Aanhef
Besluit:
1Het college besluit het VTH-beleid Rivierenland 2022/2025 met bijlagen vast te stellen voor de taken als bedoeld in artikel 7.2 lid 2 Besluit omgevingsrecht;
2Het Beleidskader VTH taken regio Rivierenland (2015-2019) en het Regionaal Uitvoeringskader voor de VTH-taken (2020-2024) en bijbehorende bijlagen in te trekken.
3Het VTH-beleid Rivierenland 2022/2025 met bijlagen ter kennisgeving aan de gemeenteraad te zenden via bijgaande raadsinformatiebrief;
1. Omgevingsanalyse
Gebieds- en probleemanalyse
In onze regio onderscheiden we meerdere gebieden die elk hun eigen kenmerken en aandachtspunten hebben. Op de volgende twee pagina’s omschrijven we bovenstaande gebieden.
Bebouwde kom / Bebouwing en verkeer
•Centrumgebieden
Veel dorpen en steden in onze regio hebben een centrumgebied, die elk een eigen cultuur kent. De centrumgebieden kennen een gemengde functie met veel bebouwing. Kenmerkend is de aanwezigheid van winkels, horeca (cafés, restaurants en ter- rassen etc.) en diverse voorzieningen (zoals zorg- en publieksgebouwen). Dit veelal in combinatie met niet-grondgebonden wonen (zoals het wonen in hoogbouw of boven winkels) en veel verkeer. Ook kent dit gebied diverse beschermde monumenten en stads- en dorpsgezichten welke behouden moet blijven. Vanwege de hoeveelheid aan bouwwerken, zijn bij (ver)bouw de fundering en omgevingsveiligheid een aandachtspunt. Het centrumgebied heeft een verblijfskarakter dat bedoeld en bestemd is om er een langere tijd te verblijven. Hierom vinden ook het gros van de evenementen en markten hier plaats. Het is een levendig gebied. Deze levendigheid levert echter ook overlast op. Denk aan ge- luidsoverlast (o.a. van horeca en andere bedrijven, maar ook van hangjongeren en van het spoor/de stations), (foutief) parkeren en (zwerf)afval. Door het soort bedrijven (m.n. horeca) dat aanwezig is, in combinatie met de relatief oude bebouwing, zijn afvalwater en bodemverontreiniging in dit gebied een aandachtspunt. Daarnaast kennen een aantal centrumgebieden relatief veel leegstand wat strijdig gebruik van bouwwerken (met name illegale bewoning) tot gevolg heeft.
•Bedrijfsterreinen
Op de bedrijfsterreinen in onze regio vindt gemengde bedrijvigheid plaats met veel verkeersbewegingen. We zien o.a. industrie, bedrijfsverzamelgebouwen en kantoren. We kennen ook enkele zware bedrijven. Aandachtspunten bij deze bedrijvigheid zijn een goede bereikbaarheid, geluid(overlast), geur(overlast), (externe) veiligheid en het energieverbruik. Het gebied kenmerkt zich door veel baksteen en weinig groen. De bedrijvigheid vindt veelal plaats in combinatie met wonen in bedrijfswoningen. We zien regelmatig deze bedrijfswoningen afgesplitst worden van het bedrijf, wat strijdig gebruik maar ook (brand)veiligheidsproblematiek met zich brengt. Ook de leegstand op enkele bedrijfsterreinen levert risico op tot strijdig gebruik (zoals bewoning maar ook ondermijnende bedrijfsmatige activiteiten).
•Woonwijken
De overige gronden binnen de bebouwde kom zijn de woonwijken, waar voornamelijk grondgebonden woningen (eengezinshuizen) zijn gebouwd. Onder- steunend aan het wonen zijn er publieksgebouwen aanwezig zoals scholen en sportvoorzieningen. De bebouwing wordt zoveel mogelijk gecompenseerd door water en groen. Er vindt regelmatig beroep- en bedrijf aan huis plaats en er is lichte bedrijvigheid, voornamelijk in de kernen en aan de randen van het gebied. Vanwege het woon-werkverkeer is het ver- keer op gezette tijden druk. De woonfunctie van de bebouwde kom brengt enige overlast met zich mee. Parkeeroverlast, geluidsoverlast (o.a. door hang- jongeren en bedrijvigheid aan huis), hondenpoep, zwerfafval en wateroverlast zijn de voornaamste overlastvormen die we hier zien. Daarnaast ken- merkt het gebied zich door veel kleine, bij de woning behorende, bouwwerken, waar buren zich soms aan storen. Ook zien we illegale uitwegen en met de bestemming strijdige woonvormen.
Buitengebied / Agrarisch, natuur en recreatie
•Beschermde gebieden
In onze regio zien we in het buitengebied diverse beschermde gebieden: natura 2000, dijken, ondergronds erfgoed, stilte-, grondwaterbescherming- en vogelbeschermingsgebieden. Eén van de bekendste beschermde gebieden in onze regio is de Nieuwe Hollandse Waterlinie (monumentaal erfgoed). Deze gebieden trekken veel bezoekers. Daarmee is het aandachtspunt voor deze gebieden het (recreatieve) gebruik en alle gevolgen daarvan. Met name verkeer, parkeren, geluid en afval vormen een zorg. Gelet op de waarde van deze gebieden, is het belangrijk om vergunningen die worden aangevraagd voor activiteiten, grondig te toetsen op alle (natuur)aspecten en landschappelijke waarden.
•Rivierengebied
Het rivierengebied is het meest kenmerkende van onze regio. Aan de noordzijde wordt ons gebied begrensd door de Nederrijn en Lek, aan de zuidzijde door de Maas en rivier de Waal loopt er dwars door- heen. Tel daar alle vertakkingen en waterplassen zoals de Linge, de Oude Rijn en de Wetering bij op, en het is een zeer waterrijke regio te noemen. Langs de rivieren bevinden zich de uiterwaarden die zich kenmerken door veelal onbebouwde natuur en agrarische gronden. In dit gebied vormen dan ook vooral afval(dumping) en grondverzet een risico. Bebouwing en bedrijvigheid worden met name gevormd door (jacht)havens en industrie zoals steenfabrieken. Dit brengt extra zorg mee voor de luchtkwaliteit. Maar ook ontgronding vanwege baggeren (zoals zandwinning) of juist het storten van grond en slib zijn kenmerkende activiteiten voor dit gebied. Der- gelijke activiteiten in ons waterrijke gebied, brengen uitdagingen waarin we moeten samenwerken met andere bevoegde gezagen Rijkswaterstaat, Provincie en het Waterschap.
•Agrarisch gebied
De overige gronden binnen het buitengebied kenmerken zich vooral door agrarisch en recreatief gebruik met belangrijke landschappelijke waarden. We kennen veel onbebouwd weiland, maar ook diverse soorten agrarische bedrijven met bijbehorende bebouwing. Vooral de boomkweek, fruitteelt en glastuinbouw zijn kenmerkend voor onze regio. Dit levert bijzondere uitdagingen op qua water- en lichthinder, maar ook vormen het energieverbruik, de teeltondersteuning, de spuitzones en de houtstook daardoor aandachtspunten. Bij het niet-grondgebonden kweken vormt specifiek de bodem (o.a. vanwege verdroging en verzakking) een extra punt van zorg. Ook kennen we in het agrarische gebied intensieve veehouderijen, waarbij geur en lucht(kwaliteit) onze aandacht vraagt. Naast het agrarische gebruik, wordt in het gehele buitengebied veelvuldig gerecreëerd. We kennen een flink aantal recreatieterreinen waar op wordt verbleven, maar ons bijzondere gebied trekt ook veel dagrecreatie. Dit brengt diverse vormen van overlast mee. Te denken valt aan: afval, geluidsoverlast en (hang)jeugd. Ook permanente bewoning vormt daarbij een risico. Over het algemeen is in het gehele gebied het gebruik een punt van zorg: we zien regelmatig illegaal (bij)bouwen en we zien in opstallen van bestaande bedrijven en op recreatieterreinen diverse vormen van strijdig gebruik (zoals strijdige woonvormen, opslag, (niet agrarische) bedrijfsmatige activiteiten en ondermijnende en/of criminele activiteiten).
