Gemeentelijke regelgeving

Nota Onderwijsachterstandenbeleid 2024-2027

Gemeente Maastricht · geldt sinds 23 december 2023

Aanhef

DE RAAD DER GEMEENTE MAASTRICHT,

gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d.12 september 2023, Team Beleid Jeugd en Onderwijs, no. 2023.03751;

gelet op de verplichting van de gemeente om te zorgen voor onderwijsachterstandenbeleid en een dekkend aanbod van voorschoolse educatie voor kinderen met een risico op een achterstand in de Nederlandse taal en om deze kinderen daadwerkelijk te bereiken (Wet Primair Onderwijs art. 166 en 167);

BESLUIT:

In te stemmen met de nota Onderwijsachterstandenbeleid 2024-2027.

ONDERWIJSACHTERSTANDENBELEID GEMEENTE MAASTRICHT 2024-2027

Voorwoord

In Maastricht hebben alle kinderen recht op een goede start. Voor- en vroegschoolse educatie (vve) en onderwijsachterstandenbeleid kan daaraan bijdragen. In Maastricht wordt hier al langere tijd aan gewerkt. Professionals werken samen, signalen worden opgepikt en kinderen wordt extra stimulering geboden. Met een goede vve hebben kinderen meer kansen op de basisschool. Dit sluit aan en draagt bij aan onze gemeentelijk sociale visie 2040 waarin kansengelijkheid een pijler vormt.

De nieuwe beleidsperiode vanuit het Rijk is ingegaan vanaf 2023. Voorafgaand aan het opstellen van deze nota, is begin 2023 gestart met een onafhankelijke evaluatie over de periode 2019-2022. Het voorgaande beleid heeft daarom ook nog in 2023 doorgelopen. Mede op basis van de evaluatie maakt de gemeente Maastricht nu nieuwe keuzes voor de komende periode (2024-2027). Tal van partijen werken hieraan mee: de kinderopvangorganisaties, de scholen, de bibliotheek, de Heuvelland-gemeenten en de jeugdgezondheidszorg. Ik ben ervan overtuigd dat we met deze nota een goede gezamenlijke basis hebben gelegd voor een goed en inhoudelijk onderwijsachterstandenbeleid waarin kinderen worden uitgedaagd en gestimuleerd.

Wethouder Johan Pas

Managementsamenvatting

Dit is de onderwijsachterstandennota voor de gemeente Maastricht voor de periode 2024-2027.

Het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) richt zich op kinderen van 0-12 jaar met een risico op achterstanden. Met deze nota komt de gemeente Maastricht tegemoet aan een aantal wettelijke verplichtingen vanuit de Wet Primair Onderwijs. Het GOAB bestaat voor een groot deel uit voor- en vroegschoolse educatie. De gemeente ontvangt jaarlijks middelen van het rijk om activiteiten in het kader van GOAB uit te voeren. De hoogte van het bedrag wordt bepaald door criteria van het CBS.

Voorafgaand aan de nota heeft een evaluatie van de vve en het GOAB plaatsgevonden over de periode 2019-2022. Deze evaluatie is uitgevoerd door Sardes. De uitkomsten van de evaluatie zijn benut voor de voornemens voor de komende periode.

Ten opzichte van het huidige beleidskader blijven we grotendeels dezelfde beleidsmatige koers varen. We hebben een kwalitatief hoog niveau van gesubsidieerde peuteropvang, dat we willen voortzetten en waar nodig actualiseren of bijstellen. Een belangrijke uitkomst van de evaluatie is dat het aantal kinderen dat momenteel deelneemt aan de vve groter is dan de inschatting van het aantal kinderen met een risico op achterstand volgens het CBS. Daardoor zijn de kosten van de vve hoger dan de beschikbare rijksmiddelen.

De belangrijkste punten voor het GOAB Maastricht in de komende periode zijn:

De gemeente Maastricht vindt het belangrijk dat kinderen met een risico op achterstand goed ondersteund worden; de samenwerkende instellingen hebben een goed stelsel opgebouwd om kinderen te signaleren en ondersteunen.

Om een inhoudelijk en financieel gezond onderwijsachterstandenbeleid voor de komende jaren neer te leggen worden aantal bijstellingen voorgesteld, zoals:

•Er wordt beter gekeken of kinderen wellicht een andere ondersteuningsbehoefte hebben (bijstelling doelgroepdefinitie). Dit zal leiden tot geleidelijke bijstelling van het aantal geïndiceerde kinderen.

