Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026

Gemeente Montferland · geldt sinds 17 oktober 2026

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland;

Overwegende dat:

Het wenselijk is om Beleidsregels op te stellen voor het beleid over en de uitvoering van te verstrekken maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);

Gelet op:

De Wmo 2015, voor een gezamenlijke toekomst, “visie Sociaal Domein gemeente Montferland 2025 – 2033”, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Montferland 2026

Besluit vast te stellen de:

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026

Artikelen 2.3.2 en 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 en 3 Verordening

Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 4 van de Verordening

3 Beoordelen van de aanspraak

3.2 Algemene criteria

3.2.1 Therapeutische doelstelling en effect op gezondheid

Het al dan niet aanwezig zijn van een therapeutische doelstelling is niet het criterium dat het college moet beoordelen tijdens het onderzoek (CRVB:2023:349). Het gaat om de mate waarin een (gevraagde) maatwerkvoorziening een passende bijdrage vormt aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Therapeutische doelen hebben betrekking op behandeling op grond van de Zvw (zie verder 3.3.2 van deze beleidsregels). Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 (ook) niet relevant. Het werken aan bijvoorbeeld conditie is geen resultaatgebied waar gemeenten op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor zijn (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Een risico op zelfverwaarlozing kan wel aanleiding zijn om begeleiding te indiceren (vgl. CRVB:2020:3471).

3.2.2 Eigen kracht

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is de eigen kracht van de cliënt. Daaronder wordt in het algemeen dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. Hij zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 echter niet verplicht. Tijdens het onderzoek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken.

Letterlijk eigen kracht

Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272).

Andere wetten

Tijdens het onderzoek wordt (ook) gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet. Dat valt binnen de eigen kracht (zie verder 3.3 van deze beleidsregels).

3.2.3 Algemeen gebruikelijke voorziening

Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, naar oordeel van het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in 2019 een uitspraak gedaan over het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De CRvB geeft in die uitspraak aan dat deze uitleg van dit begrip voortbouwt op en een nadere precisering is van de uitspaak CRVB:2018:2182 (zie verder hierna). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze:

1niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

2daadwerkelijk beschikbaar is;

3een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en;

4financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

De beoordeling

Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat.

1Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking

Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt of een boodschappendienst bij de supermarkt. In Bijlage 1 van deze Beleidsregels is een niet-limitatief aantal algemeen gebruikelijke voorzieningen opgenomen.

2Daadwerkelijk beschikbaar

Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden.

3Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is

Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen.

4Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau

Het vierde en laatste criterium gaat over de aard van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat om voorzieningen die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar zijn te achten (CRVB:2024:1362). Daarbij speelt de hoogte van het inkomen geen rol. Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan, het gaat om een ondergrens.

Meerkosten

Het kan ook voorkomen dat het college alleen een noodzakelijke aanpassing aan een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de algemeen gebruikelijke voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is.

Kosten boodschappendienst

Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Dat wil ook zeggen dat de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Het feit dat de kosten van zo’n maaltijd hoger zijn dan het Nibud berekent maakt dat niet anders. Zie verder hoofdstuk 6 hulp bij het huishouden.

Besteding pgb

Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 10.2 lid 1 onder a Verordening).

3.2.4 Gebruikelijke hulp

Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 en artikel 4.5 Verordening

In Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. In de Verordening is bepaald wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Het college bespreekt samen met de cliënt die zijn ondersteuningsvraag meldt wat redelijk is ook in het kader van deze Beleidsregels. Zie verder hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels.

3.2.5 Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk

Een mantelzorger kan een huisgenoot zijn, maar dat hoeft niet. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Mantelzorg is de hulp voor de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Het verlenen van mantelzorg is vrijwillig en dus niet afdwingbaar, maar voelt vaak als een vanzelfsprekendheid voor degene die de mantelzorg biedt. Zie verder hoofdstuk 5 Mantelzorg van deze beleidsregels.

Sociaal netwerk

Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot, geregistreerd partner of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Net als mantelzorg is het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek.

3.2.6 Gebruik maken van algemene voorzieningen

Het college is gehouden algemene voorzieningen te treffen ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het Beleidsplan over het te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarbij wordt ook benadrukt dat een algemene voorziening in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt het college wanneer er door of namens een cliënt een melding is gedaan met de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren.

Wat is een algemene voorziening

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Algemene voorzieningen worden getroffen door het college en zijn, zoals ook blijkt uit de definitie, laagdrempelig toegankelijk. Dit neemt niet overigens niet weg dat het college algemene voorzieningen kan treffen die bestemd zijn voor burgers met specifieke persoonskenmerken, bijvoorbeeld ouderen of mensen met psychische kwetsbaarheid. Voorbeelden van algemene voorzieningen voor een zinvolle daginvulling zijn: de stadskamer ‘s-Heerenberg en de dorpskamer Didam.

3.2.7 Overige voorliggende oplossingen

Ook andere voorliggende oplossingen kunnen in aanmerking worden genomen tijdens het onderzoek en opgenomen worden in het ondersteuningsplan. Daar wordt de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening op gebaseerd. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college deze voorliggende oplossingen heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Denk bijvoorbeeld aan vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Het kan zo zijn dat deze voorliggende oplossingen passend zijn gelet op de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid of participatie. Het college zal moeten vaststellen waaruit de activiteiten bestaan en of de activiteiten een passende oplossing zijn voor de problemen die de cliënt heeft. Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn.

3.2.8 Geheel aan maatregelen en afstemmen

Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan het concreet tot stand brengen van contact (afspraak) tussen de vrijwilligersorganisatie en de cliënt (vergelijk CRVB:2011:BR7013). Het geheel van maatregelen kan ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015.

Afstemmen

Bij het onderzoek moet het college bij de cliënt informeren of hij op andere terreinen binnen het sociale domein zorg, ondersteuning of diensten ontvangt (art. 2.3.2 lid 4 onder f Wmo 2015). De eventueel toe te kennen maatwerkvoorziening wordt daar, als daartoe aanleiding is, op afgestemd (art. 2.3.5 lid 5 Wmo 2015). Doel is te komen tot een zo goed mogelijk op elkaar afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie.

3.3 Specifieke criteria

3.3.1 Niveau van maatschappelijke ondersteuning

Artikel 4.3 lid 1 onder a Verordening

De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat erom dat de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. Daarbij wordt ook de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt niet uit het oog verloren.

Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie

Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt:

•al dan niet met behandeling door paramedische hulp gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272),

•met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224), met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas maatwerkvoorziening collectief vervoer) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222).

In die gevallen hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken.

3.3.2 Gebruikmaken van een andere wet (voorliggende voorziening)

Artikel 4.3 lid 2 onder a en 1.1 lid 1 onder v Verordening (begripsbepaling)

Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015 (CRVB:2023:1046).

Onderzoek aanspraak andere wet

Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden.

Keuze in de voorliggende voorziening

Het college mag de keuze volgen die in de voorliggende voorziening is gemaakt om bepaalde kosten gedeeltelijk of niet (meer) te vergoeden. Dat wil zeggen: de maatwerkvoorziening afwijzen.

Psychiatrische hulphond

Volgens de CRvB (CRVB:2026:618) is het college alleen verplicht om een psychiatrische hulphond te verstrekken als:

1een cliënt zeer ernstig beperkt is in zijn zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, én

2het onomstotelijk vast staat dat een hulphond de enige resterende oplossing is.

Verplicht eigen risico

De kosten van bijvoorbeeld ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is te vergelijken met de kosten van de eigen bijdrage voor bijvoorbeeld een hoorapparaat op grond van de Zvw. Aanspreken van het verplicht eigen risico is geen reden om geen gebruik te maken van een Zvw-aanspraak. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel.

Reële mogelijkheden van behandeling

Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk bijvoorbeeld aan: ergotherapie, fysiotherapie, oefentherapie of ggz-behandeling vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444).

Onderzoek maatwerkvoorziening en mogelijke behandeling

Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast ook nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of hulp bij het huishouden en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan (CRVB:2023:1508, CRVB:2025:876).

Gelden met een specifieke bestemming

Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet WIA of Wet Wajong (CRVB:2012:BV9433).

3.3.3 In redelijkheid te verwachten

Artikel 4.3 lid 2 onder c Verordening

De toepassing van de wet dan wel de bepaling in de Verordening heeft betrekking op de eigen verantwoordelijkheid van cliënt. Daaronder kan eigen kracht worden verstaan.

Herinrichting woning

Van de cliënt mag worden verwacht dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht dat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290, CRVB:2016:429).

Aanspreken woningeigenaar

Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren.

Privaatrechtelijke verbintenis

Het college mag verwachten dat de cliënt een aanspraak op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen.

3.3.4 Risicosfeer

Artikel 4.3 lid 2 onder d Verordening

Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen. Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden (CRVB:2019:2951, CRVB:2020:944, CRVB:2021:3070, CRVB:2022:515). Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de Verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. In artikel 8.3 van de Verordening is nader invulling gegeven aan omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt.

3.4 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget

3.4.1 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding

Het kan voorkomen dat de cliënt zijn ondersteuningsvraag pas meldt nadat de maatwerkvoorziening is gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met de ondersteuningsvraag tot het college. Of een cliënt die eerst verhuist van een ongeschikte naar een geschikte woning en daarna een vergoeding van de kosten wenst. Voor die situaties bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening wordt geweigerd omdat deze grondslag niet in de wet zelf is opgenomen (CRVB:2020:1099, CRVB:2024:1398). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748).

3.4.2 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname

Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert hangende de procedure van de melding en de beslissing op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen waar nog aanpassingen voor nodig zijn en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand wordt toegewezen of verkocht. Het kan ook voorkomen dat de cliënt tijdens de procedure een scootmobiel aanschaft zonder daarvoor toestemming te vragen. Het college kan ook dan de aanvraag afwijzen omdat de maatwerkvoorziening is gerealiseerd voordat is besloten.

3.4.3 Nog niet gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen

Er kan ook sprake zijn van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer maar deze nog niet klaar is (gerealiseerd). Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening dan wel in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). De vraag is of het college op dat moment nog, aan de hand van bijvoorbeeld bouwtekeningen of foto’s, kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is.

3.4.4 Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode

Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818).

Rekening en risico budgethouder

Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren.

3.4.5 Ingangsdatum diensten

Wordt een aanvraag gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, die al door de cliënt is gerealiseerd, kan er wel een indicatie voor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Er wordt in principe niet met terugwerkende kracht geïndiceerd.

3.4.6 Technisch geschikte maatwerkvoorziening

De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (zelf aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen dat ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling heeft ook betrekking op de maatwerkvoorziening in natura. Het ligt op de weg van de cliënt om zijn ondersteuningsvraag te onderbouwen. Dat wil zeggen dat vervanging van het hulpmiddel noodzakelijk is. Het kan zijn dat het college een onderzoek doet of laat doen naar de technische geschiktheid van maatwerkvoorziening waarvoor vervanging wordt gevraagd.