Actualiteiten en ontwikkelingen
•Afvaldumpingen
Asbest, drugsafval, afvalwater, bedrijfsafval en zwerfvuil. Steeds meer huis- en bedrijfsafval wordt geloosd of verbrand en in de natuur achtergelaten. Ook in onze regio vormt dit een ontwikkeling waar we aandacht voor moeten hebben. Het vormt namelijk een risico voor de natuur en onze leefomgeving. Het levert een steeds grotere overlast op en leidt tot verontreiniging.
•Energietransitie
Klimaatverandering is een zorgpunt. In Nederland wordt met energietransitie geprobeerd om de klimaatverandering af te remmen. Dit door duurzamere energiebronnen en zuiniger energiegebruik. Door deze ontwikkeling zien we veel windmolens in ons gebied en kennen we ook steeds meer zonneparken en zonnepanelen op bouwwerken. Je ziet ook steeds meer bodemenergiesystemen, die aan de bodem warmte of koude onttrekken, om vervolgens te gebruiken voor verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken. Dergelijke energiebronnen hebben een keerzijde: ze hebben effect op het landschap, het grondwater en kunnen geluidsoverlast opleveren. Ook de brandveiligheid vormt hierbij een aandachtspunt. Daarnaast kennen we als duurzamere energiebronnen in onze regio biomassa en mestvergisting. Dit kan stankoverlast veroorzaken en levert ook zorgen op voor de luchtkwaliteit. Dergelijke systemen moeten daarom goed worden gecontroleerd. Ook zien we in dit kader extra toe op het energieverbruik van bedrijven.
•Grondverzet
Voor het bouwen van bouwwerken of het aanleggen van wegen wordt grond verplaatst. Meer specifiek in onze regio kennen we ook zandwinning en grondwerk in onze uiterwaarden. Voor het bemonsteren, uitgraven, ophogen, opslaan en afvoeren van de grond gelden regels. We zien dat deze regels niet goed worden nageleefd en dat er veel misgaat bij grondverzet. Hierdoor bestaat het risico dat verontreinigde grond wordt gemengd en gebruikt, waardoor er meer verontreinigde locaties ontstaan. We zien dat dit probleem onze regiogrenzen overschrijdt. Preventie en handhaving, en de samenwerking daarbij met andere overheden, wordt op dit gebied dan ook steeds belangrijker.
•Huisvesting arbeidsmigranten
Van huizen tot recreatieparken en van voormalige bedrijfspanden tot agrarische schuren: allerlei gebouwen worden in onze regio omgebouwd om huisvesting te bieden aan arbeidsmigranten. Met veel laanboomkweek, fruitteelt, kassen, grote distributiecentra, steenfabrieken, scheepswerven en vleesverwerkende bedrijven in onze regio, zien we veel werkaanbod en dus ook de wens tot huisvesting van arbeidsmigranten. Het probleem hierbij is dat deze huisvesting in grote getallen niet legaal gebeurt: de ruimten zijn niet altijd bestemd en/of bedoeld voor bewoning, de omstandigheden niet altijd gezond en ook lang niet allemaal brandveilig. De locaties die ervoor worden gekozen zijn vaak niet geschikt en leiden voor omwonenden tot overlast. De huisvesting van arbeidsmigranten vormt in onze regio dan ook een bijzonder aandachtspunt.
•Stikstof
Ongeveer 78% van alle lucht bestaat uit stikstof. Het is dus overal om ons heen en is niet schadelijk voor mens en milieu. Bepaalde stikstofverbindingen zijn dat wel. Die verbindingen komen vrij bij bijvoorbeeld verbranding van fossiele brandstoffen (zoals de uitlaatgassen van het verkeer en de uitstoot van de industrie) of ontstaan door dieren in de veehouderij. Als er teveel van deze zogenoemde reactieve stikstof in de natuur komt, kan dat leiden tot negatieve effecten. In onze regio, met veel beschermd natuurgebied, werken we daarom aan maatregelen om de uitstoot van reactieve stikstof te beperken. Hierin trekken we samen op met de provincie en betrokken sectoren zoals de bouw, natuur beherende organisaties en de land- en tuinbouwsector. Dit betekent ook dat we vergunningaanvragen en activiteiten op dit vlak zorgvuldig toetsen. Met name in onze Natura2000 gebieden, zoals de uiterwaarden langs de rivieren.
•Onbekende activiteiten
Onze analyse richt zich logischerwijs op wat we weten en waar we zicht op hebben. Het zijn de activiteiten die we zien gebeuren in de regio. Er zijn echter ook activiteiten die buiten ons zicht plaatsvinden. We zijn onbekend met deze activiteiten en kunnen deze dan ook niet vooraf benoemen. We vinden het wel belangrijk om ons niet alleen te richten op dat wat we weten, maar ook op dat wat we niet weten. We willen de komende beleidsperiode dan ook aandacht hebben voor alles wat zich niet bij ons meldt of wat door middel van het piepsysteem bij ons bekend wordt. Ook activiteiten die we niet zien kunnen namelijk ongemerkt tot nadelige gevolgen voor de omgeving leiden of kunnen zelfs ondermijnend zijn. Hierom zullen we ook aandacht moeten hebben voor het opsporen van deze onbekende activiteiten.
Risicoanalyse
Uit onze gebieds- en probleemanalyse en vanuit onze uitvoeringspraktijk volgen risicovolle activiteiten. Deze activiteiten zijn niet limitatief: het zijn de ‘probleem gerelateerde’ activiteiten die wij nu in ons gebied tegenkomen. Om het risico van deze activiteiten te schatten, is gebruik gemaakt van een landelijke methode waarbij het negatieve effect van niet-naleven van de voor de activiteit geldende regels en de kans op niet-naleving leiden tot een afweging van het risico.
Het negatieve effect is bekeken aan de hand van gevolgen voor:
•Fysieke veiligheid (letselschade/fysieke schade aan de mens);
•Volksgezondheid (aantasting gezondheid van de mens);
•Duurzaamheid (aantasting van het milieu/de natuur);
•Leefbaarheid (afbreuk omgeving/maatschappelijk welbevinden/beleving inwoners);
•Financiële schade (herstelkosten aan de zijde van de overheid);
•Bestuurlijke schade (afbreuk vertrouwen in de overheid).
Alle effecten zijn ongewenste gevolgen van niet-naleving van regelgeving en leiden tot serieuze risico’s. In onze regio vinden we de risico’s echter het grootst daar waar er bij niet-naleven van de regelgeving een groot effect valt te verwachten voor de fysieke veiligheid en de volksgezondheid. Daar waar met name aantasting van het milieu of afbreuk van de leefomgeving ontstaat, spreken we over het algemeen van een gemiddeld risico. De risico’s schatten we het laagste daar waar voornamelijk financiële schade of bestuurlijke schade ontstaat.
Qua kans dat niet-naleven zich voordoet, schatten we die kans het hoogste in daar waar een overtreder de meeste winst weet te behalen met niet-naleven (een kosten-batenafweging) en waar de kans op melding door een derde of ontdekking door de overheid het kleinste is. Hieraan ligt de landelijk gebruikte Tafel van Elf ten grondslag die de factoren bevatten die van belang zijn voor de naleving van regels.