•De inkomensafhankelijke ouderbijdrage wijzigen van 10 uur gratis naar 8 uur gratis voor alle ouders.

•Verkennen naar inclusieve kinderopvang voor kinderen met een andere ondersteuningsbehoefte.

•Bijstelling van de ondersteunende maatregelen (zoals extra financiering voor ‘zware groepen’),

De gemeente bouwt in deze nota dus voort op een goed gestructureerde praktijk, die in de afgelopen periode is opgebouwd. Er zijn doorgaande lijnen, er wordt gewerkt met erkende programma’s, de pedagogisch beleidsmedewerkers zijn geïnstalleerd, er zijn aandachtsfunctionarissen voor de verbinding en de warme overdracht tussen opvang en onderwijs. Het Pedagogisch raamplan documenteert de afspraken per locatie.

ONDERWIJSKANSENBELEID IN DE GEMEENTE MAASTRICHT

De afgelopen maanden heeft, onder leiding van Sardes, een evaluatie plaatsgevonden van de beleidsperiode 2019-2022.

De uitgangspunten zoals beschreven in paragraaf 3.2 worden in dit hoofdstuk verder uitgelegd en beschreven.

Lijst van gebruikte afkortingen en toelichting begrippen

Doelgroepkind:

Een kind wat een ontwikkelingsachterstand kan hebben op het gebied van taal of in de bredere ontwikkeling zoals sociaal-emotionele ontwikkeling, omdat kinderen opgroeien in een andere taalomgeving en/of een omgeving waar weinig of geen begeleiding is.

EAM:

Educatieve agenda Maastricht.

GGD:

Gemeentelijke Gezondheidsdienst. Zij voeren de inspecties op basis van de Wet Kinderopvang uit in de voorschool.

Het Rijk:

De Rijksoverheid, specifiek het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

IKC:

Integraal en Inclusief KindCentrum. Het is een organisatie waar kinderen van 0 tot 13 jaar terecht kunnen. In een IKC zijn onderwijs, kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, peuterspeelzaal en welzijnsactiviteiten voor kinderen samengevoegd.

JGZ:

Jeugdgezondheidszorg (JGZ) 0-4 jaar oftewel het consultatiebureau (jeugdarts, jeugdverpleegkundige). De JGZ 0-4 jaar is verantwoordelijk voor de afgifte van een VVE-indicatie.

Kindvolgsysteem:

Een systeem waarmee je de ontwikkeling van individuele kinderen en een groep kinderen in kaart kunt brengen. Om de effecten van VVE te kunnen monitoren zijn vier onderdelen verplicht: taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotioneel.

Knooppunt:

Overleg van ouders, (voor)school, JGZ en de lokale toegang, waarin kinderen besproken worden die meer ondersteuning nodig hebben. In dit overleg worden afspraken gemaakt over de in te zetten ondersteuning en de afstemming van in te zetten zorg vanuit (voor)school en jeugdhulp.

Peutermonitor:

De gemeente monitort het bereik en toeleiding, de ontwikkelingen van de kinderen en de resultaatafspraken. Op grond van de resultaten van de monitor worden vervolgafspraken gemaakt met de voor- en vroegscholen en JGZ 0-4 jaar.

OOGO:

Op Overeenstemming Gericht Overleg. Overleg tussen gemeenten en onderwijsbesturen.

Ouderbetrokkenheid:

De betrokkenheid van ouders bij de opvoeding en het onderwijs van hun kind, zowel thuis als op school. Er is sprake van ouderbetrokkenheid als uit het gedrag van ouders blijkt dat zij zich (mede)verantwoordelijk voelen voor de schoolontwikkeling van hun kinderen.

Onder ouderbetrokkenheid valt ook de ouderparticipatie, de actieve deelname van ouders aan schoolactiviteiten of door te participeren in de medezeggenschapsraad (MR).

JGZ- Portal:

Het systeem van de JGZ waarin de instroom, doorstroom en uitstroom wordt geregistreerd.

Regulier kind:

Een kind dat zonder VVE indicatie de voor- of vroegschool bezoekt.

Resultaatafspraken:

Om een stimulans te geven aan de kwaliteit en de opbrengsten van voor- en vroegschoolse educatie, naast het realiseren van een zo groot mogelijk bereik, is het van belang dat gemeente en schoolbesturen afspraken maken over de resultaten die met VVE worden nagestreefd. Door doelgericht samen te werken aan resultaten, wordt de kwaliteit verhoogd en wordt structureel ingezet op de doorgaande lijn.

