2 Werkwijze gemeente Moerdijk
2.1 Uitgangspunten
2.1.1 Kostenverhaal en vragen financiële bijdragen middels anterieure overeenkomst
Het heeft de voorkeur van de gemeente om het kostenverhaal via een anterieure overeenkomst te regelen. In deze anterieure overeenkomst worden afspraken gemaakt over een bijdrage aan bovenwijkse voorzieningen en eventueel een financiële bijdrage. Indien het niet mogelijk is een anterieure overeenkomst te sluiten, wijst de gemeente een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan aan en stelt daarbij kostenverhaalsregels. In het geval van een financiële bijdrage wordt het publiekrechtelijke spoor gevolgd als de financiële bijdrage niet via een overeenkomst loopt. Het streven naar anterieure overeenkomsten bespaart de gemeente kosten en maakt de wijze waarop de gemeente afspraken maakt flexibeler.
2.1.2 Aanwijzen kostenverhaalsgebied
De gemeente kan ervoor kiezen om, ook al zijn er anterieure overeenkomsten gesloten, toch een kostenverhaalsgebied aan te wijzen in een omgevingsplan en daarbij kostenverhaalsregels op te stellen. De redenen daarvoor kunnen zijn:
◼︎ Het nemen van voorzorgsmaatregelen tegen een eventueel faillissement van één of meer van de anterieure contractpartners;
◼︎ Een andere reden kan zijn het regelen van een garantie tot betaling van de exploitatiebijdrage in die gevallen waarin de onderhandelingspartners van de gemeente geen bankgarantie of onvoldoende andere solide garantstelling kunnen bieden.
Het aanwijzen is niet nodig indien het kostenverhaal voor de volledige 100% is gedekt en het verhaal daarvan rechtens afdwingbaar is, bijvoorbeeld middels een bankgarantie.
2.1.3 Verdeelsleutel en factoren verhaalbare kosten
In de gemeente zal voor het verhalen van bovenwijkse kosten en het vragen van financiële bijdrage gekozen worden voor de best passende verdeelsleutel bij de aard van de ontwikkelingen/voorzieningen. Bij het verhaal van kosten van bovenwijkse voorzieningen worden twee verschillende factoren toegepast.
De eerste factor geldt voor de categorie woningen bij bovenwijkse voorzieningen. Uitgangspunt is dat de programmaonderdelen met een lagere verdienpotentie minder basiseenheden genereren en daarmee ook minder bijdragen aan bovenwijkse voorzieningen dan programmaonderdelen met een hogere verdienpotentie. Dit kan bijvoorbeeld bewerkstelligd worden door uit te gaan van woningequivalenten op basis van de verkeersgeneratie, welke intrinsiek namelijk hoger is voor programmaonderdelen met een hogere opbrengstpotentie.
De tweede factor heeft te maken met de mate van profijt dat een activiteit heeft bij de realisatie van een (Bovenwijkse) voorziening. De mate van profijt van een nieuwe (Bovenwijkse) voorziening kan voor een nieuwe activiteit van groter belang zijn dan het belang van de bestaande stad. Per Bovenwijkse voorziening zal worden bezien of dat het geval en welke factor dan het best passend is bij de mate van profijt.
Aandachtspunt is tevens dat voor bepaalde categorieën maatwerk noodzakelijk is om zorg te dragen voor een redelijke toerekening van de kosten.
2.1.4 Toepassing PPT-criteria kostenverhaal Bovenwijkse voorzieningen
In deze Nota wordt het principe “de veroorzaker betaalt” als uitgangspunt genomen. Als activiteiten de oorzaak zijn van het moeten treffen van een voorzieningen, dan dienen deze activiteiten ook de voorziening te betalen of althans mede te betalen. Puur het feit dat andere (bestaande) gebieden gebruik maken van een voorziening wil nog niet zeggen dat ze ook moeten meebetalen. Indien bestaande gebieden (de bestaande stad) profijt hebben van een nieuwe voorziening en de kosten ook toerekenbaar zijn aan de bestaande stad (denk aan autonome groei) dan dient de bestaande stad ook mee te betalen aan de voorziening.
Bij de toerekening van de kosten van een bovenwijkse voorziening wordt derhalve gekeken welke activiteiten (gebieden)/ kernen profijt hebben en aan welke activiteiten (gebieden)/kernen de kosten toerekenbaar zijn. Een omslag over de gehele gemeente zal bij bovenwijkse voorzieningen niet vaak voorkomen. De meeste nieuwe voorzieningen zullen immers van dien aard zijn en zodanig zijn gelegen dat niet gesteld kan worden dat de gehele gemeente daarvan gebruik maakt en dus profijt van zal hebben.
Bij elke ontwikkeling wordt bezien of er profijt is van bovenwijkse voorzieningen, en zo ja zal de proportionaliteit en toerekenbaarheid bepaald worden. Het kan ook voorkomen dat dit niet van toepassing is op een bepaalde ontwikkeling, in welk geval er dus geen bijdrage voor bovenwijkse voorzieningen gevraagd zal worden. Dit zal vaker het geval zijn voor relatief kleine ontwikkelingen, waarbij zal worden aangegeven dat de PPT-criteria in die specifieke gevallen niet van toepassing zal zijn.
2.1.5 Het vragen van financiële bijdragen
Als uitgangspunt geldt dat de gemeente alleen een financiële bijdrage zal vragen in het geval de ontwikkeling van de kostendragende locatie uitvoerbaar blijft. Dit geldt in ieder geval in het publiekrechtelijke spoor. Het is aan degene die een bijdrage moet betalen om dat aan te tonen. De financiële bijdrage wordt gebaseerd op hetgeen privaatrechtelijk mogelijk is, waarbij wel rekening wordt gehouden met de schaduwwerking van het publiekrechtelijke spoor en de eisen die gelden in het privaatrechtelijke spoor.
2.1.6 Plankosten
De gemeente zal de te verhalen plankosten in het geval van het publiekrechtelijke kostenverhaal baseren op de plankostenscan. Bij privaatrechtelijke kostenverhaal wordt de plankostenbijdrage bepaald aan de hand van onderhandeling, waarbij de plankostenscan tevens als uitgangspunt geldt.
2.1.7 Plankosten bestemmingsplan en leges
De gemeente heeft de voorkeur om de plankosten m.b.t. de planologische procedure te verhalen via leges. In het geval er sprake is van het publiekrechtelijke spoor en de plankosten zijn bepaald aan de hand van de plankostenscan dan worden de uitkomsten van de plankostenscan gecorrigeerd.
2.1.8 Innen privaatrechtelijk kostenverhaal
Bij het sluiten van een de anterieure overeenkomst wordt bepaald op welke momenten de betalingsverplichtingen voor het kostenverhaal voldaan moeten worden. De afdracht wordt bij voorkeur gekoppeld aan het vaststellen van het Omgevingsplan. Er worden geen plankosten in rekening gebracht tijdens de intake- en initiatieffase. De plankosten hebben wel betrekking op de intake- en initiatieffase, maar worden pas opgenomen in een anterieure overeenkomst.
2.1.9 Macroaftopping
De gemeente is op basis van de Omgevingswet in het publiekrechtelijke spoor wettelijk verplicht om rekening te houden met macroaftopping. Macroaftopping betekent dat de gemeente niet meer kosten kan verhalen dan dat er opbrengsten zijn. De gemeente past dit principe ook toe op haar eigen grondexploitaties.
