3. Vergunningprocedure
3.1 Aanleveringsvoorwaarden
3.1.1 Machtigingen
Een leidingexploitant kan een derde machtigen om namens hem een aanvraag in te dienen. Hiervoor is een door de leidingexploitant ondertekende machtiging benodigd.
NB: De vergunning wordt alleen op naam van de leidingexploitant afgegeven.
3.1.2 Technische specificaties werktekeningen
Elke tracéwijziging (dus nieuw, wijziging én verwijderen) moet digitaal worden aangeleverd via MOOR, ondersteund door (een) werktekening(en). Hiervan kan door de vergunningverlener een papieren exemplaar worden geëist ter onderbouwing van de digitale tekening(en).
De ingediende werktekeningen moeten voldoen aan de volgende eisen:
Eis
Toelichting
Schaalvoering
<1:500, met eventuele details in een grotere schaal (bij voorkeur 1:250).
Noordpijl
De tekeningen moeten zijn voorzien van een noordpijl.
Straatnaam
De tekeningen moeten zijn voorzien van duidelijke oriëntatiepunten, inclusief voldoende straatnamen.
Tekeningnummer
Voorzien van tekeninghoofd met uniek tekeningnummr en een datum waarbij de datum van de laatste wijziging geldt.
Maatvoering
De maatvoering van het voorstel tracé moet eenduidig en volledig zijn en ten opzichte van vaste punten in de omgeving.
Tracé voorstel
Het geplande tracé zoals de leidingexploitant verwacht dit uit te kunnen voeren. Waar de leidingexploitant al een tracé heeft liggen moet dit op de tekening te zien zijn.
Ruimtebeslag
Het aantal leidingen moet op de tekening(en) zijn aangegeven inclusief de materiaalsoort en de diameter van de leiding(en) en/of het ruimtebeslag voor de kabel(s). Als er twijfel is over de beschikbare ruimte, moet tevens de maatvoering ten opzichte van de naastliggende leiding(en) worden weergegeven.
Detaildoorsnede
Wanneer bij een bestaand tracé wordt gelegd, moet worden aangegeven hoe dit gebeurt zowel in horizontale als verticale zin.
Digitaal format
De digitale tekening(en) dient (dienen) in AutoCAD in RD-coördinaten en in PDF formaat te worden aangeleverd met een verwijzing in de bestandsnaam naar de straatnaam.
4. Tracébepaling
4.2 Standaardindeling
4.2.1 Horizontale indeling
In het algemeen worden de distributieleidingen in de trottoirs ingedeeld en de transportleidingen in de rijweg.
Aansluitleidingen worden zo veel mogelijk haaks op het distributienet aangelegd om geen beslag te leggen op de ruimte voor distributieleidingen.
Leidingen worden ingedeeld conform het standaard profiel van de gemeente Molenlanden, zie bijlage 3. Wanneer het niet mogelijk is het standaard profiel te hanteren wordt een tracé toegewezen.
4.2.2 Verticale indeling
De standaard verticale indeling is verwerkt in het standaard profiel van de gemeente Molenlanden, zie bijlage 3. De onderstaande uitgangspunten geven aan op welke wijze bestaande leidingen moeten worden gekruist.
De verticale indeling gaat uit van de volgende uitgangspunten:
•Vrijvervalleidingen hebben voorrang boven overige leidingen.
•Leidingen worden in principe horizontaal gelegd, behoudens vrijvervalleidingen.
•Bij kruisingen van leidingen met andere leidingen in open ontgraving bedraagt de tussenruimte (verticale dagmaat) ten minste 0,20 m bij nieuwe situaties.
•Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale dagmaat ten opzichte van de te kruisen leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding(en) dient te worden gevoerd. Genoemde minimale verticale dagmaat dient aantoonbaar te worden gegarandeerd om schade aan de te kruisen leidingen te voorkomen.
•In verzakte straten worden nieuwe leidingen volgens het standaard profiel ten opzichte van het bestaande straatpeil gelegd, tenzij door de vergunningverlener anders is aangegeven.
Het rijzen van leidingen wordt zo veel mogelijk in combinatie met straatophoging uitgevoerd. Leidingen, niet zijnde transportleidingen, moeten bij straatophogingen worden gerezen wanneer deze > 0,40 m verzakt zijn ten opzichte van het oorspronkelijke aanlegpeil openbaar gebied, op kosten van de leidingexploitant. Als leidingen gerezen worden moeten huisaansluitingen eveneens rijzen.
