaatsvinden op grond van artikel 172 Gemeentewet.
In een dergelijk geval zal als criterium gelden dat door de (dreigende) overtreding de openbare orde zodanig wordt bedreigd of verstoord dat optreden noodzakelijk is. Na inbeslagname en nadat de gedragstest door een gecertificeerde instelling is uitgevoerd, zal vervolgbesluitvorming plaatsvinden. Die vervolgbesluitvorming is afhankelijk van de resultaten van de gedragstest. Dit kan alleen bij grootschalige maatschappelijke onrust. Hierbij dient altijd een afweging op casusniveau plaats te vinden. Een dergelijk besluit kan niet in mandaat worden genomen. Hierbij is belangrijk dat de inbeslaggenomen hond niet buiten de gemeentegrenzen wordt gebracht.
Bedreiging of verstoring van de openbare orde kan aan de orde zijn, indien gevoelens van onrust ontstaan in de omgeving waar de hond normaliter verblijft. Dit kan blijken uit de ingewonnen informatie, een bestuurlijke rapportage of uit processen-verbaal van bevindingen. Ook het gedrag van de eigenaar van de hond kan hiertoe aanleiding geven. De eigenaar of houder of verzorger bagatelliseert bijvoorbeeld het incident waardoor een gerechtvaardigde vrees voor herhaling bestaat en uit het dossier blijkt dat het probleem ook niet alleen bij de hond ligt.
In een situatie waarbij na inbeslagname zoals aangegeven nader onderzoek gedaan moeten worden om te komen tot vervolgbesluitvorming. Dient dit onderzoek door een gecertificeerde instelling plaats te vinden. Onderzocht moet worden onder welke voorwaarden de hond kan terugkeren, of de hond elders herplaatst moet worden of - in overleg met het OM - geëuthanaseerd moet worden. De kosten die gepaard gaan met de inbeslagname op grond van artikel 172 Gemeentewet kunnen niet op de eigenaar verhaald worden en zijn voor rekening van de gemeente Nijmegen.