Gemeentelijke regelgeving

Nota ruimtelijk beleid Gemeente Nieuwkoop – Omgevingswet 2024

Gemeente Nieuwkoop · geldt sinds 1 januari 2024

Aanhef

Nadere beleidsregels voor het onder de Omgevingswet mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkelingen, (woning-)bouwinitiatieven en pré-mantelzorg

Leeswijzer

Het doel van deze beleidsregels is het vastleggen van het afwegingskader, zodat hier bij besluitvorming op vergunningaanvragen op teruggevallen kan worden. Hierdoor kan het vergunningenproces efficiënter verlopen (er is minder interne afstemming nodig) en kan de kwaliteit van de besluitvorming verbeteren. Besluiten hoeven niet meer individueel gemotiveerd te worden, maar er kan verwezen worden naar de inhoud van de beleidsregels.

Deze beleidsnota bestaat uit drie inhoudelijke onderdelen die ogenschijnlijk weinig met elkaar te maken hebben. Bij nadere beschouwing liggen er echter wel degelijk onderlinge verbanden, met name omdat alle onderwerpen raakvlakken hebben op het gebied van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de inrichting van de fysieke leefomgeving.

Het eerste onderdeel bestaat uit een aantal beleidsregels met betrekking tot ruimtelijke initiatieven en ontwikkelingen. Het tweede deel van deze beleidsnota houdt zich bezig met bouwinitiatieven en bevat daarbij tevens een evaluatie / beschouwing van de ‘Ruimte voor Ruimte’-regeling. Het derde deel van deze beleidsnota heeft betrekking op pré-mantelzorgbeleid en dan met name de ruimtelijke consequenties daarvan. Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over juridische aspecten.

De beleidsregels dienen gelezen te worden in samenhang met de toelichting die boven elke beleidsregel staat.

Inleiding

De komst van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vraagt om een herziening van deze beleidsnota. Niet alleen vanwege nieuwe terminologie en andere grondslagen, maar ook omdat instrumenten veranderen. Bestemmingsplannen worden vervangen door één omgevingsplan en de zogeheten kruimelgevallenregeling (artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht) vervalt.

Tot en met uiterlijk 31 december 2031 is er voor het omgevingsplan sprake van een overgangsfase. Het omgevingsplan zal tijdens deze periode bestaan uit het omgevingsplan van rechtswege met een tijdelijk deel en een nieuw deel. Het tijdelijk deel omgevingsplan bestaat uit de bestemmingsplannen, een aantal gemeentelijke verordeningen en rijksregels over activiteiten (de bruidsschat). Het nieuwe deel omgevingsplan is in het begin nog leeg en wordt tijdens de overgangsfase stapsgewijs ingevuld. Regels van het tijdelijk deel worden uiteindelijk overgezet naar het nieuwe deel.

Tijdens de overgangsfase kan het daarom zo zijn dat er voor nieuwe ontwikkelingen sprake is van een locatie waar de ruimtelijke regels uit de bestemmingsplannen nog van toepassing zijn. In deze bestemmingsplannen zijn doorgaans mogelijkheden opgenomen voor het verlenen van binnenplanse afwijkingen van het bestemmingsplan. Dit instrument voor binnenplans afwijken bestaat niet meer in deze vorm.

Onder de Omgevingswet heeft het bevoegd gezag nog steeds beleidsruimte om een afweging te maken en te besluiten om bepaalde vergunningen wel of niet te verlenen. Echter wordt de vergunning dan niet meer verleend middels een afwijking, maar als een binnenplanse omgevingsplanactiviteit.

Om deze vergunningaanvragen tijdens de overgangsfase op een inzichtelijke en eenvoudige wijze te kunnen behandelen, zijn de beleidsregels aangepast naar de nieuwe situatie onder de Omgevingswet. De inhoudelijke overwegingen met betrekking tot initiatieven wijzigen hierbij niet.

