Aanhef
Vaststelling
Deze LIOR 2026 is op 21-04-2026 vastgesteld in de B&W vergadering van de gemeente Medemblik.
1 Inleiding
1.5 Geldigheid
1.5.1 Hardheid
De LIOR is een verplicht plandocument bij alle nieuwbouw-, inbreidings- en herinrichtingsprojecten van de openbare ruimte in de gemeente Medemblik. Het document beschrijft de standaardinrichting van de openbare ruimte in de gemeente Medemblik. Sommige locaties wijken af van de standaardinrichting, zie 1.5.3. Locaties met afwijkende inrichting.
Het is nadrukkelijk niet toegestaan om af te wijken van de LIOR, tenzij het noodzakelijk is en de gemeente daartoe toestemming geeft. Dat kan onder meer het geval zijn bij herinrichting van bestaande openbare ruimte, waar gebrek aan ruimte, specifieke hoogteligging, bodemopbouw, grondwaterstanden, afwezigheid van oppervlaktewater en/of andere factoren beperkende factoren kunnen zijn. In die gevallen dient in overleg met de beheerder(s) voor een passende oplossing te worden gezorgd, waarbij zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de in deze LIOR benoemde richtlijnen. Alleen dan kan met toestemming van de projectleider van de gemeente van de LIOR worden afgeweken. De projectleider bepaalt in overleg met de beheerders of het voorstel akkoord is. Duurzamere alternatieven met dezelfde kwaliteit hebben altijd voorrang. Ook dan dient de ontwerper met een onderbouwd voorstel te komen. Grote afwijkingen van de LIOR worden vooraf door de projectleider voorgelegd aan de portefeuillehouder. Er kan bepaald worden dat een besluit van het college van Burgemeester en Wethouders noodzakelijk is.
1.5.2 Inrichtingsniveaus
De LIOR geeft aan welke standaard materialen en objecten worden gebruikt.
Voor sommige inrichtingselementen geldt er een onderscheid tussen een basis- en hoogwaardig inrichtingsniveau. Dit staat vermeld in de tekst. Voor winkelgebieden, pleinen en begraafplaatsen geldt een hoogwaardig inrichtingsniveau. Voor alle overige gebieden geldt het basisniveau.
1.5.3 Locaties met afwijkende inrichting
Sommige gebiedstypen hebben een iets afwijkende inrichting. Hieronder worden de verschillen met de standaard inrichting toegelicht.
Begraafplaats
Bij begraafplaatsen geldt een hoogwaardig inrichtingsniveau. De inrichting van een begraafplaats is altijd maatwerk.
Medemblik
Voor de kern Medemblik is een Stadsplan opgesteld (2024). In dit Stadsplan zitten voor (met name de binnenstad van) de kern Medemblik aanvullende wensen en eisen met betrekking tot inrichting van de openbare ruimte. Zowel op het gebied van beeldkwaliteit als materialisering.
Welstand & Beschermde dorps- en stadsgezichten
In de gemeente Medemblik komen vier welstandsniveaus voor
•beschermd voor rijksbeschermde gezichten waar wordt ingezet op behoud van historische waarden;’
•bijzonder voor de centrumgebieden en linten waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht;
•regulier voor gebieden waarin enige afwijking van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen mogelijk is.
•Welstandvrij.
In de reguliere gebieden kan de LIOR in de meeste gevallen worden toegepast. De gemeente wenst in de overige gebieden tenminste een basiskwaliteit te handhaven conform de LIOR, afwijken kan mits rekening gehouden met het betreffende welstandsniveau.
Recreatiegebied
Een recreatiegebied bestaat uit parken, grotere groenstroken en bossen. De voorzieningen hebben een belangrijke belevings- en gebruikswaarde voor recreanten. Het deelgebied moet toegankelijk zijn en inspireren/uitdagen tot bewegen en ontspannen. Het inrichtingsniveau is basis. De belangrijkste functies die gelden voor recreatie zijn: verblijven, ontmoeten, spelen, wandelen, fietsen en sporten.
De inrichting van een recreatiegebied wijkt af van de standaard op de volgende onderdelen:
•Alleen openbare verlichting toepassen als het nodig is;
•Wandelpad;
o Halfverharding: Nobrecal of soortgelijke halfverharding. Geen schelpen, dit product is niet duurzaam doordat bij de winning daarvan de bodem en het zeeleven wordt aangetast.
•Parkeren: een gehandicaptenparkeerplaats is niet nodig bij recreatieve wandelpaden (bijvoorbeeld “boerenlandpaden”) die niet toegankelijk zijn voor mindervaliden.
Winkelgebied
In een winkelgebied geldt een hoogwaardig inrichtingsniveau. Er wordt extra aandacht besteed aan de uitstraling. Zo kan de trottoirband in natuursteen worden uitgevoerd, of worden bredere banden dan de standaard toegepast. Dit in overleg met de gemeente.
1.5.4 Afwijkende inrichting gebakken materiaal
Een groot deel van de binnenstad van Medemblik is aangewezen als Beschermd Stadsgezicht. De inrichting van de openbare ruimte moet passen in dit historische straatbeeld. Daarbij wordt mede gelet of de inrichting past binnen de maat en schaal van de stad past, maar net zo goed op het materiaal en kleurgebruik. Gebakken materiaal is hier uitgangspunt.
Twisk is vanwege de cultuurhistorische waarde een beschermd dorpsgezicht, waardoor alle ingrepen en wijzigingen van de openbare ruimte moeten aansluiten bij de aanwezige architectuur en zorgvuldig worden ingepast in de ruimtelijke structuur van bebouwing, smalle weg (met gebakken materiaal) en wegsloot.
Naast de beschermde dorps- en stadsgezichten in Twisk en Medemblik, kent de gemeente Medemblik diverse straten en gebieden waar de inrichting afwijkt van de standaardinrichting beschreven in deze LIOR.
1.6 Kader
1.6.1 Prioritering richtlijnen
Indien bij het werken met deze LIOR onverhoopt tegenstrijdigheden optreden met bijvoorbeeld wet en regelgeving, geldt de volgende rangorde:
1Wetgeving;
2Regelgeving (bijvoorbeeld ASVV, CROW handboeken);
3Vastgestelde beleidsplannen;
4LIOR Medemblik;
5Het moederbestek Medemblik;
6Afspraken met initiatiefnemers, zoals anterieure overeenkomst.
1.6.2 Onderliggend beleid
De volgende beleidsstukken (of de nieuwere versie ervan) zijn van toepassing op het proces bij de inrichting van de openbare ruimte in gemeente Medemblik:
•Beleidsregel gehandicaptenparkeerplaatsen (Gemeente Medemblik, 2014);
•Beleidskaart Archeologie (Gemeente Medemblik, 2019);
•Programma Duurzaamheid (Gemeente Medemblik, 2021);
•Structuurvisie 2012-2022 (Gemeente Medemblik, 2013);
•Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), 2023;
•Nota Parkeernormen (Gemeente Medemblik, 2021);
•Groenstructuurplan (Gemeente Medemblik, 2024);
•Groenbeheerplan (Gemeente Medemblik, 2015);
•Beleidskaders Openbaar Groen (Gemeente Medemblik, 2023);
•Handboek kabels & leidingen, 2014;
•Beleidsplan Openbare Verlichting (Gemeente Medemblik 2024)
•Beleidsnota Biodiversiteit, augustus 2021;
•Welstandsnota Medemblik, herziening 2013;
•Programma Stedelijk Water en Riolering (PSWR) 2023-2027;
•Strategie Klimaatadaptatie Westfriesland 2050, 18 december 2020;
•Intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw in de MRA en Noord Holland, 2022, inclusief Basisveiligheidsniveau klimaatbestendige nieuwbouw 3.0;
•Inspiratieboek klimaatadaptatie en biodiversiteit Westfriesland;
•Programma van Eisen voor nieuwbouw rioolgemalen, maart 2025;
•Programma van Eisen voor nieuwbouw minigemalen, maart 2025;
•Programma van Eisen voor nieuwbouw tweepomps minigemalen, maart 2025;
•Beleidsregels Publieke Oplaadinfrastructuur (Gemeente Medemblik, 2024);
•Beheer Vaarwegen (Gemeente Medemblik, 2017);
•Beleidsplan Wegen (Gemeente Medemblik, 2024);
•Stadsplan Medemblik (Gemeente Medemblik, 2024).
1.6.3 Beleid van derden
Onder andere:
•Keur en legger van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK);
•Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2021 van Veiligheidsregio Noord-Holland Noord (VRNHN);
•Klimaatakkoord 2019;
•Betonakkoord 2018;
•Grondstoffenakkoord 2017;
•Schone Lucht Akkoord 2020;
•MVI Akkoord 2021.
1.6.4 Randvoorwaarden en eisen
Gemeente Medemblik werkt aan de hand van de volgende richtlijnen, normen, eisen en/of keurmerken bij de inrichting van de openbare ruimte. Deze documenten zijn inhoudelijk onderdeel van de LIOR Medemblik.
•CROW Handboek Wegontwerp Bibeko;
•CROW 740 – ASVV 2021-Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom;
•CROW 328 t/m 331– Handboek wegontwerp 2013; serie 4 delen (HWO13);
•CROW 315 – Basiskenmerken wegontwerp – Categorisering en inrichting van wegen;
•CROW 315a – Basiskenmerken kruispunten en rotondes;
•CROW 344 – Richtlijnen drempels, plateaus en uitritten;
•CROW 126 – Eenheid in rotondes;
•CROW 233 – Handboek halteplaatsen;
•CROW 309 – Seniorenproof wegontwerp;
•CROW 351 – Ontwerpwijzer Fietsverkeer;
•CROW 337 – Richtlijn toegankelijkheid;
•CROW 500 – Schade voorkomen aan kabels en leidingen;
•CROW 381 - Toekomstbestendig parkeren;
•CROW 285 – Asfalt in weg- en waterbouw;
•CROW Beeldkwaliteiten catalogus;
•Standaard RAW bepalingen 2020;
•Handboek Bomen 2022 van het Norminstituut Bomen;
•Duurzaam Veilige Inrichting (SWOV, 2018).
2 Duurzaamheid
2.1 Duurzaamheidsbeleid
2.1.1 Pijler elektriciteit
De gemeente Medemblik heeft als beleidsdoelstelling om in 2040 energieneutraal te zijn. Dit betekent dat in 2040 in Medemblik de totale vraag naar energie even groot is als het aanbod aan duurzame energie.
2.1.2 Pijler warmte
Doelstelling is om in 2050 alle bestaande woningen en bedrijfsgebouwen aardgasvrij te verwarmen. Dit kan met een individuele oplossing per woning of gebouw. Ook collectieve oplossingen zoals een warmtenet kunnen hier een bijdrage aan leveren.
2.1.3 Pijler circulariteit
De gemeente wil in 2050 volledig circulair zijn. Dit betekent dat Medemblik nu inzet op slim omgaan met grondstoffen en reststomen omgaat voor een gezonde en toekomstbestendige economie.
Circulariteit in de infra en bouw gaat over minder grondstoffen/materialen gebruiken, en materialen en reststoffen weer terugbrengen in de bouwketen. De gemeente kan daar in iedere fase op sturen, hiervoor zijn de volgende digitale instrumenten beschikbaar:
•Ontwerpfase: Dubocalc LCA/MKI bouwwaarde model (moederbestek.nl);
•Contactfase: moederbestek.nl
•Uitvoering: projectenmodule.nl
•Onderhoud/renovatie/sloop: sloopcirculair.nl
Versterken van circulariteit in projecten door:
•Vrijkomende grondstoffen/materialen minimaal gelijkwaardig terug in de materiaalketens brengen, lettend op:
o Het schoon afvoeren/vervoeren van monostromen.
o Toepassen R-ladder Beton, R-ladder Asfalt en R-ladder Grond.
