4. Het wijzigingsbesluit
Tekst
Voor ontwikkelingen die niet in het tijdelijke omgevingsplan passen moet het omgevingsplan gewijzigd worden. Hiervoor moet een wijzigingsbesluit genomen worden. In dit hoofdstuk wordt behandeld uit welke onderdelen het omgevingsplan bestaat, hoe de inhoud van het omgevingsplan is opgebouwd en hoe de techniek van het wijzigen werkt.
De onderdelen
Om een omgevingsplan te wijzigen moet een wijzigingsbesluit worden genomen. Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit ten minste twee en ten hoogste drie onderdelen, namelijk:
•Deel 1: vaststellingsdocumenten en motivering (verplicht onderdeel)
•Deel 2: regels (verplicht onderdeel)
•Deel 3: artikelsgewijze toelichting met optioneel algemene toelichting (niet verplicht onderdeel)
Wat betekent dit voor u?
Het wijzigingsbesluit wordt genomen door de gemeenteraad of bij delegatie door het college van B&W.
Om tot een wijzigingsbesluit te komen vragen wij initiatiefnemers het volgende aan te leveren: motivering van de wijziging ten behoeve van de ontwikkeling en de onderzoeken (en indien nodig de m.e.r.beoordeling of het MER (deel 1)
De volgende onderdelen worden door de gemeente zelf aangeleverd:
•de wijziging van de regels van het omgevingsplan (deel 2)
•bij specifieke regels voor de ontwikkeling: een artikelsgewijze toelichting op die regels (deel 3)
Deel 1: vaststellingsdocumenten en motivering
Deel 1 van het besluit bestaat uit de vaststellingsdocumenten en de motivering van het besluit tot vaststelling c.q. wijziging van het omgevingsplan. Dit deel lijkt op een combinatie van het raadsbesluit, het raadsvoorstel, de zienswijzennota en de toelichting met bijlagen bij het bestemmingsplan op basis van de Wet ruimtelijke ordening.
Vaststellingsdocumenten
De vaststellingsdocumenten bevatten de overwegingen van de gemeenteraad c.q. burgemeester en wethouders die leiden tot het nemen van het besluit. Onderdeel van het besluit is de wijze waarop met de ingekomen zienswijzen is omgegaan en het voorstel tot het nemen van dit besluit (vergelijkbaar met het raadsvoorstel en raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan op grond van de Wet ruimtelijke ordening, inclusief de zienswijzennota). In het besluit wordt expliciet aangegeven welke regels komen te vervallen en welke nieuw zijn.
Motivering
De motivering bevat de inhoudelijke onderbouwing van het besluit (vergelijkbaar met de toelichting op het bestemmingsplan).
De motivering moet bestaan uit:
•een beschrijving van de ontwikkeling;
•toetsing aan omgevingsaspecten en onderzoek;
•aanduiding op welke onderdelen het omgevingsplan wordt aangepast en waarom;
•verwijzing naar voor die wijzigingen relevant beleid van gemeente, provincie of Rijk;
•toelichting op welke wijze gevolg is gegeven aan de toepasselijke instructieregels en instructies van de provincie Drenthe en het Rijk;
•motivering om welke redenen het besluit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter ondersteuning van de motivering kunnen bijlagen met onderzoeksgegevens worden toegevoegd. De standaardopzet van de motivering die voor een wijzigingsbesluit moet worden opgesteld is opgenomen in Bijlage 1.
Milieueffectrapportage
De Omgevingswet vervangt alle bestaande regelgeving over de fysieke leefomgeving. De meeste regels over de milieueffectrapportage landen in het Omgevingsbesluit. De Omgevingswet brengt geen wijziging aan in de inhoudelijke eisen van een milieueffectrapport.
Planm.e.r.
In de Omgevingswet is gekozen voor een algemene omschrijving van plannen en programma’s die planm.e.r.plichtig zijn. Een omgevingsplan is aangewezen als een plan en programma en kan planm.e.r.plichtig zijn. Een planm.e.r. is verplicht als het plan/programma kaderstellend is voor m.e.r.(beoordelings)plichtige besluiten of als een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming. Op de planm.e.r.plicht geldt straks een uitzondering voor plannen over kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Daarvoor is een planm.e.r.beoordeling nodig. Als uit de beoordeling blijkt dat het plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben, is een planm.e.r. vereist.
Projectm.e.r.
De projectm.e.r.plichtige projecten en besluiten worden opgesomd in het Omgevingsbesluit.
Deel 2: regels
Het tweede deel van het besluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. De regels bestaan in ieder geval uit:
•de regeltekst en de daarbij behorende werkingsgebieden;
•aanduiding welke regels worden toegevoegd, geschrapt, gewijzigd of vervangen door andere regels.
