2 Kaders
2.2 De wettelijke basis
2.2.1 Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GWR)
Bij besluiten in het kader van de Wet bodembescherming moet het bevoegde gezag rekening houden met de bepalingen uit de KRW/GWR. Voor de historische verontreinigingen waarvoor deze gebiedsaanpak is uitgewerkt, wordt verdere verspreiding voorkomen buiten de grenzen van het vastgestelde beheergebied en worden voor deze verontreinigingen afspraken gemaakt over een actieve bronaanpak. Hiermee wordt voortgaande verontreiniging van het grondwater voorkomen en kan trendomkering worden bewerkstelligd. In dit Gebiedsplan wordt hiervoor een goede onderbouwing op basis van risico's, milieurendement en kosten gegeven en worden kaders gegeven voor de monitoring van het grondwaterlichaam. Hiermee voldoet de aanpak aan de Nederlandse invulling van de KRW/GWR.
2.2.2 Wet bodembescherming (Wbb)
Wbb Artikel 55c geeft de wettelijke basis voor het instellen van een gebiedsaanpak. In onderstaand tekstkader is dit artikel opgenomen. In paragraaf 2.3 spiegelen we de situatie in Maastricht aan dit artikel en we komen daarmee op de kaders waarbinnen de uitwerking van de gebiedsaanpak kan plaatsvinden.
Wbb Artikel55c
1Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van een bestuursorgaanof ambtshalve, een gebied aanwijzen waar een gebiedsgerichte aanpak zal plaatsvinden.
2Een gebiedsgerichte aanpak is gericht op:
a.het zoveel mogelijk voorkomen van de risico’svan verspreiding van verontreiniging buiten het aangewezen gebied, en
b.de bescherming van bestaande en beoogdefuncties van, in en op de bodem binnen het aangewezen gebied.
3Van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt indien gevallen van verontreiniging in het diepere grondwater in een gebied zodanig gemengd zijn of gemengd kunnen raken dat deze gevallen voor de toepassing van deze wet naar het oordeel van gedeputeerde staten niet ten opzichte van elkaar zijn te onderscheiden en af te bakenen, dan wel indien gevallen van verontreiniging in het diepere grondwater in een gebied elkaar naar het oordeel van gedeputeerde staten bij een afzonderlijke aanpak van die gevallen in betekenende mate kunnen beïnvloeden, en, naar het oordeel van gedeputeerde staten:
a.wenselijk geachte ruimtelijke ontwikkelingen en andere plannen voor ontwikkeling van het gebied hierdoor worden belemmerd;
b.het treffen van maatregelen ter voorkoming van verspreiding van verontreiniging buiten het gebied hierdoor achterwege dreigt te blijven of niet op doelmatige of kosteneffectieve wijze kan plaatsvinden, of
c.andere bijzondere omstandigheden een gebiedsgerichte aanpak wenselijk maken.
2.2.3 Gebiedsgerichte aanpak grondwater in Maastricht
In het eerste watervoerend pakket onder Maastricht is een groot aantal historische verontreinigingen aanwezig (zie hoofdstuk 3). Van deze verontreinigingen is veelal geen veroorzaker meer aan te wijzen. Het betreffen mobiele verontreinigingen die zich snel in het pakket kunnen verspreiden. Door een historie van grondwateronttrekkingen in de stad en de geohydrologie (doorlatend pakket) zijn deze verontreinigingen sterk verspreid en voor een groot deel in elkaar overgelopen. Geohydrologische ingrepen in het watervoerend pakket zijn namelijk gelijk over een zeer groot gebied in dit pakket merkbaar gezien de doorlatendheid, geringe dikte en goede insluiting van dit pakket. Dit proces van verspreiding en vermenging vindt nog steeds doorgang waarbij de verontreinigingen uiteindelijk in de Maas terecht zullen komen.
Wat daarnaast speelt is dat de bodemopbouw en geohydrologie erg heterogeen is. Dit komt tot uiting in kwaliteitsmetingen van het grondwater. Het is erg lastig een consistent beeld samen te stellen van de verontreinigingsituatie en de verspreiding. Ook als nu ingrepen in de ondergrond plaatsvinden waarbij tegenmaatregelen worden getroffen is het plaatselijk mogelijk (erg) lastig om de nulsituatie vast te stellen en deze in stand te houden met tegenmaatregelen. De op deze wijze ontstane verontreinigingsituatie maakt het bovendien zo goed als onmogelijk de individuele grondwaterverontreinigingen te onderscheiden laat staan geval voor geval (zoals klassiek de bodemsanering is opgepakt en geregeld) gevalsgericht op een kostenefficiënte wijze te saneren. Kortom; hier is sprake van een milieuhygiënische situatie waarvoor een Ggb-aanpak is bedoeld en waarmee juiste kaders kunnen worden geschapen om beleidsmatig te verankeren en uitvoeringstechnisch hanteerbaar te maken (voorwaarde Wbb artikel 55c lid 3b).
In Maastricht-Oost vinden regelmatig grondwateronttrekkingen plaats ten behoeve van verschillende infrastructurele- en bouwprojecten. Gezien de binnenstedelijke setting van deze onttrekkingen kunnen ze niet zonder meer worden toegepast. De bemalingen veroorzaken de nodige onbedoelde en ongewenste effecten in de ondergrond. De belangrijkste hiervan is de verspreiding van verontreinigingen in het grondwater. Deze verspreiding is wegens Wbb art. 13 niet toegestaan zonder dat tegenmaatregelen worden getroffen met het doel deze verspreiding te voorkomen.
De tegenmaatregelen zijn zeer kostbaar en men moet rekening houden met de nodige proceduretijd. Het milieuhygiënisch nut van deze tegenmaatregelen is nihil. Immers, in het verleden zijn de nodige omvangrijke grondwateronttrekkingen uitgevoerd en door sterke peilwisselingen van de Maas zijn deze verontreinigingen al in grote mate in verschillende richtingen verplaatst en vermengd in de ondergrond. Dit proces is nog steeds gaande. Verdere verspreiding is vanwege art. 13 niet toegestaan maar zal ten opzichte van het historisch perspectief weinig veranderen aan de milieuhygiënische toestand van het grondwater.
Ook in de toekomst zullen er ontwikkelingen plaatsvinden waarbij de noodzaak bestaat om grondwater op te pompen. Denk hierbij aan de implementatie van een BE-systeem, de winning van grondwater voor industriële doeleinden of bemalingen in het kader van bouwprojecten. Ook hierbij zal bovengenoemde problematiek vaak van toepassing zijn. Kortom: hier is sprake van een situatie waarbij ruimtelijke ontwikkelingen en andere plannen voor de ontwikkeling van het gebied worden belemmerd (voorwaarde Wbb artikel 55c lid 3a)
3 Beschrijving bodem- en watersysteem
3.3 Geohydrologie
3.3.1 Geohydrologisch profiel
In tabel 3.1 is naast de geologie opbouw ook de geohydrologische opbouw met de watervoerende en scheidende lagen opgenomen. In deze paragraaf worden de eigenschappen van de watervoerende laag beschreven van de verschillende delen van Maastricht. In figuur 3.2 is de doorsnede opgenomen van de geologische opbouw van de verschillende terrassen met daarin de grondwaterspiegel en het stromingspatroon van het grondwater.