•Gewenste producten objectief/neutraal uitvragen door het benoemen van parameters, specificaties of functioneel uitvragen van de producten.
•Alleen producten toepassen waarbij end-of-life een verwerker/gesloten materiaalketen aangewezen kan worden.
•Alleen nieuwe producten toe te staan die geen Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) bevatten.
2.1.4 Pijler water en groen
Het doel is dat in 2050 de openbare ruimte klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Met betrekking tot biodiversiteit is de doelstelling om in 2030 de biodiversiteit in de gemeente te hebben behouden en waar mogelijk te hebben versterkt.
2.1.5 Pijler mobiliteit
De doelstellingen met betrekking tot mobiliteit zijn dat in 2028 alleen emissievrij openbaar vervoer plaatsvindt in onze gemeente en vanaf 2030 alleen nog emissievrije nieuwe auto’s worden verkocht. Hierbij is ook uitbreiding van de hoeveelheid laadpalen binnen de gemeente benodigd.
2.3 Klimaatadaptatie
2.3.1 Rekening houden met water en bodem
‘Rekening houden met water en bodem’ wil zeggen dat het bodem-watersysteem een medebepalende rol speelt bij de inrichting. Door dat te doen is ons land beter bestand tegen klimaatverandering en voorkomen we nog meer druk op de biodiversiteit. Het resultaat: een gezonde en veerkrachtige economie, maatschappij en leefomgeving. Het bodem-watersysteem is een samengesteld geheel van verschillende onderdelen die elkaar beïnvloeden. Zodra je aan een ‘knop’ van het systeem draait, begint er van alles mee te draaien. Daarom is het cruciaal dat we ons niet richten op losse onderdelen van het systeem, maar water en bodem in samenhang bekijken. Bij het toepassen van de LIOR is de locatiekeuze doorgaans al gemaakt. Niettemin is het belangrijk om dit principe toe te passen. Om dat succesvol te doen is het nodig inzicht te krijgen in het bodem-watersysteem en de uitkomsten te benutten bij het ontwerp.
2.3.2 Wateroverlast
Bij projecten in bestaand openbaar gebied moet de combinatie van maatregelen in de openbare ruimte ervoor zorgen dat een bui van 60 mm in een uur geen schade aan/in gebouwen, infrastructuur en voorzieningen veroorzaakt. Daarbij verdienen ‘groenblauwe’ maatregelen de voorkeur boven ‘grijze’ maatregelen.
Figuur 3 Voorbeeld van een wadi: een groene maatregel om regenwater tijdelijk vast te houden en te laten infiltreren
Bij nieuwbouwprojecten en op inbreidingslocaties gelden de bepalingen uit de intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw MRA en Noord-Holland van februari 2022. Onder meer geldt dat een bui van 70 mm in een uur binnen het plangebied geborgen moet kunnen worden, zonder schade aan/in gebouwen, infrastructuur en voorzieningen te veroorzaken.
2.3.3 Hittestress
Groen is van groot belang om hittestress tegen te gaan. Bomen zorgen voor schaduw en verdamping. Hoe minder verhard oppervlak, des te minder warmte er wordt vastgehouden. Het is daarom van groot belang dat de gemeente bij ieder nieuwbouwproject de openbare ruimte zo inricht dat er op buurtniveau voldoende groen is om hittestress tegen te gaan.
2.3.4 Biodiversiteit
Het herstellen van het natuurlijk evenwicht is een belangrijk thema in het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Medemblik. Ook het vergroten van de biodiversiteit is een belangrijk doel.
Uitgangspunten voor de biodiversiteit zijn:
•Zoveel mogelijk inheemse beplanting gebruiken om biodiversiteit te stimuleren;
•Aanplanten van minimaal 3-5 verschillende (boom)soorten;
•Waar de inrichting dit toelaat, ecologisch beheerde bermen/graslanden toepassen;
•Zorg voor verschillende gradiëntniveaus bij de aanleg: droog-nat, verschil in vegetatiestructuur, creëer laagtes en verhogingen, zonkant/schaduwzijde e.d.
3 Inrichting Openbare Ruimte
3.1 Werkwijze
3.1.1 Initiatieffase
In de initiatieffase wordt een idee voor een ruimtelijke ontwikkeling onderzocht en getoetst door de gemeente. Dit onderzoek leidt tot het uitwerken van een projectopdracht door de gemeente. In de projectopdracht worden doel (o.a. ambities duurzaamheid) en kaders (o.a. LIOR) omschreven. Enkel met het vaststellen van de projectopdracht door gemeente wordt de initiatieffase afgerond en kan worden gestart met de definitiefase.
3.1.2 Definitiefase
Het doel van de definitiefase is het verkrijgen van een compleet en concreet eisenpakket waaraan het beoogde projectresultaat moet voldoen. Dit is gebaseerd op de LIOR. De gemeente levert alle basisgegevens van het betreffende gebied aan bij de ontwerpende partij. Intern wordt een projectplan geschreven. Om te bepalen welke minimale eisen er zijn op het gebied van duurzaamheid, welke instrumenten (zie bijlage 1a) worden ingezet en welke ruimte er is voor innovatie, wordt er in deze fase een duurzaamheidssessie gehouden, zie paragraaf 0. Een door de (interne) opdrachtgever goedgekeurd projectplan zorgt voor de overgang naar de ontwerpfase.
Figuur 4 Duurzaamheid door de projectfasen heen
3.1.3 Ontwerpfase
In de ontwerpfase wordt een gedetailleerd uitgewerkte oplossing/ontwerp gemaakt door de ontwerpende partij.
Het schetsontwerp (SO) wordt uitgewerkt in een voorontwerp (VO). De gemeente toetst het VO aan de LIOR, de uitkomsten van de duurzaamheidssessie en de uitgangspunten uit het projectplan.
Als uit de definitiefase blijkt dat er alternatieven of innovaties zijn die bijdragen aan de duurzaamheidsdoelstellingen, dan kan er worden afgeweken van de eisen van het LIOR.
Mochten er aanpassingen aan het VO nodig zijn, dan dient het nieuwe VO opnieuw getoetst te worden. Als het VO is vastgesteld, wordt het definitief ontwerp (DO) opgesteld. Ook deze wordt getoetst. Als het DO is goedgekeurd kan de voorbereidingsfase beginnen. In de ontwerpfase kan ook participatie plaatsvinden.
3.1.4 Voorbereidingsfase
Op basis van het DO wordt in deze fase een bestek met bestekstekeningen gemaakt. De LIOR geeft ook voor het bestek een aantal eisen en richtlijnen mee. Het instrument moederbestek.nl geeft een aantal eisen mee op het gebied van duurzaamheid en circulariteit.
Het volledige bestek en de bestekstekeningen worden getoetst door gemeente Medemblik. Als het definitieve bestek door de gemeente is vastgesteld, kan de realisatiefase beginnen.
3.1.5 Realisatiefase
Tijdens de realisatiefase stelt de gemeente een directievoerder aan voor de uitvoerende partij. De uitvoerende partij dient de contactpersoon uit te nodigen voor stop- en bijwoonpunten zoals die in het bestek zijn vermeld. Als het werk gereed is, doet de uitvoerende partij een gereedmelding bij de contactpersoon van de gemeente.
3.1.6 Overdrachtsfase
De overdracht van (nieuw) aangelegde openbare ruimte omvat de oplevering van de fysieke ruimte en de administratieve overdracht. Er zijn een aantal varianten mogelijk:
Herinrichting/reconstructie bestaand gebied: civiele aannemer levert werk rechtstreeks op aan gemeente.
Nieuwbouw (inclusief aanleg openbare ruimte) door gemeente: civiele aannemer levert werk rechtstreeks op aan gemeente.
Nieuwbouw (inclusief aanleg openbare ruimte) door ontwikkelaar: civiele aannemer levert het werk op aan de initiatiefnemer/ontwikkelaar. De initiatiefnemer dient het werk over te dragen naar de gemeente.
De LIOR geeft een aantal eisen mee waaraan de overdracht moet voldoen. Deze eisen worden in de meeste gevallen tevens in het bestek vastgelegd en voor de interne organisatie in het “Overdrachtsdocument”.
Na oplevering vindt de administratieve overdracht van het projectteam van PPMB naar de beheerders van de gemeente plaats.
Zie Bijlage 4: Vereiste documenten per projectfase voor welke documenten verplicht zijn en waar deze aan moeten voldoen
Zie Bijlage 5: Toelichting overdracht voor extra informatie over wat er dient te gebeuren in deze fase.
4 Wegen
4.2 Wegen binnen de bebouwde kom
4.2.1 Gebiedsontsluitingswegen (CROW: GOW50)
Dit zijn de 50 km/uur wegen. De functie is het verdelen en verzamelen van verkeer, overwegend verkeersfunctie.
Toepassing
•Gemotoriseerd verkeer;
•Landbouwverkeer en langzaam verkeer op rijbaan;
•Voorkeur voor vrijliggende fietsvoorzieningen, zie 5.2 Fietspaden.
Inrichting
•Breedte van de rijbaan volgens CROW-normen;
•Bij voorkeur dubbele asmarkering. Anders één ononderbroken asmarkering (geen kantmarkering);
•Ter plaatste van gevaarpunten ononderbroken lengtemarkering rechterzijde rijbaan;
•Geen plateaus op kruisingen;
•Op lange rechtstanden kunnen als snelheidsremmer een kort plateau/drempel of wegversmalling toegepast worden;
•De maximale afstand tussen snelheidsremmers is tussen de 50,00 m en de 150,00 m;
•Op routes van hulpdiensten en openbaar vervoer zo min mogelijk obstakels toepassen;
•Verhoogd verkeerseiland voor en/of achter een kruising of oversteekplaats, mits ruimtelijk inpasbaar;
•Voorrang regelen door voorrangsweg of voorrangskruising;
•OV-halte op aanliggende halteplaatsen. Indien op rijbaan, dan de eventueel aanwezige fietsstrook onderbreken, bij een fietssuggestiestrook is dit overbodig;
•Parkeren in vakken, zie 0
•Parkeren.
•Erfaansluitingen (inritconstructies) op rijbaan, zie 4.4. De gemeente streeft naar een eenduidige manier waarop een inrit aansluit op een gebiedsontsluitingsweg.
Materiaal
Rijbaan
•Fundering aan weerszijden 0,50 m breder aanleggen dan de asfaltverharding (rekening houden met bijv. een K&L strook in trottoir naast rijbaan);
•Dakprofiel met afschot van 2,5 %;
•Gesloten verharding, meestal asfalt;
•Langsnaden moeten warm tegen warm aangebracht worden.
Kantopsluitingen
•Opsluiting door middel van trottoirband 18/20x25. Gesteld in en met rug van zand/cement stabilisatie.
•Indien geen kantopsluiting maar vrije afwatering op berm afwegen of een versteviging van de berm noodzakelijk is. Bijvoorbeeld door grasbetontegels aan te brengen. Dit om schade in de berm door verkeer te voorkomen. Vlak profiel. Afgeschuind aan de bermzijde. Rijbaanzijde vlak, voor goede naadloze aansluiting op rijbaan.
Plateaus of drempels (optioneel)
•Rood asfalt (Cloburn);
•Samenstelling: AC 11 surf, steenslag Cloburn, zwarte bitumen, 4,5% ijzeroxide. Mengseleigenschappen: DL-B.
Belijning
•Met thermoplast of spray aanbrengen. Bij kans op trillingshinder aanbrengen met verf of Veluroute.