3.4.7 Afdoende verzekeren

Neemt de cliënt een maatwerkvoorziening (al dan niet aangeschaft met een pgb) mee naar het buitenland, dan is hij/zij verantwoordelijk een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal. In de praktijk zal het meestal gaan om een hulpmiddel zoals een rolstoel.

3.4.8 Afsluiten opstalverzekering

Het is van belang dat de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing, waaronder een woonunit, is gedekt voor het risico van schade. Daarom zal de cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb, moeten zorgen voor een (aangepaste) opstalverzekering.

3.6 Bijdrage in de kosten

3.6.1 Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik

Abonnementstarief

Als uitgangspunt geldt dat het verschuldigd zijn van het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de maatwerkvoorziening van drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt.

Beschermd wonen

Verblijft een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen tijdelijk elders en blijft de plek wel voor de cliënt beschikbaar, dan blijft de bijdrage in de kosten verschuldigd. Onder tijdelijk wordt een periode van drie maanden verstaan.

3.6.2 Bijdrage niet verschuldigd

Het college is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8 lid 3 onder g en h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).

Tijdelijk geen betalingscapaciteit

Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het college berekent de betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie.

Zorgmijders

Het gaat bij zorgmijders specifiek om cliënten die de stap naar ondersteuning niet kunnen of willen maken. Meestal is er sprake van een vorm van verwaarlozing. Het kan voorkomen dat het vragen van een eigen bijdrage maakt dat de stap naar ondersteuning niet wordt gezet. Dat wil zeggen: het opleggen van een eigen bijdrage heeft nadelige gevolgen voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in Montferland. In die gevallen kan het college besluiten om tijdelijk geen eigen bijdrage op te leggen.

Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 4.5 Verordening

4 Gebruikelijke hulp

4.5 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten

4.5.1 Aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte

Het college houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt, tenzij het hulp bij het huishouden betreft. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij de zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit gaan, etc. De totale omvang van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere (voorliggende) oplossingen beschikbaar en geschikt, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken.

4.5.2 Leerbaarheid cliënt of huisgenoot

Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) nog geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht van de huisgenoot. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet hoe de gebruikelijke hulp geboden kan worden, maar dat wel kan aanleren. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor hulp bij het huishouden.

4.5.3 Overname van huishoudelijke taken

Voor hulp bij het huishouden geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om hulp bij het huishouden toe te kennen (CRVB:2016:3665).

Inwonende kinderen

Heeft de cliënt thuiswonende kinderen, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Zie bijlage 4 Gebruikelijk hulp door kinderen of andere huisgenoten van deze beleidsregels.

Leefeenheid

Het gaat bij gebruikelijke hulp om personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen. Bij het begrip leefeenheid gaat het om personen die in dezelfde woning gezamenlijk een huishouden voeren. Dat wil zeggen dat huisgenoten met een commerciële huurders- of kostgangersrelatie daar geen deel van uitmaken. Het gaat om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer hulp bij het huishouden moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie.

Hulp in de keuken

Onder gebruikelijke hulp valt ook het aangegeven van spullen uit de keukenkasten waar de cliënt niet bij kan. In zo’n geval weigert het college een aanpassing van de keuken (CRVB:2025:1461).

4.5.4 Overname van of hulp bij de thuisadministratie

Voor overname van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten deze taak van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. CRVB:2021:1114, RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval: de postverzorging, zorgdragen voor de betaling van rekeningen en dergelijke. Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van zijn oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen.

Bewindvoering

Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met cliënten die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt.

4.5.5 Hulp gericht op zelfzorg

Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(s) aansporen tot zelfzorg.

Ouders en meerderjarige kinderen

Afhankelijk van de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte mag van ouders worden verwacht dat zij bij bepaalde hulpvragen van een meerderjarig kind hulp bieden in het kader van de gebruikelijke hulp. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding wordt dan afgewezen (CRVB:2024:941). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het onder meer om hulp dan wel aansturing om:

•‘s ochtends op tijd uit bed te komen;

•te voorkomen dat te veel eten wordt opschept en betrokkene gaat kokhalzen tijdens het eten;

•te kunnen werken met een agenda;

•bij het ondernemen van nieuwe activiteiten.

4.5.6 Hulp bij het doen van aankopen

Van partners wordt in ieder geval verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar begeleiding bij nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken of andere normale aankopen anders dan de reguliere boodschappen. Daarmee is nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(s) hier incidenteel begeleiding bieden.

4.5.7 Hulp bij structureren van de dag/week

Van partners wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken van en bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan:

•Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, e.d.,

•Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, uitvoeren van huishoudelijke taken, e.d.,

•Bezoek aan familie,

•Deelname aan een zinvolle daginvulling (brengen en/of opgehaald worden).

Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De ondersteuning heeft een niet-professioneel karakter.

4.5.8 Hulp bij participatie

Onder gebruikelijke hulp bij participatie wordt in ieder geval verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder valt ook het vervoer, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland (kunnen) worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. In het algemeen geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil ook zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind mag worden verwacht dat hij incidenteel vervoer of begeleiding bij vervoer aan de cliënt biedt. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen.

Vervoer en ondersteuning bij vervoer

Of vervoer of ondersteuning bij vervoer als gebruikelijke hulp geboden kan worden is mede afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de cliënt en dan met name de frequentie. Verder wordt rekening gehouden met een zelfstandige vervoersbehoefte van de cliënt.

Zelfstandige vervoersbehoefte

De cliënt kan een zelfstandige lokale vervoersbehoefte hebben waar met het verstrekken van een vervoersvoorziening in wordt voorzien. In die gevallen kan (mag) de cliënt niet voor alle ondersteuning bij vervoer afhankelijk zijn van diens partner of huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening zijn aangewezen.

4.5.9 Legen en reinigen van de toiletemmer

Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met een losse toiletstoel. Van partners en inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen.

4.5.10 Zorg voor minderjarige inwonende kinderen

Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Onder de gebruikelijke hulp valt (vanzelfsprekend) ook het bieden van toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie bijlage 3 Uitgangspunten zorg ouder(s) voor kinderen bij deze beleidsregels.

6 Hulp bij het huishouden

6.3 Beleidsuitgangspunten

6.3.1 Hulp bij het huishouden

Bij de inzet van hulp bij het huishouden wordt onderscheid gemaakt tussen variant a en variant b. Het verschil tussen deze varianten is gelegen in de mate waarin de cliënt in staat is de huishoudelijke taken te organiseren. Van cliënten met bijvoorbeeld ernstige visusbeperkingen, cognitieve- en geheugenbeperkingen, psychosociale problematiek of zij die zich in hun laatste levensfase bevinden kan het college vaststellen dat zij niet of slechts in beperkte mate in staat zijn de huishoudelijke taken: adequaat in te schatten, te bepalen (te zien), te plannen, te organiseren, voor te bereiden en te overzien. Kort gezegd: het regelen. Hoewel het om dezelfde soort ondersteuning kan gaan als bij variant a, spreekt het voor zich dat bij cliënten met een ‘beperkt regelvermogen’ (variant b) andere eisen worden gesteld aan de persoon die de ondersteuning biedt.

Wanneer de cliënt geen regie kan voeren maar een huisgenoot heeft die dat kan overnemen dan wordt variant a. ingezet.

Variant b. wordt ingezet wanneer:

•de cliënt onvoldoende zelfredzaam is,

•de cliënt een beperkte verandercapaciteit heeft en/of

•leerbaar is, in die situaties waar er tijdelijk sprake is van coachen/geven van advies, instructie en voorlichting (gericht op het zelfstandig uitvoeren van het huishouden),

•er verzorging van kinderen nodig is.

Hulp bij het huishouden variant b is geen begeleiding als bedoeld in hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Leidt het beperkte regelvermogen of de noodzaak van extra afstemming, organisatie of aansturing van de hulp aantoonbaar tot extra werkzaamheden, dan kan hiervoor aanvullend tijd worden toegekend overeenkomstig HHM 2025.

6.3.2 Hulp bij het huishouden overig

Broodmaaltijd

Onder een broodmaaltijd wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten. Een broodmaaltijd kan 1 keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijktijdig bereid en in koelkast klaargezet.

Warme maaltijden

Onder een warme maaltijd wordt in principe verstaan het opwarmen en klaarzetten van een warme maaltijd wanneer de cliënt zelf hiertoe niet in staat is. Een warme maaltijd kan één keer per dag worden geboden. In bijzondere gevallen kan het nodig zijn dat er een verse warme maaltijd wordt bereid. Het bereiden van een maaltijd wordt alleen ingezet als er geen andere oplossingen zijn, zoals de maaltijdservice of kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt.

Verzorging en verpleging

Voor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is om zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw. Dat geldt ook als er tijdens het eten toezicht moet worden gehouden vanwege een aandoening waarbij bijvoorbeeld verslikkingsgevaar aan de orde kan zijn. In dat geval loopt de cliënt een verhoogd risico aangewezen te raken op geneeskundige zorg.

Boodschappen

Het kunnen beschikken over normale benodigde boodschappen valt onder de hulp bij het huishouden. De ondersteuningsplicht heeft betrekking op levensmiddelen en schoonmaakmiddelen en dergelijke die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Deze ondersteuningsplicht is alleen aan de orde wanneer de cliënt geen gebruik kan maken van voorliggende oplossingen zoals een boodschappendienst. In lijn met HHM 2025 worden boodschappen in het algemeen niet meer geïndiceerd.

Algemeen gebruikelijke voorziening

Het is doorgaans mogelijk en wordt als gangbaar beschouwd dat mensen boodschappen geclusterd doen door bijvoorbeeld eens per week of tweewekelijks een voorraad in huis te halen. Voor zover het gaat om de zware boodschappen kan daar in ieder geval van worden uitgegaan. Bij de boodschappendienst bestelt iemand de boodschappen via een app op de telefoon of via de PC. Boodschappendiensten zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen, tenzij het onmogelijk is daar gebruik van te maken. Supermarkten hebben doorgaans een dergelijke service.

Zelf boodschappen doen

Ook kan het zijn dat de cliënt zelf nog in staat is om met bijvoorbeeld een scootmobiel (dagelijkse) boodschappen te doen. Daarbij kan van de cliënt ook worden verlangd om de hulp van het personeel of een derde in te roepen als hij onverwacht niet bij een boodschap kan omdat deze te laag of te hoog ligt. Verder mag van de cliënt in voorkomende gevallen ook worden verwacht dat met een daarop gerichte training wordt geleerd om met een scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen.

Wasvoorziening buitenshuis

De dagelijkse kleding, beddengoed, handdoeken, e.d. moeten met enige regelmaat gewassen worden. Daaronder valt het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed. Strijken wordt in beginsel niet geïndiceerd. De cliënt kan kiezen voor strijkvrije bovenkleding (CRVB:2024:1487), mede in relatie tot de aanschaf van een algemeen gebruikelijke wasdroger.