2.1.10 Zekerheden
Om er zeker van te zijn dat de gemeente haar kostenverhaal voor de volledige 100% heeft gedekt dienen marktpartijen zekerheden te stellen bij het aangaan van anterieure overeenkomsten. Op basis van de Nota grondbeleid zal de gemeente deze zekerheid verlangen in de vorm van een bankgarantie. In uitzonderlijke gevallen zal de gemeente ook akkoord gaan met een eerste recht van hypotheek.
2.1.11 Hardheidsclausule
Het college is bevoegd om in individuele gevallen en mits gemotiveerd af te wijken van deze Nota. Dit kan uitsluitend als de toepassing van deze Nota, rekening houdend met het belang van transparant en evenredig kostenverhaal, naar het oordeel van het college leidt tot een niet billijke en onredelijke uitkomst.
7 Uitwerking vragen financiele bijdrage
7.3 Privaatrechtelijk spoor
7.3.1 Eisen aan de toepassing van de privaatrechtelijke variant
De gemeente heeft bij de toepassing van de privaatrechtelijke variant meer vrijheden dan bij de toepassing van de publiekrechtelijke variant. Dat brengt echter niet met zich mee dat er geen eisen zijn bij de toepassing van de privaatrechtelijke variant. Uit de totstandkoming van de Omgevingswet blijkt dat er eisen zijn aan de onderbouwing. De omgevingsvisie of het programma moet:
◼︎ het gebied omschrijven of aangeven dat ontwikkeld wordt;
◼︎ het verband aangeven tussen de activiteit en de ontwikkeling waaraan wordt bijgedragen;
◼︎ ingaan op de financiering van de ontwikkeling;
◼︎ een indicatie geven van de gewenste bijdrage;
◼︎ ingaan op de planning en realisatie van de ontwikkeling.
7.4 Stappen bepalen financiële bijdragen
7.4.1 Provinciale bijdragen
Bij het vragen van financiële bijdragen moet ook rekeningen worden gehouden met provinciale bijdragen die moeten worden afgestaan. In deze Nota wordt hiervoor verwezen naar het provinciale beleid.
Bijlage 1 Begrippen
Activiteiten
Activiteiten zijn ontwikkelingen in de openbare ruimte. Deze kunnen een direct verband hebben met bijvoorbeeld woningbouwplannen en zijn dan Kostenverhaalsplichtige activiteiten, maar kunnen ook betrekking hebben op de verbetering van de fysieke leefomgeving en zijn dan ruimtelijke ontwikkelingen.
Bestaande stad
De bestaande stad zijn de reeds bestaande woningen, bedrijven, kantoren, maatschappelijke voorzieningen in de gehele gemeente Moerdijk, bestaande uit diverse kernen.
Bovenwijkse voorzieningen
Bovenwijkse voorzieningen zijn de voorzieningen waarin de gemeente moet investeren in de openbare ruimte om er zorg voor te dragen dat de gemeente als gevolg van ontwikkelingen toekomstbestendig wordt en blijft. Bovenwijkse voorzieningen zijn werken, werkzaamheden en maatregelen van voorzieningen waar nieuwe (bouw)activiteiten, de bestaande stad (en vaak ook nog daarbuiten) profijt van hebben. Het kan hierbij gaan om investeringen in infrastructuur, maar bijvoorbeeld ook waterberging. Deze voorzieningen worden ook wel kostenvragers genoemd. Op deze voorzieningen (kostenvragers) is het verplichte kostenverhaal van de gemeente van toepassing.
Kostenverhaalsplichtige activiteiten
Dit zijn de wettelijke benoemde activiteiten waar bij de gemeente de plicht heeft, in het geval ze voor die activiteiten kosten moet maken, om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers van die activiteiten. Het kan dan gaan om de realisatie van woningen, bedrijven etc. Deze worden ook wel kostendragers genoemd.
Ruimtelijke ontwikkelingen
Ruimtelijke ontwikkelingen zijn ontwikkelingen in de openbare ruimte die niet direct zijn toe te rekenen aan Kostenverhaalsplichtige activiteiten. Het gaat dan om ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld de verbetering van de fysieke leefomgeving, de realisatie van voorzieningen, zoals wegen, die niet direct toerekenbaar zijn aan activiteiten, maar waarvan de activiteiten wel profijt kunnen hebben. Deze ontwikkelingen behoren ook toe tot de categorie kostenvragers.
Bijlage 2 Wettelijk kader bovenwijkse voorzieningen (Omgevingswet en Omgevingsbesluit)
Wetteksten
Artikel 13.11. Ow (verhalen van kosten)
1Op degene die bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bouwactiviteiten of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie verricht, verhaalt het bestuursorgaan de kosten die het vanwege bij die maatregel aangewezen kostensoorten maakt, voor zover:
a.de kostensoorten toerekenbaar zijn aan het kostenverhaalsgebied, en
b.de kosten proportioneel zijn in verhouding tot het profijt dat het kostenverhaalsgebied van de kostensoorten heeft.
2Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het bestuursorgaan kan besluiten om de kosten niet te verhalen.
Artikel 13.14 Ow (kostenverhaal met tijdvak in omgevingsplan, omgevingsvergunning en projectbesluit)
3In het omgevingsplan:
a.worden kostenverhaalsgebieden aangewezen waarvoor de kosten, bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, worden gemaakt,
b.wordt per kostenverhaalsgebied bepaald welke kostensoorten waarvan het gebied ten dele profijt heeft, naar evenredigheid aan dat kostenverhaalsgebied worden toegerekend,
c.wordt per kostenverhaalsgebied een raming van de kosten opgenomen,
d.wordt per kostenverhaalsgebied een raming van de opbrengsten van alle daarin gelegen gronden opgenomen, en
e.worden per kostenverhaalsgebied regels gesteld over:
i.de verdeling van de kosten over de activiteiten, en
ii.de eindafrekening van de kosten.
4Als de te verhalen kosten, verminderd met de door het bestuursorgaan ontvangen of te ontvangen bijdragen en subsidies van derden, hoger zijn dan de opbrengsten van de gronden binnen het kostenverhaalsgebied, kan het bestuursorgaan die kosten slechts verhalen tot ten hoogste het bedrag van die opbrengsten.
5Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op:
a.een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover sprake is van een activiteit die in strijd is met een in het omgevingsplan aan een locatie toegedeelde functie,
b.een projectbesluit.
Artikel 13.15 Ow (kostenverhaal zonder tijdvak in omgevingsplan)
1Als voor een kostenverhaalsgebied in een omgevingsplan geen tijdvak voor de uitvoering van de werken, werkzaamheden en maatregelen en de activiteiten is vastgesteld, is artikel 13.14, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a.de in artikel 13.14, eerste lid, onder c, bedoelde raming kan inhouden dat alleen het maximum van de globaal te verhalen kosten als geheel per kostenverhaalsgebied wordt opgenomen, en
b.artikel 13.14, onder d, buiten toepassing kan blijven.
2Bij toepassing van het eerste lid:
a.houdt de verdeling, bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder e, onder 1o, ook in dat per activiteit het maximum van de te verhalen kosten wordt opgenomen, en
b.is artikel 13.14, tweede lid, niet van toepassing en geldt in plaats daarvan dat de kosten worden verhaald tot ten hoogste het bedrag van de waardevermeerdering van de locatie waar de activiteit wordt verricht, die optreedt of zal optreden als gevolg van de activiteit.