4.3 Bovengrondse infrastructuur
4.3.1 Open watergangen en waterkeringen
Open watergangen zijn beheersmatig in drie groepen te onderscheiden:
1Watergangen en waterkeringen beheerd door waterschappen of watergangen beheerd door Rijkswaterstaat: deze worden aangemerkt als een waterstaatswerk. Hierop zijn de vigerende NEN 3651en NEN 3650 van toepassing;
2Watergangen beheerd door de gemeente: bij het kruisen hiervan dient allereerst de feitelijke diepte van de watergang te worden opgevraagd, indien deze gegevens niet voor handen zijn, dienen deze zelf ingemeten te worden door de aanvrager. Dit is noodzakelijk vanwege de minimale gronddekking. Deze dient tenminste 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte te bedragen, of als de aanwezige bodem lager ligt dan de ontwerpdiepte, tenminste 1,00 m t.o.v. de aanwezige bodem;
4.3.2 Bomen
Bij het indelen van leidingen in de nabijheid van bomen moet rekening worden gehouden met diverse gemeentelijke beleidsdocumenten gericht op de realisatie van meer bomen en het waarborgen van de vitaliteit van bestaande bomen.
Uitgangspunt is dat geen bomen worden gekapt, maar gepasseerd worden door middel van een boring of persing. Wanneer het echt noodzakelijk is een boom te kappen moeten afspraken hierover worden gemaakt met de vergunningverlener. Voor de minimale afstand tussen boom en leiding, is de uiteindelijk te bereiken boomgrootte bepalend. Er mogen geen graafwerkzaamheden plaatsvinden binnen kwetsbare boomzones, tenzij er afspraken hierover zijn gemaakt met de toezichthouder. Voor werkzaamheden bij bomen verwijzen wij naar de voorschriften uit het Handboek Bomen, Hoofdstuk 2, paragraaf 2.46 t/m 2.51 (blz. 51 t/m 54).
Dit document is (digitaal) op te vragen bij de toezichthouder.
4.4 Bijzondere situaties
4.4.1 Archeologie
Conform de Monumentenwet 1988 en de daarin sinds 2007 opgenomen Wet archeologische monumentenzorg dient rekening te worden gehouden met archeologische waarden in de ondergrond. De wet is gericht op het behoud van archeologische waarden op de plek zelf. Indien dit niet mogelijk is, kan onderzoek verplicht gesteld worden.
Elke gemeente heeft een vastgestelde beleidsnota en/of beleids(advies)kaart archeologie en/of bestemmingsplannen waarin gemeentespecifieke vrijstellingen en onderzoeksplichten zijn opgenomen. Bij een vergunningaanvraag baseert de vergunningverlener zich hierop om een vrijstelling te verstrekken of een onderzoeksplicht op te leggen.
De vergunningverlener kan archeologisch onderzoek verplicht stellen bij een aanvraag voor een nieuw tracé of een nieuwe aansluiting voor kabels en leidingen of bij een verbreding of verdieping van een bestaand tracé. Een archeologisch vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek.
De kosten voor archeologische (voor-)onderzoek, eventueel vervolgonderzoek en mogelijk definitief onderzoek - liggen conform het in de Monumentenwet vastgestelde veroorzakersprincipe bij de vergunningaanvrager/leidingexploitant. De vergunningverlener ontvangt het onderzoeksrapport ter
goedkeuring en ter (gemandateerde) besluitvorming door B&W.
Bij de vervanging of de verwijdering van kabels en leidingen binnen een bestaand tracé, met inachtneming van de bestaande aanlegdiepte en –breedte, is geen archeologisch onderzoek nodig en geldt op voorhand een vrijstelling.
4.4.2 Kunstwerken
Bij gebruik van voorzieningen in/om/aan kunstwerken, inclusief bruggen, die in beheer en/of eigendom zijn van de gemeente dient de leidingexploitant op eigen kosten voorzorgsmaatregelen te nemen wanneer door of namens de gemeente onderhoud eraan wordt uitgevoerd, of het kunstwerk wordt vervangen of verwijderd door of in opdracht van de gemeente. Geconstateerde gebreken aan leidingen bij bestaande kunstwerken worden door de leidingexploitant hersteld.