Figuur 3.2 Geohydrologisch profiel Maasdal Deels op basis gegevens van W.M.FELDE R , 1989: Delfstoffen in Limburg, Grondboor en Hamer 43(5/6), pp. 145-155
Navolgend is de geohydrologie van de meest relevante terrassen, te weten met midden- en laagterras, nader beschreven. De situering van de terrassen is in figuur 3.1 weergegeven.
3.3.2 Middenterras Oost-Maastricht
De grens van het middenterras bevindt zich globaal op de lijn van de oude dorpskernen van de wijken Heer, Scharn en Amby in Maastricht. Zoals op het hoogterras is akkerbouw in combinatie met grasland de meest voorkomende vorm van grondgebruik. Het resterende deel van het middenterras hoort tot de bebouwde kom van Maastricht. In deze zone is vrijwel de gehele kalksteenlaag verzadigd met grondwater, waarbij de aanwezigheid van een netwerk van scheuren en karsten deze zone uitermate geschikt maakt voor het winnen van grondwater voor drinkwaterdoeleinden. Ten gevolge van de winningen en de nabijheid van een steilrand aan de westzijde van dit terras staat ook hier het dunne Pleistocene grindzandpakket bijna overal droog. Enkel in een beperkte zone rondom de Akersteenweg bevat het grindpakket water. Dit heeft deels te maken met de afwezigheid van grondwaterwinningen in deze zone. Naast de variaties in grondwaterwinning bepalen de seizoensinvloeden het grondwaterregime op het middenterras. De nabijheid van het 10 tot 15 meter lager gelegen laagterras heeft verder invloed op de grondwaterstand in vooral de hoger gelegen delen van de wijken Heer en de Heeg.
Op het middenterras heeft de löss een beperkte hydrologische weerstand. Het lössdek biedt beperkte bescherming voor het grondwater dat de WML hier wint. Deze waterwingebieden zijn dan ook relatief kwetsbaar voor uitspoeling van nutriënten en verontreinigingen. Een calamiteit kan leiden tot stopzetting van een aantal winputten en tot grondwateroverlast in het laagterras waar het grootste deel van Maastricht zich in bevindt. Een groot deel van het grondwater uit het tweede watervoerende pakket (de kalksteen) wordt opgepompt voor drinkwaterproductie, het resterende, niet opgepompte deel, vervolgt haar weg richting het Laagterras.
3.3.3 Laagterras Oost-Maastricht
Op het laagterras bestaat de deklaag uit jonge antropogene rivierklei. De dikte van de deklaag is circa 4 meter. Het eerste watervoerende pakket bevat hier uiterst grof grind met stenen en zelfs kwartsietblokken van 2 meter in doorsnede. De Maas draineert het grindpakket en afhankelijk van het Maaspeil en het seizoen is het grindpakket vrijwel geheel verzadigd. Vanwege het slecht gesorteerde grind met relatief weinig fijne fracties en vele stenen is het doorlaatvermogen hier in het laagterras zeer hoog (Kd-waarden van 5.000 m2/dag en groter). De dikte van het eerste watervoerende pakket is circa 8 meter.
Onder het grindpakket bevindt zich ook hier in het laagterras direct kalksteen. In tegenstelling tot de kalksteen van het hoog- en middenterras zijn hier nauwelijks karsten in te verwachten. Geofysisch onderzoek voor het Campusplan en de geplande A2-tunnel te Maastricht hebben diverse zwaktezones in de kalksteen aan het licht gebracht. Ter plaatse van het A2-tunneltracé zijn breukzones geïdentificeerd, die waarschijnlijk aan het eind van het Pleistoceen of later nog actief zijn geweest. Over een lengte van 2.400 meter is in 2010 het gehele A2-tunnel-tracé onderzocht op dit soort structuren. Naast karsten, scheuren en breuken spelen vuursteenschollen en verticale vuursteenknollen een prominente rol bij het grondwatertransport in de kalksteen. Dit geldt voor de gehele omgeving rondom Maastricht. Oscillatietesten hebben aangetoond dat de bovenste 3 tot 4 meter van de kalksteen gemiddeld een factor 6 meer doorlatend is dan de onderliggende kalksteenlagen. Deze kalksteen kan worden beschouwd als het onderste deel van het eerste watervoerende pakket. Ten zuiden van het centrum draineert de Maas ook het kalksteenpakket. Gezien bovenstaande mag worden aangenomen dat ter plaatse van het beheersgebied ook de bovenste goed doorlatende meters van het kalksteenpakket worden gedraineerd door de Maas.
3.3.4 Grondwaterstroming
Het grondwatersysteem in Oost-Maastricht is zeer dynamisch wegens de aanwezigheid van de regenrivier de Maas. De Maas is sinds de jaren dertig van de vorige eeuw voorzien van een stuw bij Borgharen. Vanwege de bevaarbaarheid wordt er een minimaal Maaspeil gehandhaafd van 44,10 m +NAP net bovenstrooms van deze stuw. In geval van een hoogwatersituatie wordt de stuw gestreken en is het circa 6 m hoge peilverschil over de stuw verdwenen. Bij een gemiddelde of lage afvoer stroomt grondwater in noordwestelijke richting door Oost-Maastricht naar de Maas. In een dergelijke situatie zuigt het lagere peil van de Grensmaas benedenstrooms van de Stuw Borgharen het grondwater aan. Het verhang bedraagt dan circa 1m per km. De stuw werkt als het ware als een forse onttrekking. Indien de stuw bij hoogwater gestreken is, verdwijnt dit effect en kantelt de grondwaterstroming en volgt dan een westelijke koers door Oost-Maastricht. De grondwaterstanden fluctueren zeer sterk, ze volgen direct het Maaspeil. Uit oude metingen van de Waterleidingmaatschappij blijkt dat de Maaspeilen voor de aanleg van de stuw sterker fluctueerden (tussen de 41 m: 47 m+NAP) dan in de huidige situatie (44,1: 46,5 m+NAP) De drainerende werking van de Maas is dé belangrijkste factor ten aanzien van de grondwaterstroming in Maastricht.
3.4 Grondwateronttrekkingen
3.4.1 Drinkwaterwinning
De WML (Waterleidingmaatschappij Limburg) wint circa 12 miljoen m3 grondwater per jaar uit de verkarste kalksteen uit het middenterras direct ten oosten van Maastricht. Daarnaast is nog 2 miljoen m³ vergund voor winplaats de Dommel (strategische reserve). Naast de peilbeheersing van de Maas leidt deze onttrekkingen tot een afvlakking van het verhang van het grondwater in Oost-Maastricht. Er stroomt dan minder grondwater richting de Maas. Omdat de drinkwaterwinning zich op het middenterras en bovenstrooms van het beoogd beheersgebied bevindt zal de drinkwaterwinning niet beïnvloed worden door de toepassing van Ggb.
