Aanhef
De gemeenteraad besluit:
De Woonvisie 'Leefbare en vitale kernen´ d.d. 11 mei 2021 bij te stellen op het punt van woningbouwontwikkelingen in alle kernen van de gemeente Meerssen mogelijk te maken.
Bijlage A: Verdieping huishoudensprognose per kern
Uit de meest actuele Progneff 2019 prognose blijkt dat het aantal huishoudens in de gemeente Meerssen afneemt met circa 155 tussen 2020 en 2030, en met nogmaals 610 tussen 2030 en 2040. Onderstaande tabel laat zien hoe de huishoudensontwikkeling per kern zich naar verwachting zal ontwikkelen. In alle kernen neemt het aantal huishoudens af, de mate waarin verschilt wel lichtelijk. In deze paragraaf verdiepen we deze gegevens per kern, door de ontwikkeling van verschillende leeftijdsgroepen in beeld te brengen.
22Progneff 2019 maakt op buurtniveau alleen onderscheid naar leeftijdsgroepen en niet naar huishoudenssamenstelling (gezinnen, stellen en alleenstaanden). We kunnen daarom geen onderscheid maken naar huishoudenstypen, enkel naar leeftijden.
Tabel 8: verwachte huishoudensontwikkeling in gemeente Meersen op kernniveau (2020 tot 2040)
Kern
Stand 2020
Stand 2030
Ontwikkeling 2020 - 2030
Stand 2030
Stand 2040
Ontwikkeling 2030 - 2040
Meerssen
2.780
2.730
-50 (-2%)
2.730
2.545
-185 (-7%)
Bunde
2.460
2.450
-10 (0%)
2.450
2.275
-175 (-7%)
Geulle
1.200
1.150
-50 (-4%)
1.150
1.040
-110 (-10%)
Ulestraten
1.245
1.220
-25 (-2%)
1.220
1.125
-95 (-8%)
Rothem
800
795
-5 (-1%)
795
745
-50 (-6%)
Totaal gemeente
8.495
8.340
-155 (-2%)
8.340
7.730
-610 (-7%)
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020). *Afrondingsverschil doordat doelgroepen op vijftallen zijn afgerond. Let op, beschouw prognoses op kernenniveau indicatief daar waar onzekerheidsmarges op een lager schaalniveau toenemen.
Onderstaand figuur laat de huidige leeftijdsopbouw van de verschillende kernen zien. In Meerssen wonen relatief iets meer huishoudens tot 25 jaar. Ook zijn hier, en in Geulle, al meer 75-plushuishoudens dan gemiddeld in de gemeente. In Bunde en Geulle zijn relatief veel huishoudens tussen de 55 en 75 jaar, dit betekent dat hier de komende jaren ook veel 75-plussers bij komen (doordat huishoudens ouder worden). Rothem is nog een relatief jonge kern, met een groot aandeel huishoudens tussen de 25 en 35 jaar.
Figuur 18: leeftijdsopbouw van de gemeente en verschillende kernen in 2020
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
Meerssen
Meerssen heeft circa 2.780 huishoudens in 2020. Naar verwachting daalt dit aantal met circa 50 tot 2.730 in 2030. De tien jaar erna neemt het aantal huishoudens af met circa 185 tot 2.545 in 2040. In 2020 is de doelgroep huishoudens tussen de 55 en 75 jaar het grootst in Meerssen (39%, gemiddeld 41% in de gemeente), gevolgd door huishoudens tussen de 35 en 55 jaar (28%, gemiddeld 30% in de gemeente). Meerssen heeft relatief gezien meer huishoudens tot 25 jaar, namelijk 3% tegenover 2% gemiddeld. In 2040 zal naar verwachting de doelgroep 75-plushuishoudens het grootst zijn in Meerssen. Zie onderstaand figuur.