SMI:

Sociaal Medische Regeling is een regeling bedoeld voor ouders in specifieke situaties zoals langdurige ziekte van ouders en/of complexere gezinssituaties, die niet in de mogelijkheid zijn zelf extra opvang te organiseren. JGZ of Sociaal Wijkteam kunnen dan een sociaal medische indicatie afgeven voor (extra) kinderopvang. Deze extra kinderopvang draagt bij aan een tijdelijke verlichting van de draaglast van het gezin en biedt extra ontwikkelingsmogelijkheden voor het kind.

SZMH:

Sociale Zaken Maastricht Heuvelland. Zij voeren de handhaving Wet kinderopvang voor de gemeente Maastricht uit.

VE:

Kinderen vanaf 2,5 jaar met een (risico op een) onderwijsachterstand door omgevingskenmerken kunnen voorschoolse educatie volgen. Peuters zijn dan spelenderwijs bezig met taal, voorbereidend rekenen, motoriek en sociaal-emotionele vaardigheden. Door voorschoolse educatie op de kinderopvang kunnen deze kinderen een betere start maken op de basisschool.

VVE-indicatie:

Kinderen die een Voorschoolse- en Vroegschoolse Educatie-indicatie hebben, zijn kinderen waarvoor het consultatiebureau op basis van door de gemeente vastgestelde criteria een indicatie heeft afgegeven. Deze indicatie kan worden afgegeven omdat het kind extra ondersteuning nodig heeft op de kinderopvang m.b.t. bepaalde ontwikkelingsgebieden, bijvoorbeeld taalontwikkeling.

Voorschool:

Een voorschool is een kinderdagverblijf (incl. peuteropvang) dat VVE aanbiedt. Ook kinderen zonder (taal)achterstand kunnen naar de voorschool. De gemeente bepaalt welke programma's op de voorschool en de basisschool gebruikt mogen worden.

De voorschool betreft de periode van 2-4 jaar.

Vroegschool:

Vroegschoolse educatie is voor kleuters uit groep 1 en 2 van de basisschool. Kinderen kunnen op een speelse manier in de kleuterklassen van de basisschool een -achterstand inhalen, voordat ze aan groep 3 beginnen. De basisschool is verantwoordelijk voor de vroegschoolse educatie.

BIJLAGE 1

Resultaatafspraken VVE gemeenten Maastricht-Heuvelland met partners voorschool en vroegschool (verwerkt in peutermonitor)

De aanleiding voor het maken van resultaatafspraken met de voor- en vroegschool komen voort uit het landelijk georganiseerde risicogestuurd toezicht op gemeentelijk vve-beleid. De gemeente heeft een verantwoordelijkheid bij het vaststellen of haar eigen vve-beleid het gewenste effect heeft. Het is daarom van belang dat de gemeente met de voor- en vroegscholen afspraken maakt over welke informatie met betrekking tot de kwaliteit en resultaten ze daarvoor nodig heeft. Zodoende te kunnen voldoen aan artikel 167, lid b van de WPO.

Met betrekking tot de uitvoering van vve zetten partijen zich op de volgende onderdelen in:

•Inzet aandachtsfunctionaris VVE

•Kwalitatief personeel

•(warme) overdracht

•Methode (peuters en kleuters)

•Knooppunten

•Aanleveren gegevens voor monitoring

•Samenwerking met VVE partners

•Ouderbetrokkenheid

Na te streven resultaten

Door een gezamenlijke inzet op bovenstaande punten streven we de volgende resultaten te behalen in de ontwikkeling van onze peuters en kleuters.

Groei en resultaten van peuters en kleuters monitoren we op vier ontwikkelgebieden (taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling) middels een door de gemeente aan te leveren monitoringssysteem in de voorschool op 4 momenten (2;5 jaar, 2;11 jaar,3;5 jaar, 3;11 jaar) en in de vroegschool in januari en juni elk jaar.

Voorschool:

•De resultaten op de 4 ontwikkelingsgebieden van de reguliere peuters komen niet onder de voor hun leeftijd geldende ontwikkelingsnorm gedurende de voorschool.

•De achterstand op de 4 ontwikkelingsgebieden van de doelgroeppeuters zijn gedurende de voorschool tenminste verbeterd ten opzichte van het startmoment/eerste meetmoment op de voorschool. Als er geen sprake is van achterstand, komt de peuter niet onder de voor hun leeftijd geldende ontwikkelingsnorm gedurende de voorschool.

Vroegschool:

•De resultaten op de 4 ontwikkelingsgebieden van de reguliere kleuters komen niet onder de voor hun leeftijd geldende ontwikkelingsnorm gedurende de vroegschool.