Voldoende linnengoed

Van de cliënt mag in dit kader worden verwacht dat er bijvoorbeeld extra (dubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld voldoende handdoeken, andere linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning ook zo efficiënt mogelijk worden gedaan.

De was wordt bij zorg in natura buiten de deur gedaan. Per week kan er standaard een waszak van 8 kilo (gemengde) was aangeboden worden. Deze wordt thuis opgehaald en de volgende week schoon, gevouwen en de bovenkleding waar nodig gestreken weer thuisgebracht. In bijzondere gevallen kan een indicatie voor 2 waszakken per week plaatsvinden, denk hierbij aan grote huishoudens.

Wasverzorging thuis

In uitzonderlijke situaties kan de was in uren/minuten geïndiceerd worden, zodat de hulp de was thuis bij de cliënt kan doen. Alleen als de externe wasvoorziening niet passend is. Dat wil zeggen dat de was niet kan blijven liggen tot het moment dat deze wordt opgehaald. Denk bijvoorbeeld aan incontinentieproblematiek waarbij gebruikelijke hulpmiddelen en/of behandeling onvoldoende oplossing bieden. Een voorbeeld van behandeling is een training van de bekkenbodemspieren.

Verzorgen kinderen

De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouder(s). Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppas oma, diverse vormen van kinderopvang, e.d.), het is een eigen verantwoordelijkheid daarvoor te zorgen. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Het college kan dan ook slechts tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat er ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Voor de zorg voor jonge minderjarige kinderen geldt in het algemeen dat gebruik kan worden gemaakt van diverse vormen van opvang (zie art. 6.2 lid 2 onder c Verordening).

Tijdsduur indicatie

De tijdsduur van de indicatie kan tijdelijk van aard zijn of voor een onbeperkte periode geldig zijn.

In de beschikking wordt de duur van deze periode aangegeven.

Als er geen veranderingen worden verwacht in de situatie van de aanvrager dan bestaat de mogelijkheid om de indicatie voor hulp bij het huishouden voor onbepaalde tijd af te geven.

Worden er veranderingen verwacht in de situatie van de aanvrager of als hier onduidelijkheid over is, dan wordt er een indicatie voor hulp bij het huishouden voor een bepaalde periode afgegeven. Na beëindiging van deze periode, vindt op aanvraag een nieuwe beoordeling plaats.

Redenen om een indicatie voor bepaalde tijd af te geven kunnen bijvoorbeeld zijn geen stabiele medische situatie en/of de levensfase waarin hij/zij zich bevindt.

6.4 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2025

6.4.1 Basisnorm

De basisnorm voor een schoon en leefbaar huis is 125 minuten volgens HHM 2025. Zoals gezegd kan de basisnorm worden verlaagd of verhoogd. Dat is afhankelijk van de situatie van de cliënt. Zie Bijlage 5 voor het normenkader voor de omvang van de verlaging of verhoging van de basisnorm. In deze bijlage staat ook hoe het normenkader moet worden toegepast. Het normenkader gaat uit van:

•Een gemiddelde cliëntsituatie.

•Individuele situaties op basis van kenmerken.

6.4.2 Gemiddelde cliëntsituatie

Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:

•Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

•Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

•Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;

•De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

•De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

•Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

•Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

•De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

6.4.3 Individuele situaties op basis van kenmerken

Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:

a.Kenmerken cliënt

•Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.

•Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:

1Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

2Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Het college hanteert daarbij het uitgangspunt van een gesaneerde woning.

•Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt.

b.Kenmerken huishouden

•Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp).

•De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.

•Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen. Zie 6.3 van deze beleidsregels voor het te hanteren uitgangspunt over huisdieren.

c.Kenmerken woning

•Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.

•Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.

•Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet per se meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

6.4.4 Middeling van tijden

HHM 2025 bestaat uit totaaltijden voor verschillende onderdelen. Deze zijn bepaald op grond van de triangulatie-aanpak die ten grondslag ligt aan dit normenkader. Dit betreft onderzoektijden die samengevoegd leiden tot een passende omvang van ondersteuning op maat voor de cliënt. Hierbij is sprake van middeling van tijden. Individuele situaties verschillen altijd van elkaar. Dit maakt in dit normenkader dat het grote geheel zeker klopt, maar er is geen sprake van ‘instructietijden of uitvoeringsnormen per activiteit’. De CRvB accepteert HHM 2025 als objectieve maatstaf.

Verordening hoofdstuk 7

7 Ondersteuning, begeleiding individueel, begeleiding groep en logeren

7.11 Logeren

7.11.1 Eerstelijns verblijf of Wet langdurige zorg

Het college onderzoekt ook of de cliënt aanspraak kan maken op eerstelijns verblijf op grond van de Zvw. Het gaat in die gevallen om medisch noodzakelijk verblijf (= aangewezen op geneeskundige zorg). Het gaat om een verzekerbare aanspraak waarvan het college, mede gelet op de eigen verantwoordelijkheid, mag verwachten dat hier ook daadwerkelijk een beroep op wordt gedaan. Het kan nodig zijn gebruik te maken van de deskundigheid van bijvoorbeeld de wijkverpleegkundige. Ook kan het zijn dat de cliënt een Wlz-indicatie heeft of kan krijgen, zie 2.9 van deze beleidsregels. Het kan nodig zijn gebruik te maken van de deskundigheid van bijvoorbeeld de wijkverpleegkundige.

8 Wmo-wonen

8.3 Wmo-wonen

8.3.1 Beschermd Wonen (24-uurszorg)

De cliënt is bekend met psychische- en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperking en/of verslavingsproblematiek. Vanwege deze problematiek is de cliënt (tijdelijk) aangewezen op wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding. Beschermd wonen kan passend zijn bij verschillende cliënten. De cliënt met het lerende vermogen en de cliënt die een beperkte ontwikkelmogelijkheid heeft. Dit betekent dat een cliënt kan doorstromen naar een lichtere vorm van ondersteuning of mogelijk doorstroomt naar een langdurige vorm van zorg en ondersteuning. Er is meestal sprake van meervoudige problematiek waarbij er tegelijkertijd problemen spelen op verschillende leefgebieden. Het betreft cliënten met een wisselend ziektebeeld. Er is sprake van actieve psychiatrie en/of psychosociale problematiek en problemen met het regievoeren. Er kan ook sprake zijn van verslavingsproblematiek; de ondersteuningsvraag van de cliënt kan gericht zijn op het stabiel houden hiervan na- of in combinatie met behandeling. Het ziektebeeld van de cliënt vraagt om een continue vorm van directe nabijheid waarbij de cliënt op ieder moment van de dag een beroep op de begeleiding kan doen.

De cliënt:

•Heeft psychische problematiek of een ziektebeeld met een wisselend karakter

•Heeft onvoldoende inzicht in eigen problematiek.

•Heeft ondersteuning nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar problematiek.

•Is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen.

•Heeft een niet uitstelbare ondersteuningsvraag.

•Is gebaat bij een beschermde woonomgeving, met agogisch klimaat (woonzorg) en met 24- uurs directe nabijheid.

•Heeft dagelijkse begeleiding nodig gericht op stabilisatie, herstel, stimuleren, samendoen, oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en doorontwikkeling/ verdieping van de aangeleerde vaardigheden.

•(En zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren.

Drie vormen

Beschermd wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus. Begeleiding is flexibel inzetbaar. Afstemmen met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere relevante partners is noodzakelijk en onderdeel van de integrale begeleiding. De begeleiding heeft ook een signalerende rol.

Begeleiding individueel basis

Gemiddeld 3 uren per week

Begeleiding individueel plus

Gemiddeld 6 uren per week

In de basis gaan we uit van een gemiddelde inzet van 3 uren per week. Als er sprake is van een instabiel psychiatrisch ziektebeeld al dan niet in combinatie met regieverlies, waarbij sturing en overname noodzakelijk is, kan een hoger gemiddeld aantal uren van toepassing zijn. De mate van ondersteuningsbehoefte is bepalend voor hoeveel uur er per week ingezet wordt. Hierbij valt te denken aan:

•Verkrijgen van inzicht in en leren omgaan met de eigen psychische problematiek in de eigen woonomgeving en/of de aangeleerde vaardigheden uit de behandeling vertalen naar het dagelijks leven.

•Ondersteunen bij contacten onderhouden met naasten, behandelaren en instanties.

•Overzicht aanbrengen op het gebied van post, administratie en financiën.

•Werken aan een zinvolle daginvulling.

Bij cliënten die geen gebruik maken van individuele begeleiding kan ervoor gekozen worden om beschermd wonen zonder toevoeging van individuele uren in te zetten. Hierbij valt te denken aan cliënten die klaar zijn om uit te stromen of cliënten die langer dan 4, maar korter dan 12, weken afwezig zijn bijvoorbeeld als gevolg van een opname.

Indicatie Dagbesteding

Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan als nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder.

8.3.2 Beschut Wonen (24-uurs begeleiding)

De cliënt is bekend met psychische- en/of psychosociale problematiek en/of een licht verstandelijke beperkingen en/of verslavingsproblematiek De cliënt ervaart beperkingen in de zelfredzaamheid en/of deelname aan de maatschappij. Er is meestal sprake van meervoudige problematiek waarbij er tegelijkertijd problemen spelen op verschillende leefgebieden. De cliënt is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen en gebaat bij een beschutte woonomgeving.

De cliënt:

•Heeft een stabiel ziektebeeld, maar het kan voorkomen dat er in periodes sprake is van een instabieler beeld.

•Is in stabiele periodes in staat om zelf hulp te vragen.

•Kan omgaan met een uitgestelde ondersteuningsvraag, waarbij nabijheid volstaat.

•Over het algemeen kan de cliënt een minder stabiele periode bij zichzelf herkennen en weet dat hij dan een beroep op de begeleiding moet doen. Tevens heeft de begeleiding een signalerende rol om passende interventies uit te voeren.

•Heeft beperkt of voldoende inzicht in eigen problematiek.

•Heeft ondersteuning nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar problematiek.

•Is tijdelijk niet in staat om zelfstandig te wonen.

•Heeft een niet uitstelbare ondersteuningsvraag.

•Is gebaat bij een beschutte en geclusterde woonomgeving, met agogisch klimaat (woonzorg) en met 24- uurs nabijheid door bereikbaarheid en een kantoor in de nabije omgeving.

•Heeft dagelijkse begeleiding nodig gericht op stabilisatie, herstel, stimuleren, samendoen, oefenen, structuur bieden, ventileren, overvraging voorkomen en doorontwikkeling/ verdieping van de aangeleerde vaardigheden.

•(En zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daar zo veel mogelijk regie over te voeren.