Verkeerseiland
•Groene invulling mogelijk indien breder dan 1,20 m of groter dan 5 m2, afstemming met groenbeheerder i.v.m. beheer;
•Indien verhard, dan onkruidwerende constructie;
•Technische eisen volgens de richtlijnen van het CROW.
Principeprofiel of –detail
Zie Bijlage 7: Principeprofielen en details.
4.2.2 Gebiedsontsluitingswegen 50 min
De gebiedsontsluitingswegen bibeko met beperkte breedte (smaller dan 5,40 m), zijn de 50 min wegen, of ‘grijze’ wegen. Zo worden deze wegen in het GVVP van de gemeente Medemblik genoemd. Na vaststelling van het GVVP heeft het CROW richtlijnen uitgebracht voor GOW30 wegen. Er bestaan verschillen tussen de inrichting GOW 30 en GOW 50. De categorie GOW 30 is niet opgenomen in de LIOR. Momenteel worden op gebiedsontsluitingswegen 50 min nog dezelfde ontwerpuitgangspunten toegepast als bij de GOW 50, maar dan:
•Geen asmarkering;
•Geen vrijliggende fietspaden.
4.2.3 Erftoegangswegen (CROW: ETW30)
Dit zijn de 30 km/uur wegen. Een erftoegangsweg is bedoeld voor het toegankelijk maken van (particuliere) erven. Alle groepen verkeersdeelnemers moeten van deze wegen gebruik kunnen maken. Manoeuvres zoals keren, draaien, in- en uitstappen en oversteken moeten zo veilig mogelijk kunnen worden uitgevoerd. De snelheid van het gemotoriseerde verkeer moet daarom hier laag zijn. Een 30 km/uur-weg heeft overwegend een verblijfsfunctie. Parkeren heeft hier ook een belangrijke functie.
(Woon)erven worden binnen de Duurzaam Veilige weginrichting niet meer toegepast. Dit concept is achterhaald. Het is raadzaam bestaande erven her in te richten als een 30 km/uur-zone.
Toepassing
•Al het verkeer behalve voetgangers op de rijbaan;
•Deze wegen kunnen ook als éénrichtingsweg worden ingericht.
Figuur 7 Kruising, rijbaan en plateau als een standaard ETW bibeko. Locatie: Balkweiterhoek Zwaagdijk-West
Inrichting
•Snelheidsremmers: plateaus op lange rechtstand en/of aan één zijde van de weg een wegversmalling (uitbuiging);
•De maximale afstand tussen snelheidsremmers is tussen de 50,00 m en 150,00 m;
•Op routes van hulpdiensten en openbaar vervoer zo min mogelijk snelheidsremmers toepassen;
•Gelijkwaardige kruisingen;
•Kruisingen voorzien van plateaus;
•Geen belijning of markeringen;
•Ter plaatse van gevaarpunten, bijvoorbeeld in bochten, ononderbroken lengtemarkeringen aan de rechterzijde van de rijbaan;
•Geen fietsstroken of (fiets)suggestiestroken;
•Geen voetgangersoversteekplaatsen (VOP), met uitzondering bijvoorbeeld bij scholen, zie 4.6 Schoolzones;
•OV-halte op rijbaan;
•Langsparkeren op rijbaan of in langsparkeerstrook, haaksparkeren aansluitend op de rijbaan, zie 0
•Parkeren;
•Bij voorkeur het trottoir niet direct tussen haaks/langsparkeervak en de rijbaan te plaatsen.
•Erfaansluitingen op rijbaan.
Materiaal
Standaard rijbaan
•Gewijzigd tonrond profiel, met 2,5 % tot 3 % afschot;
•Betonstraatstenen;
•Kleurvaste toplaag;
•Kleur heidepaars, met voldoende contrast met plateaus;
•Keiformaat of dikformaat;
•Keperverband;
•Gebruik maken van bisschopsmutsen/kardinaalsmutsen;
•Invegen met zand voor zandbed.
Rijbaan gebakken klinkers (zie 1.5.3, 1.5.3. Locaties met afwijkende inrichting waar dit wordt toegepast)
•Gebakken klinkers (straatbakstenen);
•Keiformaat of dikformaat;
•Kleur in overleg;
•Keperverband;
•Invegen met moraine split 2/6 en brekerzand.
Rijbaan asfalt (toepassen bij kans op trillingshinder)
•Fundering aan weerszijde 0,50 m breder aanleggen dan de asfaltverharding (rekening houden met bijv. een K&L strook in trottoir naast rijbaan);
•Dakprofiel met afschot van 2,5 %;
•Gemodificeerde emulsie als bindmiddel;
•Hollandse steenslag 4/8 als afdekmateriaal;
•Langsnaden moeten warm tegen warm aangebracht worden.
Bij wegen waar zwaar verkeer gebruik van maakt is extra aandacht voor de constructie nodig en wordt SMA toegepast.
Plateaus
•Uitvoeren in hetzelfde materiaal, maar afwijkende kleurstelling van de rijbaan;
•Bij elementverharding: Kleurvaste toplaag, kleur geel. Elleboogverband of keperverband. Taludstrepen in zwart met witte stenen, ook in betonstraatstenen;
•Bij asfalt: kleur cloburn red (samenstelling: AC 11 surf, steenslag Cloburn, zwarte bitumen, 4,5% ijzeroxide. Mengseleigenschappen: DL-B).
Kantopsluitingen
•Opsluiting door middel van trottoirband 13/15x25.
•Indien overrijdbaar dan geleideband 5/20 toepassen. Bij gemixte toepassing van geleidebanden en trottoirbanden dan kan beter gecombineerd worden met een 18/20 trottoirband.
•Als de rijbaan wordt opgesloten door opsluitbanden, dan minimaal 15x20 toepassen.
•Materiaal beton, kleur grijs tenzij vanuit uitstraling anders gewenst is.
Markering
•Bij rijbaan van elementverharding als bestrating uitvoeren;
•Bij rijbaan van asfalt met spray aanbrengen. Bij kans op trillingshinder aanbrengen met verf of Veluroute.
Principeprofiel of -detail
Zie Bijlage 7: Principeprofielen en details.
4.3 Wegen buiten de bebouwde kom
4.3.1 Gebiedsontsluitingswegen (CROW: GOW80)
Dit zijn de 80 km/uur wegen. De functie is het verdelen, verzamelen en uitwisselen van verkeer, overwegend verkeersfunctie. Een gebiedsontsluitingsweg verbindt een erftoegangsweg aan een stroomweg. In onze gemeente zijn er 3 wegen met deze categorisering. Het gaat om de Dijkgraaf Grootweg, Driehuizen en Vok Koomenweg.
Toepassing
•Gemotoriseerd verkeer;
•Geen (brom)fietsers en voetgangers op de hoofdrijbaan;
•In principe geen uitritten van percelen.
Inrichting
•Onderbroken lengtemarkering rechterzijde rijbaan;
•Bij voorkeur fysieke rijbaanscheiding;
•Doorgetrokken as-markering of een inhaalverbod met uitzondering voor het inhalen van landbouwverkeer;
•Een obstakelvrije zone van 6 meter in de berm;
•OV-haltes niet op de rijbaan, maar op een aanliggende Voorziening.
Materiaal
•Asfalt.
4.3.2 Erftoegangswegen (CROW: ETW60)
Dit zijn de 60 km/uur wegen. Functie is het afhandelen van verkeer en het ontsluiten van woningen, bedrijven en andere voorzieningen.
Toepassing
•Gemotoriseerd verkeer;
•Landbouwverkeer, (brom)fietsers en voetgangers op de rijbaan toegestaan;
•Bij hoge intensiteiten autoverkeer bij voorkeur vrijliggend fietspad, zie 6.2 Fietspaden.
Inrichting
•Geen rijbaanscheiding;
•Geen asmarkering;
•Geen fietsstroken op de rijbaan;
•Kantmarkering: onderbroken lengtemarkering;
•OV-halte op de rijbaan;
•Kruispunten voorzien van plateaus;
•Plateaus op rechtstanden (minimale lengte vlakke deel plateau is 20 m);
•Op routes van hulpdiensten en openbaar vervoer zo min mogelijk obstakels toepassen;
•Obstakelvrije zone naast rijbaan 2,50 m breed.
•Wegversmallingen bubeko niet smaller dan 4,0 meter voor passage agrarische voertuigen.
Bij erftoegangswegen bubeko smaller dan 4,50 m geldt dezelfde inrichting maar dan:
•Geen kantmarkering;
•Geen plateaus;
•Ter plaatse van gevaarpunten ononderbroken lengtemarkering aan de rechterzijde van de rijbaan.
Materiaal
Rijbaan
•Fundering aan weerszijden 0,50 m breder aanleggen dan de asfaltverharding;
•Dakprofiel met afschot van 2,5 %;
•Gesloten verharding van asfalt;
•Gemodificeerde emulsie als bindmiddel;
•Langsnaden moeten warm tegen warm aangebracht worden.
Plateaus
•Rood asfalt Cloburn (Samenstelling: AC 11 surf, steenslag Cloburn, zwarte bitumen, 4,5% ijzeroxide. Mengseleigenschappen: DL-B).
Kantopsluiting
•Een strook grasbetontegels aanbrengen voorzien van ribbelprofiel haaks op de rijbaan. Afgeschuind aan de bermzijde. In situaties waar geluidsoverlast een issue is kan een hybride half vlak en half ribbel profiel worden toegepast. Rijbaanzijde vlak, voor goede naadloze aansluiting op rijbaan.
Belijning
•Met thermoplast of spray aanbrengen. Bij kans op trillingshinder aanbrengen met verf of Veluroute.
Principeprofiel of -detail
Zie Bijlage 7: Principeprofielen en details.
4.8 Overige verkeersvoorzieningen
4.8.1 Verkeersvoorzieningen
Rotondes
•Technische eisen volgens CROW-publicaties: ‘Fietsoversteken op rotondes’, ‘Turborotondes’, ‘Eenheid in rotondes’, ontwerprichtlijnen ASVV 2021;
•Prefab rotonde-elementen toepassen.
Vrachtverkeer
•Streven naar laden en lossen op eigen terrein (Verordening fysieke leefomgeving);
•Waar nodig laad- en losvoorzieningen realiseren (niet op de rijbaan);
•Reguleren van parkeren vrachtverkeer.
Bebording
•Technische eisen volgens de normen van CROW-kennismodule ‘Verkeerstekens (toepassing, plaatsing en uitvoering)’. Uitgangspunt is de hoogste klasse;
•Bebording bij voorkeur aan lichtmasten;
•Straatnaamborden bij voorkeur aan lichtmasten, vlak of vlaggend met pijl;
•Bebording BIBEKO op een hoogte van 2,20 m bevestigen;
•Bebording BUBEKO op een hoogte van 1,20 m bevestigen.
4.8.2 Verkeersremmende maatregelen
Drempels en plateaus
•Technische eisen volgens CROW-normen uit publicatie 344 ‘Richtlijn drempels, plateaus en uitritten’;
•Drempels uitvoeren in zelfde materiaal als omliggende verharding;
•Elleboogverband of keperverband;
•Maximale afstand tussen snelheidsremmers tussen de 50,00 m en 150,00 m;
•Bij wegen boven de 60 km/u geen verhogingen toepassen;
•Op calamiteitenroutes bij voorkeur geen verkeersremmende maatregelen toepassen.
Verkeersgeleiders
•Technische eisen volgens de CROW-normen;
•Groene invulling bij middengeleiders breder dan 1,20 m of groter dan 5,00 m2;
•Afschot 5 %;
•Indien verhard, dan onkruidwerende constructie.
4.8.3 Verkeerskundige obstakels
Afzetpalen
•Bij voorkeur uitneembaar;
•Bij voorkeur aangelicht door openbare verlichting;
•Op rijwegen ingeleid door markering;
•Afzetpalen op fietspaden inleiden met markering;
•Voorzien van (retro-)reflectie.