3Bij het op grond van artikel 13.11, eerste lid, aanhef, bij algemene maatregel van bestuur aanwijzen van kostensoorten kan onderscheid worden gemaakt tussen kostenverhaalsgebieden waarvoor wel een tijdvak en die waarvoor geen tijdvak voor de uitvoering van de werken, werkzaamheden en maatregelen en de activiteiten is opgenomen.
Artikel 8.13 Ob (kostenverhaalplichtige activiteiten)
Bouwactiviteiten waarvan kosten worden verhaald als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, aanhef, van de wet, zijn:
a.de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;
b.de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;
c.de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;
d.de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte;
e.de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of
f.de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m² bedraagt.
Artikel 8.14 (afzien van kostenverhaal)
Het bevoegd gezag kan beslissen kosten niet te verhalen als:
a.het totaal van de verschuldigde geldsommen dat op grond van artikel 13.18 van de wet kan worden verhaald, minder bedraagt dan € 10.000,-;
b.er geen verhaalbare kosten als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV zijn; of
c.de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
BIJLAGE IV BIJ ARTIKEL 8.15 VAN DIT BESLUIT (KOSTENSOORTEN)
De kostensoorten, bedoeld in artikel 8.15, zijn de in de tabellen A en B bedoelde kostensoorten.
A. Kostensoorten bij kostenverhaal met of zonder tijdvak
A1
De kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek
A2
De waarde van de gronden die worden gebruikt voor de uitvoering van de onder A8 en A9 bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief de waarde van de te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig artikel 8.17, eerste lid
A3
De kosten van het vrijmaken van de gronden, bedoeld onder A2, van persoonlijke rechten en lasten, eigendom en bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten
A4
Het tijdelijk beheer van de door of vanwege de gemeente, de provincie of de Staat verworven percelen, verminderd met de uit het tijdelijk beheer te verwachten opbrengsten
A5
De kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder A2
A6
De kosten van bodemsanering, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder A2
A7
De kosten van de noodzakelijke compensatie van in het kostenverhaalsgebied verloren gegane natuurwaarden, groenvoorzieningen en watervoorzieningen
A8
De kosten van de aanleg of wijziging van:
1°. wegen, gebouwde en ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen, voet- en rijwielpaden, gebouwde openbare fietsenstallingen, faciliteiten voor ondergrondse afvalinzameling, waterpartijen, watergangen, voorzieningen voor de waterhuishouding, bruggen, tunnels, duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg daarvan verband houdende werken en bouwwerken;
2°. infrastructuur voor openbaar-vervoervoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken;
3°. groenvoorzieningen, natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciële sportvoorzieningen;
4°. openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen;
5°. straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen, kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte;
6°. distributienetwerken voor elektriciteit, warmte, gas en water, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken; en
7°. riolering, inclusief bijbehorende werken en bouwwerken
A9
De kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen die noodzakelijk zijn voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit
A10
De kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering van de onder A3, A5, A6, A8 en A9 bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek
A11
Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet
A12
Niet-terugvorderbare BTW, niet-gecompenseerde compensabele BTW of andere niet-terugvorderbare belastingen, over de kostenelementen, genoemd onder A1 en A3 tot en met A10
A13
De rente van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten, verminderd met renteopbrengsten
A14
De kosten van andere door of in opdracht van het bestuursorgaan te verrichten werkzaamheden, voor zover die werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in deze bijlage bedoelde werken, werkzaamheden en maatregelen
B. Kostensoorten bij kostenverhaal met tijdvak; in aanvulling op tabel A
B1
De waarde van de gronden waar de bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, van de wet, zullen worden verricht, inclusief de waarde van de daar aanwezige, te slopen opstallen, geraamd overeenkomstig artikel 8.17, eerste lid
B2
De kosten om de gronden, bedoeld onder B1, vrij te maken van persoonlijke rechten en lasten, eigendom, bezit en beperkte rechten of zakelijke lasten
B3
De kosten van het slopen, verwijderen en verplaatsen van opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen op de gronden, bedoeld onder B1
B4
De kosten van bodemsaneringswerkzaamheden, het dempen van oppervlaktewateren en het verrichten van grondwerken op de gronden, bedoeld onder B1
Wettelijk kader
Typering kostensoorten
Bij realisatie van die openbare voorzieningen kan onderscheid worden gemaakt in een aantal typen kostensoorten, namelijk:
◼︎ Gebiedseigen of binnenplanse kosten binnen een kostenverhaalsgebied: Voor deze kosten geldt dat alleen een specifieke gebiedsontwikkeling het profijt van die investeringen ondervindt; de kosten zijn 100% toerekenbaar aan een specifiek project. Het kostenverhaal voor deze investeringen wordt per project begroot en vindt per project plaats; er is geen nut en noodzaak hier een gemeentebrede beleidsnota voor vast te stellen.
◼︎ Gebiedseigen kosten die buiten een kostenverhaalsgebied liggen: Voor deze kosten geldt hetzelfde als bij de gebiedseigen of binnenplanse kosten. Het verschil is dat deze kosten buiten het kostenverhaalsgebied zijn gelegen;
◼︎ Bovenwijkse kosten: Naast deze binnenplanse investeringen bestaan er ook bovenwijkse investeringen. Per definitie zijn dit investeringen waarvan meerdere gebiedsontwikkelingen profiteren. Ze dienen naar rato van dat profijt toegerekend te worden.
Overzicht kostenverhaal in de Omgevingswet
In onderstaand overzicht is opgenomen op welke wijze het kostenverhaal plaatsvindt in de Omgevingswet.
Kostenverhaal Bovenwijkse voorzieningen
Bij kostenverhaal van bovenwijkse voorzieningen gaat het om kosten van voorzieningen die een gebiedsoverstijgend karakter hebben en waar meerdere gebieden van profiteren en niet aan één enkel project zijn toe te rekenen. Bovenwijkse investeringen zijn werken, werkzaamheden en maatregelen van voorzieningen waar nieuwe (bouw)activiteiten, de bestaande stad (en vaak ook nog daarbuiten) profijt van hebben. Denk daarbij aan parken, infrastructuur, maar ook gezonde luchtkwaliteit en het realiseren van waterberging. Het betreft alleen nieuwe investeringen. Dit kunnen aanleg- of wijzigingskosten zijn. Investeringen ter vervanging of reconstructie van bestaande werken en beheer/onderhoud vallen hier niet onder.
Profijt kan daarbij in vele vormen mogelijk zijn. Ook kan een voorziening geheel, gedeeltelijk, of in het geheel niet in een project liggen. Het kan ook voorkomen dat een bepaald gebied door een initiatiefnemer wordt ontwikkeld. De gemeente kan de realisatie van de Bovenwijkse voorzieningen dan niet dekken uit haar eigen grondexploitatie (lees: verkoop van uitgeefbare gronden). Het is dan noodzakelijk dat de gemeente op deze initiatiefnemer kostenverhaal kan toepassen.