Drie vormen

Beschut wonen is er in 3 vormen. Zonder begeleiding, met begeleiding individueel basis en met begeleiding individueel plus.

Begeleiding individueel basis

Gemiddeld 2 uren per week

Begeleiding individueel plus

Gemiddeld 5 uren per week

In de basis gaan we uit van een gemiddelde inzet van 2 uren per week. Als er sprake is van een instabiel psychiatrisch ziektebeeld al dan niet in combinatie met regieverlies, waarbij sturing en overname noodzakelijk is, kan een hoger gemiddeld aantal uren van toepassing zijn. De mate van ondersteuningsbehoefte is bepalend voor hoeveel uur er per week ingezet wordt. Hierbij valt te denken aan:

•Verkrijgen van inzicht in en leren omgaan met de eigen psychische problematiek in de eigen woonomgeving en/of de aangeleerde vaardigheden uit de behandeling vertalen naar het dagelijks leven.

•Ondersteunen bij contacten onderhouden met naasten, behandelaren en instanties.

•Overzicht aanbrengen op het gebied van post, administratie en financiën.

•Werken aan een zinvolle daginvulling.

Bij cliënten die geen gebruik maken van individuele begeleiding kan ervoor gekozen om beschut wonen zonder toevoeging van individuele uren in te zetten. Hierbij valt te denken cliënten die klaar zijn om uit te stromen of cliënten die langer dan 4, maar korter dan 12, weken afwezig zijn bijvoorbeeld als gevolg van een opname.

Indicatie Dagbesteding

Dagbesteding maakt geen onderdeel uit van dit product en kan als nodig apart geïndiceerd worden. De toegang indiceert of de dagbesteding ontwikkelings- of belevingsgericht is. Dit kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan bij de woonaanbieder.

8.3.3 Stapelingsmatrix Wmo-wonen

Locatie

Individuele begeleiding

Begeleiding groep

Beschermd wonen basis

Nee

Ja

Beschermd wonen plus

Nee

Ja

Beschut wonen basis inclusief en exclusief huisvestingscomponent

Nee

Ja

Beschut wonen plus inclusief en exclusief huisvestingscomponent

Nee

Ja

8.4 Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ (24-uurs nabijheid)

8.4.1 Stapelingsmatrix

Product

Individuele begeleiding

Begeleiding groep

Jeugdproducten (behandeling niet GGZ, behandeling Groep Niet GGZ, BGGZ, SGGZ, Diagnostiek, Medicatiecontrole

Wonen gericht op zelfstandigheid

Nee (is integraal)

Ja

Ja, alleen bij cliënten vallend onder de Jeugdwet

8.7 Bijzonderheden

8.7.1 Beschermd wonen niet direct beschikbaar

Wanneer een passende plek nog niet beschikbaar is, wordt de cliënt op de wachtlijst van de instelling geplaatst. De cliënt is hier medeverantwoordelijk voor in samenspraak met de betrokken consulent en als nodig in overleg met de aanbieder die reeds betrokken is. Met hen wordt besproken hoe de periode tot plaatsing kan worden overbrugd.

8.7.2 Tijdelijk verblijf andere regio

Tijdelijk verblijf is verblijf van maximaal één jaar, waarbij vanaf het begin de intentie regio aanwezig is om de cliënt terug te laten keren naar eigen regio. Het kan voorkomen dat een cliënt uit de gemeente Montferland tijdelijk in een instelling in een andere regio moet verblijven wanneer er geen passend aanbod in de eigen regio is. In dergelijke gevallen zal met de (centrum) gemeente van plaatsing worden afgestemd en afspraken worden gemaakt.

8.7.3 Tijdelijke afwezigheid Wmo-wonen met verblijf

Verblijft een cliënt tijdelijk elders, voor bijvoorbeeld een behandeling of vanwege detentie, dan kan dat gevolgen hebben voor de beschikbaarheid van zijn Wmo-wonen met verblijf plek. Binnen één week na de afwezigheid van de cliënt rapporteert de aanbieder van het Wmo-wonen met verblijf dit naar de gemeente. Dit geldt ook wanneer de cliënt op eigen initiatief de Wmo-wonen met verblijf plek heeft verlaten.

Vervallen woonplek

Wanneer duidelijk is dat de cliënt langer dan twaalf weken elders zal verblijven, dan vervalt in principe zijn plek bij de aanbieder voor Wmo-wonen met verblijf. Wanneer de cliënt na deze periode weer gebruik wil maken van Wmo-wonen met verblijf, kan hij zijn ondersteuningsvraag hiervoor melden.

10 Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer

10.2 Beleidsuitgangspunten

10.2.1 Regulier Openbaar Vervoer

Kan de cliënt door gebruik te maken van het Openbaar Vervoer de gewenste vervoersbestemmingen bereiken, dan is hij niet aangewezen op een vervoersvoorziening van de gemeente (bijv. CRVB:2022:224).

Bereiken en gebruiken van het reguliere openbaar vervoer

Het reguliere Openbaar Vervoer is een passende oplossing. Daaronder valt ook de HaltetaxiRRReis. Bij het onderzoek wordt ook bekeken of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer te voet, per fiets of per bus kan worden bereikt. Voor de vraag of de cliënt bijvoorbeeld de bushalte kan bereiken en gebruiken is het redelijk om uit te gaan dat de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met algemeen gebruikelijke voorziening zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte bevindt. Is een rollator niet geschikt, dan beoordeelt het college of de cliënt de afstand van huis tot bijvoorbeeld de bushalte kan overbruggen met een voor hem algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Denk bijvoorbeeld aan een fiets of een brommer.

10.2.2 Andere voorliggende oplossingen

Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen

Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie verder 3.2.3 van deze beleidsregels.

MEE op Weg

Naast de Regiotaxi wordt door nagenoeg alle MEE organisaties in het land de mogelijkheid geboden om mensen met een beperking meer mogelijkheden te laten zien om deel te nemen aan het verkeer. De gedachte hierbij is dat er niet automatisch vanuit wordt gegaan dat speciaal vervoer nodig is. MEE op Weg werkt met vrijwilligers, zoals een OV-maatje of een fiets maatje. Het gebruik van MEE op Weg kan van de cliënt worden verlangd zeker als daarmee een aanspraak wordt voorkomen en het vanzelfsprekend als passende oplossing kan worden aangemerkt.

Hulp van anderen

Ondersteuning bij vervoer kan als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Zie voor hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. Daarnaast kan de cliënt hulp mogelijk krijgen van personen uit de sociale omgeving van de cliënt.

Beschikbare voorzieningen

Het kan voorkomen dat een cliënt een (extra) vervoersvoorziening aanvraagt terwijl met de tot zijn beschikking staande vervoersvoorzieningen wordt voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:2123). In dat geval heeft het college geen compensatieplicht.

10.2.3 Lokale vervoersbehoefte

Onder lokaal kunnen verplaatsen wordt een afstand van 15-20 kilometer rondom de woning als redelijk aangemerkt (art. 9.3 lid 2 Verordening). Deze afstand komt overeen met vijf zones openbaar vervoer. Het is wel zo dat de cliënt een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld een treinstation met dienstverlening, winkels voor het doen van boodschappen en het ziekenhuis. Dat betekent ook dat een bezoek aan een specialist, paramedicus of huisarts onder de ondersteuningsplicht van het college kan vallen (CRVB:2010:BL4037).

Bovenlokale vervoersbehoefte

Wil de cliënt zich bovenlokaal verplaatsen, dan is daarvoor het landelijke vervoersysteem Valys beschikbaar (standaard- en hoog persoonsgebonden kilometerbudget). Dit betekent ook dat maatwerkvoorzieningen om zich bovenlokaal te kunnen verplaatsen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen.

Omvang

Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wmo 2007 blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van maximaal 1500 tot 2000 kilometer per jaar (vergelijk CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in artikel 9.3, derde lid, van de Verordening.

Maatwerk

Artikel 9.3 lid 4 Verordening bepaalt dat het college kan afwijken van de gestelde normen. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven de algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Het college zal daar dan onderzoek naar moeten doen.

Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken

Bij een cliënt met (ernstige) beperkingen in de mobiliteit, moet bij de keuze van de vervoersvoorziening in beginsel betrokken worden of de zorgtaken voor minderjarige kinderen effectief uitgevoerd kunnen worden(bijv. RBDHA:2022:1641, vgl. CRVB:1998:AA8703 WVG). De fysieke of mentale stoornissen van het kind die problemen kunnen opleveren bij het zich lopend of op de fiets verplaatsen spelen een rol (CRVB:2025:1002). Dit kan betekenen dat het collectief vervoer zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden verlangd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn.

10.7 Sportvoorziening

10.7.1 Participatie in de Wmo 2015

Voor het beoordelen van de mate van participatie moet beoordeeld worden in hoeverre iemand kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 6 en 123). De verplichting om een maatwerkvoorziening te bieden gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs in een betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149‑150). In het algemeen kan gezegd worden dat door het verstrekken van een vervoersvoorziening of begeleiding groep iemand in redelijke mate kan participeren.

10.7.2 Medemensen ontmoeten en sociale contacten onderhouden

Er zijn echter situaties denkbaar waarin alleen door het verstrekken van een (gevraagde) sportvoorziening het mogelijk wordt gemaakt om deel te nemen aan het leven van alle dag van de cliënt. Het gaat om activiteiten die zo zeer zijn verbonden aan de cliënt dat de beperkingen daarin niet anders dan door het verstrekken van een sportvoorziening kunnen worden opgelost (CRVB:2013:CA0088). In de hiervoor aangehaalde uitspraak ging het om een cliënt die al 25 jaar lid was van een wielervereniging. In die periode heeft de cliënt sociale contacten opgebouwd; met hen werden allerlei activiteiten gedaan rondom wielrennen. Deze activiteiten waren, mede gelet op omvang van de periode, zo zeer aan de cliënt verbonden dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportvoorziening was aangewezen. Dat zal in de praktijk niet vaak voorkomen. De compensatieplicht van het college is immers niet gericht op het optimaliseren. Er geldt dus geen verplichting om ‘alles’ te compenseren op het gebied van zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:1502).

Financiële tegemoetkoming

Om toch enigszins tegemoet te komen aan de wens van een cliënt om te kunnen sporten staan in het Besluit staan de criteria op grond waarvan een cliënt in aanmerking kan komen voor een financiële tegemoetkoming voor de aanschaf van een sportvoorziening.

Hoofdstuk 10 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

12 Persoonsgebonden budget

12.5 Pgb-vaardigheid

12.5.1 Vaststellen pgb-vaardigheid

Het college moet vaststellen of sprake is van pgb-vaardigheid. Daarvoor wordt onderzocht of de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger:

1Een goed overzicht van zijn eigen situatie kan houden.

2Weet welke regels er horen bij een pgb.

3Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden.

4Kan communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners.

5Zelfstandig kan handelen en zelf in staat is voor ondersteuners te kiezen.

6Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan kan houden.

7Kan beoordelen of de ondersteuning uit het pgb bij hem past.

8Zelf de ondersteuning kan regelen met één of meer ondersteuners.

9Kan zorgen dat de ondersteuners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.

10Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner.

Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid. Hoe de beoordeling van de pgb-vaardigheid door het college wordt gedaan is mede afhankelijk van de soort maatwerkvoorziening die de cliënt wenst in te kopen en aan wie het pgb wordt besteed.

Extra aandacht

Het college besteedt extra aandacht aan de beoordeling van de pgb-bekwaamheden bij cliënten die tot 1 januari 2026 hulp bij het huishouden of begeleiding inkochten voor minder 4 dagen per week (Regeling Dienstverlening aan Huis). Bij een arbeidsovereenkomst gelden namelijk niet alleen de verplichte werknemersverzekeringen, maar ook de reguliere regels voor loondoorbetaling tijdens ziekte, verlof en ontslag. Voor hulp die wordt ingekocht bij familieleden of eerste en tweede graad bloedverwanten verandert er niets. De budgethouder sluit met deze personen geen arbeidsovereenkomst.

12.5.2 Hulp bij pgb-vaardigheid

Het kan voorkomen dat de budgethouder zelf niet pgb-vaardig is en dat een vertegenwoordiger wordt ingeschakeld. Dat is een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Een vertegenwoordiger kan de budgethouder gewaarborgde hulp bieden (zie begripsbepaling van de Verordening).

Gewaarborgde hulp

De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de cliënt en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Een vertegenwoordiger kan er ook aan bijdragen dat misbruik van de budgethouder wordt voorkomen. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de intrekking van het pgb-besluit of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.

Machtiging

Voorbeelden van personen die de budgethouder kan machtigen zijn: de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, de ouder, kind, broer of zus (art. 1.1.1 lid 2 Wmo 2015). Zonder volmacht kunnen de hiervoor genoemde personen niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Omdat het college moet vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is zal deze persoon aanwezig (moeten) zijn bij het gesprek waarin de voorwaarden en het ingediende budget-en uitvoeringsplan worden beoordeeld. Zie de 10 punten over pgb-bekwaamheid in 12.5.1 van deze beleidsregels. Het college gaat ook na of er een machtiging is.

Vertegenwoordiger pgb-vaardig

Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om een persoon die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder of curator). Het college moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is in de zin van de Wmo 2015 (zie verder hierna). Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar objectieve twijfel over bestaat, dan stelt het college de cliënt in de gelegenheid om een andere vertegenwoordiger te machtigen. Lukt dat niet, dan wordt het pgb geweigerd en zal de maatwerkvoorziening in natura worden verstrekt.

Wettelijk vertegenwoordiger

Het spreekt voor zich dat het college niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Dat geldt ook voor de taken van een curator. Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen (RBGEL:2019:4940). Het college stelt wel vast of de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitgevoerd zullen worden.

Woningaanpassingen

Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb zijn de volgende aspecten van belang. Is de cliënt of diens vertegenwoordiger in staat om:

•een goede opdracht aan een aannemer te verlenen?

•de uitvoering/oplevering te controleren?

12.5.3 Rolvermenging

Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen: de vertegenwoordiger is tevens ondersteuner van de cliënt. Er is sprake van rolvermenging bij de uitvoering van de pgb-taken (CRVB:2024:1557, CRVB:2024:2412, CRVB:2024:1557).In dat geval weigert het college het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Er kan dan immers niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (CRVB:2019:3761). Het kan ook gaan om een vertegenwoordiger die gelieerd is aan de derde en het met voldoende afstand en kritisch vervullen van de beheerstaken zodanig kan beïnvloeden, dat geen sprake meer is van een verantwoorde uitvoering van die taken (CRVB:2019:2803). Denk bijvoorbeeld aan een medewerker die bij deze derde in dienst is, de partner van de ondersteuner of een persoon waarmee op een andere manier (zakelijke) verwevenheid bestaat. Daaronder kunnen ook zogeheten makelaarskantoren vallen die bemiddelen in personen aan wie het pgb wordt besteed maar ook de pgb-administratie doen.

12.5.4 De derde is persoon uit sociaal netwerk

Rolvermenging kan ook aan de orde als het een persoon uit het sociaal netwerk betreft. Slechts in zeer hoge uitzondering wordt een pgb toegekend als de persoon uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt als ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Denk aan de situatie waarin:

•de ondersteuning alleen kan worden geboden door die persoon, en

•er geen mogelijkheid is een andere pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) te machtigen.

12.7 Kwaliteit

12.7.1 Kwaliteit en veiligheid

Ook een met het pgb in te kopen maatwerkvoorziening moet vanzelfsprekend veilig zijn. De veiligheid is een belangrijk onderdeel van de kwaliteit.

Uitgangspunt

Artikel 10.4 lid 1 Verordening

Het uitgangspunt is dat de eisen voor het gecontracteerde aanbod ook gelden als de ondersteuning voor diensten wordt ingekocht met een pgb. Dat geldt niet voor alle eisen. Eisen die specifiek gelden voor het gecontracteerde aanbod, zijn daarvan uitgezonderd. Denk bij voorbeeld aan rapportageverplichtingen jegens de gemeente. Ook gelden niet alle eisen van professionals voor personen uit het sociaal netwerk of andere niet-professionals. Denk bijvoorbeeld aan opleidingseisen (vakbekwaamheid). Het college beoordeelt natuurlijk wel of de niet-professional in staat is om de aangewezen ondersteuning te bieden en het vastgestelde resultaat (of meerdere) te bereiken.

Diensten en VOG

Artikel 10.4 lid 2 Verordening

Voor de professionele ondersteuner is de veiligheid gekoppeld aan het opleidingsniveau maar ook aan het beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning. Van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder wordt ook verwacht dat zij beschikken over een VOG, tenzij het pgb voor hulp bij het huishouden wordt besteed aan iemand uit het sociaal netwerk. Ook deze VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de ondersteuning. De kosten van een VOG komen voor rekening van de budgethouder dan wel voor degene op wie de VOG betrekking heeft. Het college kan de duur van de indicatie afstemmen op het opnieuw aanvragen van de VOG.

Welke soort VOG

Ondersteuners die direct cliëntcontact hebben beschikken over een VOG met screeningsprofiel 45 (gezondheidszorg en welzijn mens en dier).

Meldcode huiselijk geweld of kindermishandeling bij diensten (algemeen)

Deze meldcode geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed en zal moeten blijken uit het budget- en uitvoeringsplan. Dit naar analogie van art. 3.3 Wmo 2015. De derde moet aan het college stapsgewijs kunnen laten zien hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Daaruit moet blijken dat na zo’n melding zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. De melding van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt gedaan bij Veilig Thuis Noord Oost Gelderland.

Hulpmiddelen

Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een hulpmiddel is in ieder geval van belang of de cliënt in staat is een hulpmiddel te selecteren om het resultaat mee te bereiken volgens de kwaliteitseisen die aan het hulpmiddel mogen worden gesteld. Bij hulpmiddelen kan veiligheid betrekking hebben op een vereist kwaliteitskeurmerk. Maakt de cliënt die rolstoelgebonden is gebruik van rolstoeltaxivervoer, dan gelden de aangepaste eisen van code Veilig Vervoer Rolstoelgebruikers (VVR). Daarnaast is de budgethouder verplicht het hulpmiddel zonodig te verzekeren en periodiek het juiste onderhoud te laten plegen. De hoogte van het pgb voor de zogeheten instandhoudingskosten is hier op afgestemd.

Woningaanpassingen

Bij de beoordeling of een cliënt in aanmerking komt voor een pgb voor een woningaanpassing zijn de volgende aspecten in ieder geval van belang:

•is de cliënt in staat om de opdracht aan een aannemer te verlenen conform het programma van eisen en de overige vereisten?

•is de cliënt in staat de uitvoering aan te sturen en de oplevering te controleren conform het programma van eisen?

Een offerte zal mede gebaseerd zijn op een door het college goedgekeurd Programma van Eisen. Woningaanpassingen zullen in dat kader in ieder geval ook moeten voldoen aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast kan het zijn dat in de bouwvergunning of de afwijking van het bestemmingsplan voorwaarden staan waar de woningaanpassing aan moet voldoen. Aan degene die de woningaanpassing zal gaan uitvoeren mag het college om voornoemde redenen dan ook kwaliteitseisen stellen. Bijvoorbeeld het beschikken over het BouwGarantKeurmerk.

Meldingsplicht calamiteiten en geweld (algemeen)

Deze meldingsplicht geldt voor elke derde aan wie het pgb wordt besteed en zal moeten blijken uit het budget- en uitvoeringsplan hoe zo’n melding wordt gedaan (art. 3.4 Wmo 2015). De derde is verplicht om onverwijld melding te doen bij de toezichthoudende ambtenaar van:

•iedere calamiteit die bij het bieden van de ondersteuning heeft plaatsgevonden,

•geweld bij het bieden van de ondersteuning.

Begripsbepaling

Onder een calamiteit wordt een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis verstaan die betrekking heeft op de kwaliteit van de ondersteuning en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015).

12.7.2 Kwaliteit: doeltreffend en doelmatig

Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het resultaat wordt bereikt’. Met het pgb moet ondersteuning worden ingekocht die efficiënt en effectief moet zijn om dat resultaat te bereiken (art. 2.3.6 lid 3 Wmo 2015). Onder doelmatig wordt verstaan het zo goed mogelijk bereiken wat met het pgb is beoogd. Zie ook hiervoor. Het college kan gedurende de budgetperiode onderzoek doen naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het pgb maar doet dat in ieder geval bij een volgend verzoek om een pgb. Dat wil zeggen als de cliënt zich opnieuw meldt met een ondersteuningsvraag en een daaropvolgende aanvraag.

12.7.3 Kwaliteit en cliëntgericht

Het spreekt voor zich dat de ondersteuning gericht moet zijn op de cliënt, met zijn belangen en wensen als uitgangspunt. Gaat het om derden die in dienst zijn bij een professionele organisatie of als Zzp’er werkzaam zijn, dan zijn kwaliteit en cliëntgerichtheid onderdeel van de professionele standaarden die gelden binnen de beroepsgroep. Denk in dat kader aan de opleidingseisen.

Kwaliteit: aangewezen op professionele ondersteuning

Uit de vastgestelde noodzaak van de maatwerkvoorziening in natura zal doorgaans blijken of de cliënt -gelet op de problematiek- aangewezen is op professionele ondersteuning. Dat wil zeggen dat aan de ondersteuning specialistische eisen verbonden zijn die (alleen) een beroepskracht kan bieden. Denk in dit geval ook aan de noodzaak van voldoende professionele distantie (CRVB:2021:2987). Wanneer het college dat heeft vastgesteld, kan (mag) de ondersteuning niet worden geboden door een persoon uit het sociaal netwerk (CRVB:2022:724). De budgethouder zal een door het college goed te keuren professionele ondersteuner moeten inschakelen. Lukt dat niet, dan weigert het college het pgb en zal een maatwerkvoorziening in natura worden verstrekt.

