Gemeentelijke regelgeving

Stookbeleid gemeente Moerdijk 2008

Gemeente Moerdijk · geldt sinds 25 januari 2008

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders, in haar vergadering van 22 januari 2008,

gelet op de Gemeentewet, Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 10.2 en artikel 10.63,

tweede lid van de Wet Milieubeheer, artikel 5.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2007.

BESLUIT

vast te stellen de volgende beleidsregel:

STOOKBELEID GEMEENTE MOERDIJK 2008

4. Het juridisch kader

4.1 het begrip “afvalstof”

In artikel 1.1 lid 1 van de Wet milieubeheer is de definitie van afvalstoffen weergeven.

Dit artikel luidt als volgt:

“Afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”.

Bij ministeriele regeling wordt aangegeven welke stoffen, preparaten of andere producten in ieder geval worden aangemerkt als afvalstoffen, als de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. Bij besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en milieubeheer van 28 maart 2002 is de afvalstoffenlijst in de Staatscourant geplaatst. Zowel out afkomstig uit landbouw, tuinbouw en bosbouw als hout dat als huishoudelijk afval kan vrijkomen wordt op basis van deze afvalstoffenlijst als een afvalstof aangemerkt en valt daarmee onder artikel 10.2 van de Wet milieubeheer.

4.2. het verbod om afvalstoffen te verbranden in de Wet milieubeheer

Sinds 23 mei 2003 luidt artikel 10.2 van de Wet milieubeheer als volgt:

“1.Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

2Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoelde eerste lid.”

Het verbranden binnen een inrichting is toegestaan, mits daarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 10.63, tweede lid van de Wet Milieubeheer bepaalt dat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van het in artikel 10.2 genoemde verbod, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft. Het artikel luidt als volgt: “Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te verbranden, voor zover het geen gevaarlijke stoffen betreft.”

Door te spreken van een ontheffing wordt aangegeven dat alleen in bijzondere gevallen een uitzondering op het algemene verbod kan worden gemaakt. Daarbij moet er wel rekening mee worden gehouden dat een ontheffing alleen mogelijk is wanneer het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen ontheffing verzet. In het kader van dit criterium moeten alle milieubelangen, naast een doelmatig beheer van afvalstoffen dus ook bijvoorbeeld de effecten op lucht, water en bodem, in beschouwing worden genomen en mogen ter voorkoming of ter beperking van deze effecten voorschriften aan de ontheffing verbonden worden.

In toelichting op artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer wordt er vanuit gegaan dat de

gemeente overeenkomstig het VNG-standpunt terughoudend zal zijn bij het verlenen van een ontheffing van het verbrandingsverbod. Uitgangspunt blijft dat eerst wordt onderzocht of er hoogwaardiger verwerkingsmethoden, zoals versnippering of composteren, mogelijk zijn.

Aan de woorden “indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet” moet zo invulling worden gegeven dat gemeenten alleen een ontheffing verlenen voor het verbranden van snoeihout als dat vrijkomt bij het onderhoud van cultuurlandschappen.

Het branden van kaarsen en fakkels is niet verboden. Het gaat daarbij niet om het verbranden van afvalstoffen. Het koken, bakken en braden op vuren die zijn opgebouwd uit speciaal daar voor aangeschafte briketten, houtblokken e.d. is ook niet verboden. Slechts indien er daadwerkelijk afvalstoffen worden verbrand is het verbod uit artikel 10.2 aan de orde. Ook volgt uit artikel 10.63 van de Wet milieubeheer dat geen ontheffing kan worden verleend voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen.

Binnen het kader van de wetgeving is het mogelijk dat het college van burgemeester en wethouders ontheffing verleent voor alle overige categorieën afvalstoffen op grond van art 10.63 Wet milieubeheer. Hierbij wordt opgemerkt dat is aangegeven dat alleen ontheffing kan worden verleend als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

4.3 “buiten een inrichting”

Artikel 10.2 Wet milieubeheer geeft expliciet aan dat het moet gaan om het verbranden van afvalstoffen buiten een inrichting.

