Aanhef
Het college van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 21 januari 2020:
gelet op artikel 4 bijlage II Besluit van het Besluit Omgevingsrecht
BESLUIT
vast te stellen de :
BELEIDSREGEL BELEID PLANOLOGISCH STRIJDIG GEBRUIK 2020
Hoofdstuk 2 Beleidsregels
Paragraaf 2.2 Specifieke regels
Artikel 2.2.1 Onderdeel 1: Bijbehorend bouwwerk
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2.
Gemeentelijk beleid:
Afwijken is alleen mogelijk:
Binnen de bebouwde kom
1voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan bij woningen, niet zijnde uitbreidingen van hoofdgebouwen, mits:
a.bijbehorende bouwwerken minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
b.de goothoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,35 m, met dien verstande dat de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen;
c.de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 6 m bedraagt;
d.het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 50% van het achtererfgebied tot een maximum van 90 m².
2voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan bij andere gebouwen dan woningen, niet zijnde uitbreidingen van hoofdgebouwen, mits:
a.bijbehorende bouwwerken minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
b.de goothoogte van bijbehorende bouwwerken ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,35 m, met dien verstande dat de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen;
c.de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 6 m bedraagt;
d.het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 50% van het achtererfgebied.
e.op bedrijventerreinen de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens altijd minimaal 5 meter bedraagt.
3voor de uitbreiding van een hoofdgebouw in het geval er sprake is van een woning, mits:
a.de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt aan de zijde(n) waar geen aaneengebouwd ander hoofdgebouw is gelegen;
b.de breedte van hoofdgebouwen niet meer bedraagt dan:
1voor vrijstaande hoofdgebouwen: 15 m;
2voor halfvrijstaande, geschakelde en aaneengebouwde hoofdgebouwen: 10 m.
c.de diepte van hoofdgebouwen niet meer bedraagt dan:
1voor vrijstaande hoofdgebouwen: 15 m;
2voor halfvrijstaande, geschakelde en aaneengebouwde hoofdgebouwen: 12 m;
d.het aantal bouwlagen niet wordt uitgebreid;
e.de voorgevel van het hoofdgebouw gesitueerd wordt in de bebouwingsgrens/ de voorzijde van het bouwvlak of tot een afstand van maximaal 3 meter daarachter.
4voor de uitbreiding van een hoofdgebouw betreffende een ander gebouw dan een woning, mits:
a.de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 5 m bedraagt aan de zijde(n) waar een ander hoofdgebouw is gelegen;
b.het bouwvlak, of het geldende maximaal te bebouwen percentage hiervan, wordt met maximaal 10% vergroot;
c.het aantal bouwlagen niet wordt uitgebreid;
d.de voorgevel van het hoofdgebouw gesitueerd wordt in de bebouwingsgrens/ de voorzijde van het bouwvlak of tot een afstand van maximaal 3 meter daarachter.
5voor de bouw van bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan voor de voorgevel van het hoofdgebouw, mits:
a.het betreft uitbreidingen van de eerste bouwlaag, waarbij geldt dat:
1de diepte ten hoogste 1,25 m bedraagt;
2de oppervlakte ten hoogste 6 m² bedraagt;
3de afstand tot de begrenzing met het openbaar gebied ten minste 1 m bedraagt.
Buiten de bebouwde kom:
Aan deze afwijking wordt niet meegewerkt.
Artikel 2.2.2 Onderdeel 2: Gebouw voor infrastructurele of openbare voorziening
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 5 m, en
b.b. de oppervlakte niet meer dan 50 m².
Gemeentelijk beleid:
Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels wordt voldaan.
Artikel 2.2.3 Onderdeel 3: Bouwwerk, geen gebouw zijnde
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 10 m, en
b.de oppervlakte niet meer dan 50 m².
Gemeentelijk beleid:
Afwijken is alleen mogelijk, mits:
de hoogte van erfafscheidingen in het achtererfgebied maximaal 2 m bedraagt, met dien verstande dat de hoogte van erfafscheidingen in het achtererfgebied op gronden met een bedrijfsbestemming maximaal 2,5 m mag bedragen;
Artikel 2.2.4 Onderdeel 4: Dakkapel, dakopbouw, e.d.
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.
Gemeentelijk beleid:
Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels wordt voldaan.
Artikel 2.2.5 Onderdeel 5: Antenne-installatie
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m.