De tabellen bij deze risicoanalyse zijn opgenomen in bijlage 1. De uitkomst is een risicoscore ‘laag’, ‘gemiddeld’ of ‘hoog’. Deze scores zijn tot stand gekomen vanuit een samenwerking tussen de acht gemeenten in onze regio, Omgevingsdienst Rivierenland, GGD Gelderland-Zuid en Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. We ver- talen deze scores naar prioriteiten voor de komende beleidsperiode. Ook zal deze risicoanalyse worden vertaald in het jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma. Op basis van de monitoring en evaluatie op het jaarlijkse uitvoeringsprogramma, kan de risicoanalyse en daarmee onze prioriteiten, jaarlijks worden bijgesteld.
Risico = effect x kans
4. De uitvoering
Preventiestrategie
Deze aanpak ziet op het voorkomen van risico's in de leefomgeving van onze regio. We willen de eigen verantwoordelijkheid van onze inwoners en bedrijven voor een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving stimuleren en de naleving van regels bevorderen. Dit vraagt om het creëren van intrinsieke motivatie voor de naleving van regels. Dit wordt nog belangrijker wanneer deregulering en zorgplichten steeds meer gemeengoed worden onder het omgevingsrecht. Hiertoe zijn preventieve instrumenten nodig die inwoners, bedrijven en bezoekers stimuleren en motiveren de regels uit zichzelf na te leven. Deze preventieve instrumenten kunnen worden ingezet in plaats van of aanvullend op het toezicht. We kiezen daarom voor de volgende werkwijzen.
Persoonlijk contact en in verbinding staan
De rode draad van onze uitvoering ziet vanuit preventie op het in gesprek gaan met betrokkenen. Daardoor verwachten wij goed met hen in verbinding te komen. Dit stelt ons in staat om te informeren over geldende wet- en regelgeving, de bedoeling erachter uit te leggen en begrip en urgentie te kweken voor naleving ervan. Belangrijk hierbij is dat we laten zien wat we in onze taakuitvoering doen en waarom we dat doen. Denk hierbij aan een gesprek over de wenselijkheid en haalbaarheid van een initiatief voordat een aanvraag wordt ingediend. Maar ook bijvoorbeeld aan een overleg waar we in gesprek gaan met een overtreder en omwonenden over oplossingsrichtingen. Of juist een kort gesprek met een melder waarin we toelichten waarom wij niet (kunnen) optreden en welke opties diegene wel heeft (zoals buurtbemiddeling). Hierdoor worden de juiste verwachtingen gewekt. transparantie en duidelijkheid geboden. knelpunten tijdig besproken. procedures vlot behandeld en juridische procedures voorkomen.
Hiervoor willen we steeds beter gebruik gaan maken van de mogelijkheden die het omgevingsrecht ons biedt of gaat bieden. Te denken valt bijvoorbeeld aan instrumenten zoals vooroverleg/intaketafel, omgevingstafel en omgevingsdialoog. Van al deze instrumenten onderzoeken we nog of ze haalbaar zijn/worden. En wellicht zijn er nog andere vormen van overleg te bedenken. Vaststaat dat dit persoonlijk contact en het in verbinding staan met onze inwoners en bedrijven van groot belang is voor het steeds effectiever en efficiënter uitvoeren van onze taken. We willen hier dan ook meer op in gaan zetten.
Voorlichting en samenwerking
Bekendheid met regels bevordert de naleving ervan. Daar zetten we in regio Rivierenland a l jaren in op de voorlichting over (veranderende) regels. Dit doen we door onze websites actueel te houden. vragen te beantwoorden die in een gesprek, telefonisch of schriftelijk worden gesteld en door het indienen van in formatieverzoeken en conceptaanvragen ('vooroverleg') mogelijk te maken. Maar ook door onze brieven steeds begrijpelijker te maken. Dit is echter vrij reactief en gebeurt enkel als betrokkene zich ervan bewust is dat er regels zijn voor dat wat hij wil doen of al met ons in contact staat.
Een proactieve voorlichting is steeds meer nodig. Niet wachten tot een vraag wordt gesteld, maar informatie aanbieden op eigen initiatief omdat wij dit noodzakelijk vinden. Het vergroten van de bekendheid met regels en het achterliggende doel van deze regels (het waarom) leidt namelijk aantoonbaar tot minder overtredingen en voorkomt risico's voor de leefomgeving. We zien dat in onze regio bijvoorbeeld naar aanleiding van brochures over de aanleg van riolering of over de aandachtspunten rondom natuur en beschermde diersoorten bij sloop. Doordat we deze brochures actief verstrekken en daarin een contactpersoon opnemen, zien we dat betrokkene makkelijker vragen stelt. sneller de juiste informatie vindt en zich meer verantwoordelijk toont voor een goede uitvoering van de activiteit. Tijdig juiste informatie vinden. voorkomt ook (herstel)kosten voor betrokkene achteraf.
De verandering van het omgevingsrecht en de komst van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, legt nog meer verantwoordelijkheid voor een juiste uitvoering neer bij de inwoners en bedrijven. Dit vraagt om meer voorlichting aan de voorkant, zodat een (te) grote verschuiving wordt voorkomen naar toezicht- controles. We willen daarom meer gaan voorlichten en daartoe ook meer de samenwerking aangaan met (branche)organisaties en samenwerkingspartners.
Zo bereiken we gerichter een breder publiek en wordt de verantwoordelijkheid steeds meer ‘van ons allemaal’.
Betrokkenheid stimuleren en acceptatie creëren
Acceptatie van regels bevordert het verantwoordelijkheidsgevoel voor de naleving ervan. Hiervoor is nodig dat regels, de bedoeling erachter en de urgentie ervan worden begrepen. Zoals gezegd willen we daartoe meer aan voorlichting doen. Maar het betrekken van inwoners en bedrijven bij regels en de uitvoer ervan is net zo belangrijk. De verandering van het omgevingsrecht brengt immers ook een beweging mee ‘van verzorgd worden naar participeren in’. Dit vraagt om onderlinge samenwerking, verantwoordelijkheid en vertrouwen.
Binnen onze vergunningverlenende, toezichthoudende en handhavende taken kan dit op diverse manieren. Denk aan het bieden van ruimte in een vergunningsprocedure aan aanvrager en omwonenden om samen na te denken over hoe de activiteit kan worden uitgevoerd met zo min mogelijk belasting voor de omgeving. En het bieden van ruimte aan overtreder en andere betrokkenen om samen een oplossing te bedenken voor herstel van een strijdige situatie.
Dat betekent vanuit onze taakuitvoering dat wij in die gevallen waarin betrokkenen die verantwoordelijkheid voor een gezamenlijke oplossing pakken, minder vaak voorschriften of maatregelen hoeven voor te schrijven. We kunnen dan juist meer het gesprek aangaan, meedenken en als adviseur optreden. Deze betrokkenheid stimuleren wij door de bedoeling en urgentie van de regels uit te leggen, betrokkene te adviseren over hoe hij andere belanghebbenden kan betrekken bij zijn activiteiten, mee te denken in gezochte oplossingen en zelf te accepteren dat niet alles meer altijd strak geregeld is. Met andere woorden: we zeggen niet (altijd) meer wat de ander moet doen, maar vragen (vaker) wat de ander kan en gaat doen en vertrouwen erop dat dit ook gebeurt.
Aanvullend voelen wij een verantwoordelijkheid om regels waarover onduidelijkheid of verminderd draagvlak bestaat, ter discussie te stellen bij de opsteller van deze regels (zover het lokale overheid betreft). Dit start aan de voorkant, waar we vanuit onze deskundigheid en specialisme adviseren over de inhoud van lokale regels en de uitvoerbaarheid ervan. Maar ook aan de achterkant, waar we analyseren waarom er een lek bestaat op de naleving van specifieke regels en dit teruggeven aan de opsteller.
