Aanhef
Regeling Loonkostensubsidie Mobility & Talent Centre Zuid-Limburg
Burgemeester en wethouders van gemeente Maastricht,
overwegende dat:
· werk prevaleert boven uitkering;
· de burger werkt/participeert naar vermogen;
· de eigen verantwoordelijkheid van mensen daarbij centraal staat en zij vooral op eigen kracht gaan werken en participeren;
· wanneer het burgers niet lukt om op eigen kracht werk te vinden, de gemeente faciliterend optreedt en na samenspraak met de burger, daartoe integrale dienstverlening aanbiedt, die maatwerk levert gebaseerd op de mogelijkheden van de burger;
· de gemeente op grond van de Participatiewet en het daarop gebaseerde re-integratiebeleid, een loonkostensubsidie kan verstrekken aan werkgevers die personen behorende tot de doelgroep een dienstverband aanbieden;
· deze regeling tevens van toepassing is op personen die een uitkering ontvangen op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW) alsmede de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
gelet op artikel 6, 7, 8a, 9, 10 van de Participatiewet, alsmede de Algemene Wet Bestuursrecht;
besluiten de Regeling loonkostensubsidie Mobility & Talent Centre Zuid-Limburg vast te stellen.
Artikel 1.
Dit artikel geeft enkel een omschrijving van een aantal relevante begrippen.
De definitie van subsidie is niet opgenomen in dit besluit aangezien artikel 4:21 Awb een dwingende en algemene begripsomschrijving geeft. Dat artikel definieert subsidie als "een aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten".
De subsidie bedoeld in sub i dient als stimulans voor werkgevers om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen. Tevens dient de subsidie als compensatie voor een mindere arbeidsprestatie van de werknemer.
Wanneer de werknemer scholing en begeleiding nodig heeft om het dienstverband uit te kunnen voeren of om een reguliere baan te krijgen aansluitend aan het dienstverband in de pool, dan kan dat uit het re-integratiebudget worden betaald. Hierbij zal door de gemeente op individuele basis worden getoetst of hiertoe wordt overgegaan. Bij voorkeur en voorrang worden voor deze kosten binnen de pools alternatieve financieringsbronnen zoals de sectorgelden, de opleidingsfondsen, etc. ingezet. De gemeente beschouwt deze middelen als voorliggende voorzieningen.
In sub j wordt de doelgroep gedefinieerd; voor personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a PW kan een loonkostensubsidie op grond van deze regeling worden verkregen. Het gaat hierbij om personen die (zoals geformuleerd in de criteria van de werkpools) een arbeidsvermogen hebben tussen 30 en 80%. Op grond van artikel 9 van deze regeling kan het college in individuele gevallen hier van afwijken. Personen met een UWV-uitkering dan wel een combi-uitkering komen niet in aanmerking voor een loonkostensubsidie. Het is overigens wel mogelijk dat UWV deze loonkostensubsidie volledig inkoopt bij de gemeente. UWV dient dan alle kosten voor haar rekening te nemen.
In sub k wordt de werknemer gedefinieerd als de persoon behorende tot de doelgroep met wie de werkpool een dienstverband is aangegaan.
In sub l wordt de werkgever gedefinieerd. Werkgevers in alle sectoren in de economie in Nederland komen in aanmerking voor de loonkostensubsidie, mits zij aan de voorwaarden zoals gesteld in deze regeling (en in het gemeentelijk re-integratiebeleid) voldoen. Dit openstellen voor alle sectoren is uitdrukkelijk vereist op basis van de Europese regelgeving op het gebied van mededinging en oneerlijke concurrentie. Wordt gekozen voor bepaalde sectoren dan zou sprake kunnen zijn van verboden staatssteun.
Artikel 2.
De PW bepaalt dat de gemeente bij verordening regels stelt hoe zij om gaat met het verstrekken van noodzakelijk geachte voorzieningen. De bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen ligt bij de gemeenteraad.
Artikel 3.