Deze actualisering van de Nota ruimtelijk beleid is een beleidsarme wijziging, waarbij de wettelijke grondslagen en beschikbare instrumenten worden aangepast en er weinig ruimte is voor nieuwe beleidsmatige ontwikkelingen. Slechts op twee punten vindt er een toevoeging plaats, zie paragraaf 1.14. en 1.15.

2. Bouwinitiatieven

2.1. Buiten de kernen

2.1.1. Ruimte voor ruimte

Voor de gebieden buiten de kernen bestaat het instrument van de Ruimte voor Ruimte regeling (RvR). Deze regeling gaat uit van sloop van overbodig geworden agrarische bedrijven (met name glastuinbouwbedrijven) en de bouw van compensatiewoningen.

Deze regeling is gebonden aan een aantal randvoorwaarden. Zo mogen de te slopen opstanden niet afkomstig zijn uit concentratiegebieden voor de glastuinbouw en moet de locatie van de compensatiewoning geschikt zijn voor bewoning (onder meer geschikt woon- en leefklimaat, geen belemmering voor andere naburige functies).

In de afgelopen jaren is de Ruimte voor Ruimte regeling diverse malen succesvol toegepast. Locaties waarop dit gebeurd is zijn:

Oostkanaalweg 5, Nieuwveen – 3 woningen

Hoek Oude Nieuwveenseweg / Nieuwveens Jaagpad, Nieuwveen – 2 woningen (oude regeling)

Nieuwveens Jaagpad, Nieuwveen 1a1 t/m 1a3 – 3 woningen

Jonge Zevenhovenseweg 3, Zevenhoven – 2 woningen

Hogedijk 9, Zevenhoven – 3 woningen

Noordse Dorpsweg 12b naast, Noorden – 1 woning

Oostkanaalweg 30, Ter Aar – 3 woningen

Schilkerweg 6, Ter Aar – 1 woning

Voorweg 54a, Noorden – 1 woning

Nieuwveens Jaagpad 13, Nieuwveen – 3 woningen

Voorweg 23, Noorden – 1 woning (in voorbereiding)

Oude Nieuwveenseweg 50, Nieuwveen – 1 woning

Jonge Zevenhovenseweg 1, Zevenhoven – 1 woning

Daarnaast is bekend dat er nog een aanzienlijke hoeveelheid glasopstanden gesloopt is en in handen is van ontwikkelaars, terwijl daarvoor nog geen compensatiewoningen zijn aangevraagd of in ontwikkeling zijn. De bouw van meer compensatiewoningen ligt dan ook in de lijn der verwachting.

Voor het toevoegen van nieuwe bouwlocaties buiten de kernen is RvR een geschikt middel en – voor wat deze beleidsnotitie betreft – ook het enige middel. Toepassing van dit middel past binnen de beleidsruimte die de gemeente op basis van provinciaal beleid heeft en door vast te houden aan de ruilvoet (5000 beursrechten per compensatiewoning) ontstaat een situatie waarvan algemeen geaccepteerd is dat per saldo sprake is van een voldoende mate van ruimtelijke kwaliteitswinst. Het maximale aantal woningen dat per project kan worden toegevoegd is 3 stuks (plus herbestemming van de oorspronkelijke bedrijfswoning, voor zover aanwezig).

Overigens betekent het beschikken over voldoende beursrechten niet dat op iedere willekeurige locatie een compensatiewoning gebouwd mag worden. Daarvoor is per geval een locatietoets vereist, waarbij diverse aspecten worden bekeken, zoals belemmering van en hinder door bedrijven in de omgeving, effecten op het landschap en/of de gebouwde omgeving, wegverkeerslawaai en gevolgen voor natuurwaarden.

Onder de Omgevingswet is het niet langer mogelijk om met de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan (bevoegdheid van het college) functies (bouwrechten) te verwijderen. Voor het wegnemen van bouwmogelijkheden is een wijziging van het omgevingsplan zelf noodzakelijk (primaire bevoegdheid van de gemeenteraad). Er kan in dergelijke gevallen niet volstaan worden met een vergunning (buitenplanse omgevingsplan activiteit).