Figuur 19: stand huishoudens in kern Meerssen, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
De groei in Meerssen zit voornamelijk in de huishoudens van 75 jaar en ouder, zeker in de eerste tien jaar. Dit komt niet doordat er veel oudere huishoudens naar Meerssen verhuizen, maar omdat huishoudens die nu tussen de 55 en 75 jaar oud zijn ‘doorschuiven’ naar de volgende leeftijdsgroep. Daarnaast neemt het aantal 25 tot 35 jarigen tot 2030 lichtelijk toe (maar daalt daarna sterker). Zie onderstaand figuur.
Figuur 20: ontwikkeling huishoudens in kern Meerssen, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
Bunde
Bunde heeft circa 2.460 huishoudens in 2020. Naar verwachting daalt dit aantal met circa 10 tot 2.450 in 2030. De tien jaar erna neemt het aantal huishoudens af met circa 175 tot 2.275 in 2040. In 2020 is de doelgroep huishoudens tussen de 55 en 75 jaar het grootst in Bunde (44%, gemiddeld 41% in de gemeente), gevolgd door huishoudens tussen de 35 en 55 jaar (31%, gemiddeld 30% in de gemeente). In 2040 zal naar verwachting de doelgroep huishoudens tussen de 55 en 75 jaar nog het grootst zijn in Bunde, gevolgd door huishoudens tussen de 35 en 55 jaar. Zie onderstaand figuur.
Figuur 21: stand huishoudens in kern Bunde, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
De groei in Bunde zit voornamelijk in de huishoudens van 75 jaar en ouder, zowel tot 2030 als daarna. Dit komt niet doordat er veel oudere huishoudens naar Bunde verhuizen, maar omdat huishoudens die nu tussen de 55 en 75 jaar oud zijn ‘doorschuiven’ naar de volgende leeftijdsgroep. Tot 2030 blijft deze doelgroep nog relatief stabiel in omvang, maar na 2030 neemt de omvang van deze doelgroep sterk af. Daarnaast neemt het aantal 25 tot 35 jarigen tot 2030 lichtelijk toe (maar daalt daarna sterker). Zie onderstaand figuur.
Figuur 22: ontwikkeling huishoudens in kern Bunde, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
Geulle
Geulle heeft circa 1.200 huishoudens in 2020. Naar verwachting daalt dit aantal met circa 50 tot 1.150 in 2030. De tien jaar erna neemt het aantal huishoudens af met circa 110 tot 1.040 in 2040. In 2020 is de doelgroep huishoudens tussen de 55 en 75 jaar het grootst in Geulle (43%, gemiddeld 41% in de gemeente), gevolgd door huishoudens tussen de 35 en 55 jaar (28%, gemiddeld 30% in de gemeente). In 2040 zal naar verwachting de doelgroep huishoudens tussen de 55 en 75 jaar nog het grootst zijn in Geulle, gevolgd door huishoudens vanaf 75 jaar. Zie onderstaand figuur.
Figuur 23: stand huishoudens in kern Geulle, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
De groei in Geulle zit voornamelijk in de huishoudens van 75 jaar en ouder, zeker in de eerste tien jaar. Dit komt niet doordat er veel oudere huishoudens naar Geulle verhuizen, maar omdat huishoudens die nu tussen de 55 en 75 jaar oud zijn ‘doorschuiven’ naar de volgende leeftijdsgroep. Daarnaast neemt het aantal 25 tot 35 jarigen tot 2030 lichtelijk toe (maar daalt daarna sterker). Zie onderstaand figuur.
Figuur 24: ontwikkeling huishoudens in kern Geulle, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
Ulestraten
Ulestraten heeft circa 1.245 huishoudens in 2020. Naar verwachting daalt dit aantal met circa 25 tot 1.220 in 2030. De tien jaar erna neemt het aantal huishoudens af met circa 95 tot 1.125 in 2040. In 2020 is de doelgroep huishoudens tussen de 55 en 75 jaar het grootst in Ulestraten (41%, gemiddeld 41% in de gemeente), gevolgd door huishoudens tussen de 35 en 55 jaar (32%, gemiddeld 30% in de gemeente). In 2040 zal naar verwachting de doelgroep huishoudens tussen de 55 en 75 jaar nog het grootst zijn in Ulestraten. Zie onderstaand figuur.