Schampblokken, stootbanden en halve/hele bollen
•Maatvoering afhankelijk van het ontwerp;
•Materiaalkleur grijs;
•KOMO gecertificeerd product toepassen.
4.9 Openbaar vervoer
4.9.1 Inrichting bushaltes
Bushaltes inrichten volgens standaardontwerpen opgesteld door de provincie Noord-Holland.
4.9.2 Objecten
Het plaatsen van voorzieningen bij OV-haltes wordt per situatie afzonderlijk bekeken en afgewogen, in overleg met beheerders van de Provincie.
5 Fietsinfrastructuur
5.2 Fietspaden
5.2.1 Uitzonderingen
Agrarisch gebied
In het agrarisch gebied buiten de bebouwde kom is het afhankelijk van de intensiteit van het fiets- en autoverkeer en de maximumsnelheid of (vrijliggende) fietspaden worden aangelegd. Op fietsroutes moeten snelle en veilige verbindingen gerealiseerd worden.
Gebiedsontsluitingswegen
Bij hoofdwegen altijd streven naar vrijliggende fietspaden. In tegenstelling tot de voorkeur voor vrijliggende fietspaden.
Figuur 14 Wandelnetwerk in gemeente Medemblik (Wandelnetwerk Noord-Holland, 2022)
6 Wandelinfrastructuur
6.1 Netwerk
6.1.1 Wandelpaden
Toepassing
•Voetgangersverkeer bevorderen door snelle en veilige verbindingen met comfortabele verharding;
•Alle verkeerssituaties waar voetgangers worden geacht gebruik van te maken, voorzien van trottoirs;
•Langs rijwoningen altijd een voetpad toepassen;
•Bibeko minimaal aan één zijde van de weg een voetpad toepassen.
Inrichting
Voetpaden
•Vrije hoogte boven voetpad/trottoir minimaal 2,50 m;
•Bij voorkeur >2,00 m breed excl. band;
•Indien nutstracé onder voetpad ligt, is de breedte van het nutstracé bepalend voor de minimale breedte van het voetpad;
•Minimaal 1,80 m breed op route voor mindervaliden;
•Bij Incidentele vernauwingen korter dan 10m, minimaal 1,20 m breed;
•Bij harde objecten zoals verkeersborden of lichtmasten dient minimaal 0,90 m ruimte over te blijven.
•Profiel op één oor, afschot 1,5 %, niet afwateren naar privéterrein.
Figuur 15 incidentele vernauwing
Materiaal
Standaard trottoir
•Betontegel;
•Kleur grijs;
•Afmetingen: 30 x 30 x 4,5 cm;
•Ter plaatse van inritten en langs plateaus: 30 x 30 x 8 cm;
•Pastegels standaard 30 x 15 x 4,5 cm;
•Vellingkant 0,4 cm;
•Halfsteensverband.
Trottoir van gebakken klinkers (zie 1.5.3.0 Locaties met afwijkende inrichting, voor waar dit wordt toegepast)
•Afmetingen: waalformaat of dikformaat;
•Halfsteensverband;
•Kleur in overleg;
•Invegen met moraine split 2/6 en brekerzand. Onkruidwerende voegmiddelen toepassen op plekken waar weinig voetgangersbewegingen te verwachten zijn.
Trottoir/wandelpad in halfverharding (zie 1.5.3.0 Locaties met afwijkende inrichting, voor waar dit wordt toegepast)
•Geen standaard materiaal;
•Laagdikte minimaal 7 cm, maximaal 10 cm;
•Materiaal met onkruidwerende eigenschappen. Het CROW heeft ontwerpvoorbeelden voor onkruidwerende halfverhardingen;
•Aanbrengen op een waterdoorlatende funderingsconstructie. Bij voorkeur op puinfundatie (korrelgrootte 1-3 cm), puin (10-15 cm);
•Bij keuze voor halfverharding rekening houden met toegankelijkheid en onderhoud.
Opsluiting
•Beton;
•Kleur grijs;
•Afmetingen: 10 x 20 cm;
•Hoogteverschil tussen bovenkant verharding en bovenkant opsluitband maximaal 2 cm;
•Instraten in straatzand.
Toegankelijkheid
Halfverharding
•Indien paden van halfverharding worden aangelegd, moet er een begaanbare (verharde) route voor rolstoelgebruikers aanwezig zijn of worden gemaakt.
Geleidelijk
•Toepassen bij VOP met VRI, steunpunt, grote open ruimtes of drukke locaties;
•Breedte 60 cm (2 rijen 30 x 30 x 6 cm geleidetegels);
•Kleur wit;
•Niet in metaal uitvoeren i.v.m. gladheid;
•Straatverband: halfsteensverband, in bochten lintverband;
•Invegen met zand voor zandbed.
Op- en afritjes
•Voor kinderwagens en rolstoelen een logische route vormen met behulp van op- en afritjes;
•Breedte op-/afrit: 1,50 m;
•Inritperronband 13/15 x 25 x 75 cm of 18/20 x 25 x 80 cm toepassen;
•Bij te weinig ruimte kan een verlaagde band ook.
Objecten
•Looplijnen en zichtlijnen vrijhouden van objecten.
7 Waterinfrastructuur
7.4 Vaarvoorzieningen
7.4.1 Bijzondere vaarvoorzieningen
Kanosteigers, invalidevissteigers en eventueel andere voorzieningen komen incidenteel voor. Indien dit in een project voorkomt, dan dient er contact opgenomen te worden met de beheerder Water.
8 Kunstwerken
8.2 Ontwerpeisen kunstwerken
8.2.1 Algemeen
•Houdt bij het ontwerp rekening met gebruik door mindervaliden;
•Bij het ontwerp moeten het volgende worden bepaald:
o Aan welke verkeersklasse het kunstwerk moet voldoen;
o Of het kunstwerk toegankelijk moet zijn voor hulpdiensten;
o Of het kunstwerk toegankelijk moet zijn voor gladheidsbestrijdingsmaterieel.
•Op vaarroutes bedraagt de doorvaarthoogte minimaal 1,50 m ten opzichte van het hoogste waterpeil over een minimale breedte van 3,00 m (zie bestemmingsplan). Dit geldt voor bruggen en vaarduikers;
•De constructie ontwerpen volgens de meest recente NEN-normen en Eurocodes die er zijn voor:
o Betonnen bruggen;
o Stalen bruggen;
o Beweegbare constructies;
o Houten of composiet bruggen;
•Ontwerptekeningen zijn minimaal voorzien van een bovenaanzicht, zijaanzicht, langsdoorsnede, doorsnede ter plaatse van de jukken en de landhoofden, en de situering;
•Door een goede afwatering wordt plasvorming op het brugdek, uitspoeling van de taluds en ophoping van zout voorkomen;
•Onderhoudsarm ontwerpen;
•Houten leuningen worden standaard in blank hout uitgevoerd, tenzij de beheerder Kunstwerken een andere afwerking voorschrijft;
•Leuningen van andere materialen dan hout worden standaard uitgevoerd in RAL 9010;
•Bij opgangen van bruggen en duikers beveiliging aanbrengen in de vorm van hekwerken en eventueel uitklimvoorzieningen;
•Eventueel wildrichel aanbrengen in vaarduikers in overleg met beheerder groen
•Brugnummerplaatje aanbrengen op elke brug;
8.2.2 Fiets- en voetgangersbruggen
•Fietsbruggen in doorgaande (hoofd)routes moeten toegankelijk zijn voor gladheidsbestrijdingsmaterieel (bruggen buiten hoofdroutes worden handmatig gestrooid);
•Bruggen moeten goed toegankelijk, doorgankelijk en comfortabel te berijden zijn door fietsers en mindervaliden. Maximale helling conform ASVV 2021 of nieuwer (CROW, 2021);
•Voorkeur materiaal voetgangers- en fietsbruggen: hout, composiet of hybride (stalen ligger met composiet dek);
•Geen openingen waardoor een bol kan passeren met doorsnede groter dan 0,5 m;
•Horizontale afstand tussen dek en leuning max. 0,05 m.
•Vrijedoorgangsbreedte fietsbruggen : Eenrichtingsverkeer minimaal 140 cm breed; Tweerichtingsverkeer minimaal 240 cm breed.
Een leuning die direct grenst aan een fiets- of bromfietspad moet minstens 1,3 meter hoog zijn. 1,3 m t.o.v. vloer als leuning direct naast pad of strook bestemd voor fietsers en/of bromfietsers ligt of direct naast gedeelde rijbaan die ook voor fietsers/bromfietsers bestemd is. Zie figuur 16 Brug ontwerprichtlijnen fietsbruggen.
Eisen
•Geen openingen waardoor een bol kan passeren met doorsnede groter dan 0,5 m;
•Horizontale afstand tussen dek en leuning max. 0,05 m.
8.2.3 Verkeersbruggen
•Indien de brug toegankelijk moet zijn voor autoverkeer/hulpdiensten moet worden aangetoond dat de brug en de aansluitende infrastructuur voldoende ruim gedimensioneerd zijn;
•De dimensionering van (onderdelen) van bruggen inclusief fundering moet door middel van berekeningen worden onderbouwd. De funderingsmethode moet worden afgestemd op de ondergrond;
•Er dienen ter plaatste sonderingen genomen te worden om de draagkracht van de bodem t.b.v. landhoofd en/of paalfunderingen te bepalen;
•Gebruik bij het landhoofd overgangsplaten (stootplaten) ter voorkoming van zettingsprong.
8.3 Materiaalkeuze bruggen
8.3.1 Houten bruggen
•De detaillering moet zodanig zijn dat er geen water op kops hout kan blijven staan;
•Bij houten bruggen dienen kunststof afstandhouders te worden toegepast bij de bevestiging van de houten leuningen, om hout-op-hout verbindingen te voorkomen;
•Ter voorkoming van gladheid brugdekplanken voorzien van grip strips (i.p.v. slijtlaag).
8.3.2 Betonnen bruggen
•Waar mogelijk slanke bruggen toepassen;
•Aan beide zijden van de brug minimaal twee mantelbuizen instorten;
•Diameter mantelbuizen 10 cm en voorzien van een trekdraad.
9 Groen
9.2 Bermen, gras en gazons
9.2.1 Ruig gras (bermen)
•Sortiment: bij aanleg kan worden gekozen voor spontane ontwikkeling of inzaaien;
•Spontane ontwikkeling alleen mogelijk in buitengebied of langs gebiedsontsluitingswegen;
•Samenstelling bermmengsels per locatie te bepalen (eventueel een kruidenmengsel).
•In het beheer aandacht voor ongewenste kruiden;
•Breedte bermen en grasstroken zonder bomen minimaal 2,00 m;
•Indien de berm te smal is voor een groenvoorziening (<1,00 m) kan worden gekozen voor een opvulling met een gesloten verharding;
•Breedte bermen en grasstroken met bomen minimaal 3,50 m;
•Afstand tussen obstakels in bermen minimaal 3,50 m;
•De grond wordt voor het inzaaien gefreesd tot een diepte van 0,15 m en indien nodig gespit (RAW 51.02.01-08);
•Indringingsweerstand van de grond bedraagt na aandrukken 1 tot 1,5 MPa tot een diepte van 0,75 m;
•Bij bermen ter plaatse van brievenbussen en afvalbakken het gras verstevigen met grasbetontegels.
9.2.2 Gras en gazons (bermen en grasvelden)
•Sortiment:
o Recreatief mengsel (type R1 of gelijkwaardig);
o Of gazonmengsel per locatie te bepalen.