•De achterstand op de 4 ontwikkelingsgebieden van de doelgroepkleuters zijn bij het begin van groep 3 tenminste verbeterd t.o.v. de start van de vroegschool (overdrachtsformulier) of eerste meetmoment. Als er geen sprake is van achterstand, komt de kleuter niet onder de voor hun leeftijd geldende ontwikkelingsnorm gedurende de vroegschool.

•De (cito) toets ( spelling, technisch lezen, rekenen en sociaal-emotionele ontwikkeling) in groep 3 geeft aan dat 75% van de doelgroepkleuters minimaal een voldoende scoort voor de voor hun leeftijd geldende ontwikkelingsnorm.

•De (cito) toets ( spelling, technisch lezen, rekenen en sociaal-emotionele ontwikkeling) in groep 3 geeft aan dat 90% van de reguliere kleuters minimaal een voldoende scoort voor de voor hun leeftijd geldende ontwikkelingsnorm.

Wanneer deze resultaten niet gehaald worden, wordt conform de beleidscyclus met elkaar in gesprek gegaan over de oorzaken en de eventuele aanpassingen van de inzet op de uitvoering van VVE zoals hierboven omschreven. Het niet behalen van de genoemde en na te streven resultaten leidt niet tot (financiële) consequenties.

BIJLAGE 2 Maatregelen

Doordat gemeenten veel eigen besluiten kunnen nemen ten aanzien van voorschoolse educatie, zijn er veel keuzemogelijkheden die meer of minder kinderen bereiken en daardoor ook meer of minder geld kosten. In de tabel hieronder, op basis van gesprekken met VE-aanbieders, zijn onderstaande maatregelen besproken.

Maatregel

Toelichting

Vragen en overwegingen

Aanscherping of verruiming van de doelgroepdefinitie

Op papier komt de doelgroepdefinitie grotendeels overeen met de landelijk gehanteerde CBS-criteria. Opvallend in de definitie zijn de volgende punten:

•Maximaal een afgeronde vmbo b/k of mbo 1 opleiding leidt in het CBS-model tot een negatieve bijdrage aan de kansen van kinderen, maar is niet in de doelgroepdefinitie opgenomen

•Maximaal twee jaar HBO of WO zijn opgenomen in de doelgroepdefinitie, maar dragen in het CBS-model niet negatief bij aan de kansen voor kinderen

•Als risicofactor wordt benoemd factoren in het kind zelf zoals gedrags- en ontwikkelingsstoornissen. Dit hoort echter bij zorg i.p.v. vve

•Als risicofactor worden bij emotioneel en sociaal-emotioneel vlak factoren genoemd die onder SMI lijken te vallen.

Kortom: de vve-doelgroep lijkt veel ruimer dan op basis van het doel van vve gerechtvaardigd, met name omdat er geen alternatief lijkt te zijn. Tegelijkertijd zitten al deze kinderen wel op de groepen en hebben zij ook een aanbod nodig (‘Ze hebben de vve-indicatie niet voor niks’).

•De doelgroepdefinitie kan op onderdelen worden aangescherpt.

•Belangrijker lijkt om duidelijker de samenhang en het verschil tussen VVE, SMI en Jeugdzorg te beschrijven. Dat lost de samenstelling van de groepen niet op, maar maakt wel dat budgetten eerlijker verdeeld kunnen worden. Nu lijkt te veel in het vve-potje geplaatst te worden.

•Intussen kan gewerkt worden worden aan een afbouw van vve-indicaties voor peuters die nu nog niet naar de ve gaan (dus kinderen die nog geïndiceerd moeten worden): alleen voor die kinderen die daadwerkelijk baat hebben bij een taalinjectie voordat ze naar school gaan. Ook de andere kinderen zullen mogelijk naar de peutergroepen blijven gaan maar vanuit andere financiering of vanuit de reguliere opvang.

Startleeftijd verlagen of gelijk houden

Eerder starten, bijvoorbeeld bij 2 jaar of bij 2 jaar en drie maanden.

Nadeel is dat 2-jarigen soms nog erg jong zijn en het verschil tussen 2-jarigen en 4-jarigen groot kan zijn.

Voordeel is dat dit als ingroeimodel kan worden ingezet, zodat peuters als ze 2,5 zijn gewend zijn en ook echt kunnen leren. Op die manier kan het onderdeel zijn van de toeleiding

•We zien dit als ingroeimodel met 8 uur per week tussen 2 en 2,5 jaar.