4.4.3 Over- en onderbouwing van de openbare ruimte – stedelijk gebied
1Indien leidingen onder een overbouwing worden gesitueerd, dan dient de hoogte van de overbouwing ten opzichte van het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m te bedragen, in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch en ander materieel.
2Bij toepassing van koppelbalken dient de bovenkant van de koppelbalken ten minste 2,00 m onder het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil te worden aangebracht. De ruimte tussen de koppelbalken moet worden voorzien van een gewapendbetonplaat waarboven de leidingen een veilige ligging verkrijgen.
3Indien leidingen boven een onderbouwing worden gesitueerd, dan dient de diepte van de onderbouwing ten opzichte van het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil ten minste 2,00 m te bedragen, in verband met benodigde gronddekking voor leidingen.
4.4.4 Huisaansluitingen riolering (rioolaansluitingen)
Rioolaansluitingen voor gemengde afvoer, vuilwaterafvoer of regenwaterafvoer dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig het geldende beleid van de desbetreffende gemeente. Informatie hierover is opvraagbaar bij de vakteam beheer buitenruimte/rioolbeheer via telefoonnummer 088 7515000 of via email molenlanden@jouwgemeente.nl
4.4.5 Bestemmingsplanprocedure
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt het verplicht om leidingen met gevaarlijke stoffen op te nemen in het bestemmingsplan. Bovendien is door het ministerie van Infrastructuur en Milieu aangegeven dat leidingen met een bovenregionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico’s met zich meebrengen voor mens of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken, kunnen worden opgenomen in het bestemmingsplan.
Dit houdt in dat bij nieuwe aanleg en wijzigingen in het tracé van bovengenoemde leidingen een bestemmingsplanprocedure dient te worden gevolgd.
5. Aanleg- en uitvoeringsvoorschriften
5.4 Communicatie
5.4.1 Verantwoordelijkheden van betrokken partijen
Betrokkene
Is verantwoordelijk voor
Toezichthouder
De gemeentelijke toezichthouder houdt tijdens de werkzaamheden toezicht op het naleven van de uitvoeringsvoorschriften.
Leidingexploitant
De leidingexploitant zorgt continu voor een aan te spreken verantwoordelijke contactpersoon, wiens naam bij alle partijen bekend is. Deze persoon heeft tot taak erop toe te zien dat het werk conform de vergunning en gemaakte afspraken wordt uitgevoerd. Hij dient medewerking te verlenen aan gemeentelijke en andere toezichthouders.
Uitvoerders
De uitvoerders van het werk moeten over alle vereiste kwalificaties beschikken. De uitvoering van het werk wordt begeleid door competent toezichthoudend personeel van de leidingexploitant, dat de Nederlandse taal beheerst.
5.4.2 Bewoners en bedrijven
De leidingexploitant informeert ten minste een week voor aanvang van de werkzaamheden schriftelijk bewoners en bedrijven langs het tracé c.q. nabij het werk over de start en inhoud van de werkzaamheden, voor zover voor hen van belang. Deze zogenaamde 'bewonersbrief' heeft de voorafgaande goedkeuring nodig van de gemeente.
In het geval van integrale werkzaamheden met andere leidingexploitanten en/of gemeentelijke werkzaamheden in de openbare ruimte geeft de directie van het werk aan hoe de integrale communicatie van het totaal aan werkzaamheden dient plaats te vinden.
5.4.3 ‘Melding Ingraving’
Minimaal drie werkdagen voor de start van de uitvoering meldt de leidingexploitant en/of zijn vertegenwoordiger het werk waarvoor vergunning is verleend, aan bij het digitale loket van de gemeente en met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier.
5.4.4 KLIC-melding (procedure WIBON)
Ten hoogste twintig dagen voor aanvang van mechanische graafwerkzaamheden moet de uitvoerder een KLIC-melding doen.
5.4.5 Kick-off meeting / startvergadering
In de volgende gevallen is tevens een kick-off meeting/startvergadering verplicht:
•(leiding)werken vinden plaats in bestemde leidingenstroken of
•(leiding)werken vinden plaats binnen een afstand van 5 m vanaf bestemde leidingen.
•alle gevallen waar het gaat om (leiding)werken met een grote impact op de omgeving.