•Bij droogtegevoelige locaties een droogtetolerant recreatiemengsel toevoegen dat is toegespitst op hardzwenkgras;
•Minimale afmetingen grasvlakken:
o Grasveld/gazon: 10 m²;
o Trapveld: 100 m².
•Geen gazon toepassen op taluds steiler dan 1:5;
•Het aantal obstakels in het gazon zo laag mogelijk houden;
•Minimaal 2,50 m tussen obstakels;
•De grond voor het inzaaien frezen tot een diepte van 0,15 m en indien nodig spitten (RAW 51.02.01-08);
•Bij bermen ter plaatse van brievenbussen en afvalbakken dient het gras verstevigd te worden met grasbetontegels;
•In parken, in kruidenrijke grasvlakken bij voorkeur stinsenplanten toepassen.
9.4 Beplanting
9.4.1 Geveltuinen
•Maximaal 2 tegels breed;
•Omsloten door opsluitband of gekantelde tegels;
•Vrije doorloopruimte naast geveltuin minimaal 1,20 m.
9.4.2 Blokhagen
•Hagen in dubbele rij planten;
•Geen (blijvend) draadhek toepassen;
•Minimaal 0,80 m breed;
•Voorkeurshoogte maximaal 1,20 m.
9.4.3 Heesters en vaste planten
Er is een onderscheid in sortiment van heesters en vaste planten in een hoogwaardige inrichting, basisinrichting en sobere inrichting. Er wordt een afwijkende inrichting toegepast bij enkele gebiedstypen, zie0 paragraaf Locaties met afwijkende inrichting.
Er geldt een nazorgperiode van drie jaar.
Heesters en bodembedekkers algemeen:
•Helling ondergrond maximaal 1:3. Bij steilere hellingen afstemmen met beheerder Groen;
•Minimale grootte beplantingsvakken:
o Heester groter dan 1,50 m: beplantingsvak minimaal 40,00 m²;
o Heesters kleiner dan 1,50 m: beplantingsvak minimaal 10,00 m²;
•Geen beplanting met doornen plaatsen langs fietspaden;
•Bij heesters altijd kiezen voor goed sluitende beplanting met zo mogelijk bodem bedekkende eigenschappen;
•Plantafstand nader te bepalen met beheerder Groen.
•Blad houdende sortiment wordt altijd met kluit geplant;
•Bladverliezend sortiment kan, als het seizoen het toelaat, zonder kluit worden geplant;
•De eerste plantrij staat gewenst op 0,20 m uit de rand van het plantvak, afhankelijk van de uiteindelijke breedte van de plant en plantsoort. Om een groenvak na aanplant sneller dicht te krijgen, kan hier in overleg van afgeweken worden, dit in overleg met de groenbeheerder
•Plantvakken altijd 0,40 m tot 0,50 m loswerken en vrijmaken van puin en ander ongewenst materiaal;
•Bij alle beplantingstypen gebruik maken van een startbemesting.
Basisinrichting
•Bij de basisinrichting wordt gekozen voor een standaard sortiment, afwisselende beplanting voor biodiversiteit en het tegengaan van ziektes en plagen:
o Struikachtigen;
o Bosplantsoen: 75 % boomvormers;
o Bodembedekkers;
•Groen is bij een basisinrichting functioneel en toegevoegde waarde voor de biodiversiteit. Sierwaarde is minder van belang;
•Beplanting moet een gesloten beeld geven.
Hoogwaardige inrichting
•Sortiment:
o Vaste planten (geen eenjarigen), minimaal 5,00 m²;
o Bol- en knolgewassen;
o Wisselperken, minimaal 2,00 m²;
o Bloeiende beplanting;
o Struikachtige;
o Bodembedekkers (inboetpercentage 10 %);
o Bloembakken: eenjarige toegestaan;
•Altijd kiezen voor soorten met een bijzondere sierwaarde. Aspecten van sierwaarde kunnen zijn:
o Bloeiwijze;
o Bladvorm;
o Bladkleur;
o Vruchten;
o Groeivorm;
•Bloembakken alleen toepassen in winkelgebieden.
Sober (gebiedsontsluitingswegen)
•Beplantingstypen:
o Struikachtigen;
o Bosplantsoen: Minimaal 75 % boomvormers;
o Bodembedekkers;
•Standaard sortiment;
•Beheerbaarheid van de beplanting is een eis bij een sobere inrichting;
•Beplanting moet zoveel mogelijk machinaal te onderhouden zijn.
Ter plaatse van speelvoorzieningen is er een aantal specifieke eisen voor het groen, zie hoofdstuk 14 Speelvoorzieningen.
10 Bomen
10.6 Groeiplaats en boomspiegels
10.6.1 Groeiplaats
•Oppervlakkig wortelende bomen niet in of nabij verharding toepassen i.v.m. wortelopdruk;
•Minimale afstand tussen de stam van de boom en de rijbaan: minimaal 0,25 m x de kroondiameter bij volle wasdom en niet kleiner dan 1 m;
•Minimale afstand tussen stam van boom en verkeersregelinstallatie: 10 m;
•Minimale afstand tussen stam van boom en kabels en leidingen: 2,50 m zonder beschermende maatregelen;
•Minimale afstand tussen stam van boom en kabels en leidingen: 1,50 m met beschermende maatregelen, dit is afhankelijk van de groeiruimte aan de ander zijde van de boom;
•Antiworteldoek of antiwortelscherm beperkt toepassen i.v.m. instabiliteit boom;
•Takvrije ruimte boven wegen: 4,50 m;
•Takvrije ruimte boven fiets- en voetpaden: 3,50 m;
•Boomroosters niet toepassen
•Bomen bij voorkeur situeren in gras of beplanting.
•Inrichting groeiplaats voor de bomen conform handboek bomen 2022 hoofdstuk 4;
•Groeiplaatsinrichting altijd in overleg met de groenbeheerder.
10.6.2 Boomspiegels
•Minimale afmetingen:
o Bomen 1e grootte: 2,50 x 2,50 m;
o Bomen 2e grootte: 2,00 x 2,00 m;
o Bomen 3e grootte: 1,50 x 1,50 m;
•Nieuwe bomen worden geplant met twee kniepalen en een watergeef mogelijkheid:
•Indien een beluchtingsdrain wordt toegepast;
o Minimale doorsnede drain: 10-15 cm;
o Minimale afstand drain vanaf wortels: 25 cm;
•Boomspiegels in verhardingen voorzien van verhoogde band 10 x 20 cm;
•In boomspiegels beplanting toepassen;
•Boomspiegels tussen parkeervakken voorzien van een halfronde geleideband, maat 5/20 x 20 cm;
•Bomen bij parkeervakken voorzien van een permanente boombescherming;
•Een plantplaats dient vrij te zijn van puin en overige ongewenste materialen.
11 Riolering
11.2 Rioleringswerken
11.2.1 Algemene uitgangspunten
•Ontwerp zo mogelijk een vermaasd rioolstelsel. Indien niet mogelijk, dan een vertakt rioolstelsel;
•Openbare riolering bevindt zich in openbaar terrein met een marge van minimaal 3,00 m tot uitgeefbaar terrein; als dat in redelijkheid niet mogelijk is en gemeentelijke rioleringsobjecten op één of meer (toekomstig) particuliere percelen worden aangelegd of geplaatst wordt een recht van opstal op dat perceel/die percelen gevestigd.
•Vindt rioolvervanging of nieuwe aanleg plaats? Dan is een rioleringsplan nodig. De berekening voor de af te voeren hoeveelheden via het DWA- en HWA-riool en de wijze waarop behoeft de goedkeuring van de gemeente. De af te voeren hoeveelheden afvalwater moeten met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier worden afgestemd;
•Onderdeel van het rioleringsplan is een ontwateringsplan;
•Rioleringswerken in het droge uitvoeren;
•Om aan te sluiten op de (gemeentelijke) hoofdriolering dient de riolering op zodanige hoogte te worden ontworpen dat aansluiting door middel van vrij verval riolering kan plaatsvinden. Pas als dit niet mogelijk is kan de toepassing van rioolpompen worden overwogen;
•Voorzieningen treffen om zettingen op te vangen, zettingsstukken in standpijpen.
11.2.2 Vuilwater
•Aanleg stelsel van ondergrondse buizen voor inzameling en transport onder vrij verval naar een rioolgemaal;
•De inwendige diameter van de hoofdriolering van het vuilwaterriool volgt uit de hydraulische berekening, en is minimaal 200 mm (uitgezonderd persleidingen). Huisaansluitingen minimaal 125 mm.
11.2.3 Hemelwater
•Voorkeursvolgorde verwerking hemelwater: vasthouden, bergen, afvoeren. Pas als het niet lukt (of niet doelmatig is) om het afstromende hemelwater vast te houden of te bergen in het plangebied, is afvoeren een optie;
•Voor bergen hebben groene maatregelen (zoals wadi’s) voorkeur boven grijze maatregelen (zoals DT-riool, tijdelijke ondergrondse opslag);
•Bij herinrichtingsprojecten in bestaand gebied treedt er bij een regenbui van 60 mm in een uur geen schade aan/in gebouwen, infrastructuur en voorzieningen op;
•Bij nieuwbouwprojecten en inbreidingsplannen treedt er bij een regenbui van 70 mm in een uur geen schade aan/in gebouwen, infrastructuur en voorzieningen op ;
•Als hemelwater moet worden afgevoerd, dan via een hemelwaterstelsel van ondergrondse buizen onder vrij verval naar een lozingspunt, meestal open water;
•Water op straat wordt onder voorwaarden toegestaan. Toetsing water-op-straat: bij bui 09 Leidraad Riolering geen water op straat, waarbij waakhoogte van 10 cm wordt aangehouden (Stichting RioNed, 2019);
•Hemelwater op toekomstige particuliere percelen: hemelwater dient op het perceel zelf verwerkt te worden, of via het perceel af te voeren naar open water. Als dit niet realistisch is, dan afvoeren naar gemeentegrond waar de gemeente het water kan overnemen;
•Op industrieterreinen wordt regenwater van daken op eigen terrein verwerkt;
•De inwendige diameter van de hoofdriolering van het hemelwaterriool volgt uit de hydraulische berekening, en is minimaal 250 mm (uitgezonderd persleidingen). Huisaansluitingen minimaal 125 mm.
11.2.4 Grondwater
•Om grondwateroverlast te voorkomen hanteert de gemeente een streefwaarde voor de maximale grondwaterstand (ontwateringsdiepte) ten opzichte van het (toekomstig) maaiveld. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
•Bebouwing - wonen en werken met kruipruimte: 70 cm onder het maaiveld;
•Bebouwing - wonen en werken zonder kruipruimte: 30 cm onder het maaiveld;
•Wegen: 70 cm onder het maaiveld;
•Groen - plantsoenen en (sport)parken: 50 cm onder het maaiveld.
•Bij nieuwbouwprojecten wordt onderzocht of grondwaterneutraal kan worden gebouwd.
11.2.5 Persleidingen
•Leveren en aanbrengen persleidingen, diameter volgens berekening;
•Materiaal PE klasse PN 10;
•Persleidingen mogen niet rechtstreeks in het vrijvervalstelsel lozen. Op circa 5 m afstand van een lozingsput een kunststof ontvangstput plaatsen met inwendige constructie waarbij het afvalwater uit persleiding onder water loost, conform onderstaand principe.