Anterieure fase
(privaatrechtelijk spoor)
Kostenverhaalsgebied/ -regel
(publiekrechtelijk spoor)
Bovenwijkse voorzieningen
◼︎ Verhaalbare kosten
◼︎ de publiekrechtelijke PPT-criteria zijn leidend, maar niet verplicht
◼︎ Omgevingsvisie is niet verplicht voor verhaal van kosten
◼︎ Geen nacalculatie
◼︎ Verhaalbare kosten
◼︎ PPT-criteria verplicht
◼︎ Omgevingsvisie is niet verplicht voor verhaal van kosten
◼︎ Nacalculatie
Bij bovenwijkse voorzieningen gaat het, zoals hiervoor genoemd, om voorzieningen die voor meerdere gebieden van belang zijn. Deze kosten dienen proportioneel aan het profijt te worden toegerekend aan de gebieden die profijt hebben. Hieronder kan ook de bestaande stad vallen. Het verhaal van kosten voor bovenwijkse voorzieningen is niet geheel gelijk aan het verhaal van de “binnenplanse kosten” van een grondexploitatie. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat een bovenwijkse voorziening zich kenmerkt dat bij realisatie meerdere locaties profijt kunnen hebben.
Een voorbeeld: In de gemeente is een buurtschap, wijk A, gelegen met 50 woningen. De ontsluiting daarvan laat te wensen over, maar gelet op het aantal woningen is het niet nodig om een nieuwe ontsluiting te realiseren. In de loop van de tijd worden verderop 2 afzonderlijke wijken gerealiseerd door afzonderlijke partijen, namelijk wijk B met 50 woningen en wijk C met 100 woningen. Om deze gebieden te kunnen ontsluiten wordt een nieuwe ontsluitingsweg noodzakelijk geacht. Gesteld kan worden dat deze nieuwe ontsluitingsweg wordt gerealiseerd ten behoeve van 3 gebieden, namelijk de wijken A, B en C, in totaal 200 woningen. Indien de kosten € 1 miljoen bedragen, dan dient de ontwikkelaar van wijk B 25% bij te dragen (namelijk 50/200) en de ontwikkelaar van wijk C 50% (namelijk 100/200). De overige 25% blijft voor rekening van de gemeente omdat wijk A als bestaande stad ook voor 25% profijt heeft. Deze kosten dienen dan vanuit de algemene dienst te worden gedekt.
Regelgeving kostenverhaal Bovenwijkse voorzieningen
In de Omgevingswet (artikel 13.11 Ow) is bepaald dat op degene die aangewezen bouwactiviteiten of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie verricht, de kosten die moeten worden gemaakt, worden verhaald. Het uitgangspunt is dat eerst moet worden betaald voordat activiteiten mogen worden verricht. Een initiatiefnemer van een activiteit dient naast een vergunning tevens een zogenaamde kostenverhaalsbeschikking aan te vragen. De relevante wetgeving is opgenomen als bijlage 1.
In het Omgevingsbesluit is bepaald welke kostensoorten door de gemeente moeten worden verhaald. Het gaat om publieke- en kavelkosten. Voor de in het Omgevingsbesluit genoemde kosten geldt een wettelijke plicht tot kostenverhaal. Er geldt een verschil tussen de kostenverhaalsgebieden waarvoor een tijdvak geldt en waarvoor geen tijdvak geldt (zie voor uitleg bijlage 3). Het gaat hierbij om onder meer:
◼︎ De kosten voor het vaststellen van een omgevingsplan;
◼︎ De waarde van de gronden onder de aan te leggen voorzieningen;
◼︎ Sloopkosten;
◼︎ Bodemsanering;
◼︎ Aanleg van infrastructuur, groen, water, riolering, waterberging etc.;
◼︎ Nadeelcompensatie etc.
Onderscheid publieke kosten en kavelkosten
De Omgevingswet maakt een onderscheid in kostenverhaal met of zonder tijdvak. Bij kostenverhaal zonder tijdvak (organisch model) mogen alleen publiekkosten worden verhaald. Bij kostenverhaal met tijdvak (integraal model) mogen ook de waarde van de gronden waarop de bouwactiviteiten plaatsvinden worden verhaald, dat worden de kavelkosten genoemd.
In het Omgevingsbesluit zijn twee verschillende kostensoortenlijsten opgenomen. Deze kostensoortenlijsten maken het makkelijk om een onderscheid te maken tussen kosten die verhaalbaar zijn via het organische model en kosten die verhaalbaar zijn via het integrale model. Deel A van de kostensoortenlijst bevat de publieke kosten en Deel B van de kostensoortenlijst bevat de kavelkosten. Zie verder bijlagen 1 en 2.
Publieke kosten
Publieke kosten zijn verhaalbaar in zowel het model met als zonder tijd vak. Het gaat dan om onder meer de onderstaande kosten:
◼︎ De kosten van openbare voorzieningen (aanleg en verwerving), zoals wegen en paden, parkeerplaatsen, riolering, groen, waterberging, verlichting;
◼︎ Kosten van het ambtelijk apparaat (plankosten) voor voorbereiding en toezicht;
◼︎ Kosten van nadeelcompensatie (onder de Wro bekend als planschade);
◼︎ Kosten van het opheffen van hindercirkels.
Kavelkosten
In het model met tijdvak mogen ook de kavelkosten worden verhaald. Dat zijn kosten van onder meer:
◼︎ De waarde van de gronden en de te slopen opstallen;
◼︎ Kosten van sloop van opstallen, van verwijdering van obstakels, kabels, leidingen;
◼︎ Grondwerkzaamheden zoals ophogen, egaliseren, saneren (activiteiten om gronden bouwrijp te maken).
PPT-criteria
Voor het verhaal van kosten moet voorts rekening worden gehouden met de zogenaamde PPT-criteria. In het publiekrechtelijke spoor zijn deze verplicht en in het privaatrechtelijke spoor zijn deze niet verplicht maar worden deze wel toegepast omdat ze normaal gesproken wel een rol (als gevolg van schaduwwerking vanuit het publiekrechtelijke spoor). De PPT-criteria zijn:
◼︎ Profijt: De locatie waar de bouwplannen worden gerealiseerd moet nut ondervinden van de te treffen werken, voorzieningen of maatregelen.
◼︎ Proportionaliteit: Als meerdere locaties profijt ondervinden van een voorziening worden de kosten naar rato verdeeld. Naarmate een locatie meer profijt heeft, draagt deze meer bij in de kosten.
◼︎ Toerekenbaarheid: Er bestaat een causaal verband tussen de gebiedsontwikkeling en realisatie van de bovenwijkse voorziening (kosten zouden niet gemaakt zijn zonder de nieuwe gebiedsontwikkeling, of de kosten worden mede gemaakt ten behoeve van de gebiedsontwikkeling).
Het sluiten van een anterieure overeenkomst berust echter op het bereiken van wilsovereenstemming. Voorts betekent dit dat de eisen van redelijkheid en billijkheid alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn. Ook mag geen betaalplanologie ontstaan, in de zin dat de gemeente de bereidheid tot planologische medewerking bij een aangewezen bouwplanontwikkeling afhankelijk stelt van het sluiten van een anterieure overeenkomst over grondexploitatie.
Het uitgangspunt is dat in deze Nota kostenverhaal de PPT-criteria zullen worden toegepast, zowel in het publiekrechtelijke als in het privaatrechtelijke spoor.
Netto kostenverhaal
Voor kostenverhaal komen in aanmerking de netto kosten, of wel de kosten minus subsidies en bijdragen van derden. De nog resterende kosten dienen dan verdeeld te worden over de gebieden die daarvan profijt hebben. Zoals al eerder gezegd zijn dat nieuwe bouwprojecten, maar ook de bestaande stad.
Toerekenen/verdelen van de bovenwijkse kosten
De kosten moeten ook naar rato worden verdeeld over de gebieden die profijt hebben. Hiervoor moet een verdeelsleutel worden opgesteld. Wettelijk wordt niet voorgeschreven welke dat moet zijn, maar gedacht kan worden aan een toerekening op basis van verkeerscijfers of op basis van woningequivalenten.