3.4.2 Industriële grondwaterwinning
Van de provincie Limburg en het waterschap Roer en Overmaas hebben wij een actuele lijst met grondwateronttrekkingen binnen de gemeente Maastricht gekregen (situatie per 1 juli 2013). De vergunde industriële grondwateronttrekkingen van MOSA en O-I Manufacturing Netherlands BV (Glasfabriek) bevinden zich binnen het gebied waar Ggb zal worden ingesteld.
3.4.3 Bodemenergiesystemen (BE-systemen)
Binnen het gebied ligt één bodemenergiesysteem: Servatius Wonen en Vastgoed/Rabobank. De overige BE-systemen liggen buiten de gebiedsgrens. Bij het verlenen van een vergunning in het kader van de (toenmalige Grondwaterwet, thans) Waterwet is de afweging gemaakt of het geplande BE-systeem effect heeft op andere belangen ten aanzien van het grondwater. Het aantrekken van verontreinigingen is daar een onderdeel van en is daarmee gedekt. Onduidelijk is of hierbij ook rekening is gehouden met natuurlijke verspreiding van grondwaterverontreinigingen waardoor deze zich op termijn binnen het invloedsgebied van het systeem kunnen vallen en op dat moment een extra, niet natuurlijke verspreiding zal optreden door het BE- systeem. Een gebiedsaanpak voorziet in ieder geval de mogelijkheid dat in dergelijke situaties deze verspreiding is toegestaan.
3.4.4 Bemalingen uit het verleden
In het verleden heeft in het gebied een groot aantal bemalingen plaatsgevonden ten behoeve van de aanleg van kelders en tunnels. Als gevolg van deze bemalingen kunnen grondwaterverontreinigingen verplaatst zijn. Door het ontbreken van specifieke informatie over deze onttrekkingen en de verontreinigingssituatie ten tijde van de bemalingen is het onmogelijk om deze eventuele verplaatsing inzichtelijk te maken.
3.4.5 Ingrepen en bemalingen A2-Maastricht
Tijdens de aanleg van de tunnel zal een groot aantal bemalingen met een aanzienlijk debiet benodigd zijn. Ook indien de tunnel gereed is, zal de aanwezigheid daarvan de grondwaterstroming beïnvloeden. De grondwaterstroming wordt dan gehinderd door de tunnel. Het is de verantwoordelijkheid van Avenue2 om deze effecten zoveel mogelijk op te heffen. De exacte aanpak voor het opheffen van de effecten na het gereed komen van de tunnel is nog niet bekend.
3.4.6 Andere projecten met voorziene ingrepen in het grondwater
Voor het Palace project midden in Wijck tussen de Lage-Barakken en de Wijcker-Grachtstraat wordt naar verwachting medio juli 2013-2014 een tweelaags parkeergarage gebouwd. Hier wordt hoogst waarschijnlijk via deepwells de kalksteen bemalen. Op en nabij deze locatie zijn grondwaterverontreinigingen aanwezig olie en VOCL. Verder zal vermoedelijk in de zomer of het najaar van 2013 direct naast de grondwaterverontreiniging aan de Abdissenweg (Hoolhuus) een bemaling plaatsvinden ten behoeve van het ondergronds brengen van hoogspanningskabels.
3.4.7 Resumé
Op de overzichtstekening in bijlage 1 zijn de locaties van bestaande grondwateronttrekkingen weergegeven. De gegevens van de provincie Limburg hebben wij tevens als bijlage 2 bij deze rapportage opgenomen. Gesteld kan worden dat de diverse grondwateronttrekkingen en het peilbeheer van de Maas een grote invloed hebben (gehad) of nog zullen hebben op de grondwaterstroming in de gemeente Maastricht. Zowel de snelheid alsook de richting van de grondwaterstroming hebben sterk gevarieerd in de loop van de tijd, en ook in de toekomst zal deze variatie blijven bestaan.
4 Analyse belangen
4.1 Relatie met belangen (actoranalyse)
4.1.1 Probleemhouders bodemverontreinigingen
De gemeente Maastricht is, zo blijkt uit het voorgaand overzicht, de belangrijkste probleemhouder van de aanwezige ‘grootschalige grondwaterverontreinigingen’. Met name in het gebied tussen A2-tunnel en de Maas zijn meerdere grootschalige en zeer mobiele grondwaterverontreinigingen (VOCl) aanwezig. Onder invloed van de natuurlijke grondwaterstroming verspreiden deze verontreinigingen zich in de richting van de Maas. Als gevolg van de verschillende historische onttrekkingen en de variatie daarin zijn de pluimen ‘uitgewaaierd’ en deels vermengd. Gesteld kan worden dat deze pluimen een grote onderlinge samenhang vertonen voor wat betreft saneringsmogelijkheden. Een gebiedsgerichte aanpak lijkt voor de gemeente voor deze verontreinigingen een doelmatige en kostenefficiënte oplossing te bieden.
Niet genoemde verontreinigingen worden verder buiten beschouwing gelaten. Het betreffen de volgende verontreinigingen:
•Verontreinigingen die gezien hun minder mobiele karakter tot een zeer beperkte verspreiding hebben geleid en ook bij nieuwe ingrepen in de ondergrond (bijv. bronbemalingen) nagenoeg niet zullen verspreiden en in voorkomende gevallen daarop niet op te hoeven worden gemonitoord;
•Ondiepe verontreinigingen (gesitueerd in de deklaag). Dit betreffen verontreinigingen waarvoor een gevalsgerichte aanpak het meest voor de hand ligt ongeacht of het mobiele of immobiele verontreinigingen betreffen. Vanuit de gebiedsaanpak worden in hoofdstuk 5 kaders gegeven voor de aanpak van de ondiepe mobiele verontreinigingen (‘bronaanpak’). Immobiele verontreinigingen staan hier geheel los van en zullen alleen in rol spelen in relatie tot bovengrondse activiteiten. De bronaanpak valt verder buiten de scope van het op te stellen gebiedsplan. De eigenaren dienen voor de feitelijke bronaanpak zelf een (deel) saneringsplan in bij het bevoegd gezag Wbb.
Voor de spoorgerelateerde verontreinigingen (SBNS) en de locatie Trega (derden) is mogelijk ook sprake van een grondwaterverontreiniging waarvoor een gebiedsgerichte aanpak een (deel van) de oplossing zou kunnen vormen. Deze verontreinigingen maken echter vooralsnog geen onderdeel uit van dit gebiedsplan en hiervoor blijft derhalve het bestaande Wbb instrumentarium van toepassing.
Het is mogelijk om deze laatstgenoemde verontreinigingen of andere nu bekende of onbekende gevallen van bodemverontreiniging in de toekomst alsnog toe te voegen aan de gebiedsgerichte aanpak (Wbb art. 55g, sub 2).
Hiermee wordt bedoeld dat deze partijen ten aanzien van de aanpak van een diepe grondwaterverontreiniging kunnen aansluiten bij het gebiedsgericht beheer inclusief de kaders die hiervoor zijn opgesteld. De aanpak van een eventuele bron blijft de verantwoordelijkheid van de initiële probleemhouder (zie par. 7.2). In dat geval kan de gemeente vanuit haar bevoegd gezag taak afdwingen dat een bron actief wordt aangepakt (bv omdat er sprake is van humane risico’s), waarna een resterende grondwaterverontreiniging middels het Ggb wordt beheerd. De partijen dienen in dat geval een financiële bijdrage te leveren ten behoeve van de gebiedsgerichte aanpak. Hiervoor dient een afspraak (bijvoorbeeld via een afkoopregeling) te worden gemaakt met de gebiedsbeheerder.