Figuur 25: stand huishoudens in kern Ulestraten, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
De groei in Ulestraten zit voornamelijk in de huishoudens van 75 jaar en ouder, zeker in de eerste tien jaar. Dit komt niet doordat er veel oudere huishoudens naar Ulestraten verhuizen, maar omdat huishoudens die nu tussen de 55 en 75 jaar oud zijn ‘doorschuiven’ naar de volgende leeftijdsgroep. Zowel tot 2030 als daarna neemt deze doelgroep sterk in omvang af. Het aantal huishoudens tot 25 jaar blijft stabiel in deze kern, tot 2030 en 2040 is geen sprake van een toe- of afname. Alle andere doelgroepen nemen in beide periodes in omvang af. Zie onderstaand figuur.
Figuur 26: ontwikkeling huishoudens in kern Ulestraten, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
Rothem
Rothem heeft circa 800 huishoudens in 2020. Naar verwachting daalt dit aantal met circa 5 tot 795 in 2030. De tien jaar erna neemt het aantal huishoudens af met circa 50 tot 745 in 2040. In 2020 is de doelgroep huishoudens tussen de 55 en 75 jaar het grootst in Rothem (37%, gemiddeld 41% in de gemeente), gevolgd door huishoudens tussen de 35 en 55 jaar (35%, gemiddeld 30% in de gemeente). n 2040 zal naar verwachting de doelgroep huishoudens tussen de 35 en 55 jaar nog het grootst zijn in Rothem, gevolgd door huishoudens tussen de 55 en 75 jaar. Zie onderstaand figuur.
Figuur 27: stand huishoudens in kern Rothem, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
De groei in Rothem zit voornamelijk in de huishoudens van 75 jaar en ouder, zowel tot 2030 als daarna. Dit komt niet doordat er veel oudere huishoudens naar Rothem verhuizen, maar omdat huishoudens die nu tussen de 55 en 75 jaar oud zijn ‘doorschuiven’ naar de volgende leeftijdsgroep. Tot 2030 blijft de omvang van deze doelgroep relatief stabiel, maar na 2030 neemt de doelgroep sterk in omvang af. Ook de andere doelgroepen nemen in Rothem tot 2040 in omvang af. Zie onderstaand figuur.
Figuur 28: ontwikkeling huishoudens in kern Rothem, op basis van leeftijden
Bron: Progneff (2019). Bewerking Stec Groep (2020).
Bijlage B: Wet- en regelgeving
Op het gebied van wonen zijn er verschillende veranderingen in Rijksbeleid- en wetgeving en maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de woningmarkt.
De herziene Woningwet en regels rondom corporatiebeleid bieden kansen voor woonvisie
Sinds 1 juli 2015 is de herziene Woningwet (en het daaronder liggende Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting 2015) van kracht. Als gevolg hiervan verandert de rol van de gemeente. De gemeente krijgt meer invloed op de werkzaamheden van de in Meerssen actieve woningcorporatie(s). Er zijn nieuwe regels voor de positie en activiteiten van woningcorporaties. De Woningwet onderstreept het belang van het maken van een actuele woonvisie, waarin het gemeentelijk volkshuisvestelijk beleid is opgenomen.
Deze nieuwe woonvisie vormt daarmee dan ook de basis voor het maken van prestatieafspraken met Wonen Meerssen en Woonpunt. Denk hierbij aan afspraken over: investeringen, duurzaamheid, betaalbaarheid, kwaliteit, kernvoorraad, uitponden, vergunninghouders, et cetera. Ook deze onderwerpen komen in deze woonvisie aan bod.In lijn met de gedachte achter de Woningwet moet deze Woonvisie ook gedragen worden door andere relevante belanghebbenden en partners op de woningmarkt: marktpartijen, zorgaanbieders en bewoners. Vandaar dat deze ook uitgebreid meegenomen worden in het proces.