Beleidsregel: in het buitengebied zijn nieuwe woningen alleen toegestaan via de Ruimte voor Ruimte regeling. De te hanteren verhouding bedraagt 5000 beursrechten per compensatiewoning. Per project kunnen maximaal 3 woningen worden toegevoegd. Voor de beoogde bouwlocatie is een locatietoets van toepassing.

2.1.2. Ruimte voor ruimte extra (RvRx)

Uit vragen vanuit de inwoners van de gemeente blijkt dat er een behoefte bestaat waarbij er na bedrijfsbeëindiging niet alle voormalige bedrijfsopstallen gesloopt worden.

De maximale hoeveelheid bijbehorende bouwwerken per woning is in Nieuwkoop 150 m2 (totaal van vergunningplichtige en vergunningvrije bebouwing). Dit maximum kan alleen behaald worden op grote percelen (met een bebouwingsgebied van 900 m2 of groter).

Een dergelijke hoeveelheid bebouwing wordt echter niet door iedereen als afdoende ervaren en regelmatig krijgt de gemeente verzoeken om meer bebouwing te laten staan bij toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling.

Achter deze vraag zit vaak een ruimtebehoefte vanuit de uitoefening van hobby’s en het stallen van auto’s, caravans en boten. Soms ook worden dergelijke ruimten gebruik voor aanvullende opslag / stalling van materialen en voertuigen voor zzp-ers / klussenbedrijven.

De vraag om extra ruimte is zeker legitiem, maar brengt daarnaast ook een zeker risico met zich mee dat in deze ruimtes bedrijfsmatige activiteiten plaats gaan vinden, met het risico op overlast voor de omgeving.

Daarnaast moet ervoor gewaakt worden dat het achterblijven van extra bebouwing niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteitswinst die juist met de Ruimte voor Ruimte regeling beoogd wordt.

Vanuit een ruimtelijk perspectief kan gesteld worden dat het in kwantitatieve zin geen verschil maakt of een bouwvolume gerealiseerd wordt in de vorm van een compensatiewoning of in de vorm van erfbebouwing op het oorspronkelijke perceel.

Om die reden wordt de maximale omvang van de extra bebouwing gesteld op 300 m2 (dus 450 m2 in totaal met de maximale omvang van de normaal toegestane hoeveelheid bijbehorende bouwwerken). Op deze manier wordt invulling gegeven aan de wens voor extra ruimte, terwijl ook de wens vanuit de raad wordt gerespecteerd om een bovengrens te stellen aan de omvang van de bebouwing.

Als tegenprestatie zal inlevering van 2500 beursrechten (2500 m2 aan glasopstanden of 500 m2 schuren) verlangd worden (de helft van wat nodig is voor een compensatiewoning). Hiermee wordt recht gedaan aan het principe dat er sprake moet zijn van een ruimtelijke kwaliteits-verbetering, terwijl de waarde van de beursrechten in redelijke verhouding staat tot de waarde van de opstallen.

Nadrukkelijk wordt hierbij opgemerkt dat – net als bij de reguliere toepassing van de ruimte voor ruimte regeling – de beursrechten pas ingezet kunnen worden als de betreffende opstallen gesloopt zijn en wegbestemd zijn.

De extra ruimte aan bijbehorende bouwwerken kan niet op een later moment nogmaals worden ingezet als inbreng voor de ruimte voor ruimte regeling.

Hierbij wordt wel het voorbehoud gemaakt dat – net als dat niet iedere locatie ruimtelijk geschikt is voor de bouw van een compensatiewoning – ook niet ieder gebied zich leent voor extra bijbehorende bouwwerken bij de woning. Mogelijkheden hiervoor liggen vooral in de verstedelijkte buitengebieden zoals de Oost- en Westkanaalweg, Schilkerweg, Lange Schilk en het Nieuwveens Jaagpad, dit laatste voor zover niet aangemerkt als concentratiegebied.

