Gemeentelijke regelgeving

Nadere regels behorende bij de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Muiden 2015

Gemeente Muiden · geldt sinds 1 januari 2015

Nadere regels behorende bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Muiden 2015

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1. Definities

1In deze nadere regels wordt verstaan onder:

a.CAK-periode: Een periode van vier weken op basis waarvan het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de bijdrage in de kosten, zoals bedoeld in artikel 11 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Muiden 2015, vaststelt.

2Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Muiden 2015 en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Hoofdstuk 2: Het Persoonsgebonden budget

Artikel 2. Maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget

1.Verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) vindt, op grond van artikel 10 van de verordening, plaats op verzoek van cliënt.

2Wanneer cliënt ondersteund wordt via een pgb gelden in ieder geval de volgende verplichtingen:

a.Het pgb wordt uitsluitend gebruikt voor het betrekken van ondersteuning ten behoeve van het in de beschikking vastgelegd resultaat.

b.Cliënt sluit een particuliere aansprakelijkheidsverzekering af voor schade die door het gebruik van de voorziening niet zijnde een dienst, aan derden kan ontstaan.

Artikel 3. Hoogte pgb

De hoogte van het pgb wordt op maat vastgesteld.

2De maximaletegenwaarde van het pgb wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van de voorziening in natura en met aftrek van de uitvoeringskosten voor het beheer door de SVB.

3Binnen het in lid 2 genoemd maximum, wordt voor de vaststelling van de hoogte van het pgb uitgegaan van de (werkelijke) kostprijs van de aan te schaffen voorziening.

4Wanneer cliënt niet professionele ondersteuning verwerft/via het informele circuit ondersteuning verwerft, wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van het geldend minimum uurloon.

5Een pgb ten behoeve van verhuizing en inrichting bedraagt de werkelijke kosten tot maximaal € 2.500

6Een pgb voor het gebruik van een (rolstoel)taxi/individueel taxivervoer bedraagt maximaal € 2.855 per jaar.

7Een pgb ten behoeve van het gebruik/aanpassing van een eigen auto bedraagt maximaal € 750 per jaar.

8Aan het verkrijgen van een pgb voor een autoaanpassing, zijn de volgende voorwaarden verbonden:

a.de cliënt vraagt minimaal twee offertes aan;

b.het college accepteert de geldende offerte.

9Een pgb ten behoeve van tijdelijke huisvesting of dubbele woonlasten bedraagt maximaal de werkelijk gemaakte kosten, met als maximum de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.

10Een pgb ten behoeve van het bezoekbaar maken van een woonruimte bedraagt maximaal € 5.000.

11Een pgb voor de aanschaf van een sportvoorziening bedraagt maximaal € 2.500.

12Indien cliënt op basis van lid 2 tot en met lid 11 van dit artikel aantoonbaar niet in staat wordt gesteld de nodige ondersteuning te verwerven, wordt de hoogte van het pgb aangepast aan het geldbedrag dat nodig is om de ondersteuning te verwerven.

13Indien een pgb wordt verstrekt voor de aanschaf van goederen kan er een (jaarlijks) bedrag worden verstrekt ter dekking van een deel van of de totale onderhouds- en reparatiekosten. De maximale vergoeding staat gelijk aan het bedrag voor onderhouds- en reparatiekosten voor de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura.

14Het tarief voor maatwerkvoorzieningen in natura wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index. Hier wordt bij de toekenning van het pgb rekening mee gehouden.

Artikel 4. Hoogte pgb overgangsrecht AWBZ naar Wmo

Voor cliënten die naar aanleiding van de overgang van de AWBZ naar de Wmo 2015 een overgangsrecht hebben, wordt de maximale hoogte van het pgb bepaald aan de hand van het in 2014 voor de functie toegekend budget, met aftrek van de uitvoeringskosten voor het beheer door de SVB.

Artikel 5. Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen

1Met uitzondering van de rolstoel en een maatwerkvoorziening hulpmiddelen voor jeugdigen tot 18 jaar, is de cliënt voor het gebruik van een maatwerkvoorziening een bijdrage in de kosten verschuldigd.

2Conform artikel 2.1.4. van de wet wordt de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, met uitzondering van die voor opvang, vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

3De bedragen die gelden voor een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 onder a van de verordening, zijn gelijk aan de maximale bedragen zoals opgenomen in artikel 3.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Deze bedragen worden, onverminderd artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, jaarlijks gewijzigd bij ministeriële regeling aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie.

4De bedragen die gelden voor een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 onder b en c, vallen binnen de kaders zoals gesteld in artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en bedragen nooit meer dan de werkelijke kostprijs van het verblijf.

5Wanneer cliënt via het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer gecompenseerd wordt (Wmo-taxi) dan is er geen sprake van een bijdrage in de kosten zoals bedoeld in lid 1 tot en met 4 van dit artikel. Er is dan sprake van een reizigersbijdrage (per zone) die overeenkomt met de geldende tarieven van het reguliere openbaar vervoer.