4.1.2 Permanente grondwateronttrekkingen
De drinkwaterwinning bevindt zich geheel bovenstrooms van het gebied waarvoor we de Ggb- aanpak willen gaan uitwerken. De winning is van invloed op de grondwaterstroming in het gebied maar andersom wordt geen invloed van de gebiedsgerichte aanpak op de winning verwacht.
De industriële onttrekkingen van O-I manufacturing en MOSA bevinden zich ook binnen het beheersgebied. Op basis van beschikbare informatie van de verontreinigingsituatie van het gebied blijkt dat deze winningen zich in een deel van het gebied bevinden waar grondwaterverontreiniging aanwezig is (SBNS). Bij de uitwerking van de gebiedsaanpak is de bescherming van deze winningen een uitgangspunt. Zo dient te worden voorkomen dat de kwaliteit van het opgepompte grondwater op termijn negatief wordt beïnvloed door het toestaan van verspreiding van grondwaterverontreinigingen binnen de gebiedsaanpak. Indien dit uitgangspunt grote offers vraagt kan alsnog in overleg tussen gebiedsbeheerder en onttrekker worden bekeken of concessies mogelijk en haalbaar zijn.
Het bodemenergiesysteem van Zwembad de Geusselt, het UWCM en de onttrekking van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) bevinden zich nabij het Ggb-gebied maar liggen op grotere afstand van de aanwezige grondwaterverontreinigingen (zie bijlage 1). Gezien de grondwaterstromingsrichting alsmede afstand van deze onttrekkingen tot de gebiedsgrens wordt geen beïnvloeding van deze winningen door de verontreinigingen verwacht.
Indien een grondwaterverontreiniging zich in de toekomst verplaatst tot binnen het invloedsgebied van een BE-systeem of industriële grondwateronttrekking (hetzij door natuurlijke stroming of door verspreiding die met de gebiedsaanpak mogelijk wordt gemaakt) zullen deze onttrekkingen een extra verspreiding veroorzaken. Op dat moment zal de beheerder van een dergelijk systeem voordeel hebben bij een gebiedsaanpak omdat die een dergelijke extra verspreiding toestaat (binnen zekere kaders). Er hoeven in dat geval geen compenserende maatregelen te worden getroffen. Het bodemenergiesysteem van Servatius/Rabobank ligt bijvoorbeeld binnen de gebiedsgrens en hier kan in de toekomst mogelijk verontreinigd grondwater worden verplaatst of zelfs opgepompt.
Gezien de relatief lage gehalten aan VOCl in het watervoerende pakket in de omgeving van dit BE-systeem zijn er geen risico’s voor aantasting van de PVC-leidingen die in dit BE-systeem zijn toegepast. Deze risico’s treden pas op bij VOCl-gehalten boven enkele milligrammen per liter (Handleiding BOEG: bodemenergie en grondwaterverontreiniging, Nederlandse Vereniging van Ondergrondse Energieopslagsystemen, april 2010). De gehalten In het watervoerende pakket binnen de gebiedsgrens liggen ruim beneden dit niveau. Binnen de kaders van de gebiedsaanpak zal het belang van dit BE-systeem ook in de toekomst geborgd worden.
Ook bij de implementatie van een nieuwe onttrekking dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen in het grondwater (materiaalkeuze, veiligheidsmaatregelen bij onderhoud, lozing opgepompt grondwater).
4.1.3 Tijdelijke grondwater onttrekkingen
Bij de realisatie van werken waarbij grondwater moet worden opgepompt moet normaal gesproken rekening worden gehouden met de aanwezige grondwaterverontreinigingen. Om verplaatsing van verontreinigingen te voorkomen moeten dure compenserende maatregelen worden getroffen en er moet rekening worden gehouden met het doorlopen van de benodigde (soms lastige) procedures. Bij de toepassing van Ggb is bovenstaande niet meer nodig. De initiatiefnemers hebben daarom dus baat bij de implementatie van de gebiedsgerichte aanpak.
Op dit moment zijn de A2-tunnel, het Palace-terrein en het ondergronds brengen van de kabels nabij de Abdissenweg belangrijke werken waarbij compenserende maatregelen moeten worden getroffen. Gezien de stedelijk dynamische ligging van het gebied en de diepte van het grondwater mag verwacht worden dat er in de toekomst nog veel meer grote en kleine project in uitvoering komen waarbij bemalingen nodig zijn (parkeren, infrastructuur, et cetera).
4.1.4 Oppervlaktewaterbeheer
De Maas, waarvan Rijkswaterstaat de beheerder is, vormt de stroomafwaartse grens van het beheersgebied. Er is hoogstwaarschijnlijk in de huidige situatie al sprake van een ‘natuurlijke lozing’. Het Wettelijke kader voor een dergelijke lozing wordt gegeven door de Europese Kaderrichtlijn Water. Deze verplicht tot het stellen van doelen voor (grond)waterlichamen en het opstellen van maatregelpakketten om deze doelen te realiseren. Deze richtlijn is gericht op het voorkomen en beperken van verontreiniging. Bestaande wet- en regelgeving zoals het Besluit bodemkwaliteit, Wet bodembescherming en Waterwet, vormen onderdeel van het maatregelpakket. Voor lokale inbreng van stoffen (inputs) gelden de ‘prevent and limit’ voorschriften. Deze zijn gebaseerd op het principe van voorzorg. Artikel 4 KRW legt de EU-lidstaten de verplichting op om maatregelen te nemen teneinde de inbreng van verontreinigende stoffen in (grond)water te voorkomen of te beperken. Ook voor dit gebiedsplan wordt van dit voorzorgbeginsel uitgegaan en wel op de volgende wijze.
Uitgaand van het algemeen milieubeginsel van bestrijding bij de bron (bronaanpak) wordt op langere termijn een verbetering van de milieukwaliteit en dus ook een afname van de lozing op de Maas gerealiseerd. Gezien de resultaten van de Immissie-/Emissietoets mag redelijkerwijs worden aangenomen dat er met een bronaanpak geen schadelijke milieueffecten in de Maas zullen optreden. Er is dan ook sprake van een ‘overzienbaar’ risico dat bovendien in het kader van de gebiedsaanpak constant zal worden gemonitoord. Indien nodig kan relatief snel worden gereageerd door het treffen van faalmaatregelen (bijvoorbeeld een geohydrologische beheersing, extra bronverwijdering of een bioscherm). Waar mogelijk of waar de meerwaarde is aangetoond kan met slimme combinaties van functies of ingrepen in het beheersgebied de vracht preventief worden aangepakt. Kosteneffectiviteit, risicoreductie en verhoging gebruiksmogelijkheden van het grondwater zijn daarbij afwegingsfactoren.