Vergunningen- strategie
Deze aanpak geeft aan op welke wijze we vergunningsaanvragen beoordelen en meldingen behandelen.We willen een goede kwaliteit van de leefomgeving bevorderen en daaraan bijdragen door op een betrouwbare en deskundige wijze de aanvragen en meldingen tot het uitvoeren van omgevingsactiviteiten te behandelen. Daarbij geldt voor de uitvoering dat we verplicht zijn tot het in behandeling of ontvangst nemen van alle aanvragen en meldingen. We hebben daarin geen keuze. Wel hebben we de ruimte om verschil aan te brengen in de diepgang van toetsing. Door de aandacht vooral te richten op de meest risicovolle en prioritaire aspecten, te werken met vaste toetsingskaders en initiatieven integraal en vanuit ‘ja, mits’ te beoordelen, verwachten we het meest optimaal te kunnen bijdragen aan een goede omgevingskwaliteit. Voor alle vergunnings- en meldingsprocedures, werken we onze werkwijze per stap uit in een workflow managementsysteem. Daarbij hanteren we in ieder geval de volgende basiswerkwijze.
Service bieden
Inwoners en bedrijven krijgen (steeds meer) eigen verantwoordelijkheid binnen het omgevingsrecht. Wij vertrouwen er ook op dat zij deze verantwoordelijkheid nemen. En zich zo nodig laten informeren door een deskundige adviseur. Vanuit onze zorg voor de (fysieke) leefomgeving in de regio, bieden wij onze inwoners en bedrijven wel hulp. Vooral met het verstrekken van de juiste informatie en door mee te denken over de te doorlopen vergunningsprocedure. Met name in de voorbereiding ervan. Een investering aan de voorkant van een vergunning of meldingsprocedure, leidt namelijk tot een betere en volledigere aanvraag of melding. Ook geeft dit tijdig inzicht over alle betrokken belangen bij een initiatief. Dit stelt de initiatiefnemer in staat om al in een vroeg stadium afstemming met derden te zoeken. Daardoor verlopen procedures soepeler en sneller. Het stelt ons in staat om kwalitatief betere besluiten te nemen, waar in de beoordeling oog is geweest voor alle betrokken belangen. Het geeft ons ook de mogelijkheid om al in een vroeg stadium betrokkenen te informeren over de geldende wet- en regelgeving en de bedoeling erachter. Zowel initiatiefnemer als overige betrokkenen weten dan beter wat ze kunnen verwachten. Dit leidt tot meer begrip voor een genomen besluit en tot minder juridische procedures, minder overtredingen en minder omgevingsklachten.
Daarom denken we aan de voorkant mee over wat wenselijke en haalbare initiatieven zijn, kunnen we een adviserend bezoek aan locatie of bedrijf brengen, bieden we de mogelijkheid tot indienen van vooroverleg/conceptaanvragen en adviesverzoeken en blijven we de mogelijkheden onderzoeken om in de toekomst meer service te bieden (zoals het bespreken van complexe initiatieven ‘aan tafel’ met alle betrokken specialismes en partners).
(Omgevings) kwaliteit bewaken
Het behandelen van vergunningen en meldingen is voor ons geen doel op zich. We doorlopen deze procedures ter bescherming van een goede omgevingskwaliteit. Over de regels die hiervoor worden gesteld moet dan ook zorgvuldig worden nagedacht: ze moeten voldoende bescherming bieden maar ze moeten ook initiatiefnemers in staat stellen de leefomgeving te benutten. Daar horen algemene regels (zoals die in het omgevingsplan of de omgevingsverordening) bij, aangevuld met een stelsel van vergunningen en meldingen om zo een juiste afweging te kunnen maken van de belangen die bij een initiatief spelen. De kwaliteit, toepasbaarheid en eenduidigheid van deze regels bepalen voor een groot deel het gemak waarmee procedures worden doorlopen. In de uitvoering van vergunningverlening hebben we dan ook de belangrijke taak om de effectiviteit, nut en noodzaak van deze regels te blijven toetsen en daarover te adviseren zodat deze op een juiste wijze de omgevingskwaliteit blijven beschermen.
In onze procedures kijken en denken we daarom mee met initiatieven. We gaan uit van ‘ja, mits’. Hiervoor gaan we in gesprek met betrokkenen, kijken we zorgvuldig naar belangrijke omgevingswaardes (zoals bodemkwaliteit, geluid, externe veiligheid, natuur en historische waarde), raadplegen we deskundige adviseurs en betrekken we belangrijke partners. Samen bekijken we hoe een initiatief het beste kan bijdragen aan een verbetering van de omgevingskwaliteit. Dit betekent ook dat we een initiatief niet zo maar weigeren. Als het de omgevingskwaliteit niet ten goede komt, bekijken we wat wel kan en gaan we daarover persoonlijk het gesprek aan met de initiatiefnemer.
Bij de beoordeling van een initiatief richten we ons op de meest risicovolle en prioritaire zaken: we hebben aandacht voor wat er echt toe doet. Voor het overige vertrouwen we erop dat initiatiefnemer zijn verantwoordelijkheid neemt. Dit betekent dat we voor de diepgang van toetsing aansluiten bij onze risicoanalyse en het volgende hanteren:
•Activiteiten of aspecten met een hoog risico: we toetsen alle onderdelen grondig op het voldoen aan de gestelde normen waarbij we alle details van de aanvraag of melding diepgaand beoordelen, narekenen of meten.
•Activiteiten of aspecten met gemiddeld risico: we toetsen aanvragen of meldingen aan de hand van de meest relevante voorschriften (zoals die voor veiligheid en gezondheid) en op kenmerkende details. Dit doen we op basis van kennis en ervaring, waarbij we gebruik maken van toetsprotocollen, detailtekeningen, rapportages en narekening of –meting.
•Activiteiten of aspecten met een laag risico: we toetsen aanvragen en meldingen op hoofdlijnen op het voldoen aan de gestelde normen. Hiervoor controleren we onder andere of tekeningen en berekeningen kloppen door op basis van onze kennis en ervaring de rekenmethode te beoordelen of de gegevens te vergelijken met andere specificaties.
De vaste toets- en beoordelingskaders en de gewenste diepgang daarin worden door inhoudelijk deskundigen verder uitgewerkt in toetsprotocollen die we bij het beoordelen van vergunningen en behandelen van meldingen gebruiken. Zo kunnen we flexibel in (blijven) spelen op risico’s en ontwikkelingen zoals Best Beschikbare Technieken binnen het milieudomein of de beweging die gaande is rondom private kwaliteitsborging in het bouwdomein. Het stelt ons ook beter in staat om de kwaliteit en uniformiteit van toetsing te waarborgen.
Transparant, betrouwbaar en begrijpelijk besluiten
Een initiatiefnemer mag niet verrast worden door het besluit dat wordt genomen. Dat betekent niet alleen dat we voor het starten van de procedure hulp bieden, uitleg ge- ven en duidelijk zijn, maar dat we ook tijdens de procedure in gesprek blijven met initiatiefnemer over wat hij kan verwachten. Maar ook over wat van hem verwacht wordt. Hiertoe informeren we proactief over de status van de procedure, zijn we transparant over de afwegingen die gemaakt worden en communiceren we in begrijpelijke taal over het besluit dat genomen zal worden. Niet alle betrokkenen hoeven het eens te zijn met het schriftelijke besluit, maar het moet voor hen wel te volgen zijn wat we hebben overwogen, hoe we tot ons besluit zijn gekomen en wat op schrift staat valt voor hen te begrijpen. Ook de eventuele voorwaarden waaronder een initiatief uitgevoerd mag worden zijn begrijpelijk en zijn maar op één manier uitlegbaar. Om dit te waarborgen wordt in de uitvoering gebruik gemaakt van collegiale toetsing.