Het overleg dient minimaal twee weken voor de start van de uitvoering plaats te vinden. De leidingexploitant en zijn aannemer presenteren in dit overleg alle noodzakelijke plannen, waarna de belanghebbenden aanvullende voorwaarden kunnen stellen. Wanneer deze voorwaarden redelijkerwijs ertoe bijdragen dat schade aan de eigendommen van de belanghebbenden wordt voorkomen, moeten ze door de leidingexploitant alsnog worden verwerkt in het werkplan.
De hierboven bedoelde, benodigde voorbereidingsinformatie dient ten minste twee weken voor het overleg bij de belanghebbenden in bezit te zijn.
Van het overleg maakt de leidingexploitant of diens vertegenwoordiger een verslag, en zorgt ervoor dat dit minimaal twee werkdagen voor de start van de uitvoering bij alle betrokkenen is bezorgd.
Als blijkt dat er geen kick-off meeting/startvergadering is gehouden, kan de toezichthouder in overleg met de vergunningverlener besluiten de start van de uitvoering op te schorten.
5.5 Algemene uitvoeringsvoorschriften
5.5.1 Aanwezige documenten
Bij aanvang en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moeten op het werk aanwezig zijn:
•de vergunning of kopie ervan (MOOR),
•een geldige KLIC-melding,
•een kopie van de melding ingraving aan de toezichthouder,
•(afschriften van) de overige benodigde vergunningen.
5.5.2 Proefsleuven ter voorbereiding
De leidingexploitant dient vooraf te verifiëren of de leggegevens volgens de KLIC-melding nog overeenkomen met de werkelijke ligging. Dit dient te geschieden door proefsleuven te maken.
Voorafgaand aan verplicht gesteld archeologische onderzoek mogen geen proefsleuven of ontgravingen uitgevoerd worden, tenzij deze onder archeologische begeleiding worden uitgevoerd.
5.5.3 Uitzetten tracé
Uitgangspunt is dat de leidingexploitant het toegewezen tracé uitzet (uit laat zetten) en controleert of dit vrij is van belangen van derden.
5.5.4 Toepassen en verwijderen hulpconstructies
Voor het aanbrengen van leidingen kan het nodig zijn tijdelijke hulpconstructies toe te passen zoals pers- en ontvangstkuipen, sleufbekistingen door middel van onder andere damwanden, tijdelijke ondersteuningen en dergelijke. Deze hulpconstructies dienen conform het werkplan te worden aangebracht en verwijderd.
Mocht het om welke reden dan ook niet mogelijk zijn deze hulpconstructies geheel of gedeeltelijk te verwijderen dan dient dit onverwijld te worden gemeld aan de toezichthouder. De regel is dat deze tot minimaal 2,50 m onder maaiveld worden verwijderd. De achterblijvende constructies of delen daarvan dienen te worden ingemeten en worden geregistreerd door de leidingexploitant als ondergrondse objecten. Deze gegevens moeten naar de vergunningverlener worden verstuurd.
5.5.5 Werken in nabijheid van leidingen
Sonderingen, grondboringen, bronneringen en graafwerkzaamheden dienen zo te worden uitgevoerd dat geen schade optreedt aan nabij gelegen leidingen.
5.5.6 Grote zettingen
Bij (grote) te verwachten zettingen dienen belendingen, die door de aanleg zouden kunnen worden beïnvloed, aan een ‘0-waarde-onderzoek’ (vastleggen van de situatie op de contractdatum) te worden onderworpen en gemonitoord. Per geval dienen alarmgrenzen en criteria te worden afgesproken en vastgelegd tussen de betrokken partijen.
5.5.7 Bodemverontreiniging
Voor werkzaamheden in de bodem is de Wet bodembescherming (Wbb) onverkort van toepassing. Dit betekent onder andere dat de leidingexploitant verplicht is uit te zoeken of de bodem ter plekke van het leidingtracé verontreinigd is (Het verzamelen van informatie over de kwaliteit van de bodem, het verkrijgen van toestemming om te graven bij het bevoegd gezag en de extra uitvoeringskosten als gevolg van bodemverontreiniging zijn geheel voor rekening van de leidingexploitant.)Daarvoor kan hij:bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid nagaan of er bodeminformatie beschikbaar is. Dit kan via www.ozhz.nl/milieuthemas/bodem Ontdekt u dat uw grond vervuild is? Dan moet u dit melden bij de gemeente of provincie.
Bodem saneren
Vervuilde grond moet u laten saneren. Dit mag alleen door erkende bedrijven.