Kwaliteit: besteding pgb sociaal netwerk

Het college beoordeelt in ieder geval of:

•de cliënt zijn keus om de betreffende persoon uit het sociaal netwerk in te schakelen voldoende kan motiveren (zie ook bij pgb-vaardigheid).

•de persoon uit het sociale netwerk op geen enkele wijze druk uitoefent op de cliënt bij de besluitvorming. Dat wil zeggen de cliënt mag niet door deze persoon worden beïnvloed (zie ook bij pgb-vaardigheid). Het ligt voor de hand dat het college een gesprek heeft met de cliënt zonder dat de betreffende persoon uit het sociale netwerk daarbij aanwezig is. Het college kan er voor zorgen dat de cliënt bij dat gesprek gebruik kan maken van een onafhankelijke cliëntondersteuner.

•de persoon uit het sociale netwerk in staat is om de noodzakelijke ondersteuning te bieden. En zo ja, waar blijkt dat uit?

•voldoende aannemelijk is dat de persoon aan wie het pgb wordt besteed niet overbelast is of dreigt te geraken.

•de persoon uit het sociale netwerk de omvang (ook qua intensiteit) van de ondersteuning wel kan bieden. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek die deze persoon heeft. Reguliere werkzaamheden, maar ook andere activiteiten kunnen daarbij een rol spelen.

•de kwaliteit van de ondersteuning voldoende is gewaarborgd. Naar gelang de mate van beperkingen (kwetsbaarheid) van de cliënt zullen de kwaliteitseisen in het algemeen strenger mogen zijn.

•voldoende distantie aanwezig is. Dit kan een belangrijke rol spelen bij het bereiken van het resultaat. Zo kan te veel (emotionele) betrokkenheid van de persoon uit het sociale netwerk een negatief effect hebben op de relatie cliënt-ondersteuner. De cliënt kan daardoor ook (te) afhankelijk worden van de persoon uit het sociale netwerk.

•De derde aan wie het pgb wordt besteed beschikt over een VOG (zie hiervoor).

Kwaliteit: besteding pgb professionele ondersteuner

Het kan gaan om een derde die in dienst is bij een professionele organisatie, namens zo’n organisatie ondersteuning biedt of als Zzp’er werkzaam is. Het college beoordeelt in ieder geval of:

•de ondersteuning aansluit aan bij de te behalen resultaten (lees ook: beperkingen van de cliënt).

•de ondersteuner beschikt over een relevante opleiding. De opleidingseis kan verschillen naar gelang de aard van de te behalen resultaten ((lees ook: beperkingen van de cliënt).

•de ondersteuner de omvang van de ondersteuning kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij Zzp’ers. Die zullen namelijk ook door andere budgethouders (cliënten) kunnen worden ingekocht. Denk in dit geval aan de 40-urige werkweek.

•de beoogde ondersteuner niet al (te) lang betrokken is bij de budgethouder (cliënt), zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat wil zeggen: het college doet onderzoek naar de vraag of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het te behalen resultaat te bereiken. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit het ontbreken van voortuitgang bij een eerdere indicatie.

•De derde aan wie het pgb wordt besteed beschikt over een VOG (zie hiervoor).

12.7.4 Geschikt voor het doel

De door de budgethouder in te kopen maatwerkvoorziening moet in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (art. 2.3.6 lid 3 Wmo 2015). Dat blijkt uit de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening (indicatie in natura) en de te behalen resultaten. In het budget- en uitvoeringsplan staan de resultaten van het pgb.

Voorbeelden hulpmiddel

Is vastgesteld dat een traplift in natura geen veilige maatwerkvoorziening is, dan mag de budgethouder met een pgb geen traplift aanschaffen. Is vastgesteld dat de cliënt geen veilige transfers kan maken op een scootmobiel, dan mag de budgethouder met een pgb geen scootmobiel aanschaffen.

12.8 Besteding pgb

12.8.1 Termijn besteding pgb

Artikel 10.3 lid 2 Verordening

De termijn waarbinnen het pgb wordt besteed is 6 maanden. Heeft de budgethouder het pgb niet binnen deze termijn besteed, dan doet het college onderzoek naar de reden hiervan. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit. Voor woningaanpassingen is een termijn van zes maanden niet altijd realistisch omdat het langer kan duren om de woningaanpassing te realiseren. Zie onderdeel 9.4 van deze beleidsregels voor de uiterlijke bestedingstermijn.

12.14 Hoogte pgb

12.14.1 Hoogte pgb diensten

Onder diensten worden aangemerkt: de maatwerkvoorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 6 en 7 en artikel 4.2 van de verordening.

Hulp bij het huishouden

Voor hulp bij het huishouden variant a en b geldt een tarief voor professionals. Voor personen uit het sociaal netwerk en niet-professionals wordt het wettelijke minimumloon gehanteerd. De indicatie voor hulp bij het huishouden (natura en pgb) wordt vastgesteld in tijd en frequentie, zie bijlage 5 bij deze beleidsregels.

Diensten overig

Onder diensten overig vallen: ondersteuning, individuele begeleiding, groepsbegeleiding, logeren en Wmo-wonen. Ook hier is de hoogte van het pgb afhankelijk van de derde aan wie de budgethouder het pgb wil besteden. Het tarief voor professionals is bepaald in de verordening. Voor personen uit het sociaal netwerk, ook als zij professional zijn, en niet-professionals wordt het wettelijke minimumloon gehanteerd. De indicatie voor deze overige diensten in de vorm van een pgb wordt vastgesteld in: uren (of een naar rato tijdsindicatie), dagdelen of etmalen.

Verhoging wegens werkgeverslasten

Is de budgethouder werkgeverslasten verschuldigd, dan wordt het pgb daarmee verhoogd.

12.14.2 Hulpmiddel of woningaanpassing

De hoogte van het pgb voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. Daarbij wordt uitgegaan van de goedkoopste uitvoering en de eventuele vaste categorieprijzen vastgesteld op basis van de tarieven van de gecontracteerde leveranciers. Dat kan ook afhankelijk zijn of particulieren bij door het college gecontracteerde leveranciers een hulpmiddel kunnen aanschaffen met een pgb.

Offerte hulpmiddelen

Voor maatwerkvoorzieningen waarvoor geen vaste categorieprijzen gelden, wordt het pgb vastgesteld op basis van één of meerdere offertes. De cliënt kan (desgevraagd) offertes aanleveren maar het college kan die ook zelf opvragen. Het kan voorkomen dat een pgb wordt afgestemd op de kosten van een tweedehandse maatwerkvoorziening. Daar wordt dan de budgetperiode ook op afgestemd.

Verhoging pgb hulpmiddelen

Het pgb wordt, als dat nodig is, verhoogd met een bedrag voor de jaarlijkse kosten van onderhoud, reparaties van de voorziening en (eventueel) de WA-verzekering. Ook hier geldt als uitgangspunt, dat wordt aangesloten bij de tarieven van gecontracteerde leveranciers en aanbieders in geval de voorziening in natura zou zijn verstrekt (zie hiervoor).

Woningaanpassing

De hoogte van een pgb voor een woningaanpassing wordt gebaseerd op het Programma van Eisen en één of meerdere offertes. Het kan zijn dat daarnaast nog andere noodzakelijke kostenposten zijn die het college in aanmerking neemt. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van architect of legeskosten.

Hoofdstuk 12 Verordening

13 Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet

13.1 Inleiding

13.1.1 De cliënt

Voor de cliënt gelden de voorwaarden op grond van de wet en de verordening. Het college informeert cliënten in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik (art. 12.2 Verordening).

13.1.2 Aanbieder (natura)

Voor de gecontracteerde aanbieders verlopen de regels over de gevolgen in beginsel via een civiele procedure. Zie ook 14.6 van deze beleidsregels voor de bestuurlijke procedure. Dit hoofdstuk heeft daarom voornamelijk betrekking op de budgethouder (cliënt) en de derde aan wie het pgb wordt besteed. Om te zorgen dat een pgb ook daadwerkelijk wordt besteed waarvoor het is verstrekt, kan het college of de toezichthoudende ambtenaar de budgethouder maar ook de derde aan wie het pgb wordt besteed, vragen om daarover verantwoording af te leggen. Denk bijvoorbeeld aan de wel of niet uitgevoerde activiteiten met het oog op het te behalen resultaat. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.

13.1.3 Derde aan wie het pgb wordt besteed

Voor de derde aan wie het pgb wordt besteed kan het niet voldoen aan de voorwaarden van de wet of de verordening gevolgen hebben. Zie verder in de onderstaande onderdelen en zie ook 14.6 van deze beleidsregels.

13.3 Controle pgb

13.3.1 Besteding pgb binnen de termijn

De budgethouder besteedt het toegekende pgb binnen de termijn zoals genoemd in het toekenningsbesluit. Wordt die termijn overschreden dan onderzoekt het college wat de reden daarvan is.

Bijlage 1 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen

In deze bijlage staat een overzicht van voorzieningen die als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Het betreft een niet-limitatieve lijst.

Categorie huishouden

•Afwasmachine

•Magnetron

•(robot)stofzuiger

•Wasmachine

•Wasdroger/condensdroger

•Kookplaat

•Korflades

Categorie kinderen

•Aankoppelingsfiets voor kinderen

•Box tot 4 jaar;

•Buggy (tot 4 jaar)

•Commode tot 4 jaar

•Driewieler tot 4 jaar

•Fietskarren voor kinderen (voor zowel fiets als scootmobiel)

•Fietszitje regulier

Categorie vervoer/mobiliteit

•Zijwielen op fiets

•Rollator

•Fiets of tandem (al dan niet met lage instap)

•Bakfiets

Categorie autoaanpassing

•Automatische transmissie

•Neerklapbare achterbank

•Verstelbaar stuurwiel

•Stuurbekrachtiging

•Rembekrachtiging

•(Verwarmde) buitenspiegels

•Blindering auto

•Elektrisch bedienbare ramen

•Airconditioning

Categorie wonen

•Aanrechtblad

•Airconditioning

•Anti-slipvoorziening voor het douchen

•Intercom

•Thermostatische kranen en radiatorkranen

•Toiletpot (al of niet verhoogd of verlaagd, al of niet verstelbaar)

•Toiletverhoger

•Ventilatiesysteem badkamer

•Sleutelkastje

•Zonwering

•Douchekop met glijstang

•Eenhendelmengkraan

•Eenvoudige wandbeugels en grepen

•Meterkast uitbreiding met meerdere groepen (bij zelf aanpassen of bouwen woning

•Stangen voor raambediening van hoge ramen

•Douchestoel (los)

Bijlage 2 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting

Algemeen

Een onderzoek naar (dreigende) overbelasting kan aan de orde zijn bij huisgenoten waarvan verwacht wordt dat zij gebruikelijke hulp bieden, maar ook bij de mantelzorger. Een mantelzorger zal in de meeste gevallen een huisgenoot zijn maar kan ook niet woonachtig zijn bij de cliënt.