De Ladder voor duurzame verstedelijking: inbreiding gaat voor uitbreiding
De Ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 opgenomen als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en in 2017 aangepast. Overheden moeten op grond van het Bro elke nieuwe stedelijke ontwikkeling motiveren aan de hand van de Ladder. Het instrument is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut.
Hiermee wordt het noodzakelijk om alle nieuwbouwplannen die nog niet in een bestemmingsplan zitten ruimtelijk te onderbouwen en de kwantitatieve en kwalitatieve vraag voor deze woningen aan te tonen, uitgaande van de relevante (regionale) marktregio. Er moet dus behoefte zijn aan een woningbouwplan, en deze dienen in principe eerst binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente gerealiseerd te worden. Het is belangrijk om het toewijzen van woningbouwprogramma’s op specifieke locaties transparant en in lijn van de Ladder af te wegen. De woonvisie is hiervoor een goed instrument.
Scheiden van wonen en zorg brengt nieuwe uitdagingen voor de woningmarkt met zich mee
Om de zorg betaalbaar te houden, meer te laten aansluiten op de specifieke persoonlijke situatie en mensen langer thuis te kunnen laten wonen is in de afgelopen jaren het scheiden van wonen en zorg ingevoerd. Dit wordt extramuralisering genoemd. Daar waar wonen en zorg eerst samen werden vergoed vanuit de Algemene Wet Bijzondere Zorg (AWBZ) zijn wonen en zorg nu losgekoppeld. De cliënt betaalt zelf voor de huur- of koopwoning en de zorg wordt, afhankelijk van de situatie, gefinancierd via de Zorgverzekeringswet (ZVW), Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) of Wet langdurige zorg (Wlz, ter vervangen van de oude AWBZ).
De extramuralisering betekent dat cliënten in de relatieve lagere zorgcategorieën niet langer intramuraal wonen (zorg met verblijf in een instelling), maar in een zelfstandige woonruimte wonen en daar zorg ontvangen (extramuraal). De zorgzwaartepakketten (ZZP’s, uit de oude ABWZ) 1 en 2 zijn voor alle typen zorg inmiddels geëxtramuraliseerd. Voor de VG-sector (verstandelijke gehandicapten) is ook ZZP 3 deels extramuraal gemaakt en voor de V&V-sector (verpleging en verzorging) ZZP 3 helemaal en ZZP 4 deels
23Bron: Kenniscentrum Wonen-Zorg
.
Door de extramuralisering blijven mensen langer thuis wonen. Mensen met een steeds zwaardere zorgindicatie moeten in de reguliere zelfstandige woningvoorraad gehuisvest worden en blijven. Er is daardoor een toenemende vraag naar (intensieve) extramurale zorg. Dit geldt zowel voor de verstandelijke gehandicapten (VG) en Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) en de ouderenzorg. Landelijk neemt hierdoor de behoefte aan beschermde en beschutte (zelfstandige) woonvormen voor ouderen, GGZ en VG sterk toe.
Vanuit het sociaal domein vragen de Participatiewet en de Jeugdwet ook om aandacht
Sinds 2015 hebben gemeenten er nieuwe taken en verantwoordelijkheden bijgekregen in het sociaal domein. Deze taken zijn, naast de Wmo, vastgelegd in twee wetten: de Participatiewet en Jeugdwet. Iedereen die kan werken maar het op de arbeidsmarkt zonder ondersteuning niet redt, valt onder de Participatiewet. De wet moet ervoor zorgen dat meer mensen werk vinden, ook mensen met een arbeidsbeperking.
24De Participatiewet is in de plaats gekomen van de Wet Werk en Bijstand, Wsw en een groot deel van de Wajong.