Een aantal delen van deze gebieden vallen op dit moment nog onder de aanduiding categorie 4 gebied op basis van afspraken in Greenportverband

5Stichting Greenport Aalsmeer is een samenwerking van Royal FloraHolland, LTO Noord-Glaskracht, Naktuinbouw, Rabobank regio Schiphol, Wellantcollege, Provincie Noord-Holland, Provincie Zuid-Holland en de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Haarlemmermeer, Nieuwkoop, Kaag en Braassem en Uithoorn.

. Dat houdt in dat onttrekking van glasbestemmingen op dit moment nog niet daadwerkelijk mogelijk is, maar er eerst in Greenportverband afspraken gemaakt moeten worden over de toekomst van de glastuinbouw in dit gebied (Visie maatwerkgebieden).

Onder de Omgevingswet is het niet langer mogelijk om met de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in het tijdelijk deel omgevingsplan (bevoegdheid van het college) functies (bouwrechten) te verwijderen. Voor het wegnemen van bouwmogelijkheden is een wijziging van het omgevingsplan zelf noodzakelijk (primair bevoegdheid van de gemeenteraad). Er kan in dergelijke gevallen niet volstaan worden met een vergunning (buitenplanse omgevingsplan activiteit).

Beleidsregel: In daartoe aan te wijzen gebieden kan de Ruimte voor Ruimte Extra regeling worden toegepast, waarbij een aanvullende hoeveelheid bijbehorende bouwwerken behouden mag blijven volgens de verrekeningsregel dat 300 m2 extra bebouwing gecompenseerd dient te worden door inlevering van 2500 beursrechten.

2.1.3. Hergebruik van vrijgekomen voormalige agrarische bebouwing in het buitengebied.

Bebouwing in het buitengebied die vrijkomt door beëindiging van agrarische bedrijven levert interessante vraagstukken op, zoals de vraag om extra woningen mogelijk te maken of de gebouwen te gebruiken voor niet-agrarische bedrijfsdoeleinden. Dit beleidsterrein heeft diverse raakvlakken met onderwerpen die in deze beleidsnota aan de orde komen, zoals de ‘Ruimte voor Ruimte’-regeling, particuliere bouwinitiatieven en mantelzorgwoningen.

Onderdeel van dit beleidsaspect is ook de splitsing van bestaande woningen in het buitengebied. Hierbij wordt vastgesteld dat de gemeenteraad ook expliciet gevraagd heeft naar beleid op het gebied van vrijkomende agrarische bebouwing. Deze nota ruimtelijk beleid zal op een later tijdstip met dit onderdeel worden aangevuld.

2.2. Binnen de kernen

2.2.1. Splitsing van bestaande woningen

Met het begrip ‘bestaande woning’ wordt hier bedoeld de bestaande planologische capaciteit, dus niet per definitie de bestaande panden.

Splitsing van woningen kan op meerdere manieren plaatsvinden, waarbij een splitsing in twee grondgebonden woningen vaak het eenvoudigst is. Splitsing in boven- en benedenwoningen zal naar verwachting alleen interessant zijn bij nieuwbouw, dit in verband met de ontsluiting / vorming van gemeenschappelijke verkeersruimten en de eisen die gesteld worden aan de (sub-) brandcompartimentering.

Voor het splitsen van een woning is altijd een omgevingsvergunning nodig omdat er sprake is van wijziging van de brandcompartimentering. Daarnaast zal in vrijwel alle gevallen sprake zijn van een overschrijding van het maximaal toelaatbare aantal woningen volgens het omgevingsplan. In dergelijke gevallen is ook toestemming nodig voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit. In dit laatste geval heeft de gemeente beleidsruimte om wel of niet aan een dergelijk verzoek mee te werken.