5.5.8 Ecologie
In ecologisch waardevolle bermen (Naar beoordeling van de groenbeheerder(s).moeten de negatieve invloeden van het werk zoveel mogelijk beperkt worden. Buiten de sleuf zijn aanvullende voorwaarden van toepassing. Grond uit de sleuf wordt niet direct op de berm geplaatst, maar op een tussenliggend materiaal. Het gebruikte materiaal moet stevig zijn, opdat er tijdens en na het proces geen kans is op vermenging van grond uit de sleuf in overige delen van de berm. Ook moet verdrukking van de berm buiten de sleuf voorkomen worden. Het tussenliggende materiaal moet na afloop met zorg worden weggehaald, zodat de berm niet alsnog beschadigd wordt. Wanneer de graafmachines over bermgedeelten buiten de sleuf moeten rijden, dient verdrukking voorkomen te worden. Materieel dat deze verdrukking voorkomt (zoals rijplaten) moet dan toegepast worden.
5.5.9 Werkterrein
Voor het aanvragen van een werkterrein/depot moet in bepaalde gevallen een omgevingsvergunning via www.omgevingsloket.nl worden aangevraagd. Vooraf dient een vooropname van het terrein gemaakt te worden met de toezichthouder. Het depot moet worden afgezet met bouwhekken. Na het voltooien van de werkzaamheden moet het werkterrein worden ontruimd, een en ander overeenkomstig het gestelde in de omgevingsvergunning, respectievelijk moet het werkterrein in de oorspronkelijke staat worden opgeleverd.
5.5.10 As-built tekening
De leidingexploitant dient, zonder nadere verrekening, op verzoek As-built-tekeningen van het leidingwerk te verstrekken aan de vergunningverlener. Op deze tekeningen moet het tracé van de leiding zoals deze is gelegd, zijn aangegeven in RD-coördinaten.
5.5.11 Leidingenstroken
Het is verboden zich met materialen en materieel die niet voor de uitvoering van het werk nodig zijn, in de leidingenstroken te bevinden. Bij transport van materiaal en materieel over de leidingenstroken, en ook bij het tijdelijk opslaan van uitkomende grond kan door de leidingexploitanten van de reeds aanwezige leidingen en/of toezichthouder van de gemeente worden geëist dat de nodige (tijdelijke) voorzieningen worden getroffen. De hoogte van de opslag van de uitkomende grond mag nooit > 1,00 m boven het maaiveld bedragen.
5.5.12 Hoogspanningsverbindingen
Bij werkzaamheden in de nabijheid van één of meer bovengrondse en/of ondergrondse hoogspanningsleidingen, zijnde transport en/of distributie van 10 kV en hogere spanningen en zendmasten moet over de te treffen veiligheidsmaatregelen vooraf worden overlegd met het bedrijf onder wiens beheer de leiding (of installatie) valt. Bij het vrijgraven van een leiding dient deze in overleg met de leidingexploitant te worden beschermd.
5.5.13 Bomen en groen
Werkzaamheden aan of bij bomen moet zo veel mogelijk worden vermeden, maar als het toch onvermijdelijk is, dan wordt hierover altijd eerst vooraf overleg met de toezichthouder van de gemeente Molenlanden gevoerd. De uitvoeringseisen ten aanzien van werken aan en rond bomen worden allen gegeven in het Handboek Bomen, welke digitaal beschikbaar gesteld kan worden.
In alle gevallen geldt dat graafwerk onder de boomkroonprojectie uitsluitend handmatig wordt uitgevoerd en de boomwortels die dikker zijn dan 5 cm gespaard moeten blijven. Het kappen van boomwortels mag uitsluitend met toestemming van de toezichthouder. Voorkom graafwerkzaamheden binnen het wortelpakket van de boom en voorkom wortelschade aan stabiliteitswortels van de boom.
De leidingexploitant is gedurende twee jaar verantwoordelijk voor het voortbestaan van bomen waar hij met toestemming, binnen de kroonprojectie heeft gegraven. De boom dient na twee jaar in vergelijkbare conditie te zijn als voordat de werkzaamheden uitgevoerd zijn. Als dit niet het geval is kan de leidingexploitant worden verplicht tot herplant.
5.5.14 Kruisingen asfaltverharding, sierbestrating en gefundeerde wegen
Leidingen dienen asfaltverharding, sierbestrating en gefundeerde wegen (zowel asfalt verharding als open verharding) te kruisen door middel van een persing of boring.