Macroaftopping publiekrechtelijk spoor
Voor de toepassing geldt dat de hoogte van de afdracht aan de bovenwijkse voorzieningen wordt afgetopt tot een bedrag dat de locatie kan dragen. In de Omgevingswet is dit voor het publiekrechtelijk spoort wettelijk bepaald. Voor het privaatrechtelijk spoort geldt deze macroaftopping niet.
Het tweesporenbeleid bij kostenverhaal van Bovenwijkse voorzieningen
Het privaatrechtelijke spoor
Het privaatrechtelijke spoor betekent dat de gemeente met degene die kosten is verschuldigd een overeenkomst aangaat over kostenverhaal. Het aangaan van overeenkomsten valt op basis van de wet onder de bevoegdheid van het college.
Het kan dan gaan om een zogenaamde anterieure overeenkomst of een posterieure overeenkomst.
Anterieure overeenkomst
De gemeente kan afzien van publiekrechtelijke vastlegging van kostenverhaal via een omgevingsplan als dit anderszins is verzekerd. Dit is het geval wanneer de gemeente een anterieure overeenkomst heeft gesloten met alle eigenaren van aangewezen bouwactiviteiten/activiteiten in het gebied van het beoogde planologische besluit. Een overeenkomst wordt anterieur genoemd wanneer deze voorafgaat aan de vaststelling van het planologische besluit. In een dergelijke overeenkomst kunnen afspraken worden gemaakt over meer onderwerpen (contractsvrijheid) dan in een omgevingsplan geregeld kunnen worden middels opnemen van kostenverhaalsgebieden en kostenverhaalsregels. Partijen zijn niet gebonden aan de kostensoortenlijsten en in beginsel ook niet aan de toepassing van de PPT-criteria.
Posterieure overeenkomst
Wanneer een anterieure overeenkomst niet kon worden gesloten en de gemeente een kostenverhaalsgebied heeft aangewezen in het omgevingsplan, kan daarna nog steeds een (exploitatie)overeenkomst worden gesloten. Deze heeft dan een posterieur karakter.
Het publiekrechtelijk spoor
Het publiekrechtelijke spoor in de Omgevingswet gaat uit van het opleggen van een beschikking die naast de vergunning aangevraagd dient te worden. De verschuldigde geldsom die in de beschikking wordt opgenomen wordt bepaald conform hetgeen daarover wordt gesteld in de wet, het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het projectbesluit. Het verhaal van bovenwijkse kosten maakt deel uit van het verhaal van alle kosten, zijnde de binnenplanse kosten, binnen een gebiedsontwikkeling.
In plaats van aangewezen bouwplannen wordt in de Omgevingswet gesproken over aangewezen activiteiten voor het bebouwen of gebruiken van gronden. Deze zijn opgenomen in het Omgevingsbesluit. Inhoudelijk zijn ze niet anders dan de aangewezen bouwplannen conform het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Er moet sprake zijn van aangewezen activiteiten voor dat het verhaal van kosten en dus ook van bovenwijkse voorzieningen mogelijk is.
Afzien van het verhaal van kosten (kruimelgevallen)
In een drietal gevallen, kan de gemeente afzien van het verhaal van kosten en dus ook van het verhaal van kosten voor bovenwijkse voorzieningen. In dat geval vindt eventueel kostenverhaal plaats via de leges (op basis van de legesverordening), bijvoorbeeld als er alleen plankosten zijn. Het staat de gemeente ook vrij om dergelijke kosten via een overeenkomst te verhalen. E.e.a. is geregeld in artikel 8.14 van het Omgevingsbesluit. Hier is sprake van als:
◼︎ Het totaal van de verschuldigde geldsommen minder bedraagt dan € 10.000,-;
◼︎ Er geen verhaalbare kosten zijn; of
◼︎ De verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
Bijlage 3 Wettelijk kader financiële bijdragen (Omgevingswet en Omgevingsbesluit)
Wetteksten
Artikel 13.22 Ow (financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied)
1Het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen in een overeenkomst over bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten bepalingen opnemen over financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied op basis van een omgevingsvisie of programma.
2Op de overeenkomst is artikel 16.138 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 13.23 Ow (verhaal van financiële bijdragen in omgevingsplan)
1Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving worden aangewezen waarvoor in een omgevingsplan kan worden bepaald dat een financiële bijdrage wordt verhaald op degene die een activiteit als bedoeld in artikel 13.11 verricht, voor zover:
a.er een functionele samenhang tussen de activiteit en de beoogde ontwikkelingen is, en
b.de bekostiging van de ontwikkelingen niet anderszins is verzekerd.
2Het omgevingsplan bepaalt dat financiële bijdragen alleen worden besteed aan ontwikkelingen waarvoor die bijdragen zijn verhaald en voorziet erin dat periodiek verantwoording wordt afgelegd aan het publiek over de besteding van de verhaalde financiële bijdragen.
3Het bedrag dat ten hoogste aan financiële bijdragen kan worden verhaald is in ieder geval niet hoger dan:
a.de opbrengsten, bedoeld in artikel 13.14, tweede lid, van de gronden waarop de activiteiten worden verricht, verminderd met de inbrengwaarde, bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, onder a, als het gaat om activiteiten waarvoor een kostenverhaalsgebied met tijdvak is aangewezen, of
b.de waardevermeerdering, bedoeld in artikel 13.15, tweede lid, onder b, als het gaat om activiteiten waarvoor een kostenverhaalsgebied zonder tijdvak is aangewezen.
4Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:
a.de maximale hoogte van de financiële bijdrage, en
c.de eindafrekening van financiële bijdragen.
5In een omgevingsvisie of programma kan voor de locatie waar de activiteit wordt verricht een onderbouwing van de functionele samenhang, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden vastgelegd.
Artikel 8.20 Ob (activiteiten waarover financiële bijdragen kunnen worden overeengekomen)
De activiteiten waarover in een overeenkomst bepalingen over financiële bijdragen kunnen worden opgenomen, bedoeld in artikel 13.22, eerste lid, van de wet, zijn:
a.de activiteiten, bedoeld in artikel 8.13;
b.de bouw van een bouwwerk geen gebouw zijnde als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving voor:
i.land- of tuinbouw, voor zover de oppervlakte ten minste 100 m² bedraagt;
ii.opwekking of winning, omzetting of transport van energie of van gasvormige, vloeibare of vaste stoffen als energiedrager;
iii.infrastructuur, voor zover het gaat om wegen, vaarwegen, spoorwegen of telecommunicatieinfrastructuur;
iv.handelsreclame; of
v.recreatie;
c.andere activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie, voor zover het gaat om het gebruik van:
i.een of meer bestaande gebouwen, niet zijnde recreatiewoningen, mits de bruto-vloeroppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.500 m² bedraagt;
ii.gronden, mits de grondoppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.000 m² bedraagt; of
iii.een of meer bestaande recreatiewoningen voor permanente bewoning.