Figuur 17 Principe aansluiting persleiding op vrijvervalriool
11.2.6 Berekeningen
•Voor DWA inwoners rekenen op 12 liter per inwoner per uur, gedurende 12 uur per dag;
•Minimale waakhoogte 0,1 m;
•Vullingspercentage stelsel 50 %;
•Ledigingstijd 12 u;
•Minimale schuifspanning DWA 1 à 1,5 N/m²;
•Opwoeling slib (resuspensie) 2,5 N/m2;
•Maximale stroomsnelheid bij geheel gevulde buis v = 1,5 m/s;
•Bodemverhang:
o HWA-riolen minimaal 1:1.000 en maximaal 1:100;
o DWA-riolen minimaal 1:1.000 en maximaal 1:250;
•Wandruwheid, HDPE k = 0,25 mm;
•Wandruwheid, PVC k = 0,10 mm.
11.2.7 Materiaal
•Diameter < 400 mm SN 8 PVC, fabrikant Wavin of gelijkwaardig;
•Diameter > 400 mm SN 8 PVC, fabrikant Wavin of gelijkwaardig, of beton;
•Hemelwater kleur grijs;
•Vuilwater kleur bruin;
•Huisaansluitingen uitvoeren in 100 % gerecycled PVC, fabrikant PipeLife of gelijkwaardig;
•In kolk- en huisaansluitingsleidingen alleen hulpstukken toepassen met een hoekverdraaiing kleiner of gelijk aan 45°;
•Hulpstukken altijd in de stroomrichting plaatsen.
11.3 Grondwerken
11.3.1 Graven
•Rioolsleuven tot minimaal 0,20 m maximaal 0,50 m onder de buizen ontgraven;
•Indien bij het graven voorwerpen of grondlagen van archeologische waarde worden aangetroffen, wordt de gemeente hiervan direct op de hoogte gebracht. Zo kunnen passende maatregelen worden getroffen.
11.3.2 Aanvullen
•Rioolsleuven aanvullen met aanvulzand en verdichten in laagdikten van maximaal 30 cm;
•Rioolsleuven die niet onder toekomstige verharding komen, mogen tot de dikte van de teelaardelaag worden aangevuld met grond;
•Het aanvulzand en de verdichting moet voldoen aan de eisen in de Standaard RAW Bepalingen.
11.3.3 Gronddekking
•Gronddekking hoofdriool minimaal 1,00 m;
•Gronddekking op uitleggers minimaal 0,60 m. Maximale diepte in overleg met gemeente i.v.m. aansluitmogelijkheid.
11.4 Kolken en goten
11.4.1 Goten
•Molgoten hebben minimaal vier streklagen en maximaal één streklaag aan weerszijden van straatkolk in de molgoot;
•Materiaal en formaat stenen afhankelijk van omliggende type;
•Minimaal gootverhang 0,5 cm/m;
•Maximale gootdiepte 5 cm;
•Kantopsluiting met goottegel uitvoeren voor ontsluitingswegen van asfalt;
•Straatverband: halfsteens;
•Langsafschot goottegel minimaal 0,5 cm/m;
•Goten straten in straatzand;
•Bij goottegel straten in specie;
•Geen prefab elementen.
11.4.2 Lijngoten
•Alleen toegestaan in winkelgebieden;
•Type en capaciteit bepalen aan de hand van de locatie en verkeersklasse;
•Aanbrengen volgens voorschrift leverancier;
•Geen schroefsluitingen toepassen.
11.4.3 Kolken
Algemeen
•Kolken middels een PVC-leiding ø 125 mm aansluiten op het HWA-verzamel of -hoofdriool in overleg en ter goedkeuring van de gemeente Medemblik;
•In de bouwrijpfase worden alleen straatkolken geplaatst;
•Tijdens het woonrijp maken dienen de straat- en trottoirkolken in de bandenlijn te worden bijgestelde en op de juiste hoogte te worden aangebracht. Beschadigde kolken vervangen.
Trottoirkolken
Toepassen eendelige trottoirkolken:
•Materiaal beton/gietijzer voorzien van een gietijzeren stankscherm en een gietijzeren uitlaat DN150 voorzien van een rubber manchet voor flexibele aansluiting van pvc Ø125.
Type Nering Bögel G 124 LD of gelijkwaardig;
•Trottoirkolken dienen te worden voorzien van een zij-uitlaat (zij-aansluiting).
Straatkolken
Toepassen eendelige straatkolken:
•Materiaal beton/gietijzer voorzien van een gietijzeren stankscherm en een gietijzeren uitlaat DN150 voorzien van een rubber manchet voor flexibele aansluiting van pvc Ø125.
Type Nering Bögel D 1300 DR of gelijkwaardig;
•Straatkolken dienen te worden voorzien van een zij-uitlaat (zij-aansluiting);
•Straatkolken standaard met 7 mm holling;
•Maximale kolkafstand ETW 25 m;
•Per kolk mag maximaal 100,00 m2 asfaltverharding afwateren;
•Per kolk mag maximaal 120,00 m2 elementenverharding afwateren;
•Straatkolken recht tegenover elkaar aan weerszijden van de weg;
•Afstand tussen kolken en plateaus 5,00 m1, i.v.m. vlak profiel bij onderkant plateau;
•Kolken bij voorkeur in de molgoot bij scheiding parkeervak en rijbaan.
14 Speelvoorzieningen
14.3 Speeltoestellen
14.3.1 Keuze
•Speelvoorzieningen moeten voldoen aan het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023 (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport);
•Er zijn geen standaard speelvoorzieningen;
•Keuze van toestellen is in sterke mate budgetafhankelijk;
•Speelvoorzieningen worden geplaatst in afstemming met de betreffende buurt;
•Voorkeur gaat uit naar toestellen die op gras geplaatst kunnen worden, zie Valondergronden.
14.3.2 Materiaal
•Speeltoestellen zijn van duurzame en onderhoudsvriendelijke materialen;
•Geen verduurzaamd hout gebruiken, enkel FSC-hout.
Van toepassing is het Recycleplan.
15 Afvalinzameling
15.3 Afvalbakken
15.3.1 Hoogwaardige inrichting
•Type: metalen afvalbak, keuze door ontwerper;
•Materiaalkleur: Dennengroen, RAL 6009;
•Voorzien van een binnenbak;
•Voorzien van een anti graffiti coating.
15.3.2 Basisinrichting
•Type: Bammens Capitole (enkel, dubbel of muurbak);
•Inhoud: 50 l;
•Materiaalkleur: Dennengroen RAL 6009;
•Standaard uitgevoerd met betonvoet.
15.3.3 Hondenpoepbakken
Op grond van artikel 7.35 van de Verordening Fysieke Leefomgeving heeft iedere hondeneigenaar een opruimplicht. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, als hij zich met die hond op een openbare plaats bevindt, een doeltreffend en geschikt hulpmiddel bij zich te hebben voor het verwijderen van uitwerpselen.
•Type hondenpoepbak: Bammens Capitole;
•Voorzien van hondenpoepklep;
•Inhoud 50 l;
•Voorzien van sticker met tekst ‘voor uw afval en hondenpoep’. Hiermee wordt indirect gewezen op de verplichtingen van hondeneigenaren;
•Geen zakjesdispenser;
•Materiaalkleur: Dennengroen, RAL 6009;
•Standaard uitgevoerd met een betonvoet.
16 Overig straatmeubilair
16.3 Zitbanken
16.3.1 Hoogwaardige inrichting
•Ollerton type Festival of gelijkwaardig;
•180 x 53,3 x 82 cm;
•Kleur: in overleg;
•Voorzien van anti-graffiti coating;
•Bevestiging met betonfundering of chemische ankers.
16.3.2 Basisinrichting
•Hufterproof en onderhoudsvrij;
•Velopa Siësta of gelijkwaardig;
•200 x 81 x 79 cm;
•Uitgevoerd in FSC gecertificeerd hardhout of gerecycled kunststof;
•Bevestiging met chemische ankers op Stelconplaat.
Bijlage 1: Instrumenten duurzaamheid
Door samenwerking van BouwCirculair, het Rijk, ketenpartners GWW en anderen zijn verschillende instrumenten ontwikkeld om structuur te geven aan de borging van duurzaamheid in projecten. De instrumenten zijn online beschikbaar. Stichting BouwCirculair is er om gemeenten te ondersteunen en te trainen in het inzetten van de instrumenten. Hier worden ze kort toegelicht.
Instrument
Projectfase
Omschrijving
Wanneer inzetten
Resultaat
Website
R-strategie
Definitiefase
Volgorde van circulariteitsstrategieën
Altijd
Structuur
PBL.nl
SDG
Definitiefase
Mondiale leidraad duurzaamheid
Altijd
Prioriteiten in beleid
SDGNederland.nl
Ambitieweb
Definitiefase
Brainstorm van thema’s en ambities
Flexibel
Kansen, oplossingsrichtingen
Duurzaamgww.nl
DuboCalc
Ontwerpfase
Rekentool milieu-impact
Focus op MKI en CO2
Kwantitatief inzicht in vergelijken van varianten
Dubocalc.nl
Bouwwaardemodel
Ontwerpfase
Verschillende ontwerpstrategieën inzetten
GWW en B&U
Gesloten kringloop
Betonakkoord.nl
Vaderbestek.nl
Ontwerpfase
Rekentool voor milieu-impact
Focus op MKI
Vergelijken van varianten
Bouwcirculair.nl
CO2-prestatieladder
Voorbereidingsfase
CO2-systeem voor organisaties
Bewustwording creëren
CO2-reductie via maatregelen in bedrijf en projecten
SKAO.nl
Moederbestek
Voorbereidingsfase
Aanvullende duurzame eisen
Projecten met een eis
Bijdrage aan maatschappelijk doel: circulariteit en CO2
Moederbestek.nl
MVI Criteria
Voorbereidingsfase
Op drie niveaus MVI-criteria kiezen
Altijd
Sociale, innovatieve en duurzame inkoop
MVIcriteria.nl
Projectenmodule
Uitvoeringsfase
Verificatierapportage
(kan) altijd
Voldoen aan duurzame eisen, voortgang t.a.v. klimaatdoelen
Projectenmodule.nl
Materialenpaspoort
Uitvoeringsfase
Vastleggen materialen
Nieuwbouw
Toekomstig inzicht
platformCB23.nl
SloopCirculair
Sloopfase
Circulair behandelen vrijkomende producten en materialen
Sloop
Meer circulariteit: product en materiaal blijven in de keten
Sloopcirculair.nl
NL Greenlabel>Gebiedslabel
Nulmeting/startsituatie Definitief ontwerp Gerealiseerde eindsituatie.
Het label maakt de mate van duurzaamheid inzichtelijk en biedt handvatten om een gebied verder te verduurzamen.
Nieuwbouw
Duurzame inrichting openbare ruimte
Nlgreenlabel.nl
Tabel 4 Duurzaamheidsinstrumenten (BouwCirculair, 2022)
Bijlage 3: Intern proces
Hieronder wordt het (interne) proces beschreven, met de bijbehorende verwachtingen vanuit de gemeente Medemblik per projectfase. Dit proces wordt doorlopen bij ruimtelijke en civiele projecten.
De gemeente Medemblik werkt bij ruimtelijke ontwikkelingen volgens het basisprincipe van projectmatig werken, zoals opgenomen in onderstaand figuur (Regio Westfriesland, 2018).
Per fase vindt er een beslismoment plaats, waarna de overstap naar de volgende fase gemaakt kan worden. Om naar de volgende fase te gaan zijn een aantal documenten verplicht die aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Zie voor een overzicht Bijlage 4.
Bijlage 4: Vereiste documenten per projectfase
Initiatieffase
–Projectopdracht (intern document).
Groen licht na voltooiing projectopdracht.
Definitiefase
–Projectplan (intern document);
–Duurzaamheidssessie;
–Ingevulde duurzaamheidschecklist;
–Hydrologisch onderzoek (indien nodig);
–Bodem en geotechnisch onderzoek (indien nodig);
–Oriëntatieonderzoek kabels en leidingen.