Opgemerkt wordt dat met eventuele actieve maatregelen de lozing op de Maas zou kunnen worden gereduceerd of voorkomen. Er is nu echter nog geen sprake van noodzaak voor dergelijke maatregelen en dit zal gezien de nu aangetoonde gehalten in het grondwater en het karakter van de stoffen (afbreekbaar) naar verwachting ook in de toekomst niet aan de orde zijn (zie CSM).
5 Afbakening en doelstelling
5.1 Afbakening gebiedsaanpak
5.1.1 Fysieke gebiedsgrenzen
Op basis van het CSM komen we tot de gebiedsafbakening waarvoor de gebiedsgerichte aanpak van grondwater in dit rapport wordt uitgewerkt. We onderscheiden hierin drie belangrijke grenzen.
Horizontale begrenzing
Bijlage 1 geeft op kaartbeeld de horizontale begrenzing weer. Op grond van de volgende overwegingen is deze grens tot stand gekomen.
•Maas: De Maas vorm een natuurlijke begrenzing van het gebied. Alle stroombanen in het eerste watervoerend pakket eindigen in de Maas. Deze rivier draineert het watervoerend pakket (inclusief de bovenste 3 a 4 meter van de kalkzandsteen) waarbinnen zich de dynamiek van de stad afspeelt en de grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn.
•Stroomopwaartse begrenzing: Voor de stroomopwaartse oostelijke begrenzing in het eerste watervoerend pakket is gekozen voor de oostelijke begrenzing van het invloedsgebied van de bemalingen ten behoeve van de aanleg van de tunnelbak A2;
•Noordelijke en zuidelijke grens: Deze grens is zodanig gekozen dat alle bekende grootschalige grondwaterverontreinigingen ten oosten van de Maas, alsmede de grondwateronttrekkingen die deze verontreinigingen nu of in de toekomst kunnen verplaatsen, zich binnen de gebiedsgrenzen bevinden. Hierdoor de kans dat een grondwaterverontreiniging als gevolg van een onttrekking tot buiten de gebiedsgrens wordt verplaatst te verwaarlozen. Het gebiedsplan biedt zo daadwerkelijke de voordelen voor deze ontwikkelingen waarvoor het gebiedsplan is bedoeld. Binnen het gebied bevinden zich geen kwetsbare objecten (conform circulaire bodembescherming 2009). Denk hierbij bijvoorbeeld aan beschermde gebieden als ecologisch waardevolle gebieden of gebieden die zijn aangewezen voor grondwaterwinningen bestemd voor menselijke consumptie.
Verticale begrenzing bovenzijde
In nagenoeg het gehele laagterras is een min of meer uniforme relatief minder doorlatende deklaag van minimaal 3 en maximaal 6 m dikte aanwezig. De onderzijde van deze laag vormt de verticale begrenzing van het gebied waarbinnen het gebiedsbeheer wordt ingesteld. Deze deklaag wordt niet in het gebied opgenomen waarvoor een gebiedsaanpak wordt ingesteld omdat:
•Individuele bronnen er als zodanig in zouden moeten zijn te onderscheiden. Gezien het relatief ondoorlatende karakter van de deklaag heeft hier geen vermenging van bronnen in plaatsgevonden;
•Aanpak van individuele bronnen op gevalsniveau is over het algemeen kosteneffectief en doelmatig;
•Bij een directe koppeling tussen de gebiedsaanpak en aanpak van ondiepe bronnen zal vermenging optreden tussen collectieve belangen van een gebiedsaanpak en individuele belangen en lokale dynamiek gekoppeld aan een ondiepe gevalsaanpak. Door diep en ondiep op deze wijze te scheiden is goede sturing op de gebiedsaanpak mogelijk zonder te treden in belangen van een groot aantal private partijen.
In de deklaag bevinden zich (al dan niet nu bekende) bronnen die naar het watervoerend pakket verontreinigingen kunnen naleveren. In de uitwerking van het gebiedsbeheer zijn aanwijzingen opgenomen voor de aanpak van deze bronnen die randvoorwaardelijk zijn voor de lange termijn doelstellingen van de gebiedsaanpak.
Verticale begrenzing onderzijde
Figuur 3.2 geeft een duidelijk beeld te zien van een over het gehele gebied aanwezige min of meer uniforme relatief minder doorlatende kalkzandsteen die een duidelijke geohydrologische grens vormt in het gebied. Zoals reeds gemeld in paragraaf 3.3.3, is de bovenste 3 à 4 meter van dit kalksteenpakket beduidend meer doorlatend dan de lagen daaronder. De grens tussen de goed en minder goed doorlatende kalksteen vormt daarom de onderzijde van het gebied waar een gebiedsaanpak wordt ingesteld omdat onder deze grens nagenoeg geen verspreiding van verontreinigingen heeft plaatsgevonden en in deze laag weinig ingrepen plaatsvinden die een effect hebben op de geohydrologie over een groter gebied. Het diepteniveau van deze laag is circa 16 m –mv.
De gebiedsgrenzen zoals die hiervoor zijn aangewezen zijn ‘robuust’. Hiermee wordt bedoeld dat van natuurlijke eigenschappen van de geohydrologie gebruik wordt gemaakt. Alleen als de geohydrologie substantieel zal veranderen zal dat gevolgen hebben voor de gebiedsgrenzen. Het is reëel te verwachten dat dit niet zal optreden. Kleinere ingrepen in de geohydrologie zullen vaker optreden zonder dat de grenzen zullen moeten worden herzien.
Mogelijk beïnvloedde terreinen buiten de gebiedsaanpak
Gezien het robuuste karakter van de gebiedsgrenzen is het gebied relatief goed inpasbaar in zijn omgeving. Deze omgeving zal daarom nagenoeg geen invloed hebben van de activiteiten binnen het beheersgebied. Omgekeerd zullen ontwikkelingen in het beheersgebied ook nagenoeg geen invloed zal hebben op het gebied daarbuiten.
5.1.2 Verontreinigingen
Tabel 5.1 geeft een overzicht van de fysieke verontreinigingen die vallen binnen de gebiedsaanpak. Het betreffen allemaal grootschalige VOCl-verontreinigingen.
Tabel 5.1 Verontreinigingen die vallen onder de gebiedsaanpak
Locatie
Adres/wijk
oorzaak/bron
strabiscode
probleemhouder
Heerderweg/Europaplein
Heerderweg 152‐154
vml. chemische wasserij
*1044
gemeente
Maasgouwstraat
Maasgouwstraat 8/Eburonenweg 15
vml. chemische wasserij
*2109
Nog onbekend1
Koningsplein
Koningsplein e.o.
vml. chemische wasserij
*1885
gemeente
Palace
"Wyck" (diverse adressen)
onbekend
*0116
gemeente
Hoolhuus
Abdissenweg 1‐3
vml. chemische wasserij
*0002
gemeente
Blythe Colours
Heugemerweg
Kleurstoffen en glazuren
*0448
gemeente
De Lelie
Heugemerweg/Duitse Poort
vml. chemische wasserij
*1032
gemeente
Chem. Wasserij
Heerderweg 49a
vml. chemische wasserij
*0250
Nog onbekend
4Aan de hand van een juridische toets wordt bepaald of de sanering (en de hiervoor benodigde onderzoeken) door der- den in eigen beheer moeten worden uitgevoerd of dat onderzoek of sanering (mede)met inzet van overheidsmiddelen zal worden aangepakt [voetnoot hoort bij hoofdstuk 5]
Aan de hand van een juridische toets wordt bepaald of de sanering (en de hiervoor benodigde onderzoeken) door derden in eigen beheer moeten worden uitgevoerd of dat onderzoek of sanering (mede) met inzet van overheidsmiddelen zal worden aangepakt.