Met betrekking tot parkeren is in diverse onderdelen van het omgevingsplan opgenomen dat voldaan moet worden aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Het niet voldoen aan het parkeerbeleid is een grond om niet mee te werken aan een woningsplitsing.

De gezamenlijke omvang van de gesplitste woningen bedraagt niet meer dan de oorspronkelijk toegelaten (vergunningplichtige) omvang van de te splitsen woning. De totale bouwmassa kan derhalve toenemen door middel van de extra mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken bij de extra woning(en).

Kansen voor splitsing liggen bij grote vrijstaande woningen (met name in de kern) en mogelijk bij nieuwbouw.

Bij woningsplitsing zal nadrukkelijk ook aandacht moeten zijn voor het bouwen in het sociale segment en voor middenhuur

6Op het gebied van doelgroepen wordt hierbij ook nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden voor starters en senioren en de mogelijkheden op het gebied van niet grondgebonden woningen (appartementen).

. Hiervoor zal het nodig zijn om met de ontwikkelende partijen een overeenkomst over de exploitatie van de woningen te sluiten met daarin ook een exploitatietermijn. Een termijn van 15 jaar is daarbij een gangbare termijn, die ook wel met woningbouwcorporaties wordt overeengekomen.

Voor woningbouwontwikkelingen wordt standaard een exploitatieovereenkomst afgesloten. Hierin wordt het woningbouwprogramma vastgelegd (aandeel sociale woningbouw of goedkope koop). Bij geen of een onvoldoende aandeel sociale woningbouw kan een afdracht in het Woonfonds van toepassing zijn.

Beleidsregel: Binnen de kernen is woningsplitsing toelaatbaar mits voldaan wordt aan de geldende parkeernormen en daar waar mogelijk woningen worden toegevoegd in het sociale segment en voor middenhuur.

Voor woningbouwontwikkelingen wordt standaard een exploitatieovereenkomst afgesloten. Hierin wordt het woningbouwprogramma vastgelegd (aandeel sociale woningbouw of goedkope koop). Bij geen of een onvoldoende aandeel sociale woningbouw kan een afdracht in het Woonfonds van toepassing zijn.

2.2.2. Ruimte voor Ruimte regeling

Het toevoegen van nieuwe bouwmassa / nieuwe bouwlocaties ten dienste van het wonen is mogelijk door toepassing van de ruimte voor ruimte regeling. Hiervoor zijn dezelfde voorwaarden van toepassing als in het buitengebied, dat wil zeggen de ruilvoet van 5000 beursrechten per woning en beoordeling van de geschiktheid van de locatie waar de woning gebouwd gaat worden.

Net als buiten de bebouwde kom is er bij de Ruimte voor Ruimte regeling binnen de kernen geen afdracht in het woonfonds van toepassing.

Beleidsregel: het toevoegen van nieuwe bouwlocaties / bouwmassa is mogelijk via toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling. Er is geen afdracht in het woonfonds van toepassing.

2.2.3. Hergebruik van niet voor bewoning bestemde panden

Bij hergebruik van niet voor bewoning bestemde panden gaat het om panden die (al dan niet gedeeltelijk) een andere functie dan een woonfunctie hebben. Dit kan gaan om kantoorpanden, maar bijvoorbeeld ook om horeca-, bedrijfs- of winkelpanden.

Uitgangspunt moet daarbij zijn dat de oorspronkelijke functie niet langer wenselijk is op die locatie en dat er aan de betreffende functie geen behoefte meer is, althans niet langer op die locatie.

De vraag wanneer er sprake is van een overbodig geworden functie kan voor een deel nu al beantwoord worden, bijvoorbeeld voor locaties die evident niet in centrumgebieden liggen. Voor locaties die wel in centrumgebieden liggen, zal beantwoording van de vraag of er sprake is van overbodigheid beantwoord moeten worden in de detailhandelsvisie.