In de Jeugdwet staat dat gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdhulp. Zij kunnen de zorg dichter bij de inwoners organiseren, in samenhang met ondersteuning van gezinnen bij werk, inkomen en schulden. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van alle vormen van jeugdhulp. Bijvoorbeeld hulp aan huis bij problemen in het gezin, maar ook bij psychische en gedragsproblemen van kinderen en jongeren. Huisvesten van deze doelgroep kan hier ook onderdeel van uitmaken. Hierbij is het uitgangspunt dat gebruik gemaakt wordt van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk. Het is belangrijk dat zij de regie blijven houden over hun leven. En dat ze samen met hun eigen omgeving en professionele hulpverleners naar oplossingen zoeken.
Landelijke sociaaleconomische en demografische trends en ontwikkelingen
In onderstaande schema’s staan landelijke sociaaleconomische en demografische trends en ontwikkelingen, met gevolgen voor de woningmarkt. Naast de ontwikkelingen zelf, geven we daarbij beknopt weer wat gevolgen (landelijk en voor Meerssen) van deze ontwikkelingen zijn.
Trend
Betekenis
Gevolg
Huishoudensgroei op (middel)lange termijn in steden, krimp in de periferie
● Toename vraag naar woningen in stedelijke gebieden, driekwart (ruim 500.000 huishoudens tot 204019F) van de huishoudensgroei gaat naar grotere gemeenten (vanaf 100.000 inwoners).
● De trek naar de stad en krimp in de periferie is een zichzelf versterkend effect. Steeds meer (veelal jonge) mensen trekken weg naar gebieden met meer voorzieningen, opleidingen en carrièrekansen, vaak de grotere steden. In de periferie verdwijnen steeds meer voorzieningen en bedrijven door de demografische krimp, wat verdere krimp weer in de hand helpt. Daarnaast zijn de gevolgen van ontgroening en vergrijzing vaak beter merkbaar in de krimpende gebieden.
● Toenemende druk op de steden, juist minder op krimp- en anticipeerregio’s.
● Vooral vertrekoverschot van jongeren vanuit periferie naar de stad.
● Gevolgen van ontgroening en vergrijzing met name merkbaar in gemeenten als Meerssen.
Vergrijzing
● Oplopende vraag naar woningen geschikt voor ouderen: levensloopbestendig en nabij (zorg)voorzieningen.
● Zij hebben een bovengemiddelde voorkeur voor nultreden (vrijesector)huurwoningen dicht bij voorzieningen.
● De doelgroep 75-plussers groeit de komende 10 jaar met 45% en is in 2040 meer dan verdubbeld ten opzichte van nu.
● Groot deel van de bestaande voorraad is niet geschikt voor deze doelgroep. Vooral in de buurtschappen en buitengebied.
● Meer aandacht voor concepten als smart living, om langer thuis wonen mogelijk te maken.
Huishoudensverdunning: meer (jonge en oude) eenpersoonshuishoudens
● Het aantal éénpersoonshuishoudens stijgt de komende 10 jaar twee keer zo hard (12%) als het totaal aantal huishoudens (6%) in Nederland. Het gaat vooral om oudere alleenstaanden. Zo’n 80%-85% van de woningopgave tot 2040 wordt veroorzaakt door groei éénpersoons-huishoudens.
● Toename vraag naar relatief kleine woningen (patio’s appartementen), afname voorkeur voor relatief grote woningen.
● Afname gemiddelde bestedingskracht per huishouden. De gemiddelde bestedingskracht van éénpersoonshuishouden is € 19.600. Van alle huishoudens in Nederland is dat € 34.200.
25CBS (2014).
● Druk op betaalbare (huur)voorraad, maar in iets mindere mate in landelijke gemeenten als Meerssen.
● Deel bestaande voorraad ongeschikt voor doelgroep: niet levensloopbestendig en een te groot woonoppervlak.
● Nultredenwoningen en/of levensloopbestendige woningen zijn nodig, op locaties dicht bij voorzieningen zijn nodig.