Verontreinigingen die binnen de gebiedsaanpak kunnen vallen hebben de volgende kenmerken:
•Grondwaterverontreinigingen in het watervoerend pakket;
•Mobiele verontreinigingen die onder invloed van grondwateronttrekkingen op een zodanige wijze extra zullen verplaatsen dat al snel tegenmaatregelen nodig zijn op basis van artikel 13, Wbb;
De volgende verontreinigingen vallen nu in ieder geval buiten de gebiedsaanpak (niet limitatieve opsomming):
•Verontreinigingen die niet in tabel 5.1 staan;
•Verontreinigingen die niet voldoen aan bovenstaande opsomming;
•Bronnen van verontreinigingen;
•Zaklagen of drijflagen;
•Nieuwe ontstane gevallen van bodemverontreiniging (waar de zorgplicht van toepassing is).
De aanpak van de verontreinigingen die niet onder de gebiedsaanpak vallen, is indien van toepassing geregeld in andere kaders. Wel kan de gebiedsaanpak kaders geven waarmee rekening moet worden gehouden bij de aanpak van bronnen, zaklagen of drijflagen voor zover deze de oorzaak zijn van verontreinigingen die in tabel 5.1 zijn opgenomen. De aanpak van bronnen, zaklagen of drijflagen die de oorzaak zijn van verontreinigingen die niet in tabel 5.1 zijn opgenomen vallen onder andere wettelijke kaders.
5.1.3 Onttrekkingen en BE-systemen
Binnen de gebiedsaanpak wordt rekening gehouden met de volgende industriële winningen of BE-systemen:
•O-I Manufacturing Netherlands B.V. (nummer 157)
•Koninklijke MOSA B.V. (nummer 172)
•Servatius Wonen en Vastgoed/Rabobank (nummer 716)
5.2 Korte, middenlange en lange termijn doelstellingen
5.2.1 Korte termijn doelstellingen →Beschermen
De gebiedsaanpak beoogt de volgende korte termijn doelstellingen te realiseren:
1Sanerende maatregelen
Indien er binnen de gebiedsgrenzen sprake is van humane risico’s gerelateerd aan de bron, drijflaag of zaklaag dan dient de probleemeigenaar hier op korte termijn sanerende maatregelen te treffen. De voorbereiding en uitvoering van deze maatregelen vallen buiten de scope van dit gebiedsplan. De probleemeigenaar dient hiertoe een separaat plan in bij het bevoegd gezag Wbb.
2Bestaande winningen beschermen
Binnen de gebiedsgrenzen bevinden zich enkele industriële winningen die op dit moment geen hinder ondervinden van de binnen de gebiedsgrenzen bekende verontreinigingen (genoemd in par. 5.1.3). De ruimte die dit gebiedsplan creëert voor nieuwe initiatieven (bv. BE-systemen of industriële winningen) mag er niet toe leiden dat er significante economische schade ontstaat voor de exploitanten van deze winningen. Dit is een keuze die de gemeente Maastricht als gebiedsbeheerder heeft gemaakt. Bij de beoordeling en acceptatie van nieuwe initiatieven dient door de gebiedsbeheerder hierop te worden toegezien.
3Beschermen van de gebiedsgrenzen
De gebiedsgrenzen worden met een daartoe ontworpen monitoringssysteem beschermd. Deze monitoring blijft zolang als nodig plaatsvinden; dus indien nodig ook op middellange en lange termijn. Naarmate de risico’s op overschrijding van de gebiedsgrens kleiner worden kan de intensiteit van de monitoring hierop worden afgestemd. In paragraaf 7.3 wordt de monitoring uitgewerkt. Op dit moment is geen sprake van een overschrijding van deze gebiedsgrens. Andere actieve maatregelen dan de monitoring zijn daarmee niet nodig. Indien een onacceptabele overschrijding van de gebiedsgrens wordt geconstateerd dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen (faalscenario). In paragraaf 7.4 gaan we hier nader op in.
4Het faciliteren van ruimtelijk ontwikkelingen
Ruimtelijke ontwikkelingen worden gefaciliteerd door het toestaan van verspreiding van grondwaterverontreinigingen in het eerste watervoerende pakket en de toplaag van het 2e WVP (tot 16 m–mv) mits aan de doelstelling van dit gebiedsplan wordt voldaan (zie het ‘beschermen’ en ‘verbeteren’ in paragraaf 2.3). De verspreiding kan veroorzaakt worden door bijvoorbeeld grondwateronttrekkingen of infiltratie van het zelfde grondwater binnen het deelgebied waar het is onttrokken. Aan deze verspreiding is geen termijn gekoppeld, in die zin dat dit doel in werking is zodra het gebiedsplan van kracht is. Dit betekent dus dat al bij aanvang van de gebiedsaanpak van de voordelen van een gebiedsaanpak gebruik kan worden gemaakt. Bijvoorbeeld voor de aanleg van de A2. Als voorwaarde aan deze verspreiding is de eis dat humane risico’s als gevolg van contact met verontreinigingen worden voorkomen.
5.2.2 Middellange termijn doelstellingen →Verbeteren
De Maas vormt een natuurlijke barrière voor de afstroming van het grondwater uit het gebied waarbinnen een gebiedsaanpak wordt ingesteld. Dat houdt in dat autonome processen en ingrepen in dit deel van het grondwater effect op de verspreiding van verontreinigingen naar de Maas kunnen hebben. Met de maatregelen op middellange termijn in het kader van de gebiedsaanpak zal deze afstroming moeten verminderen. De termijn waarop dit doel haalbaar is, is mede afhankelijk van de haalbaarheid, doelmatigheid en kosteneffectiviteit van mogelijke ingrepen. De ingrepen die hierbij het meest effectief worden geacht betreffen vrachtverwijdering middels de aanpak van de bronlocaties.
Door een actief beleid op de bronaanpak zal de nalevering van deze bronnen naar het grondwater reduceren. Gezien de dynamiek van het watervoerend pakket zal een bronaanpak relatief snel resulteren in een grondwaterkwaliteitsverbetering. Vooralsnog lijken actieve maatregelen in het verspreidingsgebied zelf niet nodig. De middellange termijndoelstelling is gerealiseerd op het moment dat een verdere bronaanpak niet substantieel verder bijdraagt aan verlaging van concentraties verontreinigende stoffen in het grondwater. Gedurende de middellange termijn hebben ingrepen in de ondergrond die een bijdrage leveren aan de vrachtverwijdering de voorkeur boven ingrepen die dat niet hebben. In paragraaf 7.2 wordt ingegaan op de bronaanpak.
5.2.3 Lange termijn doelstellingen →Benutten
Zodra een verdere actieve bronaanpak niet substantieel verder bijdraagt aan verlaging van concentraties verontreinigende stoffen in het grondwater maar er nog wel verontreinigingen in het grondwater aanwezig zijn, zijn enkel nog extensieve ingrepen kosteneffectief.