Aanvullend voor ruimtelijke ontwikkelingen:
–Stedenbouwkundig plan;
–Beeldkwaliteitsplan;
–Grondexploitatie;
–Anterieure overeenkomst;
–Projectspecifiek programma van eisen.
Groen licht na goedgekeurd projectplan.
Ontwerpfase
–Voorlopig Ontwerp (VO) met (indien van toepassing):
–Grenzen van uitgeefbaar gebied, kavelindeling met situering van gebouwen, parkeergelegenheid en aansluiting op de openbare ruimte;
–Beheergrenzen openbaar gebied;
–Huidige ondergrond opnemen in lichte kleur;
–(hoogte)ligging, maatvoering en opbouw van de weg;
–(hoogte)ligging en maatvoering van alle parkeerplaatsen (ook garages, laad- en losstroken en kiss and ride zones);
–(hoogte)ligging, maatvoering en opbouw van civiele kunstwerken, zoals duikers, bruggen en grondkeringen;
–(hoogte)ligging en maatvoering (grond)water;
–Ligging en maatvoering van te handhaven groenelementen (incl. boomkroon en waardevolle of monumentale status);
–Ligging en maatvoering van nieuw te planten bomen (met kroon in volwasdom) en groen inclusief opbouw groeiplaats en doorwortelbare ruimte;
–Ligging van het kabel- en leidingtracé en trafo;
–Ligging en maatvoering speelruimte;
–Ligging en maatvoering van de hemelwaterafvoer, vuilwaterriool en de afwatering;
–Locaties waterinfiltratiezones en wijze van waterinfiltratie;
–Locatie ondergrondse container(s) en opstelplaatsen containers;
–Locaties verlichting op basis van verlichtingsplan en boomstructuur;
–Locaties straatmeubilair, laadpalen en overige verkeersvoorzieningen zoals verkeerslichten, slagbomen, pollers e.d. en markt- en evenementenkasten;
–Locaties eventuele beeldende kunstwerken;
–Weergave van bijzondere beheerafspraken en/of illegaal grondgebruik.
–Berekening parkeernota en ligging parkeerplaatsen;
–Indien van toepassing: boomeffectrapportage;
–Overige onderzoeken, die ten grondslag liggen aan het ontwerp;
–Planning vergunningsaanvraag plus momenten van benodigd advies (bijv. omgevingsvergunning, onderdeel kap en uitrit);
–Budgetraming.
–Tekeningen met bovenaanzicht, zijaanzicht en langsdoorsnede.
Definitief Ontwerp (DO) met:
–Het DO bevat de definitieve ligging van de bij het VO genoemde punten, materiaalaanduidingen;
–Kabel- en leidingtstracé;
–Rioleringsplan (locatie van de kolken, diameter van de riolering);
–Beplantingsplan (soorten bomen en groen, inclusief aanplantmaat, plantverband);
–Verlichtingsplan inclusief kabelontwerp eigen net;
–(Verkeers-)Bordenplan;
–Plan afvalinzameling;
–Calamiteitenplan Veiligheidsregio NHN;
–Plan Busvervoer;
–Doorsneden en dwarsprofielen van weg, water, groen, civiele kunstwerken en andere elementen;
–Aangepaste budgetraming inrichting en raming toekomstige beheerkosten;
–Tekeningen met bovenaanzicht, zijaanzicht en langsdoorsnede.
Aanvullend bij ruimtelijke ontwikkelingen, indien van toepassing:
–Definitief ontwerp inrichtingsplan;
–Definitief ontwerp (gemeentelijk) gebouw;
–Bestemmingsplan.
Groen licht na een door de gemeente vastgesteld DO.
Voorbereidingsfase
Bestek, voldoet aan de volgende eisen:
–Beschrijft het Do in een contractdocument conform de RAW-systematiek;
–Voldoet aan de indeling en inhoud van het Moederbestek Medemblik;
–Riolering: Opleveringsinspectie BRM en WRM goed vastgelegd;
–Het bestek wordt minimaal digitaal als pdf aangeleverd (inclusief dwarsdoorsneden, opslag, ketenpark, aan/afvoerroutes en materiaal en materieel, verkeersplan);
–Bevat basisrevisietekening(en);
–Bevat kwaliteitsplan voor de uitvoeringsfase.
Groen licht na een door de gemeente vastgesteld definitief bestek/realisatieplan.
Realisatiefase
–Inspectierapport;
–Overdrachtsdocument
–Lijst met herstelpunten uit inspectierapport.
Groen licht na ondertekening en acceptatie van de verplichtingen van het overdrachtsdocument. Met deze handeling wordt de opgeleverde ruimte formeel openbaar gebied.
Overdrachtsfase
Voor de administratieve overdracht levert de initiatiefnemer of de uitvoerder aan de gemeente een digitaal overdrachtsdossier met de volgende bestanden:
–Situatietekening met daarop aangegeven welk gebied voor overdracht wordt aangeboden;
–Indien er geen compleet werk wordt overgedragen een opgave (in tekst en tekening) van de onderdelen die nog niet worden overgedragen, met daarbij een planning wanneer die onderdelen voor overdracht worden aangeboden. (bij voorbeeld al het civiele werk wordt overgedragen en het groen 5 maanden later);
–Een overzicht van alle documenten en bescheiden die worden aangeboden;
–De resultaatsbeschrijvingen van de diverse werken die zijn uitgevoerd;
–In het algemeen bestekken c.q. Technische omschrijvingen en bijbehorende tekeningen inclusief de revisiegegevens van het uitgevoerde werk;
–Werk- en detailtekeningen en overige voor beheer relevante informatie, aanvullend op de resultaatsbeschrijvingen;
–Gegevens van vooronderzoek, controlemetingen en inspecties;
–Garantieverklaringen;
–Opgave van hoeveelheden te onderhouden elementen volgens nader aan te geven specificatie. Uiterlijk bij de melding voor de definitieve overdracht worden van de tekeningen van de werken aan de gemeente geleverd.
Uitgangspunt voor tekeningen is dat deze zijn gemaakt op basis van de Basisregistratie Grootschalige Topografie in combinatie met IMGEO (BGT|IMGEO). Daarvoor zijn de tekeningen standaard opgemaakt in het Coördinatenstelsel Amersfoort/RD NewRD. Cadtekeningen worden geleverd in DXF-formaat. GIS-bestanden worden aangeleverd als Shapefile (SHP-formaat). Eventueel afwijkende formats moeten vooraf worden overlegd met de gemeente. Alle overige documenten worden geleverd in PDF-formaat.
Onderstaand is per beheerdiscipline de belangrijkste benodigde informatie aangegeven en waar nodig hoe die informatie geleverd moet worden. Voor zover deze informatie niet in de resultaats-beschrijvingen van het werk zijn opgenomen moet die dus extra geleverd worden.
Riolering
–Revisietekening met:
o Het gehele rioolstelsel, inclusief o.a. huis- en kolkaansluitingen, bijzondere putten en voorzieningen;
o Peilgegevens van de binnen onderkant buizen, bovenkant putranden en drempels t.o.v. NAP;
o Aanduiding van materiaal en afmetingen;
o Putnummers;
o Eenduidige onderhoek en legenda.
–Puttenstaat op basis waarvan putten zijn geproduceerd.
–Rioolinspectie:
o 2e opleveringsinspectie van alle hoofdriolering en;
o de rapportage van de resultaten volgens NEN-EN 13508-2:2003+A1:2011+CNL1:2021 nl “Onderzoek en beoordeling van de buitenriolering Deel 2: Coderingssysteem voor visuele inspectie”. Inspectiebestand RibX 1.3.2 of hoger, rapportage, foto's, videobeelden en andere (benodigde) bestanden digitaal opleveren;
o Toestandsbeoordeling: aangeven hoe en waar geconstateerde schadebeelden zijn hersteld om te voldoen aan Standaard RAW-bepalingen voor nieuw leidingwerk.
Verlichting
–Revisietekening met plaats van lichtpunten en (besteks-) nummering. Daarin de volgende lagen:
–Kabels
–Moffen
–Mantelbuizen
–Kasten (voedingspunt)
–Aardingspunten en leidingen
Tevens documentatie van de toegepaste materialen aanleveren.
–Revisietekening van het kabelnet (in geval van een gemeentelijke OV-net) met aparte lagen voor de kabelstukken, de kabelmoffen, de mantelbuizen en toelichting. Revisietekening van het voedingspunt (in geval van een gemeentelijk OV-net) met aansluitschema en bijbehorende toelichting. Bestaande uit:
–Installatiebeschrijvingen, tekeningen, schema’s en gebruikshandleidingen/voorschriften;
–Testrapporten, garantieverklaringen e.d.;
–Slottypen en bijbehorende nummers;
–Gelijktijdig met de aanlevering van de hierboven vermelde gegevens dienen ook de sleutels fysiek overhandigd te worden.
–In bedrijfsstellingsgegevens van de voedingskast en dimregimes van de verlichting;
–Gegevens verwijderde, verplaatste en geplaatste verlichting alsmede alle wijzigingen aan de verlichting d.m.v. Standaard mutatieformulieren van de Gemeente Medemblik;
–In de voedingskast geplastificeerde revisiegegevens van het voedingspunt, aansluitschema, richtingenschema en kabelnet;
–Voor voedingskasten van bijvoorbeeld verkeersregelinstallaties (VRI’s) of rioolgemalen zijn de onder punt 1 tot en met 6 genoemde gegevens op overeenkomstige wijze van toepassing.
Installaties
–Bouwkundige informatie;
–Installatie beschrijvingen, tekeningen, schema’s en gebruikshandleidingen/voorschriften;
–Testrapporten, garantieverklaringen e.d.;
–Slottypen en nummers en sleutels.
Civiele kunstwerken en duikers
Per kunstwerk de volgende gegevens:
–Bestek- en werktekeningen;
–Sterkte berekeningen;
–Sonderingsgegevens en berekeningen;
–Toelaatbare belastingen (Verkeersbelasting volgens Eurocode);
–Leveranciers (prefab beton , hekwerken e.d.);
–Typenummers van toegepaste materialen (bijvoorbeeld tegelwerk);
–Schilderwerksysteem incl. RAL-kleurnummers;
–Garantieverklaringen verstrekt door leveranciers/hoofdaannemer.
Drainage en peilbuizen
–Revisie op tekening in aparte lagen van drainagestrengen, binnen- en onderkant buis, putten en overige voorzieningen. Aangeven of en zo ja welke drains niet voor de permanente ontwatering noodzakelijk zijn (maar alleen voor bemaling tijdens de uitvoering van werken zijn aangelegd);
–Plaats en detailgegevens van controle-grondwaterpeilbuizen.
Verhardingen
–Bestek en (revisie)tekeningen;
–Controlerapporten van asfalt- en betonverhardingen;
–Bewijzen van oorsprong en kwaliteitsgegevens; kwaliteitscertificaten van geleverde en verwerkte bouwstoffen;
–Verder aan te leveren:
–Gegevens van vooronderzoeken, controlemetingen en inspecties;
–Garantieverklaringen;
–Weegbonnen en controlerapporten bitumineuze verhardingen;
–Uitgevoerde inrichtingsplannen algemeen (toegepaste materialen);
–Overzicht met namen, adressen en telefoonnummers van alle leveranciers.
Bebording en markering
Revisietekening van alle bebording en markering:
–Verkeersborden;
–Bewegwijzering;
–Straatnaamborden.