Extramuralisering en scheiding wonen en zorg
● Ouderen wonen langer thuis en door afschaffen lichte zzp’s, gescheiden financiering en vergrijzing neemt vraag naar zorggeschikte woningen toe.
● Ook voor overige kwetsbare doelgroepen is de trend om zorg in de thuisomgeving aan te bieden. Denk aan de doelgroep Beschermd Wonen, Maatschappelijke Opvang, OGGz, verwarde personen, mensen met (licht) verstandelijke beperkingen, statushouders, nazorg ex-gedetineerden, ouderen met dementie, ernstige psychiatrische aandoeningen en jongeren die een vorm van begeleid wonen nodig hebben.
● Druk op de huurprijzen voor extramurale zorgwoningen op aantrekkelijke plekken.
● Leegkomend intramuraal zorgvastgoed op suboptimale plekken.
Strengere duurzaamheidsnormen
● Huishoudens zijn zich steeds meer bewust van de duurzaamheid en energieprestaties van hun woning en hechten hier meer waarde aan.
● Vraag naar goedkope, maar zuinige vrijesectorhuur neemt toe. Dit segment concurreert met dure onzuinige sociale huur.
● De EPC wordt steeds verder aangescherpt. Van 0,4 in 2015 naar bijna 0 in 2021.
● Woonlastenbenadering koppelt huur- en energielasten.
Waardestijging koopwoning niet langer verdienmodel
● Strengere financieringsvoorwaarden, huishoudensafname (op lange termijn) en afbouw hypotheekrenteaftrek maken waardestijging van de koopwoning niet langer een onomstreden verdienmodel.
● Toenemende druk op de (vrijesector)huurvoorraad in steden waar waardestijging minder vanzelfsprekend is.
Flexibele contracten
● Korte en flexibele arbeidscontracten maken financiering van een koopwoning lastig. In 2015 had 20% van de werknemers een flexibel contract. De populariteit van huren neemt hierdoor toe.
● Banken ontwikkelen financieringsmogelijkheden voor deze doelgroep en voor zzp’ers.
● Op korte termijn extra druk op de bestaande huurvoorraad, vooral tussen aftoppings- en liberalisatiegrens. Dit segment is het alternatief voor een koopwoning in Meerssen.
Lage rentestand
● Door de druk op de koopmarkt verleggen huishoudens hun aandacht naar huur, wat ook daar weer zorgt voor een prijsopdrijvend effect.
● Opwaartse druk prijzen voor woningvastgoed.
Economisch herstel
● Consumentenvertrouwen stijgt. Huishoudens kopen graag weer om te profiteren van de stijgende prijzen.
● Noodgedwongen voorkeur voor vrijesectorhuur door (te) hoge koopprijzen. De vraag naar huur is mede afhankelijk van de koopprijzen.
● Toenemende druk op zowel koop- als (vrijesector) huurvoorraad landsbreed.
Bijlage C: Toelichting zorgvraag 2020-2030
In deze bijlage zoomen we in op de verwachten zorgvraag in Meerssen. Het betreft een indicatieve prognose met een aantal kanttekeningen op het gebied van ambulantisering/extramuralisering (zie ook onderstaand tekstvak). De geschetste extramurale opgave is in de huishoudensprognose, zoals eerder in dit onderzoek gebruikt, verwerkt. Waarbij zorgindicaties niet gelijk staan aan huishoudens. Voor de intramurale opgave is dat niet het geval (het gaat om institutionele, niet reguliere huishoudens).
TOELICHTING EN KANTTEKENINGEN ZORGPROGNOSE
We baseren ons op zorgindicaties uit 2015 die we extrapoleren met behulp van de huishoudensprognose Primos 2019. We kunnen een inschatting maken van de intramurale opgave; voor de extramurale opgave is dit minder gemakkelijk. Er zijn verschillende trends ingezet zoals afbouw van zorg- en verpleegcentra, de hervorming van de intramurale geestelijke gezondheidszorg, de ambulantisering van de GGZ en de ambulantisering van beschermd wonen. De gevolgen hiervan zijn moelijker uit te drukken in prognoses.