Bij gebruik van een persing, boring of mantelbuis moeten deze minimaal 0,50 m buiten de buitenkant van de kantopsluiting uitsteken, een en ander afhankelijk van de diameter en de dekking van de leiding en het zich buiten het wegdek bevindende ondergrondse infrastructuur.
5.6 Uitvoeringsvoorschriften, per aanlegmethode
5.6.1 Open ontgraving
Bij een open ontgraving worden de werkzaamheden in een droge gegraven sleuf uitgevoerd.
5.6.2 Graven sleuf
De graafwerkzaamheden moeten zo worden uitgevoerd dat beschadiging van in de grond aanwezige leidingen en overige objecten wordt voorkomen. Schade aan aanwezige (diep)drainagesystemen of irrigatiesystemen moet worden voorkomen of adequaat worden hersteld na de uitvoering.
Als op basis van het archeologisch vooronderzoek een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding verplicht is gesteld, dient hiermee rekening te worden gehouden.
Bij het graven van de sleuf gelden de volgende eisen:
•Er mag niet dieper wordt ontgraven dan het niveau dat is aangegeven voor de onderkant van de leiding in verband met optredende klink van geroerde grond, tenzij er met de vergunningverlener anders overeen gekomen is.
•Bij machinaal ontgraven is het niet toegestaan een tandenbak te gebruiken.
•Het is niet toegestaan leidingen aan te prikken met een scherp/puntig voorwerp.
•De wijze van ontgraven die wordt toegepast, dient beschadigingen van naastliggende leidingen uit te sluiten.
•Het is verboden machinaal te graven binnen een straal van 0,50 m vanaf de uitwendige diameter van de leiding(en) of mantelbuis(-buizen).
•Het talud moet zijn aangepast aan de sleufdiepte, de eventuele bemaling en de grondsoort, opdat de sleufwanden niet kunnen instorten en/of uitzakken. Zo nodig moet de sleufwand met aan te brengen schotten worden gestut.
•De sleufbodem dient zo uitgevoerd te worden dat de leiding wordt aangelegd zoals in de berekening is voorzien. Het kan nodig zijn een zandlaag/grondverbetering onder de leiding aan te brengen.
•De sleuf moet worden vrijgehouden van voorwerpen die de leiding zouden kunnen beschadigen. Grind, stenen en/of andere harde materialen nabij de definitieve plaats van de leiding moeten worden verwijderd en afgevoerd.
•Bij bomen moet rekening gehouden worden met de bomenverordening Molenlanden en de voorschriften zoals weergegeven in bijlage 2.
5.6.3 Lengte van de sleuf
Na aanvang van het ontgraven van de sleuf dient binnen een werkdag de sleuf opnieuw aangevuld te worden en de eventuele bovenliggende wegverharding in goede staat te zijn hersteld. Er mogen geen grotere lengtes van sleuven worden graven dan in een werkdag kan worden aangevuld en de bovenliggende verharding kan worden hersteld tenzij anders met de vergunningverlener is overeengekomen.
5.6.4 Uitgegraven materiaal
Indien er in een te graven sleuf meerdere lagen grondsoorten zijn moeten deze apart worden ontgraven en op dezelfde diepte weer terug worden gebracht. De lagen moeten afzonderlijk worden verdicht.
5.6.5 Opslag uitgegraven grond
De uitkomende grond moet zo worden opgeslagen dat bij het later aanvullen van de sleuf de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zo veel mogelijk wordt herkregen. De hoogte van de opslag van de uitkomende grond mag nooit > 1,00 m boven het maaiveld bedragen.
Aanwezige teelaarde moet separaat worden opgeslagen van de onderliggende lagen in overleg met de beheerder van de grond. In bepaalde gevallen kan het nodig zijn de ondergrond gescheiden te ontgraven en op te slaan. De opslag moet zijn afgestemd op de plaatselijke grondslag.
Gronddepots mogen niet boven een bestaande ondergrondse leiding, onder de boomkroon of op ecologisch waardevolle bermen worden geprojecteerd. Indien dit toch nodig is, moet in overleg met de toezichthouder worden nagegaan of het mogelijk is en welke bijzondere voorzieningen moeten worden getroffen.