Het college onderzoekt, als daar aanleiding voor is, of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels over gebruikelijke hulp en/of weegt de belangen van de mantelzorger. Reden om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken of activiteiten overneemt in het kader van gebruikelijke hulp, overbelast dreigt te raken.

Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. Het gaat over een (dis)balans tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.

Factoren die van invloed zijn op de draagkracht:

•lichamelijke conditie huisgenoot/mantelzorger

•geestelijke conditie huisgenoot/mantelzorger

•wijze van omgaan met problemen (coping)

•motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak

•sociaal netwerk

Factoren die van invloed zijn op de draaglast:

•omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken; ziektebeeld en prognose

•inzicht van persoon in ziektebeeld van de cliënt

•woonsituatie

•bijkomende sociale problemen

•bijkomende emotionele problemen

•bijkomende relationele problemen

Onderzoek naar de draaglast en draagkracht

Het kan soms heel duidelijk zijn dat de huisgenoot overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal dit in het gesprek maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak moeten worden onderzocht. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de huisgenoot/mantelzorger dienen in principe te worden beoordeeld door een deskundige (meestal een arts of iemand die op dat niveau functioneert). In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.

Het onderzoeken van overbelasting

Onderzoeksvragen van het college aan de adviseur zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de huisgenoot/mantelzorger. Soms kan een vraag alleen betrekking hebben op mantelzorg:

•Wat zegt de huisgenoot/mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het ondersteunen en/of bieden van zorg?

•Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de huisgenoot/mantelzorger?

•Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?

•Heeft de mantelzorger een uitlaatklep? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen?

•Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen?

•Hoe is de relatie tussen de huisgenoot/mantelzorger en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de huisgenoot/mantelzorger grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de huisgenoot/mantelzorger en de cliënt?

•Heeft de huisgenoot/mantelzorger inzicht in de beperkingen van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit bijvoorbeeld een ziekte of aandoening voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren)

•Hoeveel tijd heeft de huisgenoot/mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat ondersteuning of zorg (verpleging en verzorging) behoeft? Bijvoorbeeld. Een echtgenoot ondervindt beperkingen terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.

•Is de ondersteuning of de zorg te plannen of is er continu controle en toezicht nodig?

•Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn)

•Wat zijn de knelpunten in de ondersteuning en/of de zorg?

•Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de huisgenoot/mantelzorger min of meer samen opgesloten zitten.

Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting

Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Vaak gaat het hierbij om aspecifieke symptomen die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan zonodig bij een extern adviseur moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.

Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:

•Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug

•Hoge bloeddruk

•Gewrichtspijn

•Gevoelens van slapte

•Slapeloosheid

•Migraine, duizeligheid

•Spierkrampen

•Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid

•Opvliegingen

•Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst

•Plotseling hevig zweten

•Gevoelens van beklemming in de hals

•Spiertrekkingen in het gezicht

•Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen, ongeduld

•Vaak huilen

•Neerslachtigheid

•Isolering

•Verbittering

•Concentratieproblemen

•Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen

•Rusteloosheid

•Perfectionisme

•Geen beslissingen kunnen nemen

•Denkblokkades

Bijlage 3 Uitgangspunten zorg ouder(s) voor kinderen

Kinderen van 0 tot 3 jaar

•hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

•ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

•zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

•ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;

•hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

•hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

•zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

•kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

•hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

•hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

•hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

•kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

•hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

•hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

•hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Bijlage 4 Gebruikelijk hulp door kinderen of andere huisgenoten

Het college hanteert de inhoud van deze bijlage als richtlijn voor de gebruikelijke hulp die van kinderen of andere huisgenoten mag worden verwacht op het gebied van huishoudelijke activiteiten.

Gebruikelijke hulp wil zeggen dat als de cliënt huisgenoten heeft die de huishoudelijke taken over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen noodzaak bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishouden. Dat betekent ook dat als degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 21 jaar wordt men verondersteld volledig een meer persoonshuishouden te kunnen draaien.

Bijdrage van kinderen (jonger dan 18) aan het huishouden

In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan wordt er van uitgegaan, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. De volgende indeling wordt gehanteerd:

•Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

•Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

•Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen naast bovengenoemde taken ook hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen).

Taken van huisgenoten van 18 tot 21 jaar

Van een volwassen gezonde huisgenoot (18 jaar) wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de cliënt uitvalt. Een 18-21-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.

De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn:

•schoonhouden van sanitaire ruimte;

•keuken, kamer en slaapkamer;

•de was doen;

•boodschappen doen;

•maaltijd verzorgen;

•afwassen en opruimen.

Als dat nodig is kan ook de verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.

Bij de bepaling van gebruikelijke hulp wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd.

Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen wordt alleen rekening gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het is niet toegestaan chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de offshore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken.

Bijlage 5 Hulp bij het huishouden (normtijden activiteiten en frequentie per week op basis van HHM 2025)

Resultaat

Schoon en leefbaar huis

Resultaat

Wasverzorging

Resultaat

Boodschappen

Resultaat

Regie/ organisatie, AIV

Basiscliëntsituatie,

volledige overname:

125min/week

Overname (externe wasverzorging is niet passend):

Was 1-pers. huishouden: 41 min/week

Was 2-pers. huishouden: 50 min/week

Strijken (1 of 2 pers): 22 min/week

Overname:

Boodschappen 51 min/week

Regie/organisatie: 30 min/week

AIV (6 weken): max 90 min/week

+

+

+

Minder inzet:

Minder inzet:

Minder inzet:

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk (zelf uitvoeren activiteiten) één of meerdere keren

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk

+

-/- 15 min

-/- 20 min

-/- 10 min

+

+

+

Meer inzet:

Meer inzet:

Maaltijden

Kindzorg (tijdelijk)

Beperkingen en belemmeringen cliënt of samenstelling huishouden

-Enig extra inzet + 30 min

-Veel extra inzet + 60 min

Extra kamer

-In gebruik als slaapkamer + 18 min

-Niet in gebruik als slaapkamer + 5 min

En/of extra inzet vanwege

-Vervuiling huisdier + 15 min

-Omvang inrichting of

bewerkelijkheid woning + 15 min

Extra wasmachine/week

-Als gevolg van beperkingen

en belemmeringen cliënt + 19 min

2broodmaaltijden: + 20 min/dag

Opwarmen maaltijd:+ 20 min/dag

1In uitzonderlijke gevallen kan het koken van een warme maaltijd nodig zijn: + 30 min/dag.

Afwassen en opruimen afwas valt binnen dit resultaat.

-Geen indicatie maaltijden?

-Beoordeel dan of afwassen handmatig of vaatwasser in- en uitruimen nodig is rekening houdend met eigen kracht.

-Tijdsindicatie is maatwerk.

Bereken minuten per week

Tijden voor diverse activiteiten

Maatwerk mogelijk

Bereken minuten per week

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week

Afronden naar boven op 5 minuten

Toepassing minder/meer inzet

Minder inzet dan volledige overname/afschalen

Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten)

Eigen mogelijkheden: uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat schoon en leefbaar te bereiken.

Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau en algemeen opruimen (voorheen licht huishoudelijke werk).

Kan de cliënt meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden.

Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt.

•Oorzaak 1: allergieën/COPD en dergelijke waardoor het huis beter stofvrij moet blijven.

•Oorzaak 2: incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten (en geen robotstofzuiger mogelijk voor het zand opzuigen) en dergelijke, waardoor het huis sneller vervuilt.

Gebruikelijke hulp: bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn.

Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.

Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 20 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d.

Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.

Aandachtspunt: inzetten van medisch advies kan eventueel nodig zijn om duidelijk te krijgen wat op objectieve medische gronden noodzakelijk is om aan extra ondersteuning in te zetten.

In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera: overweeg of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan.

Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer!)

Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken

Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is.

Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer.

Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen.

Grote bijkeuken: een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is.

Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader (bijv. voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera.

Tweede badkamer: kern: bespreken met de cliënt dat deze in principe niet wordt gebruikt als badkamer en deze dan aanmerken als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week.

Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon.

Separaat toilet boven: als er geen toilet in de badkamer zit: zien als onderdeel van ‘het sanitair boven’: vergt geen extra tijdsinzet.

Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op.

Kantoor: als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dan is het geen Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’.

De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer.

Grote kelder: afwegen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’.

Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten.

Het professionele oordeel van de consulent is uiteindelijk leidend.

Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp)

Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken)

In het normenkader is de mogelijkheid benoemd om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp van deze beleidsregels.

Zie uitgangspunt over huisdieren in 6.3 van deze beleidsregels.

Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken.

Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er minder dan volledige overname of meer dan volledige overname moet worden ingezet.

Het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd.

Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen.

Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting

Strijken en boodschappen (meestal voorliggend op te lossen)

Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken? Pas dit alleen toe in heel duidelijke gevallen.

Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar.

1Omvang van het huis: alleen in uitzonderlijke situaties neem je 15 minuten extra op vanwege een heel groot huis. Dit aspect wordt namelijk mede gedekt door de mogelijkheid van toekennen van extra tijd voor ‘extra kamers wel of niet in gebruik als slaapkamer’.

Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing.

2Bewerkelijkheid: idem. Alleen in uitzonderlijke situaties hiervoor extra tijd opnemen.

3Inrichting: idem. Eerste verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt om niet meer inzet nodig te maken dan redelijkerwijs nodig is. In uitzonderlijke situaties kan dit worden meegenomen.

Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend.

Regie en organisatie; Advies-instructie-voorlichting

Het kan zijn dat een cliënt niet meer zelf (volledig) de regie kan voeren over het huishouden. Als het zo is dat een hulp daardoor aantoonbaar extra werkzaamheden moet doen of bijvoorbeeld door het gedrag van de cliënt extra tijd nodig heeft, dan kan hiervoor 30 minuten per week structureel extra worden geïndiceerd. Van hulpen mag worden verwacht dat deze zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen. Het gegeven dat een cliënt de hulp niet kan instrueren, betekent dus niet automatisch inzet van extra ondersteuningstijd. Er moet wel sprake zijn van extra werk.

Advies-instructie-voorlichting gaat over het, op tijdelijke basis, aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden aan een cliënt. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen en een cliënt zelf wil kunnen bijdragen aan het huishouden, het schoonmaken, het leren koken van enkele basis-maaltijden, et cetera. Dit is dus altijd tijdelijk en is te onderscheiden van de inzet van individuele begeleiding.