Ook hier kunnen bijlagen worden gevoegd (vergelijkbaar met de bijlagen bij de regels van het bestemmingsplan). Dit tweede deel van het vaststellings of wijzigingsbesluit is vergelijkbaar met de wijziging van een wet of een verordening.
Deel 3: artikelsgewijze toelichting met optioneel algemene toelichting
Artikelsgewijze toelichting
De artikelsgewijze toelichting heeft betrekking op de regels van het gehele omgevingsplan of op dat deel dat gewijzigd wordt. Bij elke wijziging vindt dus een actualisatie plaats (als daarvoor is gekozen) van de artikelsgewijze toelichting. In een artikelsgewijze toelichting kan aangegeven worden waarom bepaalde regels zijn gesteld. De gemeente zal ervoor zorgen dat de artikelsgewijze toelichting wordt aangeleverd door het bureau dat de wijziging van het omgevingsplan verzorgd.
Algemene toelichting
Aan het omgevingsplan kan ook een algemene toelichting worden toegevoegd met bijvoorbeeld gegevens over de gemeente en een beschouwing over de visie van de gemeente op het omgevingsplan (globaal, gedetailleerd, wijze waarop invulling is gegeven aan de gemeentelijke beleidsvrijheid etc.). Wanneer dat nodig is kan bij een wijziging van de regels van het omgevingsplan ook deze algemene toelichting worden geactualiseerd. Als dat gewenst is kunnen ook aan deel 3 bijlagen worden toegevoegd. De gemeente draagt zorg voor de algemene toelichting.
Bijlage 1 Inhoud motivering besluit wijziging omgevingsplan
1.Inleiding
1.1.Aanleiding
In de inleiding wordt allereerst de concrete aanleiding voor het wijzigen van het omgevingsplan aangegeven. Tevens worden achtergronden geschetst die een rol hebben gespeeld bij de beslissing om het omgevingsplan te gaan opstellen.
1.2. Beschrijving van wijziging
In dit onderdeel wordt ingegaan op de begrenzing van het plangebied. Deze begrenzing wordt inzichtelijk gemaakt op een kaart die in de Motivering wordt opgenomen.
1.3. Regeling in (tijdelijk) omgevingsplan
Verder wordt in de inleiding een opsomming gegeven van de vigerende bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of omgevingsplan die met het omgevingsplan (deels) worden gewijzigd.
Tevens worden in deze paragraaf de geldende activiteiten beschreven en de strijdigheid met deze activiteiten.
1.4.Leeswijzer
De leeswijzer geeft de opbouw van de motviering weer en de onderwerpen die daarin aan de orde komen.
2.Planvoornemen
In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie en de beoogde situatie met betrekking tot de ruimtelijkeen functionele structuur van het gebied waar de wijziging op ziet beschreven. Er wordt allereerst aandacht besteed aan de historie van het plangebied. Verder komen in dit hoofdstuk de volgende elementen aan de orde: Wonen, verkeer, bedrijven en voorzieningen en overige kwantitatieve en kwalitatieve aspecten, zoals gezondheid, duurzaamheid. Wat betreft de ruimtelijke inrichting wordt onder andere aandacht besteed aan de bebouwingsstructuur, cultureel erfgoed, de wegenstructuur en het groen.
2.1.Bestaande activiteiten (huidige situatie)
In deze paragraaf wordt de huidige situatie met betrekking tot de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied beschreven. Er dient aandacht besteed te worden aan de historie van het plangebied. Verder dient in dit hoofdstuk ook de volgende elementen behandeld te worden: wonen, verkeer, bedrijven en voorzieningen en overige kwantitatieve en kwalitatieve aspecten, mits deze van toepassing zijn op het gebied. Wat betreft de huidige ruimtelijke inrichting van het gebied wordt onder andere aandacht besteed aan de bebouwingsstructuur, monumenten, de wegenstructuur en het groen.
2.2.Beoogde situatie
In deze paragraaf wordt aangegeven welke ontwikkeling beoogd wordt met de wijziging van het omgevingsplan. Er dient aangegeven te worden wat er moet komen en wat men wil regelen middels een wijziging van het Omgevingsplan. De functies die aangepast of toegevoegd dienen te worden hier vermeld.
3.Gemeentelijk beleid
In dit hoofdstuk wordt het relevante gemeentelijke beleid en of programma’s ten aanzien van de ruimtelijkeen functionele structuur beknopt opgenomen. Uitsluitend beleid of beleidsuitspraken die voor het omgevingsplan relevant zijn dienen te worden genoemd. Daarbij dienen geen uitgebreide herhalingen van beleidsnota’s te worden opgenomen, maar kan worden volstaan met een korte, puntsgewijze samenvatting van de relevante onderdelen hiervan.