Intramurale zorg: grootste groep zijn verstandelijk gehandicapten en somatische zorgvragers
De leeftijd van de circa 250 personen in een intramurale zorgwoning in Meerssen loopt uiteen, , al zijn de oudste leeftijdsgroepen wel sterk vertegenwoordigd: 24% is tussen 75 en 85 jaar en 36% is 85 jaar of ouder. Splitsen we de intramurale groep uit naar zorgtype dan zien we dat circa 27% verstandelijk gehandicapt is. Ook 27% van de intramurale groep ontvangt somatische zorg. Circa 22% ontvangt psychogeriatrische zorg, circa 19% lichamelijke zorg en circa 5% psychiatrische zorg. Intramurale zintuiglijke zorg wordt niet aangeboden in Meerssen. Zie onderstaande tabel en figuur.
Figuur 29: intramurale bevolking Meerssen, naar leeftijd en type zorgvraag in 2020
Bron links: Primos 2019, bewerking Stec Groep (2019). Bron rechts: CIZ (2017, cijfers 2015), bewerking Stec Groep (2020). Afronding op vijftallen en hele procenten.
Extramurale zorg: meerderheid heeft somatisch zorgprofiel
Van de circa 600 personen die extramurale zorg ontvangen is circa 74% 65 jaar of ouder. Circa 400 personen ontvangen thuis somatische zorg, zo’n 65% van het totaal aantal extramurale zorgvragers. Dit zorgtype valt meestal onder een licht zorgprofiel, waardoor dit percentage aanzienlijk hoger is dan het percentage intramurale somatische zorgbehoevenden. Tegelijkertijd is het door het doorgaans zware zorgprofiel het percentage psychogeriatrische patiënten dat thuis woont relatief klein, zo’n 4% van alle extramurale zorgvragers. Zie onderstaande tabel en figuur.
Figuur 30: extramurale bevolking Meerssen, naar leeftijd en type zorgvraag in 2020
Bron links: Primos 2019, bewerking Stec Groep (2019). Bron rechts: CIZ (2017, cijfers 2015), bewerking Stec Groep (2020). Afronding op vijftallen en hele procenten.
Tot 2030 toename verwacht van circa 45 intramurale en 95 extramurale zorgbehoevenden
Op basis van de huishoudensontwikkeling verwachten we in 2030 circa 45 extra intramurale zorgvragers in gemeente Meerssen ten opzichte van 2020 (+18%). De gemiddelde leeftijd van een intramurale zorgvrager gaat omhoog: in 2030 is circa 66% van de intramurale huishoudens in de gemeente 75 jaar of ouder, tegenover 60% in 2020. Daarnaast neemt de vraag naar extramurale zorg toe met circa 45 personen in dezelfde periode (+16%). De gemiddelde leeftijd van een extramurale zorgvrager gaat ook omhoog: in 2030 is circa 67% van de intramurale huishoudens in de gemeente 75 jaar of ouder, tegenover 59% in 2020.
Grotere intramurale somatische, psychogeriatrische en VG-zorgvraag in 2030
De huidige zorggebruikers worden ouder en schuiven door naar een hogere leeftijdsklasse zonder dat het type zorgvraag verandert. Hierdoor zien we, als gevolg van de vergrijzing, een groei van het aantal huishoudens met een somatische (+15) of psychogeriatrische (+10) intramurale zorgbehoefte. Een deel van de psychogeriatrische opgave landt door ambulantisering mogelijk extramuraal. Hier houdt de prognose geen rekening mee. De grootste groep intramurale zorgvragers in 2020, verstandelijk gehandicapten, stijgt met circa 10 naar circa 80 in 2030. Zie onderstaande figuur en tabel.