Het hergebruik van, dan wel het toekennen van nieuwe functies aan bedrijfspanden op bedrijventerreinen maakt geen onderdeel uit van deze beleidsnota. Naar de huidige inzichten zijn (nieuwe) woningen op bedrijventerreinen niet langer wenselijk. De essentie van bedrijventerreinen is immers een ruimtelijke splitsing tussen woonfuncties en bedrijfsfuncties om overlast voor de woningen en beperkingen in de bedrijfsvoering te voorkomen. Daarbij komt dat bedrijventerreinen een relatief schaars goed zijn, waar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.

Een ontwikkeling die mogelijk nog wel een plaats gaat krijgen op of aan de rand van bedrijventerreinen is de huisvesting van arbeidsmigranten voor kort verblijf. Dit is echter geen onderwerp van deze beleidsnotitie.

Het toekennen van nieuwe functies aan panden, die niet langer voor hun oorspronkelijke functie noodzakelijk zijn, past ook in de beleidslijn van het rijk en de wettelijke mogelijkheden die daarvoor beschikbaar zijn.

Voor woningbouwontwikkelingen wordt standaard een exploitatieovereenkomst afgesloten. Hierin wordt het woningbouwprogramma vastgelegd (aandeel sociale woningbouw of goedkope koop). Bij geen of een onvoldoende aandeel sociale woningbouw kan een afdracht in het Woonfonds van toepassing zijn.

Beleidsregel: het toekennen van nieuwe functies aan niet voor bewoning toegedeelde panden binnen de kernen is mogelijk indien de oorspronkelijke functie niet langer in die behoefte voorziet. Deze beleidsregel is van toepassing op panden die niet in een centrumgebied liggen. In centrumgebieden is deze beleidsregel uitsluitend van toepassing op panden waarvan uit de detailhandelsvisie blijkt dat deze niet langer in een behoefte voorzien.

Deze beleidsregel is niet van toepassing op bedrijventerreinen. Op bedrijventerreinen worden geen nieuwe woningen toegelaten.

Voor woningbouwontwikkelingen wordt standaard een exploitatieovereenkomst afgesloten. Hierin wordt het woningbouwprogramma vastgelegd (aandeel sociale woningbouw of goedkope koop). Bij geen of een onvoldoende aandeel sociale woningbouw kan een afdracht in het Woonfonds van toepassing zijn.

2.2.4. Maatwerk

Bij een volledige herontwikkeling van een voormalige bedrijfslocatie – waarbij sprake is van volledige sloop en nieuwbouw en niet van het hergebruik van bestaande opstallen – bestaat vaak de behoefte aan een maatwerkoplossing.

De situaties die zich hierbij voordoen zijn in de praktijk zo divers en uniek van aard dat deze zich niet laten vastleggen in beleidsregels. Wel zijn er uiteraard algemene uitgangspunten van toepassing zoals een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ruimtelijke kwaliteitswinst en het afstemmen van het woningaanbod op de volkshuisvestelijke behoefte.

Dat laatste houdt in dat er ook voorzien moet worden in woningen voor doelgroepen die moeilijk toegang hebben tot de woningmarkt, de bouw van sociale (huur-) woningen en bouwen in het segment voor de middenhuur.

3. (Pré)-Mantelzorgbeleid

3.6. Uitgangspunten

3.6.1. Leeftijd

Hoewel leeftijd op zich een reden kan zijn voor een zorgvraag, is dat niet een harde vereiste. Mensen kunnen in verschillende fases van hun leven de behoefte hebben aan zorg zonder dat daarvoor op dat moment een zorgindicatie nodig is. Daarom heeft de gemeente ervoor gekozen geen leeftijdsvereiste op te nemen in de beleidsregels.