Toezichtstrategie
Deze aanpak geeft aan op welke wijze we toezien op omgevingsactiviteiten. Het zegt welke basiswerkwijzen we kiezen om het meeste effect op onze doelen te kunnen bereiken. We gaan daarbij uit van het principe dat van het houden van toezicht een preventieve werking uitgaat, waardoor een deel van de overtredingen wordt voorkomen. Toezichthouders kunnen met het voorlichten, adviseren en afspraken maken met betrokkenen in veel gevallen namelijk overtredingen voorkomen. Maar er ligt ook een belangrijke taak voor ons om met het houden van toezicht activiteiten in beeld te krijgen die buiten ons zicht plaatsvinden. Deze activiteiten kunnen namelijk ongemerkt tot nadelige gevolgen leiden voor de omgeving of kunnen zelfs ondermijnend zijn.
De wijze waarop we het toezicht uitvoeren is afhankelijk van risico, prioriteit en (naleef)gedrag. Daarom kiezen we voor alle omgevingsactiviteiten zowel in de realisatiefase
1bijvoorbeeld bij nieuwbouw, oprichting bedrijf en uitvoeren werkzaamheden
als in de gebruiksfase
2bijvoorbeeld bij gebruiksveiligheid bestaande bouw of een bedrijf dat inwerking is
en ongeacht de aanleiding van het toezicht
3zoals melding, vergunning, programmering, etc.
voor de hier genoemde basiswerkwijzen. Deze werkwijze en de aandachtspunten daarbij werken we per omgevingsactiviteit gedetailleerder uit in werkprocessen en toezichtprotocollen. Dit houdt onze uitvoering flexibel, waarmee we goed kunnen (blijven) inspelen op ontwikkelingen in het omgevingsrecht, inzicht in risico’s en kennis van technieken. Maar ook kunnen we daardoor gelijke procedures garanderen en kunnen we de effectiviteit van onze werkwijze jaarlijks evalueren en zo nodig eenvoudig bijsturen.
Preventief en proactief
De Omgevingswet geeft de belangrijke taak aan ons mee om de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Omdat voorkomen beter is dan genezen, richten we ook de aandacht van toezicht meer op de voorkant: we willen met het houden van toezicht zoveel mogelijk overtredingen voorkomen en het nemen van eigen verantwoordelijkheid voor een juiste uitvoering van de activiteit door inwoners en bedrijven stimuleren.
Beide worden in de toekomst steeds belangrijker. Ontwikkelingen kunnen immers de rol van het toezicht veranderen. Een voorbeeld is de mogelijke komst van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen waarbij de toezichtstaak van een deel van de nieuwbouw (waarbij we invloed hebben tijdens de bouw) verschuift naar toezicht op bestaande bouw (waarbij opsporing van overtredingen lastiger kan zijn). We zien dergelijke ontwikkelingen in steeds meer wettelijke kaders omdat deze wettelijke kaders ook uitgaan van een eigen verantwoordelijkheid van uitvoerenden. Daarom is het nodig dat we de bekendheid met regels, risico’s en maatregelen vergroten voordat de activiteit wordt uitgevoerd en tegelijkertijd stimuleren dat inwoners en bedrijven zelf gaan zorgen voor een juiste uitvoering van de activiteiten.
Daarmee wordt het belang van een preventieve werking van het toezicht benadrukt. Hiervoor is nodig dat we veel in het gebied komen, buiten zichtbaar zijn, in contact staan met en bereikbaar zijn voor de omgeving, tijdig betrokkenen informeren en hen zo nodig adviseren. Jaarlijks analyseren we daarom wat we moeten doen om nog meer preventieve werking uit te laten gaan van ons toezicht.
Data- en informatie gestuurd
Om proactief, efficiënt en effectief onze toezichtcapaciteit in te kunnen zetten, verzamelen we data en analyseren we deze. Zo komen we tot informatie die in beeld brengt waar in de regio welke inzet nodig is: wat zijn de risicovolle activiteiten, aspecten, bedrijven, gebieden etc.? Op deze wijze kunnen we beter voorspellen waar inzet van toezicht nodig is of wordt. En kunnen we ook beter inschatten welke aanpak noodzakelijk is: gaan we fysiek langs (alleen of met een partner), houden we administratief toezicht of zetten we bepaalde (innovatieve) middelen in? Kortom: door het gebruik van data-analyse kunnen we ‘slimmer’ toezicht houden.
Risico- en prioriteitgericht
We richten onze aandacht op dat wat de meeste risico’s met zich meebrengt en in ons beleid de hoogste prioriteit heeft gekregen. De mate waarin we toezicht houden en de diepgang waarmee we het toezicht uitvoeren wordt daarmee gestuurd door het effect dat de activiteit heeft op de fysieke leefomgeving en/of de kans op niet-naleving van de regels daarbij. Concreet betekent dit dat we grondiger toezicht houden op die aspecten waarbij de risico’s het grootst zijn. Hiermee ligt onze focus het meest op het beheersen van de negatieve effecten voor veiligheid en gezondheid nu dat onze hoogste prioriteit heeft.
Daarom sluiten we voor de diepgang van het toezicht aan op de risicoanalyse en hanteren we de volgende toezichtniveaus:
1Activiteiten of aspecten met een hoog risico: verleende vergunningen, afgehandelde meldingen of ontvangen klachten controleren we grondig op alle kritische details. We doen dit op basis van kennis en ervaring, waarbij we gebruik maken van toezichtprotocollen. In de gebruiksfase worden de activiteiten onderworpen aan periodiek toe- zicht, dat afgestemd wordt op risico, naleefgedrag en omgeving.
2Activiteiten of aspecten met een gemiddeld risico: verleende vergunningen, afgehandelde meldingen of ontvangen klachten controleren we op de meest relevante voorschriften (zoals die voor veiligheid en gezondheid). We laten ons hierbij leiden door kennis en ervaring en maken gebruik van ‘snelle hulpmiddelen’ zoals (digitale) tekeningen.
We pakken deze taken zoveel mogelijk regionaal, uniform en programmatisch (branche- of themagericht) op.
3Activiteiten of aspecten met een laag risico: hierbij controleren we niet actief. Als de capaciteit het toe laat, voeren we wel steekproefsgewijs een controle uit voor een indicatie op de naleving (wanneer de naleving verslechtert, kan dat aanleiding zijn om de activiteit hoger te gaan prioriteren). Handhavingsverzoeken op deze activiteiten moeten vanwege onze handhavingsplicht overigens wel altijd opgevolgd worden.
In onze toezichtprotocollen werken we verder uit welke onderdelen of details we controleren en op welke wijze we dit doen. We integreren hierin zoveel mogelijk landelijk ontwikkelde protocollen en richtlijnen om voldoende kwaliteit van het toezicht en een gelijke behandeling voor een ieder te garanderen.
Integraal en samen
Vanwege de samenhang van verschillende waarden in onze leefomgeving, kijken we zoveel mogelijk integraal en werken daartoe ook samen met onze partners. Dit betekent dat we bij het uitvoeren van toezicht kijken naar de diverse relevante aspecten, ook als deze niet de directe aanleiding van het toezicht vormen. Hierdoor kunnen we ook signaleren voor onze samenwerkingspartners. We voeren het toezicht gezamenlijk uit wanneer de complexiteit van de activiteit om meer specifiek inhoudelijke kennis vraagt.