In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen, die zijn verbonden aan het verstrekken van de subsidie. De subsidie kan worden verkregen voor mensen die een uitkering in het kader van de PW, IOAW, IOAZ of de Algemene Nabestaandenwet ontvangen. Daarnaast kan de subsidie worden verkregen voor mensen die gebruik maken van een voorziening op basis van de PW en het beleid van de gemeenten alsmede voor niet-uitkeringsgerechtigden. Tot slot is de subsidie beschikbaar voor mensen die nadat zij zijn uitgestroomd met behulp van een loonkostensubsidie op basis van artikel 10d PW, nog geen twee jaar onafgebroken zelfstandig het WML hebben verdiend. Voor deze laatste groep geldt wel de voorwaarde dat zij een arbeidsvermogen hebben tussen 30 en 80%.
De subsidieregeling is beperkt tot de werkgevers en werknemers die deelnemen aan één van de werkpools die in het kader van het MTC worden opgestart. Buiten de werkpools kan deze regeling niet worden toegepast.
De subsidie wordt enkel toegekend wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden van de werkpool.
Aanvankelijk is gedacht om de voorwaarde te stellen dat een dienstverband van 24 maanden moet worden aangegaan. Uit diverse gesprekken met werkgevers is evenwel gebleken dat dit voor hen niet realiseerbaar is. In een tijd van flexibilisering van de arbeidsmarkt, waarbij er geen garantie meer bestaat op een baan, maar wel op werk, zijn langdurige dienstverbanden steeds minder in zwang. Regulier personeel wordt op basis van tijdelijke contracten (en dat vaak meerdere achter elkaar) in dienst genomen. Bij de start in de pools een langdurig contract aanbieden aan werknemers, die in een ongunstigere positie dan regulier personeel verkeren, ligt dan niet voor de hand en kan zelfs tot scheve verhoudingen en onrust op de werkvloer leiden. Bovendien is het aangaan van een langdurige verplichting met deze doelgroep vanuit de gevolgen van de Wet werk en zekerheid te risicovol voor werkgevers. Deze hebben dan ook aangegeven dat ze bereid zijn om de intentie van een dienstverband van 24 maanden af te geven en dat zij de werknemers in de pools tijdens werktijd willen scholen, begeleiden en de kans geven om hun talenten te ontwikkelen. Ook bieden de werkgevers in de pools een sluitende aanpak aan de werknemers in de pools. Hierbij worden werknemers, die in de ene pool toch niet op hun plaats blijken te zitten, herplaatst in een andere pool. De sluitende aanpak wordt overigens ook uitgebreid naar andere projecten zoals deze in de arbeidsmarktregio Zuid-Limburg zijn/worden opgestart. Zo kunnen mensen die vanuit de werving van bijvoorbeeld het VDL/Nedcar-project niet geschikt blijken te zijn voor dit project instromen in de werkpools (tenzij een geschikte plek bij de toeleveranciers van Nedcar wordt gevonden voor de betreffende kandidaat).
De werkgever bepaalt zelf (op basis van een werving- en selectietraject) of hij een werknemer in dienst neemt. Op dit dienstverband is het arbeidsrecht van toepassing en bij niet functioneren staan de werkgever dan ook de gebruikelijke instrumenten ter beschikking om het dienstverband te beëindigen. Ook de redenen voor ontslag op staande voet zijn van toepassing op het dienstverband in de werkpool. Mocht het dienstverband om welke reden dan ook onverhoopt eerder eindigen, dan wordt de subsidie enkel verleend over de periode dat het dienstverband heeft geduurd. In geval van ziekte van de werknemer, wordt de subsidie gecontinueerd, tenzij de werkgever een andere voorziening heeft waarmee het ziekterisico is afgedekt.
De hoogte van de subsidie bedraagt 50% van de bruto-bruto loonkosten op basis van 100% WML. Uitgangspunt is een fulltime dienstverband. Wanneer de werknemer minder uren werkt, wordt de subsidie naar rato verlaagd.
In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om in de arbeidsmarktregio nadere voorwaarden ten aanzien van de beoordeling te stellen. Vanuit een vraaggerichte werkgeversbenadering is het immers onwenselijk wanneer dergelijke voorwaarden -gelet op de gewenste eenduidigheid voor werkgevers- per individuele gemeenten verschillen. In de pools komen immers mensen vanuit alle gemeenten bij elkaar en voor de werkgevers dient dan ook te worden voorkomen dat zij met diverse voorwaarden en bepalingen te maken krijgen. Met deze bepaling wordt voorkomen dat de samenwerkende 18 gemeenten verschillende voorwaarden vaststellen.