5.6.6 Aanvullen sleuf
Indien onder verharding de leiding onder het zandcunet wordt aangelegd, dient de leidingexploitant de sleuf tot onderkant zandcunet op zijn kosten aan te vullen met zand om zetting te voorkomen.
5.6.7 Verdichten sleuf
Na beëindiging van de leidingwerkzaamheden moeten de gescheiden lagen grond, vrij van stenen en dergelijke, weer worden teruggebracht in dezelfde volgorde zoals ze werden aangetroffen. De sleuf hoeft echter niet verder verdicht te worden dan de naastliggende grond.
De sleuf moet, ter bescherming van de leiding en bekleding, tot een hoogte van 0,30 m boven de bovenkant leiding met grond vrij van grove en harde bestanddelen worden opgevuld. Deze eerste aanvullaag moet van een zodanige kwaliteit zijn en zo worden aangebracht, dat de leiding aan alle zijden over de gehele lengte een gelijkmatige en stevige ondersteuning krijgt.
De aanvulling dient te worden uitgevoerd in lagen van maximaal 0,30 m, waarbij elke laag moet worden verdicht. De sleuf dient na verdichting te voldoen aan de vingerende RAW-standaard, artikel 24.02.03 tot en met 24.02.06, 24.05.01 en 24.05.04 waarbij de volgende uitgangspunten worden gehanteerd:
Directie = vergunningverlener/toezichthouder
Aannemer = leidingexploitant
Bestek = vergunning
De leidingexploitant dient de verdichtingswaarden op verzoek aan de toezichthouder te overleggen. De toezichthouder mag controle aan de sleuf eisen.
Notabene: deze verdichtingseis geldt onverkort, ook indien er tijdens de werkzaamheden puin in de grond wordt aangetroffen en/of de grondsamenstelling een goede verdichting onmogelijk maakt. Het is dan aan de leidingexploitant om op zijn kosten maatregelen te treffen om een juiste verdichting te bereiken.
5.6.8 Overgebleven grond
Grond die overblijft, dient conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit of conform het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente door de leidingexploitant te worden onderzocht, afgevoerd en verwerkt te worden. Kosten voortvloeiend uit deze overgebleven gronden komen voor rekening van de leidingexploitant.
5.6.9 Boringen en persingen (sleufloze technieken)
Voor elke boring of persing dient een tekening te worden geleverd met daarop de lengteprofiel, de in- en uittredepunten in ruimtebeslag aangegeven, de opstelplaatsen van materieel en opslagplaats materiaal.
5.6.10 Bemaling
Het leggen van leidingen dient in droge sleuven plaats te vinden. Wanneer er bemaling nodig is moet dit in overleg met de vergunningverlener plaats vinden.
Voor het onttrekken en lozen van grondwater is het waterschap het bevoegd gezag. Voor het lozen op het vuilwaterriool is toestemming van de gemeente nodig.
De leidingexploitant blijft verantwoordelijk voor eventuele schade aan bijvoorbeeld gebouwen, beplanting e.d. als gevolg van de bemaling. Voor bronbemaling binnen de kwestbare boomzone moeten de voorschriften van Bijlage 2, Bomen worden aangehouden.
5.7 Algemene uitgangspunten
5.7.1 Herstel van de sleuf, elementenverharding
De leidingexploitant straat zelf dicht en is verplicht om degeneratie kosten, conform de richtlijn
herstraattarieven van de VNG (tarief B2), te betalen.
5.7.2 Herstel van de sleuf, asfalt
Wanneer er toestemming is verleend om in asfalt te graven, moet de leidingexploitant de sleufbreedte afstemmen op het dichtblokken met betonstraatstenen. De randen moeten recht afgezaagd worden en de oorspronkelijke funderingsopbouw moet worden hersteld. Conform bijlage 5, welke ook te vinden is in ons Programma van Eisen (PvE). De leidingexploitant levert de betonstraatstenen en blokt de sleuf dicht. Na een inklinkperiode herstelt de gemeente de sleuf in asfalt, inclusief alle nodige markeringen e.d. De kosten worden in rekening gebracht bij de leidingexploitant als zijnde degeneratievergoeding. Deze kosten worden aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten doorberekend.
5.7.3 Herstel van de sleuf, beplanting
Wanneer er toestemming is verleend voor een tracé door een groenstrook, moet de leidingexploitant de beplanting, in overleg met de toezichthouder, verwijderen. Grond moet gescheiden worden ontgraven en in dezelfde lagen worden teruggebracht.