Bij de Motivering wordt per onderdeel aangegeven of de activiteiten waarop de wijziging van het omgevingsplan ziet passen binnen dit beleid.
3.1.Omgevingsvisie
In deze paragraaf wordt omschreven hoe de ontwikkeling past binnen de visie die de gemeente Meppel heeft op de fysieke leefomgeving. Dit staat beschreven in de Omgevingsvisie.
De Omgevingsvisie is aan verandering onderhevig daar waar nieuwe ontwikkelingen in de tijd kunnen worden ingepast binnen deze visie. Het is daarom van belang om altijd te werken met de meest actuele versie van de Omgevingsvisie van de gemeente Meppel.
3.2.Omgevingsprogramma's
In deze paragraaf wordt omschreven welke Omgevingsprogramma's van toepassing zijn op de ontwikkeling en hoe hier rekening mee wordt gehouden.
De Omgevingsvisie geeft een brede kijk op gewenste ontwikkelingen, een deel hiervan is verder uitgewerkt in Omgevingsprogramma's. Deze verdiepingsslag heeft plaatsgevonden op thema's als Wonen, Duurzaamheid en Mobiliteit.
3.3.Specifiek beleid gemeente Meppel
In deze paragraaf wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan specifieke beleidsthema’s die van toepassing zijn op de ontwikkeling. Een overzicht van het specifieke beleid van de gemeente Meppel is opgenomen in de Leidraad omgevingsplan.
4.Regelanalyse en beleid
In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan de regels die het Rijk heeft opgenomen in de AmvB’s en de provincie in de omgevingsverordening. Tevens wordt beschreven welke instructieregel overgenomen en/of uitgewerkt dient te worden in het omgevingsplan.
4.1.Rijksbeleid en (instructie)regels
Besluit bouwwerken leefomgeving
Beschrijving en stappenplan voor het wijzigen van het omgevingsplan
Besluit activiteiten leefomgeving
Beschrijving en stappenplan voor het wijzigen van het omgevingsplan
Besluit kwaliteit leefomgeving
Beschrijving en stappenplan voor het wijzigen van het omgevingsplan
4.2.Provinciaal beleid en (instructie)regels
De provincie Drenthe heeft een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Drenthe.
In de motivering van het plan wordt aangegeven welke onderdelen van de Provinciale Omgevingsvisie en Provinciale Omgevingsverordening van toepassing zijn en of het plan binnen de kaders van de provincie Drenthe past. De instructieregels uit de
4.3.Verordening fysieke leefomgeving
In Meppel is door de raad een Verordening fysieke leefomgeving (VFL) vastgesteld voor de onderdelen uit de gemeentelijke verordeningen die moeten en mogen worden opgenomen in het omgevingsplan.
De regels uit de VFL worden naar verwachtingin 2023 als wijziging van het omgevingsplan voor het gehele gemeentelijk grondgebied opgenomen in het omgevingsplan Meppel.
Voor ontwikkelingen betekent dit dat de regels of nog zijn opgenomen in de VFL of al in het omgevingsplan. Alleen indien het voor een ontwikkeling nodig is om de verordeningsregels aan te passen wordt dit meegenomen bij de betreffende wijziging van het omgevingsplan. In dat geval is er sprake van maatwerk, uitgangspunt is dat de verordeningsregels ook van toepassing zijn op de ontwikkeling.
In de motivering van het omgevingsplan wordt beschreven hoe om wordt gegaan met deze regels en of de ontwikkeling hier binnen past. Indien een ontwikkeling niet past binnen de regels, kan in sommige gevallen worden afgeweken. Hierbij geldt dat is gemotiveerd en/of onderzocht en goedgekeurd door de gemeente Meppel.
4.4.Bruidsschat
Tot 2030 gelden de regels uit de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Meppel). In de motivering van het omgevingsplan wordt beschreven hoe om wordt gegaan met deze regels en of de ontwikkeling hier binnen past. Indien een ontwikkeling niet past binnen de regels van de bruidsschat, kan in sommige gevallen worden afgeweken van de regels van de bruidsschat. Hierbij geldt dat dit goed wordt gemotiveerd en indien nodig onderzocht en goedgekeurd door de gemeente Meppel.
5.Hoe gaan we het regelen
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen. De in de regels opgenomen regelingen en/of beperkingen dienen te worden gemotiveerd
5.1.Uitwerking in de regels
In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in hoofdstuk 2.2, wordt uitgewerkt in de regels die in het Omgevingsplan Meppel worden opgenomen.
Ook wordt in dit hoofdstuk de verhouding met de wet en regelgeving aangegeven.