Artikel 8.21 Ob (categorieën ontwikkelingen waarvoor financiële bijdragen kunnen worden verhaald)
1Als categorieën ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving waarvoor, als wordt voldaan aan de criteria van artikel 13.23, eerste lid, onder a en b, van de wet, in een omgevingsplan kan worden bepaald dat een financiële bijdrage wordt verhaald op degene die een activiteit als bedoeld in artikel 13.11 van de wet verricht, worden aangewezen:
a.wijziging van de inrichting van het landelijk gebied ter verbetering van landschappelijke waarden door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen het verwijderen van vrijkomende agrarische bebouwing en het herstellen of aanvullen van landschappelijke elementen;
b.aanleg of wijziging van gebieden als bedoeld in artikel 2.44 van de wet of gebieden die in het omgevingsplan ter bescherming van de natuur zijn aangewezen en herstel, op basis van een omgevingsvisie of programma, van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen maatregelen in de fysieke leefomgeving:
i.ter vermindering van de stikstofdepositie; of
ii.ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
c.aanleg van infrastructuur voor verkeers- en openbaar vervoersnet-werken van gemeentelijk of regionaal belang;
d.aanleg van recreatievoorzieningen die behoren tot de gemeentelijke of regionale groenstructuur, waaronder in ieder geval worden begrepen parken en recreatiegebieden;
e.ontwikkelingen gericht op het bereiken van een naar prijsklasse evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad in de gemeente of regio door middel van het realiseren van sociale huur- of koopwoningen als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving buiten het gebied waar de activiteit, bedoeld in artikel 13.11 van de wet, plaatsvindt, voor zover in dat gebied met het oog op die evenwichtige samenstelling onvoldoende sociale huur- of koopwoningen worden gerealiseerd en het op een andere locatie realiseren van die woningen:
i.in het omgevingsplan is toegelaten of voorgeschreven op grond van regels als bedoeld in artikel 5.161c, eerste lid, onder a of b, van dat besluit of in een programma is opgenomen; en
ii.tot gevolg heeft dat de kosten, bedoeld in artikel 13.11 van de wet, op grond van het eerste lid van dat artikel niet volledig kunnen worden verhaald of dat een tekort op de gemeentelijke exploitatie van de benodigde gronden ontstaat; en
f.stedelijke herstructurering ter verbetering van het woon- en leefklimaat in verouderde wijken of gebieden met leegstandsproblemen door middel van het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving, waaronder in ieder geval worden begrepen het slopen van woningen en het aanleggen of wijzigen van wegen.
2Onder de aanwijzing valt niet de aanleg van voorzieningen of het treffen van maatregelen in de fysieke leefomgeving waarvoor kosten worden gemaakt die op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de wet geheel of gedeeltelijk moeten worden verhaald op degene die de betrokken activiteit verricht.
Het wettelijke kader voor financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied
In de Omgevingswet is het mogelijk om een financiële bijdrage te vragen voor ontwikkelingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een privaatrechtelijke variant en een publiekrechtelijke variant. In de privaatrechtelijke variant gaat het om het vragen van een financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied op basis van een omgevingsvisie of een programma. In de publiekrechtelijke variant gaat het om een financiële bijdrage ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op basis van een omgevingsplan.
Om een financiële bijdrage te kunnen vragen is het noodzakelijk dat er een omgevingsvisie, programma of omgevingsplan is. Zolang die er niet zijn, kunnen geen financiële bijdragen worden gevraagd.
Privaatrechtelijke variant
De privaatrechtelijke variant gaat uit van het vragen van een financiële bijdrage op basis van een overeenkomst. In het omgevingsbesluit zijn de activiteiten aangewezen waarbij in een overeenkomst bepalingen opgenomen kunnen worden over financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied. De ontwikkelingen dienen wel in een omgevingsvisie of programma te zijn opgenomen. In de omgevingsvisie of het programma moet worden aangegeven dat de ontwikkeling van de activiteiten financieel nog wel uitvoerbaar moet zijn met het bedingen van een bijdrage.
De privaatrechtelijke toepassing is verder niet ingeperkt, behalve dan door criteria als het voorkomen van betaalplanologie en baatafroming.
De aangewezen activiteiten zijn een stuk ruimer dan bij het kostenverhaal en de publiekrechtelijke variant van het verhaal van financiële bijdragen. Bij de privaatrechtelijke variant mogen ook bijdragen worden gevraagd bij:
◼︎ de bouw van een bouwwerk geen gebouw zijnde: Hierbij kan gedacht worden aan bouwwerken voor land- of tuinbouw, maar ook de opwekking of winning, omzetting of transport van energie of van gasvormige, vloeibare of vaste stoffen als energiedrager, infrastructuur, voor zover het gaat om wegen, vaarwegen, spoorwegen of telecommunicatie-infrastructuur, handelsreclame of recreatie.
◼︎ andere activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie: Hierbij kan gedacht worden aan een of meer bestaande gebouwen, niet zijnde recreatiewoningen, mits de bruto-vloeroppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.500 m² bedraagt, maar ook aan gronden, mits de grondoppervlakte van het nieuw toegelaten gebruik ten minste 1.000 m² bedraagt, of een of meer bestaande recreatiewoningen voor permanente bewoning.
Publiekrechtelijke variant
De publiekrechtelijke variant kent meer beperkingen, niet alleen voor de activiteiten die bijdragen (kostendragers) aan maar ook voor de ruimtelijke ontwikkelingen (kostenvragers). Het moet gaan om ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
De categorieën waarvoor een publiekrechtelijk afdwingbare bijdrage kan worden gevraagd zijn wettelijk beperkt. Het moet gaan om:
◼︎ de wijziging van de inrichting van het landelijk gebied ter verbetering van landschappelijke waarden;
◼︎ maatregelen in de fysieke leefomgeving in het kader van de aanleg of wijziging van gebieden die ter bescherming van de natuur zijn aangewezen, of het herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen;
◼︎ de aanleg van infrastructuur moet het gaan om verkeers- en openbaar vervoersnetwerken van gemeentelijk of regionaal belang;
◼︎ de aanleg van recreatievoorzieningen die behoren tot de gemeentelijke of regionale groenstructuur;
◼︎ ontwikkelingen gericht op het bereiken van een naar prijsklasse evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad in de gemeente of regio door middel van het realiseren van sociale huur- of koopwoningen;
◼︎ stedelijke herstructurering ter verbetering van het woon- en leefklimaat in verouderde wijken of gebieden met leegstandsproblemen.
Eisen aan de toepassing van de publiekrechtelijke variant
Bij de toepassing van de publiekrechtelijke variant gelden er vanuit de Omgevingswet een aantal eisen. Deze eisen zijn:
◼︎ er een functionele samenhang tussen de activiteit en de beoogde ontwikkelingen is, en;
◼︎ de bekostiging van de ontwikkelingen niet anderszins is verzekerd;
◼︎ het omgevingsplan moet bepalen dat financiële bijdragen alleen worden besteed aan ontwikkelingen waarvoor die bijdragen zijn verhaald. Periodiek moet verantwoording aan het publiek worden afgelegd over de besteding van de verhaalde financiële bijdragen;
◼︎ het bedrag dat mag worden verhaald wordt bepaald aan de hand van de publiekrechtelijke methoden;
◼︎ het bedrag wordt vastgesteld bij beschikking tenzij een overeenkomst is gesloten;
◼︎ de kosten moeten voorts rechtstreeks worden veroorzaakt door de ruimtelijke ontwikkeling.