Resultaat: Schoon en leefbaar huis

Basisnorm bij basiscliëntsituatie (zie schema Normenkader hulp bij het huishouden op basis van HHM 2025).

125min/week

De indirecte tijd maakt standaard onderdeel uit van de (integrale) normtijd. Indirecte tijd is de tijd die de hulp per bezoek besteedt aan: aankomst, vertrek, administratie, sociale interactie met de cliënt en het pakken en opruimen van schoonmaakspullen.

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of overname door netwerk

-/- 15 min/week

Zelf uitvoeren huishoudelijke activiteiten (één of meerdere keren per week).

Meer inzet per huishouden

1door beperkingen en belemmeringen cliënt of de omvang van het huishouden; en

2er meer vervuiling is of een noodzaak tot hoger niveau schoonhouden woning; en

3er meer nodig is dan de frequentie van basis- of incidentele activiteiten.

Normtijd meer inzet (per huishouden)

1Enige extra inzet, of

+ 30 min/week

2Veel extra inzet.

+ 60 min/week

Extra kamer (per huishouden)

1In gebruik als slaapkamer.

+ 18 min/week

2Niet in gebruik als slaapkamer.

+ 5 min/week

En/of extra inzet per huishouden vanwege:

Vervuiling huisdier.

+ 15 min/week

Omvang, inrichting of bewerkelijkheid woning.

+ 15 min/week

Resultaat Boodschappen

Normtijd overname boodschappen

51min/week

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of netwerk: opstellen boodschappenlijst, opruimen boodschappen.

-/- 10 min/week

Resultaat wasverzorging

Bij noodzaak overname (collectieve wasvoorziening is geen passende oplossing)

Was bij 1 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2 wasgangen per week)

41min/week

Was bij 2 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2,5 wasgang per week)

50min/week

Strijken, alleen bij medische noodzaak (1- of 2 persoonshuishouden, 1 x keer per week)

22min/week

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of overname door netwerk: zelf uitvoeren van bijv.: was sorteren, was in de wasmachine of droger stoppen, etc.

-/- 20 min/week

Meer inzet gerelateerd aan cliënt

Extra wasmachine per week (als gevolg van beperkingen en belemmeringen cliënt).

+ 19 min/week

Maaltijden

Onder dit resultaat valt ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen.

Frequentie maaltijden 1 x per dag tenzij de cliënt zelf of met hulp van anderen hierin kan voorzien.

Twee broodmaaltijden per dag (1 op tafel + 1 in de koelkast)

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Warme maaltijd (opwarmen)

+ 20 min per dag (bereken per week)

2In uitzonderlijke gevallen kan het koken van een warme maaltijd nodig zijn: + 30 min/dag.

min/week

Regievoering/organisatie van het huishouden

30min/week

De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. De Wmo 2015 kent geen definitie van regievermogen. Het onderzoek kan er op gericht zijn vast te stellen of de cliënt regieproblemen heeft. Het gaat dan over de vraag of de cliënt beperkingen heeft in het vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.

Tot organisatie van het huishouden wordt gerekend het (samen met de cliënt) kunnen bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden) waaronder in incidentele gevallen het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden.

Meer of minder inzet

Meer of minder inzet kan worden geïndiceerd wanneer het niet alleen gaat om het aansturen maar ook om het “samen opwerken” met betrekking tot huishoudelijke taken..

min/week

Advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden

90min/week

Instructie gericht op aanleren van huishoudelijke activiteiten waaronder het plannen (huishoudelijk werk, wasverzorging, boodschappen doen en koken). Maar denk ook aan het (beter) leren omgaan met en het gebruik van hulpmiddelen, indeling woning en verdeling van huishoudelijke taken over de week.

Inzet is tijdelijk en in beginsel gemaximeerd: 1 x keer per week voor 6 weken.

min/week

Activiteiten voor verzorging van minderjarige kinderen (normtijden op basis van protocol Kindzorg van CIZ, HHM 2025)

Het gaat hierbij om een ouder die ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging van gezonde kinderen uit te voeren. Denk aan de persoonlijke verzorging en begeleiding.

Verzorging van kinderen < 12 jaar. De ouder(s) blijft altijd verantwoordelijk voor de kinderen. Zie ook 6.2.3 Hulp bij het huishouden overig van deze beleidsregels.

Een kind van 3 maanden of ouder kan 5 dagen naar een kinderdagverblijf. Verder is de crèche, kinderdagverblijf, overblijven op school, voor- en naschoolse opvang een voorliggende oplossing.

Tot en met 7 jaar heeft een kind in ieder geval hulp nodig bij:

Normtijden

naar bed brengen en uit bed halen (per kind)

10min per keer

min/week

wassen en aankleden (per kind)

30min per keer

min/week

eten en drinken geven

20min per broodmaaltijd en 25 minuten per warme maaltijd

min/week

luiers verschonen (per kind)

10min per keer

min/week

naar school/crèche brengen/halen (per gezin)

15min per keer

min/week

Maatwerk (meer of minder inzet)

Wanneer meer hulp nodig is, dan kan tot maximaal 40 uur per week een indicatie gesteld worden. De maximale duur van zo’n indicatie is 3 maanden. Specifieke voorliggende oplossingen voor opvang (zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussen schoolse opvang, gastouder etc.) gaan vóór op het verstrekken van een maatwerkvoorziening.

min/week

Activiteiten benodigd voor een schoon en leefbaar huis (HHM 2025)

Woonruimten

Schoon en leefbaar huis

Woonkamer

Slaapkamer(s)

Keuken

Badkamer en toilet

Hal

Afnemen nat en droog

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Zitmeubels afnemen (droog/nat)

•Radiatoren reinigen

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

•Stof afnemen laag/midden/hoog incl. tastvlakken en luchtfilter

•Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

•Radiatoren reinigen

Stofzuigen en dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Stofzuigen

•Dweilen

•Trap stofzuigen

Ramen en gordijnen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

•Gordijnen wassen

•Lamellen/luxaflex reiniging

•Ramen binnenzijde wassen

Bed verschonen

Bed verschonen

Matras draaien

Keuken schoonmaken

•Keukenblok en –apparatuur (buitenzijde)

•Afval opruimen

•Keukenkastjes (binnenzijde)

•Koelkast (binnenzijde)

•Oven/magnetron

•Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)

•Afzuigkap reinigen (binnenzijde)

•Bovenkant keukenkastjes

•Tegelwand (los van keukenblok)

Sanitair schoonmaken

•Badkamer schoonmaken (incl. stofzuigen en dweilen)

•Toilet schoonmaken

•Tegelwand badkamer afnemen

Opruimen

Opruimen

Opruimen

Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (basisactiviteiten HHM 2025)

Ruimte

Basisactiviteit

Frequenties

Woonkamer (en andere kamers)

Stof afnemen hoog incl. luchtfilters

1x per 2 weken

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Opruimen

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per week

Slaapkamers

Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters

1x per 6 weken

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Opruimen

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per 2 weken

Bed verschonen of opmaken

1x per 2 weken

Keuken

Stofzuigen

1x per week

Dweilen

1x per week

Keukenblok(buitenzijde)inclusief tegelwand, kookplaat, spoelbak, koelkast, eventuele tafel

1x per week

Keukenapparatuur (buitenzijde)

1x per week

Afval opruimen

1x per week

Afwassen (* onderdeel van maaltijden)

Sanitair

Badkamer schoonmaken (inclusief stofzuigen en dweilen)

1x per week

Toilet schoonmaken

1x per week

Hal

Stof afnemen hoog incl. tastvlakken en luchtfilters

1x per week

Stof afnemen midden

1x per week

Stof afnemen laag

1x per week

Stofzuigen

1x per week

Trap stofzuigen (binnenshuis)

1x per week

Dweilen

1x per week

Frequenties benodigd voor een schoon en leefbaar huis (incidentele activiteiten HHM 2025)

Ruimte

Incidentele activiteit

Frequenties

Woonkamer (en andere kamers)

Gordijnen wassen

1x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

2x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Zitmeubels afnemen (droog/nat)

1x per 8 weken

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Slaapkamers

Gordijnen wassen

1x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

2x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Matras draaien

2x per jaar

Keuken

Gordijnen wassen

2x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

3x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

3x per jaar

Keukenkastjes (binnenzijde)

2x per jaar

Koelkast (binnenzijde)

3x per jaar

Oven/magnetron (grondig schoonmaken)

4x per jaar

Vriezer los reinigen binnenzijde (ontdooid)

1x per jaar

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - vaatwasserbestendig

2x per jaar

Afzuigkap reinigen (binnenzijde) - niet vaatwasserbestendig

2x per jaar

Bovenkant keukenkastjes

1x per 6 weken

Tegelwand (los van keukenblok)

2x per jaar

Sanitair

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Tegelwand badkamer afnemen

4x per jaar

Gordijnen wassen

1x per jaar

Ramen binnenzijde wassen

4x per jaar

Reinigen lamellen/luxaflex

3x per jaar

Hal

Deuren/deurposten nat afdoen incl. deurlichten

2x per jaar

Radiatoren reinigen

2x per jaar

Activiteiten en frequenties benodigd voor de wasverzorging (HHM 2025)

Activiteiten wasverzorging (één complete wasgang)

Frequentie eenpersoonshuishouden

Frequentie tweepersoonshuishouden

Wasgoed sorteren (eenmalig; voor meerdere wasgangen)

1x per week

1x per week

Behandelen van vlekken (indien noodzakelijk)

2x per week

2,5 x per week

Was in machine stoppen en aanzetten

2x per week

2,5 x per week

Wasmachine leeghalen

2x per week

2,5 x per week

Sorteren droger – waslijn

2x per week

2,5 x per week

Was in de droger stoppen

2x per week

2,5 x per week

Droger leeghalen

2x per week

2,5 x per week

Was ophangen (indien geen droger aanwezig of wordt gebruikt)

2x per week

2,5 x per week

Was afhalen (indien geen droger aanwezig of wordt gebruikt)

2x per week

2,5 x per week

Was opvouwen

2x per week

2,5 x per week

Was opbergen en opruimen

2x per week

2,5 x per week

Was strijken indien medisch noodzakelijk

1x per week

1x per week

Activiteiten en frequentie benodigd voor de boodschappen (HHM 2025)

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Boodschappen

Het opstellen van boodschappenlijst

1x per week

Het doen van boodschappen

1x per week

Het opruimen van de boodschappen

1x per week

Activiteiten en frequentie benodigd voor de maaltijden

Onderdeel

Activiteit

Frequentie

Maaltijden

Broodmaaltijden: tafeldekken, eten en drinken klaarzetten (1 maaltijd op tafel, 1 maaltijd in de koelkast), afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen

1x per dag*

Opwarmen maaltijd: maaltijd opwarmen, tafeldekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser in/uitruimen

1x per dag*

* Of minder als de cliënt hierin een deel van de week zelf of met behulp van het netwerk kan voorzien.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.