De Wet milieubeheer verstaat onder een inrichting het volgende:

“Artikel 1.1 lid 1: Inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.”

In het algemeen kan worden gesteld dat het dus gaat om het verbranden van afvalstoffen buiten een terrein dat behoort tot een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Op basis van de jurisprudentie behoren de landerijen van de akkerbouw- en veeteeltbedrijven alsmede boomgaarden van de fruitteeltbedrijven niet tot het terrein van de inrichting.

In zijn algemeenheid geldt echter dat binnen inrichtingen het verbranden van afvalstoffen niet is toegestaan. Het verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen is alleen toegestaan, als daarvoor een milieuvergunning is verleend of als de op de inrichting van toepassing zijnde Algemene maatregel van Bestuur dit toelaat.

Slotbepalingen

9. Inwerkingtreding

1De beleidsregel treedt in werking op de eerste dag gelegen na de bekendmaking ervan.

2De beleidsregel wordt bekendgemaakt in huis aan huis blad de Moerdijkse Bode.

3De oude beleidsregel, Stookbeleid gemeente Moerdijk 2006 die betrekking heeft op de APV 2005, wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding.

10. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Stookbeleid gemeente Moerdijk 2008.

Bijlage 1 de ladder van Lansink

Voorkeursvolgorde voor de behandeling van rest- en afvalstoffen, in 1979 ontwikkeld door het toenmalige kamerlid Lansink:

1preventie

2producthergebruik

3materiaalrecycling

4verbranding met energieterugwinning

5verbranding

6storten

Bijlage 2 hoofdpunten brief d.d. 20 december 2004 provinciaal handhavingsoverleg milieu

Een van de belangrijkste knelpunten die van gemeentezijde is ingebracht is dat een terughoudend ontheffingenbeleid op gespannen voet staat met het beleid om groenstroken in het buitengebied te stimuleren. Als het snoeiafval, wat bij het onderhoud daarvan vrijkomt niet meer verbrand mag worden zou alternatieve verwerking daarvan voor de eigenaren te hoge kosten met zich meebrengen. In het BPHOM heeft hierover overleg plaatsgevonden en is een beleidskader geformuleerd met betrekking tot het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Daarbij zijn de alternatieve verwerkingsmogelijkheden in beeld gebracht alsmede een indicatie van de kosten.

Uitgangspunt dient te zijn dat eerst wordt onderzocht of er hoogwaardiger verwerkingsmethoden voorhanden zijn dan het verbranden van de afvalstoffen buiten inrichtingen. Hoogwaardiger verwerkingstechnieken zijn:

•Het snoeiafval kan zodanig versnipperd worden dat het als structuurverbeteraar op de bodem kan worden toegepast op de plaats waar het is vrijgekomen (plantsoenen e.d.). Hierbij dient wel de kanttekening te worden geplaatst dat deze toepassing in de regel leidt tot versterkte en versnelde onkruidgroei hetgeen conflicteert met extensief groenonderhoud. Een oplossing is dan om het versnipperde materiaal naar de biomassacentrale in Cuijk te laten brengen (zie onder derde mogelijkheid).

•Binnen de provincie Noord-Brabant zijn er voldoende (een dertigtal) composteerinrichtingen waar het vrijkomende snoeiafval kan worden gecomposteerd. Het aanbieden van snoeiafval bij de inrichting kost circa € 30,- per ton.

•In de biomassacentrale te Cuijk wordt houtig snoeimateriaal verwerkt tot brandstof. Als voorbewerking moet het snoeihout wel gechipt worden. Het inhuren van een chipmachine kost tussen de € 30,- en € 40,- per ton. Indien er meer dan 40 m³ houtchips worden geproduceerd haalt Van Gansewinkel dit gratis op voor verbranding in de biomassacentrale te Cuijk.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.