Eisen aan de toepassing van de privaatrechtelijke variant
De gemeente heeft bij de toepassing van de privaatrechtelijke variant meer vrijheden dan bij de toepassing van de publiekrechtelijke variant. Dat brengt echter niet met zich mee dat er geen eisen zijn bij de toepassing van de privaatrechtelijke variant. Uit de totstandkoming van de Omgevingswet blijkt dat er eisen zijn aan de onderbouwing. De omgevingsvisie of het programma moet:
◼︎ het gebied omschrijven of aangeven dat ontwikkeld wordt;
◼︎ het verband aangeven tussen de activiteit en de ontwikkeling waaraan wordt bijgedragen;
◼︎ ingaan op de financiering van de ontwikkeling;
◼︎ een indicatie geven van de gewenste bijdrage;
◼︎ ingaan op de planning en realisatie van de ontwikkeling.
Samenhang
In het omgevingsplan (de publiekrechtelijke toepassing) moet de functionele samenhang worden onderbouwd tussen de kostendragers en de kostenvragers. Voor de privaatrechtelijke toepassing geldt dat de samenhang tussen kostenvragers en kostendragers moet worden benoemd in een omgevingsvisie of programma.
Bijdrage tot wat financieel haalbaar is
Voor de publiekrechtelijke toepassing geldt dat de hoogte van de financiële bijdrage wordt afgetopt tot een bedrag dat de locatie kan dragen. Het betreft dan de locatie waarvoor een kostenverhaalsbeschikking wordt aangevraagd (art. 13.23 lid 3).
Dubbeling met kostenverhaal
Er is nog een ander aandachtspunt m.b.t. de publiekrechtelijke toepassing van financiële bijdragen. Een aantal in de wet genoemde voorzieningen komen ook voor op de kostensoortenlijst van het verplichte kostenverhaal. Uit de toelichtging van het wetsontwerp volgt echter dat als voor een van deze kostendragers ook het reguliere kostenverhaal mogelijk is, dit niet ook nog eens (aanvullend) via een financiële bijdrage kan plaatsvinden.
Met andere woorden: als, met toepassing van de PPT-criteria, voor de verbreding van een weg de toerekening van 60% proportioneel is, kan de resterende 40% niet ook nog via een financiële bijdrage aan hetzelfde kostenverhaalsgebied worden opgelegd.
Als er een causaal verband is dan geldt het wettelijk verplichte kostenverhaal voor (bovenwijkse) voorzieningen. Als dat causaal verband ontbreekt, maar er is wel een functionele samenhang is met een activiteit, dan kan voor die kosten wel een financiële bijdrage worden opgelegd. Als voorbeeld kan worden genoemd de aanleg van een gemeentelijk of regionaal verbindend fietspad. De aanleg is niet aan te merken als een noodzakelijk gevolg van een of meer activiteiten of gebieden, maar van de aanleg hebben de betreffende gebieden en de bestaande stad wel profijt. In dat geval kan een financiële bijdrage worden gevraagd.
Bijlage 4 Artikelsgewijze toelichting uit ontwerp Omgevingsbesluit op art. 8.21 lid 1
Eerste lid
Aan het Omgevingsbesluit wordt een nieuw artikel 8.21 toegevoegd. Hiermee worden de categorieën ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, bedoeld in artikel 13.23, eerste lid, van de Omgevingswet, aangewezen. Hiermee wordt het mogelijk om in een omgevingsplan te bepalen dat een financiële bijdrage wordt verhaald voor een ontwikkeling die binnen de aangewezen categorieën valt. De categorieën zijn in artikel 8.21 omschreven als de aanleg (of wijziging) van bepaalde gebieden of voorzieningen, of als ingreep in de fysieke leefomgeving met het oog op een bepaald doel. In het laatste geval zijn de maatregelen in de fysieke leefomgeving die onder de categorie kunnen worden begrepen niet specifiek voorgeschreven. Maatregelen vallen echter alleen onder een aangewezen categorie voor zover ze met het oog op het in die categorie omschreven doel worden getroffen.
Onder a
Als categorie ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving geldt allereerst de wijziging van de inrichting van het landelijk gebied met het oog op verbetering van landschappelijke waarden. Landschappelijke waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en vallen daarmee onder het toepassingsbereik en het belangenkader van de wet (zie de artikelen 1.3, onder a, en 2.1, derde lid, van de wet). Het kan bij de wijziging van de inrichting van het landelijk gebied gaan om maatregelen voor het verbeteren van de structuur van de landbouw en de kwaliteit van landschappen. Een voorbeeld daarvan is het herstel van bijzondere provinciale landschappen door combinaties van maatregelen op het gebied van onder meer waterbeheer, zoals beekherstel waarmee beken hun natuurlijke loop terugkrijgen, en landinrichting.
De aanwijzing van de categorie wijziging van de inrichting van het landelijk gebied door onder meer het verwijderen van vrijkomende agrarische bebouwing, staat los van de uiteindelijke toestemming om een gebouw te mogen slopen, bijvoorbeeld een monumentaal gebouw. Alleen als vrijkomende agrarische bebouwing gesloopt mag worden voor de realisatie van een aangewezen ontwikkeling, kunnen hiervoor financiële bijdragen verhaald worden.
Onder b
Financiële bijdragen kunnen worden gevraagd voor maatregelen in de fysieke leefomgeving in het kader van de aanleg of wijziging van gebieden die ter bescherming van de natuur zijn aangewezen, of het herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen. Het aanleggen of wijzigen van gebieden ter bescherming van de natuur kan de natuurgebieden en landschappen betreffen die op grond van artikel 2.44 van de wet door het Rijk of de provincies zijn aangewezen, maar ook natuurgebieden die gemeenten zelf in een omgevingsplan aanwijzen.
Maatregelen in het kader van herstel van dier- en plantensoorten zullen moeten zijn voorzien in een omgevingsvisie of programma, waarin wordt aangeduid in welk gebied de maatregelen zullen worden getroffen. Gedacht kan worden aan maatregelen in bijvoorbeeld het Natuurnetwerk Nederland, maar ook in Natura 2000-gebieden of andere gebieden met belangrijke natuurwaarden. In veel gevallen is de provincie voor het beheer en bescherming van die gebieden het bevoegd gezag. Ook op gemeentelijk niveau kunnen er inspanningen worden verricht ter verbetering van de natuur, zoals het aanleggen van bijenlandschappen met voldoende voedsel- en nestelgelegenheden of gevarieerd groen voor een rijk dieren- en insectenleven. Meer specifiek kan het ook gaan om de aanleg van vistrappen en vispassages. Dat zijn waterbouwkundige kunstwerken die als doel hebben vissen toegang te geven tot een door een dijk, dam, stuw of sluis ontoegankelijk geworden achterland. Het doel van vistrappen is bescherming van diersoorten. Op eenzelfde wijze kunnen financiële bijdragen worden verhaald voor maatregelen als de aanleg van faunapassages, het creëren van overloopgebieden, natuurvriendelijke oevers, herinrichting van bermen of het herstellen van houtwallen, als deze zijn voorzien in een omgevingsvisie of programma waarin ook het gebied waar de maatregelen zullen worden getroffen concreet is aangeduid.
Onder c
Bij de categorie aanleg van infrastructuur moet het gaan om verkeers- en openbaar vervoersnetwerken van gemeentelijk of regionaal belang. Hierbij kan worden gedacht aan de aanleg van infrastructuur die niet noodzakelijk is voor de activiteiten waaraan een financiële bijdrage worden opgelegd en die daardoor niet onder het kostenverhaal kan worden gebracht, maar waarmee de bereikbaarheid en het woon- en leefklimaat in het kostenverhaalsgebied wel wordt verbeterd. Ook kan het gaan om aanpassing of wijziging van infrastructuur, bijvoorbeeld voor het vergroten van de capaciteit.