5.2.Welke activiteiten worden toegestaan en waar
5.3.Activiteiten toestaan of uitsluiten
6.Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarop door de beoogde ontwikkeling. Thema's als gezondheid, veiligheid, geluid, natuur, bouw en water maken integraal deel uit van het omgevingsplan. Het hoofdstuk bevat een omschrijving van de uitgevoerde onderzoeken en de resultaten hiervan. Uitsluitend aspecten die voor de wijziging van het omgevingsplan relevant zijn dienen te worden genoemd. Hieronder staan alle thema's voor u bij elkaar.
6.1.Milieueffectrapportage
6.2.Laddertoets
6.3.Dienstenrichtlijn
6.4.Verkeer en vervoer
o Parkeren
o Ontsluiting/ verkeersgeneratie
o Bereikbaarheid openbaar vervoer
o Bereikbaarheid gemotoriseerd verkeer
o Toegankelijkheid van de openbare ruimte (voor personen met een beperking)
6.5.Geluid
o Geluid door algemene milieubelastende activiteiten
o Geluid door specifieke milieubelastende activiteiten
o Geluid door horecaactiviteiten
o Geluid door windturbines
o Schietgeluid
o Geluid door wegen met geluidproductieplafonds
o Geluid door spoorwegen met geluidproductieplafonds
o Geluid door industrieterreinen
o Geluid door wegen en lokale spoorwegen op b
o Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden
o Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer
o Indirecte akoestische effecten van wijziging in de geluidoverdracht
6.6.Luchtkwaliteit
6.7.Geur
6.8.Trilling
6.9.Bodem
o Bodemkwaliteit
o Bodemopbouw en grondwater
o Conventionele Explosieven
6.10.Veiligheid
o Bluswater en bereikbaarheid
o Externe veiligheid
o Natuurbranden
o Windturbines
o Overstroming en klimaatadaptatie
o Evenementen
o Veilig gebruik van gebouwen
o Voorkomen van ontwrichtende rookoverlast
o Zorgcontinuïteit
o Risico communicatie
o Veilige energietransitie
o Veiligheid en milieu
6.11.Windhinder
6.12.Slagschaduw
6.13.Water
o Bodem en grondwater
o Waterkwantiteit
o Waterkwaliteit
o Waterveiligheid
o Waterketen
o Vaarwegen
o Klimaatverandering
6.14.Stedelijke en landschappelijke inpassing
o Welstand beeldkwaliteit
o Stedenbouwkundige inpassing
o Landschapswaarden
o Landschappelijke inpassing
6.15.Cultureel erfgoed
o Archeologie
o Cultuurhistorie
o Rijks/provinciale/gemeentelijke monumenten
o Karakteristieke panden
o Rijksbeschermd stadsgezicht
o Omgeving van het monument
6.16.Natuur
o Gebiedsbescherming
o Natura 2000
o NNN gebieden
o Stikstof
o Soortenbescherming
6.17.Duurzaamheid
* Biodiversiteit
o Klimaat adaptatie
o Circulariteit
6.18.Gezondheid
7.Uitvoering
8.Toezicht en handhaving
9.Kostenverhaal
9.1.Regels kostenverhaal
9.2.Anterieure overeenkomst
10.Evaluatie
11.Participatie en keten
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het participatietraject er voor de beoogde ontwikkeling uit ziet. Welke adviezen zijn gevraagd en uitgebracht, welke ketenpartners zijn geconsulteerd. Welke andere belanghebbenden zijn op de hoogte gebracht en hoe zag dit traject eruit.
12.Overgangsrecht en inwerkintreding
Bijlage 2 Activiteiten waarover het Bal regels stelt
In het Bal staan regels over een groot aantal activiteiten. Hieronder staat een opsomming van die activiteiten. De uitleg van de specifieke regels van het Bal vindt u op de pagina's over de betreffende activiteit (Iplo, 2022).