Communiceren en overtredingen rapporteren
Ter bevordering van het naleefgedrag en het nemen van eigen verantwoordelijkheid door inwoners en bedrijven, zetten we in op het verkleinen van de kans dat niet-naleving zich voordoet. Jarenlang is de aandacht van het toezicht uitgegaan naar controle op de regels. We willen ons in de komen- de beleidsperiode meer gaan richten op het gedrag dat aan de naleving van regels ten grondslag ligt. Hiervoor is het nodig om meer bewustwording te creëren bij betrokkene over regels, het waarom van deze regels en de effecten die zijn gemoeid met het niet-naleven van deze regels. We willen daarom nog meer gaan inzetten op de communicatie en samenwerking met inwoners en bedrijven. We waken ervoor dat we daarbij op de stoel van betrokkene gaan zitten: we leggen de verantwoordelijkheid voor een constructieve oplossing neer daar waar die hoort. We stemmen daartoe af met betrokkene. We bieden betrokkene op deze wijze ook de ruimte om zelf over te gaan tot herstel van eventuele overtredingen.
Overtredingen en herstel daarvan leggen we vast in ons VTH-systeem zodat deze data kan worden gebruikt voor analyse (van bijvoorbeeld naleefgedrag). Als een oplossing niet vlot wordt bereikt en/of betrokkene niet bereid is tot medewerking, gaan we over tot handhaving door middel van een formele sanctie. In situaties waar acuut gevaar dreigt of andere spoedeisende belangen direct optreden vereisen gaan we altijd over tot een formele handhavingssanctie. Als we tot toepassing van een handhavingssanctie overgaan, leggen we de keuze hiertoe uit aan betrokkene. We maken in deze gevallen een rapport op van de feiten en omstandig- heden van de overtreding. Om te komen tot dit rapport, maken we gebruik van onze toezichtprotocollen en de Landelijke Handhavings- strategie. Over het opstellen van dit rapport zijn we transparant naar betrokkene en zo nodig verstrekken we de meest relevante gegevens via een bevindingenbrief.
Sanctiestrategie
Deze aanpak geeft aan op welke wijze we optreden tegen overtredingen. Het uitvoeren van onze handhavende taak is erop gericht om overtredingen te beëindigen, herhaling te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken of te herstellen. Dit doen we door zoveel mogelijk op constructieve en informele wijze het gesprek met betrokkene aan te gaan. Maar als een informele oplossing niet vlot wordt bereikt en/of betrokkene niet bereid is tot medewerking, zetten we een passende bestuurlijke sanctie in. We hebben namelijk niet alleen de bevoegdheid om op te treden, maar we zijn daartoe ook verplicht gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving (zogenoemde ‘beginselplicht tot handhaven’). Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden, dan mogen we van handhaving afzien.
Op het juiste moment, op de juiste plek, de juiste interventie is waar wij ons toe inzetten. Daarvoor zijn de concrete feiten en omstandigheden van het geval bepalend. In elke situatie wordt bepaald welke aanpak het beste is en welke maatregelen passend zijn. Ter bevordering van een gelijke behandeling gebruiken we daarbij de Landelijke Handhavingsstrategie, onze richtlijn voor geharmoniseerde sancties en vaste werkprocessen. De keuze in aanpak en maatregelen leggen we altijd aan betrokkene uit.
Landelijke Handhavingsstrategie
De basiswijze waarop we optreden tegen overtredingen wordt gevormd door de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS
4Landelijke Handhavingsstrategie, zie www.infomil.nl
). De LHS dient om passend en uniform in te kunnen grijpen bij bevindingen die zijn gedaan tijdens het toezicht en verbindt het bestuurs- en strafrecht met elkaar. Afhankelijk van de ernst van de overtreding en het gedrag van de overtreder wordt via de interventiematrix gekozen voor een handhavingsaanpak. We verwerken de LHS in onze werkprocessen van toezicht en handhaving om een juiste uitvoering te borgen. Als de LHS wordt geactualiseerd, zullen wij onze werkprocessen daarop bijstellen.
Via de volgende stappen wordt tot het juiste optreden gekomen:
Stap 1: Positionering bevinding in de interventiematrix
Aan de hand van het gedrag van de overtreder en de (gevolgen van de) overtreding wordt de uitgangspositie in de interventiematrix (zie volgende pagina) bepaald. Bij verzachtende argumenten (zoals legalisatie) wordt de bevinding één segment naar links en vervolgens één segment naar onder in de matrix verplaatst. Bij verzwarende argumenten (waaronder recidive) is de verplaatsing één segment naar rechts en vervolgens één segment naar boven. Als er meer verzachtende of verzwarende argumenten zijn. levert dit toch maar één verplaatsing op.
Stap 2: Bepalen verzwarende omstandigheden
De toezichthouder bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die betrokken moeten worden bij de af weging om het bestuurs- en/of strafrecht toe te passen. Hoe meer verzwarende Aspecten, hoe meer reden om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk te handhaven.
o Verkregen financieel voordeel
o Status overtreder I voorbeeldfunctie
o Financiële sanctie heeft vermoedelijk geen effect
o Combinatie met andere relevante delicten
o Medewerking van deskundige derden
o Normbevestiging
o Waarheidsvinding
Stap 3: Bepalen of inzet bestuurs-en/of strafrecht nodig is
De toezichthouder bepaalt of toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht nodig is op basis van de beoordeling van de bevinding met de interventiematrix (stap 1) en de af weging van verzwarende aspecten (stap 2). Hierdoor vindt een weloverwogen inzet van het bestuursrecht, het bestuurs- én strafrecht of alleen het strafrecht plaats.
Stap 4: Optreden met de interventiematrix
De LHS gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft.
Stap 5: Vastlegging
De doorlopen stappen en genomen beslissingen worden verifieerbaar en transparant vastgelegd.
Via deze interventiematrix van de LHS wordt de bevinding gepositioneerd en het optreden bepaald:
Informeel overleg
Informeel herstel staat bij ons voorop. De LHS biedt daartoe de ruimte omdat het uitgaat van het principe zo licht mogelijk te starten met interveniëren en pas zwaardere interventies inzetten als naleving uitblijft. Daarom gaan we na constatering van een overtreding zoveel mogelijk eerst het gesprek aan met betrokkene. In dit gesprek informeren wij betrokkene over de regels, de bedoeling achter deze regels en de overtreding die is geconstateerd. Als er ruimte toe is, wordt (zoveel mogelijk al in de toezichtfase) samen bekeken of de situatie kan worden opgelost door bijvoorbeeld legalisatie of informeel herstel. In dat geval wordt een afspraak gemaakt over de termijn waarbinnen de oplossing wordt gerealiseerd.
•Handhavingsverzoek
Er is minder ruimte voor informeel overleg als er een handhavingsverzoek is ingediend door een belanghebbende derde. Er geldt dan in beginsel een korte wettelijke termijn van acht weken voor ons handhavend optreden. Dit ter bescherming van de derde die kennelijk nadelige gevolgen ervaart van de overtreding. Als de overtreder binnen deze termijn van acht weken proactief meewerkt aan tijdig herstel van de situatie, kan het opleggen van een sanctie alsnog achterwege blijven. Anders zijn we genoodzaakt tot het opleggen van een formele sanctie.
•Acuut gevaar of andere spoedeisende belangen
Bij overtredingen met acuut gevaar of andere spoedeisende belangen, wordt ook direct handhavend opgetreden. Dat is bijvoorbeeld vaak het geval wanneer de overtreding boven in de interventie- matrix wordt gepositioneerd of dat er naast het bestuursrecht ook strafrecht wordt toegepast. Er is dan geen ruimte om een informele oplossing te zoeken.