Artikel 4.
De aanvraag voor de subsidie dient uiterlijk binnen een maand na aanvang van het dienstverband bij het college te zijn ingediend. Voor deze termijn is gekozen om de werkgever enige flexibiliteit en ruimte te bieden bij het aanvragen van de subsidie. Idealiter zou de aanvraag voor de aanvang van het dienstverband moeten worden ingediend, maar in de praktijk is gebleken dat enige coulance hierbij op zijn plaats is.
Artikel 5.
In dit artikel is bepaald welke gegevens verstrekt dienen te worden bij de aanvraag. Een kopie van het arbeidscontract spreekt hierbij voor zich, aangezien hiermee kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden van de subsidie is voldaan. Onder overige gegevens vallen in ieder geval de salarisstroken die maandelijks moeten worden overgelegd.
In de arbeidsmarktregio kunnen nadere aanwijzingen worden gegeven en/of modellen worden voorgeschreven ten aanzien van de in te dienen gegevens. Het betreft aanwijzingen of modellen die voor de hele arbeidsmarktregio hetzelfde zijn. Gemeenten kunnen geen afzonderlijke aanwijzingen of modellen voorschrijven. Voor de werkgevers dienen namelijk, vanuit een vraaggerichte benadering, eenduidige voorwaarden te gelden.
Artikel 6.
De Awb geeft een aantal gronden waarop een subsidie geweigerd dient te worden. Ex artikel 4:25 Awb dient een subsidie te worden geweigerd als door de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Bij de onderhavige subsidie geldt zo’n subsidieplafond, vast te stellen door de individuele gemeente. Artikel 4:35 lid 1 Awb bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd indien er een gegronde reden bestaat om aan te nemen, dat:
a.de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;
b.de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c.de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voorzover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.
Lid 2 van artikel 4:35 Awb bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder geval kan worden geweigerd wanneer de aanvrager:
a.in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;
b.failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend, dan wel daartoe een verzoek bij de rechtbank is ingediend.
In aanvulling op deze wettelijke weigeringsgronden zijn in artikel 6 nog drie gronden opgenomen. Deze drie gronden zien op het beleid van de gemeente ten aanzien van het onderhavige terrein.
Artikel 7.
De verstrekking van subsidies kan in twee fasen plaatsvinden, te weten subsidieverlening en subsidievaststelling. In casu is ervoor gekozen om de eerste fase over te slaan en de subsidie rechtstreeks vast te laten stellen. Dit levert immers werkbesparing op. Aangezien de subsidie per maand achteraf na overlegging van de gevraagde bewijsstukken (arbeidscontract bij aanvraag en salarisstroken maandelijks) wordt uitbetaald, kan meteen worden ingespeeld op gewijzigde omstandigheden, zoals voortijdige beëindiging van het dienstverband c.q. vermindering van het aantal uren per week. Hierdoor bestaat er geen bezwaar tegen het direct vaststellen van de subsidie.
Artikel 8.
In dit artikel is de inlichtingenverplichting van de subsidieontvanger opgenomen en nader uitgewerkt. Wijzigingen in de aard, de duur en de omvang van het dienstverband van de werknemer zijn van eminent belang voor de subsidieverstrekking. Derhalve is er voor gekozen om de schriftelijke melding van deze wijzigingen door de werkgever aan het college expliciet op te nemen in dit besluit.
Artikel 9.
In dit artikel is een zogenaamde hardheidsclausule opgenomen. In individuele gevallen kan het college hiervan gebruik maken.
Artikel 10.
De inwerkingtreding van deze regeling is bepaald op 1 mei 2016. De regeling kan worden ingezet zolang de werkpools in het kader van het MTC worden uitgevoerd. Er is bewust voor gekozen om geen looptijd aan de regeling te koppelen, zodat maximale flexibiliteit bestaat om de pools in te kunnen zetten op de vraag van de werkgevers. Aanvankelijk kennen de pools een pilotperiode van twee jaar, maar bij gebleken succes moet de regeling ook na die twee jaar kunnen worden ingezet. Bovendien starten niet alle pools op hetzelfde moment.