Milieubelastende activiteiten
•Milieubelastende activiteiten hoofdstuk 3, Bal
•Toelichting milieubelastende activiteiten
•lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringstechnisch werk door een milieubelastende activiteit
Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk
•Beperkingen gebiedsactiviteit bij een waterstaatswerk
•Lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam
•Ontgrondingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam
•Mijnbouwlocatieactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam
•Wateronttrekkingsactiviteit in een oppervlaktewaterlichaam
•Beperkingen gebiedsactiviteit bij een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk
•Activiteit in en bij de Noordzee
Activiteiten rond rijkswegen, spoorwegen en luchthavens
•Beperkingen gebiedsactiviteit bij een weg in beheer bij het Rijk
•Beperkingen gebiedsactiviteit bij een spoorweg
•Beperkingen gebiedsactiviteit bij een luchthaven
Activiteiten die de natuur raken
•Natura 2000activiteit
•Activiteit die nadelig kan zijn voor Natura 2000gebied, maar niet significant
•Flora en faunaactiviteit
•Uitoefening van de jacht
•Gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties, en het toepassen van methoden, om dieren te vangen of te doden
•Verhandelen, om andere reden dan verkoop onder zich hebben en binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan
•Activiteit die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg heeft of kan hebben
•Vangen, doden en verwerken van walvissen
•Vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen
Activiteiten die cultureel erfgoed of werelderfgoed raken
•Rijksmonumentenactiviteit
•Andere activiteit die een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument betreft
•Archeologische toevalsvondst in de exclusieve economische zone, buiten de aansluitende zone
•Activiteit die het werelderfgoed betreft
Andere activiteiten
•Landinrichtingsactiviteit
•Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden in een badwaterbassin
•Wateronttrekking voor industriële toepassingen en voor de drinkwatervoorziening
•Ontgrondingsactiviteit op land en in regionale wateren (deze regels gelden ook in het winterbed van een rivier die in beheer is bij het Rijk)
•Lozingsactiviteit van schepen op een oppervlaktewaterlichaam dat deel uitmaakt van de binnenwateren
Bijlage 3 Discrepanties tussen Bruidsschat en Bkl (milieubelastende activiteiten)
Onderwerp
Artikel BS
Artikel Bkl
Aandachtspunt
Normverwijzingen
Bijlage I
-
In bijlage I bij de Bruidsschat zijn onder meer de normverwijzingen opgenomen. Deze zijn in ieder geval actueel tot en met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Na inwerkingtreding kunnen wijzigingen optreden in normen; die zullen moeten worden verwerkt in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Begrippen
-
-
Sommige begrippen uit de Bruidsschat wijken af van de begrippen in de Omgevingswet of onderliggende AMvB's. Het betreft de volgende begrippen in bijlage I bij de Bruidsschat.
•Activiteitenbesluit–bedrijventerrein: het Bkl definieert bedrijventerrein niet meer expliciet. De Bruidsschat bevat het begrip Activiteitenbesluit–bedrijventerrein. Gemeenten zullen bij het maken van een omgevingsplan, wanneer zij een bedrijventerrein aanwijzen, concreet een hogere geluidsnorm moeten koppelen aan de locatie (zie ook thema geluid).
•Geurgevoelig object: het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. De Bruidsschat maakt gebruik van de definitie van geurgevoelig object, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Die is substantieel breder dan het begrip geurgevoelig gebouw, bedoeld in artikel 5.91 van het Bkl. De gebouwen die in de Bruidsschat beschermd worden met het begrip geurgevoelig object, kan een gemeente wel als geurgevoelig gebouw aanwijzen op grond van artikel 5.91, vierde lid van het Bkl. Artikel 5.91, vijfde lid biedt de mogelijkheid om de instructieregels voor geur toe te passen op geurgevoelige locaties.
•Concentratiegebied geurhinder en veehouderij: de aangewezen concentratiegebieden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij worden van rechtswege onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Artikel 5.108, tweede lid, van het Bkl verplicht tot het vastleggen van de geometrische begrenzing van het concentratiegebied in het omgevingsplan.
•Gezoneerd industrieterrein: het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet past het Bkl aan en gezoneerde industrieterreinen komen te vervallen. Hiervoor in de plaats komen industrieterreinen met geluidsproductieplafonds. Het Aanvullingsspoor geluid zal voorzien in een overgangsperiode.
Voorrangsbepaling
22.1, tweede lid
-
Deze overgangsrechtelijke bepaling uit de Bruidsschat regelt situaties waarin sprake is van strijdigheid tussen de algemene regels van de Bruidsschat en andere regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze overgangsrechtelijke bepaling bepaalt dat deze andere regel voorgaat op de Bruidsschatregel. Bij de totstandkoming van het nieuwe deel van het omgevingsplan zal de gemeente regels moeten opstellen die niet onderling strijdig zijn.
Onderwerp
Artikel BS
Artikel Bkl
Aandachtspunt
Geluid
Waarden voor geluidsgevoelige gebouwen
22.63
5.65, tweede lid
In het Bkl wordt bedrijventerrein niet meer expliciet gedefinieerd. De Bruidsschat bevat waarden voor activiteiten gelegen op Activiteitenbesluit–bedrijventerrein. Gemeenten moeten bij het maken van een omgevingsplan, wanneer zij een bedrijventerrein aanwijzen, concreet een hogere geluidsnorm koppelen aan de locatie.