Daadkrachtig optreden
Slaagt het informeel overleg niet omdat een oplossing niet vlot wordt bereikt en/ of betrokkene niet meewerkt, dan treden we daadkrachtig op. Dit betekent dat we dan een formeel besluit nemen tot het toepassen van een sanctie conform de LHS. Om een gelijke behandeling te bevorderen maken we hierbij gebruik van onze richtlijn geharmoniseerde sancties (bijlage 2). Daadkrachtig optreden betekent ook dat we het handhavend optreden doorzetten totdat de overtreding volledig is hersteld. We gaan dus altijd tot effectuering van de sanctie over als de overtreding niet tijdig is beëindigd. Er vindt geen nieuwe afweging plaats. Dit is een vast proces zodat we gelijke procedures en gelijke behandeling kunnen garanderen.
Het toepassen van een sanctie wordt duidelijk gecommuniceerd naar betrokkene. Dit doen we door eerst een conceptbesluit te sturen (‘een voornemen’). Hierin leggen we in begrijpelijke taal uit welke maatregelen nodig zijn en binnen welke termijn. Voordat we deze brief zenden, proberen we telefonisch contact te leggen met betrokkene om de brief aan te kondigen. Zo weet hij wat hij kan verwachten, kunnen we de betekenis van de brief toelichten en is het betrokkene vooraf duidelijk wat hij kan doen als hij het er niet mee eens is. Op het voornemen kan betrokkene binnen twee weken reageren. Zijn reactie wordt meegewogen in het definitieve besluit om al dan niet de sanctie op te leggen.
Optreden tegen eigen / ander bestuursorganen
Het kan voorkomen dat de gemeente en/of een ander bestuursorgaan een overtreding begaat waartegen handhavend moet worden opgetreden. De handhaving is in dat geval niet anders dan hoe we dit toepassen bij inwoners, bedrijven en bezoekers. Dat betekent dat we ook hier eerst een kans bieden tot informeel her- stel, maar wanneer daartoe niet vlot wordt overgegaan, we met toepassing van de LHS een formeel besluit tot handhaving nemen. Dit sluit aan bij ons uitgangspunt van een gelijke behandeling en gelijke procedures.
Gedoogstrategie
Deze aanpak geeft aan op welke wijze we besluiten om handhaving achterwege te laten. De 'beginselplicht tot handhaven' is leidend vanwege het algemeen belang dat daarmee is gediend. Het uitgangspunt is dan ook dat regels worden nageleefd en dat zo nodig daarop wordt gehandhaafd. Alleen bij bijzondere omstandighedenkan van handhaving worden afgezien. Om een gelijke behandeling te waarborgen, volgen we de landelijk geformuleerde richtlijnen voor gedogen. Dat betekent dat we kiezen voor de volgende werkwijze.
Landelijke richtlijn 'gedogen in Nederland'
Bij kamernota (Tweede kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 085) is landelijk duidelijkheid geschept over wat gedogen is, of en zo ja in welke gevallen, in welke mate en onder welke voorwaarden gedogen aanvaardbaar kan zijn en welke middelen ingezet worden om de oorzaken van gedoogpraktijken te voorkomen. Wanneer gedogen aan de orde is, volgen wij deze nota. Dat betekent dat wij onder gedogen verstaan: het (nog) niet handhavend optreden na constateren van een overtreding door onze toezichthouders. Met andere woorden: bij ons moet bekend zijn dat er sprake is van een overtreding waarbij wij bewust de keuze maken (nog) niet handhavend op te treden. Wij maken van onze bevoegdheid tot gedogen slechts terughoudend, zorgvuldig en op verantwoorde wijze gebruik. Gedogen is voor ons daarom alleen aanvaardbaar als aan de volgende vier voorwaarden wordt voldaan:
1Slechts in uitzonderingsgevallen
De afweging die bij het stellen van regels is gemaakt, doen wij niet over. Naleving van de regels is dus het uitgangspunt. In sommige situaties kan gedogen echter rechtvaardig zijn, namelijk wanneer (a) handhaving duidelijk onrechtvaardig is, (b) het achterliggende belang van de regels beter gediend wordt met gedogen dan met naleven of (c) wanneer een ander zwaarwegend belang gedogen rechtvaardigt.
2Mits beperkt in omvang en/of tijd
Omdat gedogen alleen in uitzonderingsgevallen aan de orde mag zijn, betekent het ook dat het niet langer of in grotere mate mag plaatsvinden dan door de situatie gerechtvaardigd wordt.
Doet de uitzonderingssituatie zich niet meer voor, dan moet alsnog tot handhaving worden overgegaan. Als gedogen omvangrijk wordt of structureel dreigt te worden, moet heroverweging van de regel zelf plaatsvinden. Als dat (nog) niet mogelijk is, moet overwogen worden of !egalisering aan de orde kan zijn. Waar (tijdelijk) legalisering van de overtreding mogelijk is, verdient dit altijd de voorkeur boven gedogen.
3Vindt expliciet en na zorgvuldige kenbare belangenafweging plaats
Gedogen is pas aan de orde wanneer dit door ons, expliciet, schriftelijk en na zorgvuldige kenbare belangenafweging is verklaard. De verklaring tot gedogen moet voor betrokkene duidelijk maken waar deze aan toe is en stelt eventuele derden-belanghebbenden in staat daartegen op te komen. Hierom zal de verklaring tot gedogen volstrekt duidelijk moeten zijn over de gedragingen die gedoogd worden, de termijn gedurende welke dat het geval zal zijn en welke voorwaarden daarbij gelden. Dit alles om de afwijking van de wet zo beperkt mogelijk te houden
4Is aan controle onderworpen
Afhankelijk van de situatie zal regelmatig toezicht moeten plaatsvinden.
Op deze wijze kan worden gecontroleerd of de overwegingen die tot gedogen hebben geleid nog actueel zijn. Ook kan zo worden gecontroleerd of de beperking in tijd, omvang of overige voorwaarden worden nageleefd. Zo niet, dan moet alsnog tot handhaving worden overgegaan.
5. De organisatie
Onze VTH-organisatie
De organisatie van het VTH-werk richten we zodanig in dat we onze taken en verantwoordelijkheden betrouwbaar, deskundig en met een goede kwaliteit uit kunnen voeren. We stemmen het af op dit beleid, waardoor we rekeninghouden met de effecten en doelen die we willen bereiken en de prioriteiten die we daarvoor hebben gesteld. Zo programmeren we jaarlijks het VTH-werk in het uitvoeringsprogramma. We hebben daarbij oog voor de in de wet gestelde voorwaarden aan de wijze waarop we het werk organiseren.
Voldoen aan kwaliteitscriteria
Om een goede kwaliteit van de uitvoering van VTH-taken te waarborgen, hebben we bij verordening regels gesteld die de landelijke kwaliteitscriteria van toepassing verklaren. Deze kwaliteitscriteria stellen regels voor:
•Proces (beleid, uitvoeringsprogrammering, werkvoorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie)
•Inhoud (inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten)
•Kritieke massa (deskundigheid en continuïteit van het personeel)
Vanuit de verordening zijn we jaarlijks verplicht om mededeling te doen aan de gemeenteraad over het voldoen aan de kwaliteitscriteria. Daarbij moet gemotiveerd opgave worden gedaan over de criteria waaraan niet wordt voldaan.
Scheiding taken
Om een objectieve beoordeling en voldoende kwaliteit te waarborgen, zijn organisatorische scheidingen aangebracht tussen bepaalde uitvoeringstaken.
Dit betekent in de uitvoering dat bijvoorbeeld de medewerker die toezicht houdt of handhaaft, niet degene is die de vergunning heeft beoordeeld en verleend.