•Dit leidt tot een stijging van de kosten voor de gemeente.

Uurtarief gelijk houden, verhogen of verlagen

Het uurtarief bepaalt de inkomsten voor de aanbieders van ve en de kosten voor de gemeente. De bijdrage van de gemeente aan het uurtarief in Maastricht is doordat deze voor álle peuters op de groep geldt (ook de niet ve-peuters) hoog, zeker in combinatie met het locatiegebonden budget. Ook is in de huidige kindgebondenregeling niet uitgewerkt wat exact allemaal uit de bijdrage van €2,30 gefinancierd moet worden. Landelijk zit de gemeente Maastricht vrij hoog in de bijdrage Tegelijkertijd geven ve-aanbieders aan dat ze dit bedrag ook echt nodig hebben omdat:

•Veel groepen een relatief zware populatie hebben

•Veel groepen relatief klein zijn (niet rendabel)

•Veel peuters minder dan 16 uur afnemen

•De huurprijzen in Maastricht hoog liggen

•Helpt het om de gratis uren alleen te geven als 16 uur wordt afgenomen (mede in relatie tot niet volledige afname van 16 uur vve)?

•Bovenstaande (meer afname) leidt ook tot meer kosten bij de gemeente.

•Het inzichtelijk maken kost tijd, een kostprijsonderzoek in 2024 kan helpend zijn om inzicht te krijgen en eventuele wijzigingen door te voeren.

Ouderbijdrage

Voor welk deel van de uren ve betalen ouders mee?

Ouders van doelgroeppeuters betalen 6 uur volgens KOT-regeling of inkomensafhankelijke ouderbijdrage. 10 uur krijgen ze gratis.

Ouders van niet doelgroeppeuters betalen volgens de KOT regeling of inkomensafhankelijke bijdrage.

•Toewerken naar 8 uur gratis i.p.v. huidige 10 uur gratis. Dat zou dan gaan gelden voor ouders met nieuwe peuters (dus niet voor bestaande klanten).

Aantal uren voor niet-doelgroep kinderen

Voor niet-doelgroepkinderen betaalt de gemeente voor 6 uur €2,30 per uur boven op het maximum KOT-bedrag van €9,12

•Dit is een vorm van groepsfinanciering: om een groep te kunnen draaien is een bepaald bedrag nodig, los van het exacte aandeel ve-kinderen niet-vekinderen. Dit bedrag achterwege laten komt dus op hetzelfde neer als een bezuiniging op de uurprijs of op het locatiegebonden budget.

Locatiegebonden financiering

Voor de locatiegebonden subsidie ligt vast waar deze aan besteed moet worden. Daarmee wordt aangegeven hoe deze subsidie ingezet kan worden voor versterking van de kwaliteit van ve.

Ve-aanbieders geven aan dat deze subsidie de mogelijkheid geeft, maar ook dwingt, om per locatie goed te kijken wat daar nodig is. En dus ook per locatie keuzes te maken

•Locatiegebonden subsidie omzetten in een uurprijs? Deze komt omgerekend naar alleen doelgroeppeuters neer op €4 per doelgroeppeuter per uur (uitgaand van 16 uur afname).

BIJLAGE 3 Doorgevoerde landelijke ontwikkelingen en wettelijke kaders

Sinds 2018 zijn er drie belangrijke veranderingen rondom GOAB met gevolgen voor het onderwijs, kinderopvangaanbieders en voor gemeenten.

1Een nieuwe verdelingssystematiek voor Rijksmiddelen voor onderwijsachterstanden.

2Aanscherping kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie (ve) en voor kinderopvang als geheel.

3Uitbreiding aantal wettelijk verplichte uren ve

Wettelijke kaders

Het onderwijsachterstandenbeleid (OAB) wordt gekaderd door de eisen uit de wet op het Primair Onderwijs (WPO, artikelen 165 - 168), (aanpassingen op) de wet Kinderopvang (WKO) en Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB).

Belangrijkste kaders zijn:

–Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de voorschoolse educatie (WPO 166)

–In overleg met schoolbesturen en kinderopvangpartners maken gemeenten afspraken over deelname, aanbod, segregatie, resultaten etc. (WPO 167 en 167a)

De AMvBs geven de kaders voor het voorschoolse aanbod weer, zoals de professionaliteit van de beroepskrachten, het aantal beroepskrachten per peutergroep, de inzet van de hbo’er in de ve e.d.

De wetten en regelgeving zijn:

–Wet op het primair onderwijs

–Wet op de kinderopvang

–Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

–Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang

–Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.