Onder d
Het beleid van provincies en gemeenten is er in het algemeen op gericht om samenhang aan te brengen tussen recreatievoorzieningen. Daartoe wordt in omgevingsvisies of omgevingsplannen een groenstructuur opgenomen. In de groenstructuur zijn de gebieden, waaronder parken, opgenomen waar groen of groene recreatie voorop staat. Dit moet bijdragen aan een gevarieerd aanbod van voorzieningen. Daarnaast wordt samenhang aangebracht door recreatievoorzieningen onderling te verbinden via fiets- en wandelpaden. De verplichte financiële bijdragen kunnen worden gebruikt voor het aanpassen van bestaande voorzieningen en de aanleg van nieuwe voorzieningen die onderdeel uitmaken van de regionale of gemeentelijke groenstructuur.
Onder e
Steden en dorpen willen aantrekkelijk zijn om in te wonen. Een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad in de gemeente is belangrijk voor het woon- en leefklimaat in die gemeente. Het aanbod aan en de variatie van woningen in verschillende prijsklassen is daarvoor belangrijk.
In een gemeentelijke woonvisie worden in veel gevallen streefpercentages opgenomen voor het aantal woningen voor sociale huur, middeninkomens en vrije sector om voldoende beschikbaarheid van die woningen te realiseren. Die percentages kunnen in het omgevingsplan worden vastgelegd. Niet in alle te ontwikkelen gebieden zijn die percentages te realiseren. Dat speelt met name bij sociale huurwoningen. Dat heeft er onder andere mee te maken dat sociale woningbouw een stempel drukt op de betaalbaarheid van de gebiedsontwikkeling en de te realiseren kwaliteit van de openbare ruimte. Om een dergelijke ontwikkeling toch mogelijk te maken met behoud van kwaliteit van de openbare ruimte, kan ervoor worden gekozen om op die locatie minder sociale woningen te realiseren. Categorie e maakt het mogelijk om van ontwikkelende partijen van vrijesectorwoningen in gebieden waar minder sociale woningen worden gerealiseerd dan het streefpercentage, een financiële bijdrage te vragen waarmee in andere gebieden meer sociale woningen kunnen worden gerealiseerd dan het streefpercentage voorschrijft. Zo kan het opnemen van deze categorie bijdragen aan het bereiken van een goede woonruimteverdeling en een kwalitatief hoogwaardig woon- en leefklimaat.
Om in het omgevingsplan bouwactiviteiten tot een financiële bijdrage voor sociale woningbouw op een andere locatie te kunnen verplichten, is vereist dat het omgevingsplan de beoogde sociale huur- of koopwoningen specifiek toelaat of regels bevat op grond waarvan op een woningbouwlocatie een verplicht deel van de woningen in de categorieën sociale huur of koop moet worden gerealiseerd (artikel 5.161c Besluit kwaliteit leefomgeving). Als het omgevingsplan hierin nog niet voorziet, zijn financiële bijdragen mogelijk als de sociale woningbouw voor de beoogde locatie in een programma is opgenomen.
Een tweede vereiste is dat het op een andere locatie realiseren van de sociale huur- of koopwoningen ertoe leidt dat op die locatie een tekort ontstaat of een reeds bestaand tekort hoger uitvalt. Als de sociale huur- en koopwoningen worden gebouwd op gronden van particuliere eigenaren zal dit zich voordoen als de op grond van artikel 13.11 van de wet verplicht te verhalen kosten hoger zijn dan de opbrengsten van de gronden. Als de gemeente zelf eigenaar is van de gronden zal dit zich voordoen als het realiseren van een hoger aandeel sociale woningen dan het gemeentelijk streefpercentage leidt tot een verlies of een hoger verlies op de verkoop van gemeentegrond.
Onder f
Het doel van stedelijke herstructurering is het woon- en leefklimaat in oude wijken of gebieden met leegstandsproblemen te verbeteren, bijvoorbeeld door het slopen van woningen, het aanpassen van wegen en het aanleggen van openbaar vervoersvoorzieningen. Hierbij is van belang dat het bij herstructurering niet alleen gaat om het realiseren van andere functies in een gebied, het kan ook gaan om modernisering van gebieden. Als instrument om herstructurering te realiseren kan een programma worden gebruikt, als opvolger van het voorheen vast te stellen herstructureringsplan. Voor de motivering voor het verplicht stellen van financiële bijdragen kan dan naar dit programma verwezen worden. Hiermee beoogt de aanwijzing van deze categorie de ontstane uitvoeringspraktijk te versterken. Opgemerkt wordt nog dat de vraag of de sloop van woningen in een gemeente onder de categorie stedelijke herstructurering valt, losstaat van de vraag of woningen, bijvoorbeeld vanwege een monumentale status, kunnen worden gesloopt. Hiertoe wordt verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel a van dit artikel.
Bijlage 5 Kostenverhaal met en zonder tijdvak
Kostenverhaal met tijdvak
Deze methode komt overeen met de methode zoals die is opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening. In het omgevingsplan moeten op grond van artikel 13.14 Omgevingswet, kostenverhaalsgebieden worden aangewezen waarvoor de kosten worden gemaakt. Per kostenverhaalsgebied moet worden bepaald welke kostensoorten waarvan het gebied ten dele profijt heeft, naar evenredigheid aan dat kostenverhaalsgebied worden toegerekend.
Per kostenverhaalsgebied geldt dat:
◼︎ Een raming van de kosten moet worden opgenomen;
◼︎ Een raming van de opbrengsten van alle daarin gelegen gronden moet worden opgenomen;
◼︎ En per kostenverhaalsgebied moeten regels gesteld worden over de verdeling van de kosten over de activiteiten en de eindafrekening van de kosten.
Voor deze methode geldt ook de macro-aftopping zoals we die kennen uit de Wro en vanaf 1 januari 2023 ook in de Omgevingswet. Het verhaal vindt plaats op basis van een beschikking. Op de te verhalen kosten worden in mindering gebracht de inbrengwaarde van de gronden waarop een aanvraag betrekking heeft en de kosten die door de aanvrager zijn gemaakt, voor zover die kosten gelijk zijn aan of lager zijn dan de raming van de kosten in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning of het projectbesluit.
Kostenverhaal zonder tijdvak
Deze methode is met name bedoeld voor zogenaamde organische ontwikkelingen. Als voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan geen tijdvak wordt vastgesteld voor de uitvoering van de werken, werkzaamheden en maatregelen en de activiteiten dan geldt voor het kostenverhaal een afwijkende regeling.
De basis voor het kostenverhaal is het kostenverhaal met tijdvak, maar met de navolgende verschillen:
◼︎ De raming van de kosten kan inhouden dat alleen het maximum van de globaal te verhalen kosten als geheel per kostenverhaalsgebied wordt opgenomen;
◼︎ Een raming van de opbrengsten hoeft niet te worden gemaakt;
◼︎ Bij de verdeling van de kosten wordt per activiteit het maximum van de te verhalen kosten opgenomen;
◼︎ Er geldt geen macro-aftopping maar er geldt dat de kosten worden verhaald tot ten hoogste het bedrag van de waardevermeerdering van de locatie waar de activiteit wordt verricht, die optreedt of zal optreden als gevolg van de activiteit.
Bij deze methode geldt dat de beschikking een raming van de kosten en van de waardevermeerdering waarop de verschuldigde geldsom is gebaseerd, bevat.