Roulatiesysteem toezichthouders
Voor objecten, partijen en bedrijven waar frequent en intensief controles worden uitgevoerd, zorgen wij ervoor dat we rouleren in onze toezichtstaak. Dat betekent dat we ervoor zorgen dat toezichthouders periodiek afwisselen in het toezicht op branches en gebieden waarbinnen regelmatig handhavingsactiviteiten worden uitgevoerd. Ter voorkoming van ‘blindheid’.
Vastlegging taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
Voor alle medewerkers die VTH-taken uitvoeren hebben wij de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden vastgelegd in een functiebeschrijving/aanstelling. Meer in het bijzonder hebben we de aanwijzing en organisatie van buiten- gewone opsporingsambtenaren (Boa’s) vastgelegd. Zowel voor de Boa’s als voor de toezichthouders, beschikken we over aanwijzingsbesluiten daartoe van het college van burgemeester en wethouders. We houden ook voor alle medewerkers op persoonsniveau bij in hoeverre wordt voldaan aan de kwaliteitscriteria die zien op ‘de kritieke massa’ (oftewel: het persoonlijk vakmanschap).
Uitbesteden van VTH-taken
Wij beschikken over een regeling voor het uitbesteden van vergunningverlening, toezicht en handhaving aan externe organisaties. Als werk wordt uitbesteed, dan wordt in een overeenkomst concreet vast gelegd om welke taken het gaat, welke middelen ervoor worden ingezet en wordt de uitvoerende verplicht te voldoen aan de kwaliteitscriteria die ook voor onze eigen uitvoering gelden.
Bereikbaarheid buiten kantooruren
We hebben een bereikbaarheids- en beschikbaarheidsregeling voor buiten kantooruren. Hiertoe beschikken we over een piketregeling.
Onze samenwerkingspartners
In onze zorg voor een prettige, veilige en duurzame (fysieke) leefomgeving in regio Rivierenland werken we samen met inwoners, bedrijven en partners. De belangrijkste partners waarmee we op goede en constructieve wijze samenwerken, zijn hieronder genoemd.
Omgevingsdienst Rivierenland
Omgevingsdienst Rivierenland (OOR) is een belangrijke samenwerkingspartner. Wettelijk is het verplicht om de zogenoemde 'basistaken' door de omgevingsdienst te laten uitvoeren. Dit zijn VTH-taken op het gebied van milieu. Er zijn echter meer taken bij de OOR belegd. Niet alleen in de uitvoering van ver gunningverlening, toezicht en handhaving, maar ook in het adviseren over belangrijke omgevingswaarden zoals bodemkwaliteit, duurzaamheid, geluid, natuur en historie ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Daarmee is OOR voor ons een belangrijke partner in het uitvoeren van VTH-taken en advisering op het gebied van het Omgevingsrecht. Welke taken zij namens ons uitvoert, wordt jaarlijks vastgelegd in een programma. Dit programma stellen we steeds samen op, zodat we samen zorgdragen voor een doelmatige uitvoering.
Gelderse Omgevingsdiensten
OOR werkt samen met de zes andere omgevingsdiensten in Gelderland. Ze vormen een stelsel waar in elke omgevingsdienst naast de werkzaamheden voor zijn eigen regio, ook taken voor heel Gelderland uitvoert. Stelseltaken zoals coördinatie en kwaliteit, handhaving complexe bedrijven en de bestuurlijke strafbeschikking milieu zijn daarmee bij één omgevingsdienst belegd die dit voor het hele stelsel uitvoert. OOR voert namens de Gelderse Omgevingsdiensten het ketentoezicht uit, dat zich richt op het terugdringen van milieucriminaliteit.
Gemeenten regio Rivierenland en Provincie Gelderland
Een goede fysieke leefomgeving stopt niet bij onze gemeentegrens. Van bouwprojecten tot bedrijfsketens, van een gezonde lucht tot ondermijnende activiteiten, bij veel uitvoeringstaken hebben we onze buurgemeenten en de provincie nodig. Ook voor onze inwoners en bedrijven is het fijn als er onderling goed wordt samengewerkt en dat zij eenzelfde speelveld hebben als in de omliggende gemeenten. Niet alleen bij vergunningverlening, toezicht en handhaving, maar ook in zoveel mogelijk gelijke re gels. Hierom zoeken we bij activiteiten of effecten die de gemeentegrens overschrijden, elkaar op en werken we samen. We overleggen samen over initiatieven, gaan samen op controle en treden zo nodig integraal op. Het regio breed beleggen van VTH taken bij OOR draagt bij aan deze samenwerking en uniformiteit.
Veiligheidsregio Gelderland-Zuid
De Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) is een organisatie voor brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en voorbereiding en coördinatie op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing in onze regio. We werken daarom vooral samen op het gebied van (brand)veiligheid. We kijken gezamenlijk hoe we steeds beter kunnen zorgen voor een meer samenhangende benadering van en een integrale afweging in initiatieven in de fysieke leef- omgeving en leggen dit vast in onderlinge werkafspraken.
Waterschap Rivierenland
Het waterschap zorgt voor voldoende schoon water en veilige dijken. Daartoe zijn regels gesteld. Veel werkzaamheden in de buurt van een dijk, het water of een weg die in beheer is van het waterschap, zijn daarom niet zo maar toegestaan. Vaak is er een vergunning nodig en het waterschap ziet er ook op toe dat deze regels worden nageleefd. Onze VTH-taken vallen dan ook soms samen. In die gevallen stemmen we vergunningverlening, toezicht en handhaving op elkaar af.
Politie en Openbaar Ministerie (OM)
Op het strafrechtelijk vlak werken we samen met politie en Openbaar Ministerie (OM). Bij toepassing van de LHS of wanneer strafrechtelijk optreden is vereist, bijvoorbeeld bij de vervolging van milieuovertredingen en/of situaties waarbij sprake is van economische delicten, vindt afstemming met deze partners plaats. Deze afstemming gebeurt ook op dossierniveau, bijvoorbeeld bij een constatering van een hennepkwekerij in een woning of bedrijf.
Rijkswaterstaat
Rijkswaterstaat is de uitvoeringsorganisatie die werkt aan een veilig leefbaar en bereikbaar Nederland. De organisatie beheert en ontwikkelt de rijkswegen, -vaarwegen en –wateren en zet in op een duurzame leefomgeving. Ook deze taken vallen soms samen met onze VTH-taken. Ook in die gevallen stemmen we vergunningverlening, toezicht en handhaving op elkaar af.
GGD Gelderland -Zuid
De Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) heeft als hoofdtaak het beschermen, bewaken en bevorderen van de gezondheid. De gezondheid wordt met de komst van de Omgevingswet een expliciet belang dat binnen de VTH-taak moet worden mee gewogen. De Omgevingswet gaat ervan uit dat met het gezonder inrichten van de leefomgeving, er veel gezondheidswinst kan worden geboekt. Het is een belang waarmee we (nog) weinig ervaring hebben opgedaan. Het is daarom belangrijk om goed samen te werken met een partner als de GGD die over veel kennis op dit gebied beschikt. We kijken gezamenlijk hoe we steeds beter kunnen zorgen voor een meer samenhangende benadering van en een integrale afweging in initiatieven in de fysieke leefomgeving en leggen dit vast in onderlinge werkafspraken.
Gelders Genootschap
Het Gelders Genootschap is een vereniging van 55 ledengemeenten, waarvan 51 in Gelderland. Binnen deze vereniging wordt gezamenlijk gestreefd naar een goede omgevingskwaliteit, door het in stand houden en bevorderen van de schoonheid van stad en land. Hiertoe worden gemeenten vanuit het Gelders Genootschap geadviseerd over architectuur, cultureel erfgoed, landschap, stedenbouw en infra- structuur.