De gemeente Molenlanden verzorgt de herplant van de beplanting en de (degeneratie-)kosten worden in rekening gebracht bij de leidingexploitant.
5.7.4 Schade aan huisaansluiting
Indien blijkt dat de zetting aan een gevel zodanig is dat verwacht kan worden dat de huisaansluiting dreigt te beschadigen of af te breken dan is de leidingexploitant verplicht hiernaar onderzoek te doen en zo nodig maatregelen te nemen.
5.7.5 Archeologische vondsten
Archeologische waarden dienen zoveel mogelijk behouden te blijven. Bij het onverwacht aantreffen van archeologische waarden of objecten dient dit direct gemeld te worden bij de vergunningverlener.
6. Bedrijfsvoering en bedrijfsbeëindiging
6.1 Algemene uitgangspunten
6.1.1 Risicomanagement
Meer specifiek verwijzen we naar de volgende normen:
Verwijzing naar / vergelijkbaar met:
Gasleidingen
NEN 7244-1, hoofdstuk 13
Waterleidingen
richtlijn Vewin (gebaseerd op
NEN-EN 805:2000), hoofdstuk 14 en bijlage B
warmwatervoorzieningen in Groep II
analoog aan: warmwatervoorzieningen in Groep I.
Rioolleidingen
Vergelijkbaar met: systeem in NEN 3650 of
de eerdergenoemde richtlijn van de Vewin.
6.2 Bedrijfsbeëindiging
6.2.1 Uitgangspunten
In principe moet een (permanent) buiten gebruik gestelde leiding altijd worden verwijderd.
Voor het verwijderen van leidingen is het gestelde in de AVOI van toepassing, wat betekent dat er tevens een vergunning voor het verwijderen van de leiding moet worden aangevraagd.
6.2.2 Uitzonderingen
Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij het verwijderen niet direct wenselijk is, zoals:
•het buiten gebruik stellen van een leiding(deel) terwijl er geen andere activiteiten in de ondergrond of aan het oppervlak plaatsvinden;
•het ontstaan van een risicovolle situatie aan objecten in de directe omgeving van de leiding.
•als het dermate hoge kosten met zich meebrengt dat het niet maatschappelijk verantwoord is ter beoordeling van de vergunningverlener.
Na toestemming van de vergunningverlener kan de leiding(deel) dan tijdelijk worden gehandhaafd. Hiervoor gelden dan de volgende extra eisen:
•leidingen die voor langere tijd buiten bedrijf worden gesteld, moeten worden ontkoppeld, geleegd, afgedicht en vol gezet op basis van cement, schuim of dämmeren.
•uit leidingen die permanent buiten dienst worden gesteld, moeten slurry, schraapsel, afvalstoffen en achtergebleven stof worden verwijderd en op passende wijze worden afgevoerd;
•de leiding moet op aanwijzing van de gemeente alsnog worden verwijderd als de gelegenheid zich voordoet, bijvoorbeeld in combinatie met wegonderhoud of aanleg van nieuwe leidingen in of direct naast het tracé en op verzoek van de vergunningverlener.
Eventueel hieruit voortvloeiende kosten van stagnatie komen voor rekening van de leidingexploitant.
BIJLAGE 1, MOOR
U moet de aanleg van ondergrondse werken in openbaar gebied melden bij de gemeente. Dit kan alleen via MOOR, www.moorwerkt.nl.
BIJLAGE 3, Werkplan
De uitvoering moet worden uitgewerkt in een werkplan, waarin de werkmethoden, het organisatieschema en de werkprocedures ten behoeve van de uitvoering en oplevering worden vermeld. Het definitieve werkplan moet twee weken voor aanvang van de uitvoeringsfase ter goedkeuring aan de gemeente Molenlanden worden aangeboden. Van een goedgekeurd werkplan mag slechts na goedkeuring van de toezichthouder van de gemeente worden afgeweken.
Ter voorkoming van afwijkingen van het tijdschema dient een wekelijkse voortgangscontrole te worden gemaakt, waarvan de resultaten worden doorgegeven aan de toezichthouder.
Bijlage 5, Tarievenblad
Tarief reparatie asfalt: € 230,- per m2 1cm dik (op basis van 16cm dik)
Tarief herstellen beplanting: € 25,- per m2