Gemeentelijk beleid:
Afwijken is alleen mogelijk:
In het geval van niet-vrijstaande antennes:
voor de bouw van een antenne-installatie, mits:
a.de antennes geplaatst worden op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die hoger zijn dan 15 meter;
b.de antenne en antennedrager niet hoger zijn dan 5 meter vanaf de bovenkant van het gebouw of het bouwwerk, geen gebouw zijnde en in totaliteit niet hoger zijn dan 40 meter, gemeten vanaf het maaiveld.
In het geval van vrijstaande antennes:
voor de bouw van een antenne-installatie, mits er geen sprake is van de plaatsing van een vrijstaande mast in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische aanduiding of dubbelbestemming in het bestemmingsplan.
Artikel 2.2.6 Onderdeel 6: Installatie bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekracht koppeling
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998.
Gemeentelijk beleid:
Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels wordt voldaan.
Artikel 2.2.7 Onderdeel 7: Installatie bij een agrarisch bedrijf voor duurzame energie
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen.
Gemeentelijk beleid:
Aan deze afwijking wordt niet meegewerkt.
Artikel 2.2.8 Onderdeel 8: Gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied.
Gemeentelijk beleid:
Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels wordt voldaan.
Artikel 2.2.9 Onderdeel 9: Gebruiken van bouwwerken en aansluitende terreinen
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.
Gemeentelijk beleid:
Afwijken is alleen mogelijk:
1voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis, al dan niet in het hoofdgebouw en/of een (vrijstaand) bijbehorend bouwwerk, mits:
a.de activiteit ondergeschikt blijft aan de woonfunctie;
b.de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner of bewoners (maximaal twee);
c.de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 30% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken bedraagt, met een maximum van 60 m²;
d.de activiteit milieuhygiënisch inpasbaar is in de woonomgeving;
e.het gebruik geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer heeft en geen onevenredige toename in de parkeerbehoefte veroorzaakt;
f.er geen sprake is van detailhandel, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel voor zover deze ten hoogste 30% van het voor een beroep en bedrijf aan huis ter beschikking staande vloeroppervlak gebruikt.
2voor ander gebruik, met dien verstande dat:
ander gebruik ten behoeve van detailhandel, internetwinkels met een afhaalbalie en kantoren met een baliefunctie, enkel mogelijk is in de (bestemde) centrum- en/of kernwinkelgebieden van Zevenbergen, Klundert, Fijnaart en Willemstad.
Artikel 2.2.10 Onderdeel 10: Gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
b.de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,
c.de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
d.de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was.
Gemeentelijk beleid:
Aan deze afwijking wordt niet meegewerkt.
Artikel 2.2.11 Onderdeel 11: Ander (tijdelijk) gebruik
Wettekst uit artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor):
ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Gemeentelijk beleid:
Aan deze afwijking wordt meegewerkt indien aan de algemene regels wordt voldaan met dien verstande dat:
1het tijdelijk gebruik voldoende gemotiveerd moet zijn. Dit betekent dat het op basis van objectieve gegevens aannemelijk is te maken dat de activiteit kan en zal worden beëindigd aan het einde van de termijn zonder onomkeerbare gevolgen;
2de vergunde termijn voor de omgevingsvergunning verlengd mag worden of opnieuw mag worden verleend. De totale tijdsduur van 10 jaar mag echter niet overschreden worden;
3tijdelijk gebruik ten behoeve van detailhandel niet mogelijk is gezien het belang van de concentratie van detailhandel in centrum- en kernwinkelgebieden voor het collectieve functioneren ervan;
4in overige gevallen wordt van dit artikel geen gebruik gemaakt als blijkt dat aan de overige leden van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht ( onderdeel 1 t/m 10) geen medewerking kan worden verleend.
5Voor de realisering van pré-mantelzorgwoningen zijn eveneens de beleidsregels pré-mantelzorg van toepassing. Bij strijdigheid tussen deze regels en de beleidsregels pré-mantelzorg, prevaleren de beleidsregels pré-mantelzorg.
Hoofdstuk 4 Overgangsrecht
Paragraaf 4.1 Overgangsrecht
Artikel 5 Inwerkingtreding
1De beleidsregel treedt in werking op 6 februari 2020.
2De beleidsregel Beleid Planologisch Strijdig Gebruik 2018, vastgesteld op 13 februari 2018, wordt ingetrokken met ingang van inwerkingtreding van deze beleidsregel.
3Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleid Planologisch Strijd Gebruik 2020