Geluid agrarische activiteiten
22.65
5.65
Het Bkl gaat in de instructieregels niet meer uit van een apart geluidsregime voor agrarische activiteiten, maar biedt in artikel 5.65, derde lid, de mogelijkheid om voor agrarische gebieden een gebiedsgericht geluidsregime te voeren. Dat regime zou dan gelden voor alle milieubelastende activiteiten in dat gebied, ook als dat geen agrarische activiteiten zijn.
Artikel 5.65 van het Bkl kent een andere periodeindeling van een etmaal dan de Bruidsschat. In de Bruidsschat zijn de waarden voor geluid bij agrarische activiteiten tussen 6.00 en 7.00 uur hoger dan de standaardwaarden van het Bkl in de nachtperiode. Continueren van die hogere waarden in een omgevingsplanregel in het nieuwe deel van het omgevingsplan mag als voldaan wordt aan de grenswaarden voor de binnenniveaus voor de nachtperiode zoals bedoeld in artikel 5.66 van het Bkl of bij rechtmatige bestaande situaties die niet aan die grenswaarden kunnen voldoen.
Artikel 5.65 van het Bkl sluit het geluid veroorzaakt door een mobiele installatieGelk niet uit voor de beoordeling van de standaardwaarden. Wel biedt artikel 5.70 Bkl de flexibiliteit om voor een deel van een activiteit geen waarden te stellen. De gemeente moet dan motiveren waarom met een uitzondering voor mobiele installaties nog sprake is van een aanvaardbare geluidssituatie.
Geluid glastuinbouwbedrijf binnen glastuinbouwgebied
22.66
5.65
Het Bkl gaat in de instructieregels niet meer uit van een apart geluidsregime voor glastuinbouwbedrijven in aangewezen gebieden, maar biedt de mogelijkheid om voor agrarische gebieden een gebiedsgericht geluidsregime te voeren. Dat regime zou dan gelden voor alle milieubelastende activiteiten in dat gebied, ook als dat geen glastuinbouwbedrijven zijn.
Artikel 5.65 van het Bkl kent een andere periodeindeling van een etmaal. In de Bruidsschat zijn de waarden voor geluid bij een glastuinbouwbedrijf tussen 6.00 en 7.00 uur hoger dan de standaardwaarden van het Bkl. Continueren van die hogere waarden in het nieuwe deel van het omgevingsplan mag als voldaan wordt aan de grenswaarden voor de binnenniveaus in de nacht als bedoeld in artikel 5.66 van het Bkl of bij rechtmatige bestaande situaties die niet aan die grenswaarden kunnen voldoen.
Waarden gemeentelijke verordening
22.67
5.66
Artikel 5.66, eerste lid, van het Bkl biedt de flexibiliteit om per gebied andere waarden dan de standaardwaarden op te leggen. De gemeente moet dan wel toetsen aan de grenswaarden van artikel 5.66, tweede lid van het Bkl (en bij bestaande situaties die niet aan grenswaarden kunnen voldoen aan de al toegelaten waarden) . De gemeente moet een eventuele gemeentelijke verordening voor een concentratiegebied voor horecabedrijven of een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven omzetten naar het omgevingsplan.
Waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012
22.68
5.65, vierde lid
Bij het toelaten van een woonschip op een locatie kan de gemeente voor die specifieke locatie een concrete de waarde voor geluid vaststellen. De Bruidsschat heeft het nog over een drijvende woonfunctie. Bij het toelaten van een drijvende woonfunctie op een locatie in het nieuwe deel van het omgevingsplan, voldoet de drijvende woonfunctie aan de begripsbepaling voor woonschip, namelijk: drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip.
Onderwerp
Artikel BS
Artikel Bkl
Aandachtspunt
Eerbiedigende werking
22.69
5.65/5.66
Het Bkl biedt de mogelijkheid tot het stellen van hogere geluidswaarden – zoals deze gelden op grond van dit oude overgangsrecht – als voldaan wordt aan de grenswaarden van artikel 5.66 Bkl. De waarden die voor een locatie gelden, moeten wel duidelijk bepaald zijn in het omgevingsplan. Zo nodig kan de gemeente voor een locatie de overige flexibiliteitsmogelijkheden gebruiken van subparagraaf 5.1.4.2.2 van het Bkl voor zover sprake is van een aanvaardbare geluidssituatie.
Ook gelden de waarden voor geluid op grond van dit overgangsrecht soms niet op of in bedrijfswoningen van derden. Onder het Bkl krijgen deze bedrijfswoningen wel bescherming tegen geluidshinder.
Activiteit op gezoneerd industrieterrein
22.71
§5.1.4.2a.2
Het gezoneerd industrieterrein gaat plaatsmaken voor een industrieterrein waarvoor geluidsproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. De instructieregels van § 5.1.4.2a.2 van het Bkl zijn hier van toepassing.