Met extensieve ingrepen wordt gedoeld op het benutten van kansen om met ingrepen in de ondergrond gelijk ook een kwaliteitsverbetering te realiseren. Denk hierbij aan de inzet van bodemenergie waarmee mogelijk de natuurlijke afbraak van verontreinigingen wordt gestimuleerd of een zodanige ontwerp van bronbemalingen of grondwateronttrekkingen dat ermee steeds verdergaande vrachtverwijdering wordt gerealiseerd. Hiermee zal op langere termijn de grondkwaliteit langzaam en stapsgewijs verbeteren en zal deze steeds minder een belemmering vormen voor ondergrondgebruik.
Bij de toepassing van de korte- of middellange termijn maatregelen dient steeds te worden afgewogen of het niet doelmatiger is om terug te vallen langere termijn maatregelen die in de regel extensiever zijn en meer kosteneffectief. Zicht op mogelijke nieuwe technologie en de vooruitzichten van het verloop van de kwaliteit van het grondwater in de loop van de tijd zijn aspecten die hierbij een rol spelen.
De lange termijn doelstelling is bereik als de volgende activiteiten niet meer nodig zijn of geen toegevoegde waarde hebben voor de gebiedsdoelstelling:
•Monitoring grondwaterkwaliteit met het oogmerk de gebiedsgrenzen te beschermen of om te besluiten faalmaatregelen toe te passen;
•Er geen gebruiksbeperkingen meer zijn en bijvoorbeeld onttrokken grondwater zonder zuivering kan worden geloosd op het riool of kan worden geïnfiltreerd;
•Geen sturing op kansrijke functiecombinaties meer nodig is om een grondwaterkwaliteitsverbetering mogelijk te maken.
Deze langere termijndoelstelling is vooralsnog te ver weg om concreet in het voorliggend gebiedsplan verder in te vullen en er een concrete einddatum aan te verbinden.
7 Uitwerking maatregelen
7.3 Monitoring
7.3.1 Algemeen
Aan de hand van het monitoringprogramma zal worden getoetst in hoeverre de doelstellingen van de gebiedsaanpak ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. De monitoring in het beheersgebied stoelt op twee kenmerken:
•omgevingsgerichte (controlerende) monitoring op de gebiedsgrens, bedoeld om te toetsen of de saneringsdoelstelling gerealiseerd wordt;
•gebiedsgerichte (verifiërende) monitoring binnen het beheersgebied, gericht op het toetsen van de pluimontwikkeling en de mogelijke risico’s.
De gebiedsbeheerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de monitoring. De gebiedsbeheerder legt de resultaten van de monitoring en de eventuele te ondernemen aanvullende maatregelen ter goedkeuring voor aan het bevoegd gezag Wbb. De monitoring ter plaatse van de bronlocaties maakt deel uit van de bronaanpak die door de probleemhouders wordt opgepakt.
7.3.2 Meetnet
7.3.2.1 Controlerende monitoring
De omgevingsgerichte monitoring zal gericht zijn op het controleren van de emissie naar de Maas. Deze emissie zal op middellange en lange termijn minder worden als gevolg van de bronaanpak. De verwachting is dat de gemiddelde gehalten aan VOCl in het grondwater dat afstroomt naar de Maas niet significant toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor zal de emissie blijvend aan de norm voldoen. Ter plaatse van een aantal meetlocaties op korte afstand van de Maas zal de kwaliteit van het grondwater gecontroleerd worden. Gezien de eenduidige grondwaterstromingsrichting is het niet noodzakelijk om de gebiedsgrenzen aan de Noord- Oost- en Zuidzijde te controleren.
Het monitoringmeetnet voor de controlerende metingen bestaat uit 8 meetlocaties. Op iedere meetlocatie worden 2 peilbuizen geplaatst (circa 4-5 m –mv en 11-12 m –mv). In bijlage 7 is de locatie van de peilbuizen aangegeven. De rode peilbuizen staan in de zone waar sprake is van sterk verhoogd gehalten. De groene peilbuizen staan in de zone waar maximaal licht verhoogde gehalten in het grondwater verwacht worden. Naar verwachting zullen er 3 bestaande meetlocaties gebruikt kunnen worden. De overige peilbuizen worden nieuw geïnstalleerd.
7.3.2.2 Verifiërende monitoring
De gebiedsgerichte monitoring is gericht op het verifiëren van de verplaatsing van de pluimen binnen het beheersgebied. Het is hierbij van belang dat de bestaande onttrekkingen genoemd in paragraaf 5.1.3 niet bedreigd worden. Op basis van de actuele situatie is er nog geen sprake van een dreiging voor deze onttrekkingen. Er zijn in het gebied ook geen initiatieven voorzien die een dreiging in de toekomst kunnen veroorzaken. In het monitoringprogramma zullen vier meetlocaties worden geplaatst in de zone tussen de bekende pluimen (die deel uit maken van dit gebiedsplan) en de bekende winningen (genoemd in paragraaf 5.1.3).
Daarnaast zal de gebiedsgerichte monitoring gericht zijn op het verifiëren van mogelijke risico’s voor de gezondheid in gebieden waar tijdelijk of permanent sprake is van ondiepe grondwaterstanden. Hiertoe worden vier meetlocaties ingericht in de omgeving van de gebieden waar deze hoge grondwaterstanden verwacht worden. Naast de grondwaterkwaliteit wordt hiertoe in de peilbuizen ook de grondwaterstanden gemeten. Hiertoe worden in vier ondiepe peilbuizen een diver geïnstalleerd waarmee permanent de grondwaterstand gemeten kan worden.
Het monitoringmeetnet voor de verifiërende metingen bestaat in totaal uit 8 meetlocaties. Op iedere meetlocatie worden 2 peilfilters geplaatst (circa 4-5 m –mv en 11-12 m –mv). In bijlage 7 is de locatie van de peilbuizen aangegeven. Het meetnet voor de verifiërende metingen is met de blauwe punten aangegeven op de kaart. Naar verwachting zal er 1 bestaande meetlocatie gebruikt kunnen worden. De overige meetpunten worden nieuw geïnstalleerd. De exacte plaats van de meetpunten zal in overleg met bevoegd gezag nader worden vastgesteld.
7.3.3 Meetfrequentie en analysepakket
De meetfrequentie en het analysepakket voor respectievelijk de controlerende en de verifiërende monitoring zijn gelijk. De frequentie van de monitoring is vastgesteld op twee maal per jaar gedurende de eerste vijf jaar, en één maal per twee jaar daarna. De hoge frequentie gedurende de eerste 5 jaar wordt zinvol geacht teneinde de effecten van de actuele bemalingen ten behoeve van de aanleg en aanwezigheid van de verdiepte A2 te kunnen volgen. Het analysepakket voor het grondwater bestaat uit VOCl (9 stuks) en Vinylchloride (VC).