Als dit niet op de tekening is aangeven dan zijn administratieve gegevens als o.a. reflectieklasse en afmetingen ook van belang;
Beplanting, speelplekken, meubilair
Voor zover niet gedetailleerd in de resultaatsbeschrijvingen is opgenomen wordt de volgende informatie verlangd:
–Het uitgevoerde beplantingsplan voor de bomen ( standplaats en soort en groeiplaatsconstructie inclusief aantal m³ en profieltype);
–Het uitgevoerde beplantingsplan voor de overige beplantingen (standplaats en soort);
–Het uitgevoerde beplantingsplan voor grasvegetaties (standplaats en soort);
–Uitgevoerde inrichtingsplannen algemeen m.b.t. de overige elementen ( zoals banken, papierbakken, hekwerken, etc. ). Van al deze elementen dient te zijn aangegeven, de standplaats, fabrikant, leverancier, type (incl. bestelcode) kleur en aantal.
–Uitgevoerde inrichtingsplannen van water en oevers c.q. Oeverbescherming. Daaronder zijn ook begrepen de water- en moerasvegetaties en rietkragen. Bij harde oeverbescherming aangeven de standplaats, soort en materiaal;
–Uitgevoerde inrichtingsplannen van de speelplekken met daarop aangegeven en/of afzonderlijk aangeleverd:
–De standplaats, fabrikant, leverancier, toesteltype (incl. bestelcode), productsheets en keuringscertificaat van de speeltoestellen;
–De standplaats, fabrikant, leverancier, type (incl. bestelcode) en kleur van het overig meubilair, zoals: banken, papierbakken, hekwerken, etc.;
–De soort veiligheidsondergrond en leverancier;
–Tekening met daarop (als object) aangegeven de afzonderlijke plant- en speelvakken.
Bijlage 5: Toelichting overdracht
Voorlopige overdracht
De voorlopige overdracht is in essentie de overdracht van het fysiek uitgevoerde werk. Als de uitvoerende partij de gereedmelding bij de gemeente doet, wordt daarbij alle voor inspectie en beheer van belang zijnde informatie aangeleverd.
Er mag bij de voorlopige overdracht in beginsel geen bouwverkeer meer in het projectgebied komen. Bij grotere projecten kan ook gefaseerd worden overgedragen als er duidelijk herkenbare deelgebieden bepaald kunnen worden. De openbare ruimte moet voor gebruik gereed zijn op het moment van voorlopige overdracht. Dit is als volgt gedefinieerd per onderdeel:
•Rioolgemaal: 100 draaiuren na ingebruikstelling, waarbij eerst een technische oplevering plaatsvindt van de aannemer naar de ontwikkelaar. Daarna wordt pas overgedragen naar de gemeente;
•Kleine installaties: 10 draaiuren na ingebruikstelling, waarbij eerst een technische oplevering plaatsvindt van de aannemer naar de ontwikkelaar. Daarna wordt pas overgedragen naar de gemeente;
•Voor beeldende kunst, fonteinen en dergelijke geldt dat indien er een feestelijke ingebruikname of onthulling is, de overdracht daarna zal plaatsvinden;
•Verlichting: bij ingebruiksstelling maar niet eerder dan de overdracht van de verharding. Hier wordt de elektrische installatie bedoeld. Masten en armaturen worden beschouwd als wegmeubilair en vallen onder de onderhoudstermijn van verharding;
•Civiel werk: als de verharding en alle overige werken, waaronder met name verlichting en verkeersmaatregelen, gereed zijn;
•Groenaanleg: als eerste aanleg gereed is.
Voor de overdracht voert de gemeente een inspectie uit. Tijdens de inspectie wordt gecontroleerd op de volgende aspecten:
•Of het werk volgende de resultaatbeschrijvingen is uitgevoerd;
•Of het werk voldoende gereed is om openbaar gebruikt te kunnen worden;
•Welke gebreken er aan het werk zijn die verholpen moeten worden;
•Bij aanvang van de werkzaamheden wordt een schadepreventieformulier ingevuld. Bij de inspectie wordt vastgesteld welke gebreken er aan te handhaven openbaar gebied in en nabij het project zijn ontstaan.
De definitieve overdracht vindt plaats na de nazorgfase.
Nazorg
De nazorgfase is de periode tussen de voorlopige overdracht en de definitieve overdracht. Dit is een:
•Onderhoudsperiode met eindverplichtingen voor civiele werken;
•Periode van nazorg met inboetverplichting voor groen.
•Tijdens de onderhoudsperiode verricht de initiatiefnemer de volgende acties:
•Het uitvoeren van herstel- en aanpassingswerken naar aanleiding van de inspectie;
•Het herstellen van gebreken die in deze periode aan het licht komen;
•Het herstel van schade voor zover deze het gevolg is van door of in opdracht van de initiatiefnemer verrichte activiteiten van bouwkundige en/of civieltechnische aard;
•Herstel van schade veroorzaakt door derden die een gevolg zijn van het niet gereed zijn van bovengenoemde herstel- en aanpassingswerken;
•Aan het eind van de onderhoudsperiode schoon opleveren van het werk;
•Naast overige overeengekomen resultaatsverplichtingen behoren hiertoe in ieder geval het schoonmaken van kolken, goten, watergangen, drainagestelsel en het opruimen van al het in het gebied nog aanwezige bouwafval alsmede het verwijderen van onkruid op verhardingen.
Alle genoemde werkzaamheden zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Tijdens de onderhoudsperiode is de gemeente verantwoordelijk voor het openbaar functioneren van de voorzieningen. De gemeente draagt zorg voor het herstel van overig door derden veroorzaakte schade.
Duur onderhouds- c.q. beproevingsperiode:
•Civiele werken 6 maanden (o.a. wegen, leidingen, water en kunstwerken);
•Groenaanleg de periode tot en met de inboet in het eerst volgende plantseizoen. Afhankelijk van moment van planten en inboet is dat een periode van zes maanden tot een jaar;
•Bomen: drie of vijf jaar: drie jaar voor bomen met een stamomtrek 20 – 25 cm. Vijf jaar voor bomen met een grotere stamomtrek dan 20 – 25 cm.
Definitieve overdracht
De initiatiefnemer meldt het werk gereed voor eindinspectie bij de gemeente. De eindinspectie van het gemaakte werk wordt gedaan na het verstrijken van de onderhouds- c.q. beproevingsperiode. Alle herstel- en aanpassingswerken moeten gereed zijn. Tijdens de eindinspectie wordt vastgesteld of de eerder genoemde acties door de initiatiefnemer goed zijn uitgevoerd en welke, aan de initiatiefnemer te wijten, gebreken er aan het werk zijn die alsnog verholpen moeten worden. De opneming wordt op schrift gesteld. Het alsnog uit te voeren werk geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer, tot genoegen van de gemeente en binnen een door haar in billijkheid te stellen termijn. Het werk wordt door de gemeente gereed verklaard als alle herstelwerken zijn uitgevoerd, overige opmerkingen naar aanleiding van de inspecties zijn verwerkt en alle te leveren informatie is ontvangen. De gereedverklaring wordt schriftelijk vastgelegd.
Na de bovenstaand genoemde definitieve overdracht is de initiatiefnemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk, met hierop de volgende uitzondering:
•Indien het werk of enig onderdeel daarvan een aan de initiatiefnemer, zijn adviseurs, de aannemer, zijn leverancier, zijn onderaannemer of zijn personeel toe te rekenen verborgen gebrek bevat en de initiatiefnemer van zodanig gebrek binnen een redelijke termijn na de ontdekking mededeling is gedaan.
Een gebrek is als een verborgen gebrek aan te merken, indien het tijdens de opneming van het werk door de gemeente redelijkerwijs niet onderkend had kunnen worden. De rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek is niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van 5 jaren na de dag van de eindoplevering.
Administratieve overdracht
Voor de administratieve overdracht levert de initiatiefnemer of uitvoerder een digitaal overdrachtsdossier aan bij de gemeente.
Bijlage 6: Overzicht aanpassingen
De gemeente Medemblik heeft voor het maken van ontwerpen voor de inrichting van de openbare ruimte een Leidraad: dit is de LIOR. Deze leidraad wordt periodiek geactualiseerd en vastgesteld. De laatste vastgestelde versie voor de LIOR 2025 is de LIOR 2023. Deze bijlage omschrijft de belangrijkste verschillen tussen de LIOR 2023 en de LIOR 2025.
Algemeen
Lay-out: om de gebruiksvriendelijkheid van de LIOR te verbeteren, heeft de LIOR 2025 ten opzichte van de LIOR 2023, een verbeterde lay-out. Naast een andere weergave en lettertype, zijn er ook diverse afbeeldingen toegevoegd.
Ontwikkelingen Verkeer en Vervoer
•In de LIOR zijn enkele kleine aanpassingen gelijkgetrokken met de huidige aanpassingen in CROW-normen. Zo is ons beleid in lijn met landelijke vereisten;
•Het onderdeel schoolzones heeft een nieuwe insteek gekregen. De voorgenomen aanpassingen zijn een eerste aanzet in het duidelijker verwoorden wat verwacht kan worden en verwacht mag worden in een schoolzone. Het is bovendien een eerste aanzet richting uniformiteit van de verschillende schoolzones in de gemeente Medemblik;
•De recent gepubliceerde beleidsregels omtrent elektrisch laden zijn opgenomen in de nieuwe LIOR.
Ontwikkelingen Wegen
•Binnen het hoofdstuk ‘Wegen’ zijn er veel kleine tekstuele verbeteringen gemaakt;
•De paragraven ‘Kantopsluitingen’ zijn eenduidiger beschreven en bieden meer keuzes;
•Voor bermversteviging grasbetontegels toegevoegd. Ze combineren de sterkte en stabiliteit van beton met de natuurlijke uitstraling van gras;
•Paragraaf ‘Inritten’ is herzien en duidelijker geschreven;
•Binnen de paragraaf ‘Parkeren’ is bij de schuine parkeervakafmetingen een voorbehoud gemaakt dat er in de ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom) soms afwijkende maatvoering vermeld staat, op dit punt stellen wij de minimum maatvoering vast in de LIOR.
Ontwikkelingen Duurzaamheid
•Paragraaf ‘Rekening houden met water en bodem’ is toegevoegd;
•Tekst toegevoegd over het versterken van circulariteit in projecten.
Ontwikkelingen Riolering
•PvE nieuwbouw rioolgemalen: geactualiseerde versie;
•PvE nieuwbouw minigemalen: geactualiseerde versie;
•PvE nieuwbouw tweepomps minigemalen: geactualiseerde versie.
Ontwikkelingen Water & Beschoeiingen
•Paragraaf ‘Beschoeiingen” aangevuld (bijvoorbeeld materiaalkeuze);
•Paragraaf ‘Overige voorzieningen’ toegevoegd.
Ontwikkelingen Kunstwerken & Kunstobjecten
•Paragraaf ‘Ontwerpeisen kunstwerken’ heringedeeld naar algemeen, verkeersbruggen en voet- en fietsbruggen;
•Paragraaf ‘Duikers’ aangevuld (bijvoorbeeld minimale afmetingen);
•Paragraaf ‘Kademuur en damwanden’ toegevoegd.
Bijlage 7: Principeprofielen en details
Blad 1 Kruisingen
•Principedetail asfaltplateau bij geheel nieuwe aansluiting
•Principedetails afschot in asfaltplateau bij aansluiting in asfalt bestaand
o T-kruising
•Principedetails afschot in asfaltplateau bij aansluiting in asfalt bestaand
o Kruising
•Principedetail plateau elementenverharding
Blad 2 Dwarsprofielen
•BIBEKO
o GOW 50 km/uur
o GOW 50 min
o GOM 50 km/uur met vrijliggend fietspad
o ETW 30 km/uur
•BUBEKO
o ETW 60 km/uur met vrijliggend fietspad
Blad 3 Details
•Principedetails inritconstructies en langsparkeren
•Principedetails haaksparkeren
•Constructiedetails (elementenverharding en asfalt)