Festiviteiten
22.73
5.68
Net als artikel 22.73 BS biedt artikel 5.68 Bkl de mogelijkheid om af te wijken van de geluidswaarden, maar de gemeente moet dit concretiseren in het nieuwe deel van het omgevingsplan en een eventuele gemeentelijke verordening (festiviteitenregeling uit de APV) omzetten naar het omgevingsplan.
Trillingen
Toepassingsbereik
22.41
5.79
De instructieregels van het Bkl zijn (kort gezegd) van toepassing op het toelaten van activiteiten, anders dan het wonen en doorgaand verkeer, die trillingen veroorzaken. De regels over trillingen uit de Bruidsschat gelden alleen voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 22.41 van de Bruidsschat. Aandachtspunt: dit kan betekenen dat voor bepaalde trillingen veroorzakende activiteiten de Bruidsschat niets regelt en het nodig kan zijn om voor dergelijke activiteiten planregels op te nemen.
22.83/
22.84
5.79
Bestaande gebouwen waar mensen tijdelijk (maximaal 10 jaar) in mogen wonen (of gebouwen met een andere gebruiksfunctie die beschermd worden tegen trillingen) vallen wel onder de Bruidsschatregels voor trillingen. Alleen voor nieuwe gevallen wordt aangesloten bij artikel 5.79, tweede lid, onder b, van het Bkl. Dat lid bepaalt dat de standaardwaarden voor trillingen en bijbehorende flexibiliteitsbepalingen niet gelden voor deze tijdelijk toegelaten trilling gevoelige gebouwen. Wel geldt de aanvaardbaarheidseis als bedoeld in artikel 5.83, tweede lid van het Bkl.
Geur
Algemeen
Bijlage I
5.91
De Bruidsschat maakt voor geur nog gebruik van de begrippen uit het oude recht, zoals geurgevoelig object en bebouwde kom terwijl de instructieregels uit het Bkl spreken over geurgevoelige gebouwen en bebouwingscontour geur. In het nieuwe deel van het omgevingsplan, dient in zoverre bij het begrip geurgevoelig gebouw uit het Bkl te worden aangesloten (artikel 5.91 Bkl). Daarnaast kunnen gemeenten in het omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (5.91, tweede lid, Bkl).
Aandachtspunt: in het nieuwe deel van het omgevingsplan aansluiten bij het begrippenkader van het Bkl en zo nodig andere geurgevoelige gebouwen aanwijzen. Daarnaast moet in het omgevingsplan de bebouwingscontour geur worden vastgesteld (voorheen bebouwde kom).
Toepassingsbereik algemene bepalingen
22.91
5.90
De algemene geurregels in de Bruidsschat zijn van toepassing op activiteiten op een geurgevoelig object en op tijdelijke activiteiten (< 10 jaar) die zijn toegelaten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Maar deze regels zijn niet van toepassing op:
1geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar;
2geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:
a.het tijdelijke deel van het omgevingsplan; of
b.een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Voor beide categorieën zullen in het nieuwe deel van het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen om te waarborgen dat de geur aanvaardbaar is (5.92, tweede lid, Bkl).
Opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
22.116
5.122
Anders dan de instructieregel in artikel 5.122 Bkl, die alleen van toepassing is op de opslag van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen bij in het Bal aangewezen milieubelastende activiteiten, is de Bruidsschatregel van toepassing op alle opslag van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen met een totaalvolume van 3 m³ of meer. Deze grens wordt niet gehanteerd in de instructieregel van het Bkl.
De Bruidsschatregels hebben dus een breder werkingsgebied dan de instructieregels uit het Bkl. Deze kunnen zonder gevolgen worden overgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Let wel op: als het gaat om de opslag bij in het Bal aangewezen milieubelastende activiteiten, dient de grens van 3 m³ uit de regel te verdwijnen.
Zuiveringtechnisch werk
22.124
5.102
Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk mag de geuremissie niet toenemen tenzij aan de grenswaarden voor geur kan worden voldaan (0,5/1,0 ouE/m³). Er zijn situaties denkbaar dat door het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk niet aan deze geurnormen kan worden voldaan. In die gevallen zal in het nieuwe deel van het omgevingsplan gebruikgemaakt moeten worden van de flexibiliteitsbepaling uit artikel 5.102 Bkl die de mogelijkheid biedt om een hogere waarde in het omgevingsplan op te nemen waarbij wel zal moeten gemotiveerd dat zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. Overigens is het ook mogelijk om een lagere waarde in het omgevingsplan op te nemen (5.101 Bkl).