3.6.2. Aantal verzorgden

Het aantal verzorgden in een (pré)-mantelzorgsituatie bedraagt maximaal 2 personen. Hierdoor is het mogelijk om bijvoorbeeld zorg te bieden aan beide ouders. Daarbij moet bedacht worden dat (pré)-mantelzorg altijd vanuit een niet beroepsmatige situatie wordt geboden. Het bieden van zorg aan grotere aantallen personen gelijktijdig ligt daarom ook niet voor de hand. In uitzonder-lijke situaties kan een (pré)-mantelzorgvraag ontstaan bij meer dan 2 personen in een huishouden. Deze situaties komen echter zeer beperkt voor en rechtvaardigen niet dat hiervoor afzonderlijke beleidsregels geformuleerd worden. Indien noodzakelijk kan hiervoor door middel van een hardheidsclausule (gemotiveerd) afgeweken worden van de beleidsregels.

3.6.3. Hoofdwoning versus (pré)-mantelzorgwoning

De wetgever heeft bij de regels voor mantelzorg niet voorgeschreven of de mantelzorger of de verzorgde de mantelzorgwoning moet bewonen en in deze beleidsregels worden daar ook geen nadere eisen aan gesteld.

In sommige gevallen kan het wenselijk zijn dat de verzorgde in de oorspronkelijke hoofdwoning blijft wonen om iemand niet uit een vertrouwde leefomgeving weg te halen. In andere gevallen kan het om praktische redenen van ruimtebehoefte wenselijk zijn dat bijvoorbeeld een ouder de mantelzorgwoning betrekt en het verzorgende gezin in de hoofdwoning blijft wonen.

3.6.4. Vorm van de (pré)-mantelzorgwoning

(Pré)-mantelzorgwoningen kennen vele verschijningsvormen. De meest eenvoudige vorm is het betrekken van een kamer in de woning van de mantelzorger (hoewel in dat geval de vraag opgeworpen kan worden of hier wel sprake is van een mantelzorgwoning of van gewoon van inwoning). Een (pré)-mantelzorgwoning kan ook een inpandig afgescheiden gedeelte zijn van de oorspronkelijke woning, maar ook een (afgescheiden) aanbouw of een zelfstandig bouwwerk elders op het terrein. Beleidsmatig wordt geen onderscheid gemaakt tussen deze woonvormen.

3.6.5. Afsplitsing

Een (pré)-mantelzorgwoning is een afhankelijke / onzelfstandige woonruimte en mag dus niet afgesplitst worden van de hoofdwoning als zelfstandige woonruimte. Afhankelijk van de verschijningsvorm kan het zijn dat op grond van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen (BAG) een huisnummer aan de mantelzorgwoning moet worden toegekend. Dit geeft echter geen recht op verzelfstandiging van de woning.

3.6.6. Ontsluiting

Om afsplitsing / verzelfstandiging van de mantelzorgwoning te ontmoedigen geeft een mantelzorgwoning geen recht op een extra inrit / ontsluiting. Als onzelfstandige woning zal het geheel van de hoofdwoning en de mantelzorgwoning moeten voldoen aan het inrittenbeleid dat maximaal één inrit per woning toestaat.

3.6.7. Beëindiging van de pré-mantelzorgsituatie

Een pré-mantelzorgsituatie kan op een aantal manieren beëindigd worden:

•Door verbetering in het ziektebeeld waardoor zorg niet langer nodig is. In dat geval dient het gebruik van de pré-mantelzorgwoning als zodanig gestaakt te worden. Dit is een situatie die zich naar verwachting zelden voor zal doen.

•Door verslechtering in het ziektebeeld, waardoor geen sprake meer is van pré-mantelzorg, maar van reguliere mantelzorg met een medische indicatie. Het gebruik van de mantelzorgwoning mag onder deze titel worden voortgezet.

•Door overlijden van de verzorgde(n) of door vertrek van de verzorgden naar een zorginstelling. Het gebruik als afhankelijke woonruimte wordt gestaakt en de woonruimte wordt weer betrokken bij de hoofdwoning of – indien het een tijdelijk bouwwerk betreft – het tijdelijke bouwwerk wordt verwijderd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.