Artikel 6: hoogte en vaststelling bijdrage in de kosten voor opvang

1Onverkort artikel 3.10 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, is cliënt een bijdrage in de kosten voor opvang zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 onder c van de verordening verschuldigd. Deze verplichting geldt voor iedere kalenderdag waarop de cliënt in de opvang verblijft en voor de looptijd dat de cliënt gebruik maakt van opvang;

2Ingevolge artikel 11 lid 6 van de verordening mandateert het college de Stichting RIBW Gooi & Vechtstreek te Huizen en de Stichting Blijfgroep te Amsterdam tot het opleggen en innen van de bijdragen voor opvang zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 onder c van de verordening;

3De instellingen belast met het opleggen en innen van bijdrage voor opvang zijn verplicht aan het CAK een mededeling te doen van de bijdragen die zijn vastgesteld, voor zover niet betrekking hebbende op personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld (artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015);

4De kostprijs per 4 weken voor opvang wordt per instelling als volgt berekend:

1.Som der jaarlijkse lasten volgens de begroting : aantal opvangplaatsen: 52 weken x 4 weken;

5De bijdrage per kalenderdag zoals genoemd in lid 1wordt als volgt berekend: eigen bijdrage per 4 weken, maal 13 perioden, gedeeld door 365,25;

6De bijdrage is maximaal het verschil tussen het netto inkomen inclusief vakantiegeld en de norm voor zak- en kleedgeld conform artikel 23 van de Participatiewet, gecorrigeerd met de zorgtoeslag zoals dat geldt voor het lopende kalenderjaar;

7Voor cliënten, met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm, en gebruik maken van opvang gelden vaste bijdragen, conform bijlage 1 bij deze nadere regels;

8Voor cliënten met een inkomen boven 110% van de bijstandsnorm, en gebruik maken van opvang wordt de in het vierde lid bedoelde vaste eigen bijdrage verhoogd met 10% van de vaste eigen bijdrage;

9Gedurende het kalenderjaar kan de bijdrage voor opvang slechts worden bijgesteld indien de inkomsten op grond waarvan de bijdrage is vastgesteld, zijn vervallen of verminderd.

10Indien de instelling die opvang biedt geen voeding verstrekt aan de cliënt, kan het bedrag voor de bijdrage in de kosten verminderd worden met een bedrag voor voeding. Hierbij wordt uitgegaan van het bedrag dat het Nibud in het betreffende hiervoor hanteert. Indien dit bedrag (nog) niet bekend is, wordt aangesloten bij de normen van het voorgaande jaar.

11Voor elk kalenderjaar worden de bijdragen voor opvang aangepast op basis van de voor het kalenderjaar geldende bijstandsnormen. De geldende bijdragen voor 2014 zijn uitgewerkt in bijlage 1 bij deze nadere regels en worden voor het eerst per januari 2015 aangepast.

Artikel 7. Inwerkingtreding

1Deze nadere regels treden in werking gelijktijdig met de inwerkintreding van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Muiden 2015.

2Het Besluit behorende bij de Verordening wet maatschappelijke ondersteuning 2013 wordt ingetrokken gelijktijdig met de inwerkintreding van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente 2013.

Artikel 8. Citeertitel

Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als: “Nadere regels behorende bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Muiden 2015”.

de gemeentesecretaris,

mw.mr. M.J. Schadé

de burgemeester,

mw.M.L. de Pater – van der Meer

Bijlage 1 – Maandelijkse bijdragen in de kosten voor Opvang 2014

1Deze bedragen worden jaarlijks aangepast naar de dan geldende bijstandsniveaus

Tabel 1:

bijstandsnorm/-hoogte

Leeftijdscategorie

Inkomsten bijstandsniveau

Norm persoonlijke uitgaven

Ruimte in inkomen bij inkomenssituatie op bijstandsniveau

Bijdrage in de kosten bij inkomenssituatie tot 110% bijstandsniveau

Extra bijdrage in de kosten bij inkomenssituatie boven 110% bijstandsniveau

Alleenstaande

18-65 jaar

€ 851,73

€ 402,32

€ 449,41

€ 440

€ 44

Alleenstaande

vanaf 65 jaar

€ 1.079,16

€ 402,32

€ 676,84

€ 670

€ 67

(exclusief voeding)

(€ 510)

(€ 0)

Alleenstaande ouder

18-65 jaar

€ 1.122,64

€ 402,32

€ 720,32

€ 720

€ 72

(exclusief voeding)

(€ 510)

(€ 0)

Gehuwden

18-65 jaar

€ 1.303,09

€ 671,19

€ 631,90

€ 630

€ 63

(exclusief voeding)

(€ 510)

(€ 0)

Tabel 2:

Dagelijkse kosten voeding (bron: Nibud)

Per gezin per maand

1persoon (1 volwassene)

€ 194,50

2personen (1 volwassene + 1 kind)

€ 304,38

3personen (1 volwassene + 2 kinderen)

€ 350,03

4personen (1 volwassene + 3 kinderen)

€ 398,73

5personen (1 volwassene + 4 kinderen)

€ 485,48

6personen (1 volwassene + 5 kinderen)

€ 572,23

7personen (1 volwassene + 6 kinderen)

€ 658,97

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.