Voedingsmiddelenindustrie
22.201
5.92
Volgens de Bruidsschat is beginnen of uitbreiden in capaciteit van de industriële productie van voedingsmiddelen (of het wijzigen van deze activiteit die tot een grotere geuremissie kan leiden) alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen. Hier is echter geen vergunnings of meldingsplicht aan gekoppeld. Artikel 5.92 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het ligt voor de hand om een vergunningplicht voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit of een meldingsplicht in het omgevingsplan op te nemen zodat vooraf kan worden getoetst of de activiteit niet leidt tot onaanvaardbare geurhinder.
Bijlage 4 MBA's buiten toepassingsbereik van de Bruidsschat
Afdeling 22.3 van de Bruidsschat (BS) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Maar deze afdeling is niet van toepassing op (artikel 22.41, tweede lid, BS):
•wonen;
•het feitelijk verrichten van bouw en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;
•een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;
•doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;
•een evenement:
1odat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;
2odat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of
3owaarover geluidsregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;
•het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en
•bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.
Overigens geldt deze beperking van het toepassingsbereik niet voor activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7 (bodembeheer); zie artikel 22.41, vierde lid, BS.
Wat te regelen in het omgevingsplan i.v.m. deze uitzonderingen?
In zijn algemeenheid zijn de algemene zorgplicht (artikel 1.6 Ow) en het algemene verbod om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan (artikel 1.7a Ow) vangnetbepalingen voor het ontbreken van specifieke regels in het omgevingsplan m.b.t. de uitgezonderde activiteiten. Ook zullen in plaatselijke verordeningen veelal regels opgenomen zijn die deze activiteiten reguleren. Deze regels zullen uiteindelijk, voor zover die de fysieke leefomgeving wijzigen, moeten worden opgenomen in het omgevingsplan.
Wonen
De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.
Aandachtspunt: als een hobby een bepaalde omvang overstijgt, kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto's, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijvenaanhuis. Voor het bereiken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, kan het noodzakelijk zijn om aanvullende regels in het omgevingsplan op te nemen.
Bouw en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken
In het Bbl (afdeling 7.1) zijn de nodige regels gesteld met betrekking tot het voorkomen van hinder vanwege bouw en sloopactiviteiten. In afdeling 7.2 zijn regels opgenomen met betrekking tot mobiel breken van bouw en sloopafval. Indien nodig, kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld. Het Bbl biedt hiermee voldoende bescherming.
Ook bevat de APV vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw en sloop gerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de APV bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden.
Verder bevat afdeling 22.2 van de Bruidsschat enkele andere specifieke zorgplichten, namelijk:
•artikel 22.6 (specifieke zorgplicht beschermen omgeving bouw en sloopwerkzaamheden); en
•artikel 22.18 (specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk).
Milieubelastende activiteiten die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte worden verricht
Voorbeelden van deze milieubelastende activiteiten zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gescheiden afvalstromen (denk bijvoorbeeld aan het legen van glasbakken) en gevelreiniging (met uitzondering van lozen).
Aandachtspunt: voor zover deze activiteiten niet zijn gereguleerd door plaatselijke verordeningen, kan het voor het bereiken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties noodzakelijk zijn om regels op te nemen in het omgevingsplan.
Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen
Deze uitzondering is ook gemaakt in het Bkl (artikel 5.55, tweede lid, aanhef en onder f, van het Bkl).
Evenementen
Voor evenementen zijn in bijvoorbeeld de APV of een evenementenverordening geluidsregels gesteld. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidsregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidsregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.
Aandachtspunt: voor het bereiken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan het noodzakelijk zijn om in het omgevingsplan een regeling op te nemen over (geluidshinder van) evenementen (zoals bijvoorbeeld in het huidige evenementenbeleid of de APV). Het toepassingsbereik zal dan moeten worden aangepast zodra de regeling over evenementen in het omgevingsplan is opgenomen.
Mobiele installaties
Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor afdeling 22.3. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in het tijdelijke omgevingsplan. Bij deze regels kan worden aangesloten. Let op: voor een mobiele installatie voor het breken van bouw en sloopafval gelden de regels uit afdeling 7.2 van het Bbl.
Bruggen, viaducten, verkeerstunnels etc.
Vaste objecten, zoals bruggen, sluizen en tunnels, kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten.
Aandachtspunt: in artikel 5.78b, eerste lid, aanhef en onder 4°, van het Bkl zijn elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen aangewezen als activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Deze aanwijzing geldt niet als het omgevingsplan (of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) waarborgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 50 meter vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1 van het Bkl. Dit vereist aanvullende regels in het omgevingsplan.
Indien de aanwijzing wel van toepassing is, zal in het omgevingsplan als omgevingswaarde geluidsproductieplafonds moeten worden vastgesteld.