Figuur 31: intramurale bevolking Meerssen, naar type zorgvraag in 2030
Bron: Primos 2019, CIZ (2017, cijfers 2015), bewerking Stec Groep (2019). Afronding op vijftallen, hierdoor kunnen optellingen afwijken.
Sterke stijging aandeel 75-plushuishoudens met extramurale somatische zorgvraag
In 2020 ontvangen in Meerssen circa 600 huishoudens extramurale zorg. Tussen nu en 2030 zal het aantal inwoners met een extramurale zorgvraag stijgen, tot circa 700. Dit komt enerzijds door de vergrijzing (meer ouderen) en anderzijds door de ambulantisering (meer zorg thuis ontvangen). Vooral onder 75-plussers groeit de extramurale zorgvraag sterk. De extramurale zorgvraag onder jongere huishoudens stijgt of daalt licht, met enkele procenten.
In 2030 zal de vraag naar extramurale somatische zorg zijn gestegen naar circa 490 zorgvragers, een toename van bijna 25% ten opzichte van 2020. De overige extramurale zorgtypegroepen blijven relatief stabiel met in totaal zo’n 200 zorgvragers in 2030 (nu 210). Zie onderstaande figuur en tabel.
De prognose houdt nog geen rekening met alle aspecten van extramuralisering/ambulantisering van zorg. Zo geeft het geen inzicht in de extra indicaties voor onder andere de volgende zorgcategorieën:
•Ambulantisering van beschermd wonen. Hierbij gaat het om een jaarlijkse extra vraag naar huisvesting van circa 5 tot 10 inwoners in de gemeente Meerssen die verwacht worden uit te stromen uit instellingen voor beschermd wonen.
26Inschatting op basis van onze ervaring elders. Deze doelgroepen worden na het jaar van uitstroom in de reguliere prognose opgenomen. Het gaat echter om instroom in de sociale voorraad die ondanks het lage aantal per jaar, wel belangrijk is om mee te nemen en een flink beslag op de beschikbaarheid van sociale woningen legt.
Zij moeten zelfstandig worden gehuisvest met ambulante begeleiding. Voor deze doelgroep gelden veelal geen fysieke eisen voor de woning. Belangrijk is met name dat woningen voor deze doelgroep goedkoop zijn. Uitstroom van deze inwoners vanuit instellingen naar de reguliere woningmarkt zit voor het eerste jaar nog niet goed verwerkt in prognoses, maar wordt daarna wel verwerkt in reguliere huishoudensprognes.
•Extramuralisering van de psychogeriatrische intramurale zorg. Door vergrijzing gaat dit vermoedelijk om een relatief grote groep. Volgens de dementiemonitor van Alzheimer Nederland woont 70% van de dementerenden thuis. Pas in een relatief laat stadium kunnen patiënten terecht in een een verpleeghuis. Echter er is vaak sprake van wachttijden, waardoor nijpende situaties ontstaan. Naar verwachting is er behoefte aan woonvormen tussen zelfstandig wonen en wonen in een verpleeghuis. Bijvoorbeeld een geheugen ondersteunende kleine buurt, waar zij met mantelzorgers kunnen wonen.
•Psychiatrische zorg. Ook psychiatrisch patiënten worden steeds meer opgevangen in de reguliere woningvoorraad.
27De Landelijke Monitor Ambulantisering en Hervorming Langdurige GGZ van het Trimbos Instituut monitort vraag en aanbod.
De gemeente heeft per 1 januari 2020 de wettelijke verplichting (verplichte GGZ) tot nazorg en het realiseren van voorwaarden zoals huisvesting.
•Ook de uitstroom uit instellingen voor jeugdzorg doet een beroep op mogelijkheden voor zelfstandige huisvesting of tijdelijke begeleide kleinschalige vormen van huisvesting.
Figuur 32: extramurale bevolking Meerssen 2030, naar type zorgbehoefte
Bron: Primos 2019, CIZ (2017, cijfers 2015), bewerking Stec Groep (2019). Afronding op vijftallen, hierdoor kunnen optellingen afwijken.