Aanhef
Het College van de gemeente Meerssen;
gelezen het voorstel van het college van 24-10-2023 inzake wijziging Telecommunicatieverordening kabels gemeente Meerssen 2012;
gelet op artikel 5.4, vierde lid, van de Telecommunicatiewet en artikel 149, van de Gemeentewet;
besluit vast te stellen het:
Handboek Kabels en Leidingen gemeente Meerssen 2024
Verordening gemeente Meerssen inzake werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen in of op openbare gronden
4 Richtlijnen ten behoeve van de tracé engineering
4.1 Bepalingen ten aanzien van de tracé bepaling
4.1.1 Kabel en leidingenstroken
1Ten behoeve van het leggen van kabels en leidingen wijst de gemeente een kabel- en leidingenstrook aan. Voor kabel- en leidingstroken in nieuwbouwsituaties is NEN 7171 van toepassing.
2Bij nieuwbouwplannen c.q. reconstructies moet in verband met het aanbrengen van appendages in de kabels en leidingen het maaiveld van de kabel- en leidingenstrook op nagenoeg de definitieve hoogte worden aangebracht. Is dit niet mogelijk dan moeten de appendages worden beschermd tegen beschadiging door bouwverkeer en dergelijke.
3De kabels en leidingen stroken dienen in principe vrij te zijn voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van de kabels en leidingen. Dit houdt onder andere in dat:
■ Kabel- en leidingstroken vrij zijn van boven- en ondergrondse obstakels;
■ Kabel- en leidingstroken niet worden voorzien van een gesloten verharding met uitzondering van kruisingen met wegen;
■ Kabel- en leidingstroken niet gelegen zijn in rijwegen en bij voorkeur niet onder parkeerstroken;
■ Kabel- en leidingstroken, bij voorkeur, niet gelegen zijn onder sierbestrating;
■ In de kabel- en leidingstrook mogen geen bomen worden geplant;
■ Kabel- en leidingstroken worden gesitueerd in een tracé waarop geen fundering is c.q. wordt aangebracht;
■ De kabel- en leidingstroken zijn gelegen in openbare gronden
4De minimale diepte van kabels en leidingen is 0,60 m, gemeten vanaf bovenkant maaiveld en/of bestrating tot onderkant kabel en/of leiding.
5In de nabijheid van parkeerkelders dienen de kabel- en leidingstroken minimaal op 2,50 meter afstand van deze parkeerkelders te worden geprojecteerd.
6De opdrachtgever van het plan (gemeente of projectontwikkelaar) verstrekt van het bouwplan c.q. de reconstructie een gedetailleerd matenplan. Dit matenplan is inclusief hoogtematen ten opzichte van NAP en heeft een relatie naar de meetpunten waaruit onder meer de begrenzing van het tracé en de percelen ten opzichte van de meetpunten en dergelijke blijken.
7De opdrachtgever van het plan (gemeente of projectontwikkelaar) is verantwoordelijk voor het doorgeven van wijzigingen aan de netbeheerders. Indien de aangeleverde maatvoering bij oplevering niet juist blijkt te zijn, dan zullen de kabels en leidingen op kosten van de opdrachtgever worden verlegd.
8De opdrachtgever van het plan (gemeente of projectontwikkelaar) verzorgt eenmalig een hoogtepeilmerk met hoogte ten opzichte van NAP in de directe omgeving van het werk en verzorgt eenmalig het uitzetten van de assen.
9Voor het bepalen van de locatie van transforma¬toren en andere bovengrondse voorzieningen moet de gemeente goedkeuring geven.
10Er dient voorafgaande aan de start van de werkzaamheden een KLIC melding in het kader van de Wet WIBON te worden gedaan, zodat men bekend is met en rekening kan houden met de reeds aanwezige kabels en leidingen.
4.1.2 Kruisingen
1Bij kruisingen met al aanwezige kabels en/of leidingen of bij aanraking van kunstwerken, gebouwen en dergelijke zullen de door de netbeheerder met de eigenaar of beheerder van de aanwezige kabels, leidingen, kunstwerken, gebouwen en dergelijke overeengekomen voorzieningen worden getroffen. De door partijen overeengekomen te treffen voorzieningen komen ten laste van de desbetreffende netbeheerder.
2Kruisingen met gefundeerde verhardingen moeten door middel van boringen of persingen worden uitgevoerd. Als een boring niet mogelijk is, moet er contact worden opgenomen met de gemeente.
3Bij raketboringen een raket toepassen, met een diameter direct volgend op de door te voeren leiding. De maximale diameter voor raketboringen bedraagt ø 63 mm.
4Boringen of persingen moeten loodrecht op de wegas - tot minimaal 1 meter buiten de kant van de verharding en met een minimale dekking van 0,8 meter tot de bovenkant van de verharding - worden gerealiseerd. Dit met een minimale verhouding van 1:1
5Bij het kruisen van riolen door middel van boringen c.q. persingen, dient na uitvoering van de boring/persing een camera inspectie van de desbetreffende rioolstreng te worden uitgevoerd om aan te tonen dat het riool niet beschadigd is. Dit is niet van toepassing voor de riool-huisaansluitingen. Een camera inspectie is niet nodig, indien de afstand:
■ Bij een kruising boven het riool, tussen bovenzijde riool en onderzijde boorbuis en bij een kruising onder het riool, tussen onderzijde riool en bovenzijde boorbuis 0,75 m1 is.
Als gebruik wordt gemaakt van deze optie dient:
■ Bij de instemmingsaanvraag of de melding de hoogte van de binnen onderkant buis (b.o.b.)en de diameter van de rioolbuis en de hoogte b.o.b. en diameter van de boorbuis te worden aangegeven;
■ Bij oplevering de opgemeten b.o.b. van de 2 uiteinden van de boorbuis te worden ingeleverd.
■ Bij het kruisen van sloten/open watergangen dient een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang te worden aangehouden. Als het waterschap de beheerder van de betreffende sloten/open watergangen is dienen de eisen van het waterschap te worden gevolgd.
■ Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte dient een gronddekking van 2,00 m ten opzichte van de aanwezige bodem te worden aangehouden;
6Indien kabels en/of leidingen geprojecteerd zijn onder waterbodems en dergelijke dan kan de gemeente in goed overleg met de netbeheerder - en afhankelijk van de plaatselijke situatie, nadere voorwaarden stellen
4.1.3 Groenvoorzieningen
1Werkzaamheden aan- of bij groenvoorzieningen en bomen worden zoveel mogelijk vermeden. Is dit toch onvermijdelijk dan wordt eerst overleg met de kabel- en leidingcoördinator van de gemeente Meerssen gevoerd, ongeacht er sprake is van een verlegging in een nieuw- of een bestaand tracé.
2Bij het passeren van bomen moeten een aantal, in dit handboek omschreven, voorzorgsmaatregelen worden getroffen die schade aan de betreffende boom en later aan de te leggen kabel/leiding voorkomt. Hiermede moet bij het traceren terdege rekening gehouden te worden en waar mogelijk zullen bij voorkeur alternatieve routes worden gekozen.
4.1.4 Ligging nabij andere objecten
1Objecten die kunnen worden beïnvloed door de tracering en aanleg van leidingen dienen vooraf door de aanvrager te worden geïdentificeerd. Objecten kunnen onder meer zijn: bestaande wegen, spoorwegen, waterlopen, voetpaden, kademuren, viaducten, tunnels, naastliggende leidingen, bomen en gebouwen.