7.3.4 Toetsing en interpretatie resultaten
7.3.4.1 Controlerende monitoring
Per meetronde worden de resultaten geïnterpreteerd en wordt beoordeeld in hoeverre het noodzakelijk is actie te ondernemen. Voor de beschouwing van de monitoringsresultaten in de peilbuizen die worden gebruikt voor de controlerende metingen (emissie naar de Maas) wordt niet alleen gebruik gemaakt van afzonderlijke waarden, maar ook van gemiddelde waarden voor een aantal peilbuizen. Dit is gebaseerd op het feit dat individuele meetwaarden, in dit geval analyseresultaten van watermonsters uit peilbuizen, onderhevig zijn aan fluctuaties.
Bij de omgevingsgerichte monitoring worden 3 meetpunten (6 peilfilters) geplaatst in het gebied waar sprake is van een ernstige verontreiniging (PER). Voor deze peilfilters zal het gemiddelde PER gehalte worden bepaald. Als actiewaarde voor deze gemiddelde concentratie wordt het worst-case gehalte gehanteerd dat door Rijkswaterstaat is gebruikt bij de emissietoets. Voor de overige VOCl is de interventiewaarde de signaalwaarde.
Voor de overige peilbuizen voor de controlerende metingen geldt dat deze in een deelgebied worden geplaatst waar de gehalten aan VOCl niet of slechts licht verhoogd zijn. Voor deze meetpunten worden de interventie waarden van alle individuele VOCl als signaalwaarde gehanteerd. In tabel 7.1 zijn de signaalwaarden voor de individuele VOCl weergegeven.
Tabel 7.1 Signaalwaarden monitoring
stof
Signaalwaarde gemiddelde gehalten ernstig verontreinigd gebied
in µg/l
Signaalwaarde individuele peilbuis in maximaal licht verontreinigd gebied in µg/l
tetrachlooretheen (per)
100
40
trichlooretheen (tri)
500
500
1,2 dichlooretheen (cis)
20
20
vinylchloride (vc)
5
5
Een overschrijding van de signaalwaarden manifesteert zich door een onverwachte verspreiding en toename in gehalten die het beoogde pluimgedrag in gevaar brengen.
Oorzaken hiervan kunnen zijn:
•onverwachte toestroom van verontreiniging afkomstig vanuit bekende bronlocaties;
•onverwachte toestroom van verontreiniging door derden;
•een verkeerde inschatting van de ontwikkeling van de pluim;
•niet voorziene onttrekkingen door derden.
Indien er sprake is van een overschrijding van een signaalwaarde dan wordt de betreffende meting na 6 en 12 maanden herhaald. Indien er sprake is van een structurele overschrijding, tijdens drie opeenvolgende metingen, op de gebiedsgrens dan dient een nieuwe emissietoets te worden uitgevoerd. Als input voor deze toets wordt op basis van de actuele metingen, en eventueel uit te voeren aanvullend onderzoek, een nieuwe inschatting gemaakt van de totale vracht die afstroomt naar de maas. De noodzaak van het inwerkingstellen van een faalscenario hangt af van de uitkomst van de emissietoets.
7.3.4.2 Verifiërende monitoring
Voor de monitoring gericht op het beschermen van de onttrekkingen worden de meetlocaties buiten de bekende pluimen geplaatst in de richting van de onttrekkingen. Naar verwachting liggen de gehalten in deze peilbuizen ruim beneden de interventiewaarden. Aan de hand van de nulmeting zal dit laatste worden geverifieerd. Middels de monitoring zal worden getoetst in hoeverre de grondwaterkwaliteit significant verslechterd ten opzichte van de huidige situatie. Als signaalwaarde zal voor deze metingen de interventiewaarde worden gehanteerd. Indien er sprake is van een overschrijding van de signaalwaarde dan wordt de betreffende meting na 6 en 12 maanden herhaald. Indien er sprake is van een structurele overschrijding, tijdens drie opeenvolgende metingen, van de signaalwaarde dan wordt onderzocht in hoeverre het verontreinigd grondwater daadwerkelijk in het onttrekkingssysteem terecht kan komen en wat de gevolgen daarvan zijn (mogelijke risico’s) en wie hiervoor verantwoordelijk is.
In de peilbuizen gericht op het monitoren van de humane risico’s worden zowel de grondwaterkwaliteit als ook de grondwaterstanden gemeten. Met behulp van divers wordt op vier locaties dagelijks de grondwaterstand geregistreerd. Tijdens de reguliere bemonsteringsronden worden ook de divers uitgelezen. Indien er op een of meer locaties sprake is van zowel de signaalwaarden uit tabel 7.1 voor ernstig verontreinigd gebied als ook een hoge grondwaterstand (tijdelijk of permanent >2,5 m –mv) dan zal voor deze specifieke (worst-case) situatie een nieuwe risico- analyse plaatsvinden. De risico analyse wordt uitgevoerd conform de methode beschreven in hoofdstuk 6. Indien er rekenkundig sprake is van een overschrijding van de TCL dan dient een binnenlucht onderzoek plaats te vinden. Er zal een faalscenario in werking treden indien blijkt dat er sprake is van humane risico’s.
8 Organisatorische aspecten
8.3 Financiële regelingen
8.3.1 Algemeen
In de actoranalyse staat vermeld dat er verschillende partijen voordeel kunnen hebben bij de implementatie van het gebiedsplan. Vaak zal de gemeente Maastricht zelf de partij zijn die de vruchten plukt van het gebiedsbeheer maar er kunnen ook derden zijn die voordeel hebben. In die gevallen is het redelijk dat deze partijen een financiële bijdrage leveren ten behoeve van het gebiedsbeheer. Er kunnen zich, binnen de gebiedsgrenzen, twee situaties voordoen waarbij er sprake kan zijn van een financiële regeling:
•Initiatieven waarbij tijdelijk of permanent grondwater wordt opgepompt (deelnameregeling);
•Het aansluiten van een grondwaterverontreiniging die nu nog geen deel uitmaakt van het gebiedsplan (afkoopregeling).
Bij de uitwerking van de financiële regelingen geldt onderhavig gebiedsplan als randvoorwaarde.
8.3.2 Tijdelijke of permanente bemalingen (deelnameregeling)
Bij initiatieven waarbij tijdelijk of permanent grondwater wordt opgepompt moet worden gedacht aan de winning van bodemenergie, het bemalen van bouwputten, oppompen van water voor industriële doeleinden. Bij deze initiatieven zal bij de vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet een afweging moeten plaatsvinden of er mogelijk grondwaterverontreinigingen worden verplaatst als gevolg van deze onttrekkingen. Indien dit inderdaad het geval is moeten bij een traditionele aanpak vaak compenserende maatregelen worden getroffen om deze verplaatsing binnen aanvaardbare grenzen te houden. Gezien de grote hoeveelheid pluimen binnen de gebiedsgrenzen is de kans dat dit laatste zich voordoet erg groot. Met de implementatie van het gebiedsbeheer vervalt deze verplichting. Het is onder bepaalde voorwaarden zelfs mogelijk om, na toestemming van de gebiedsbeheerder, opgepompt verontreinigd grondwater weer ongezuiverd te retourneren binnen de gebiedsgrenzen. Uitzondering hierop is een situatie waarbij een van de bestaande industriële winningen/BE-systemen significante economische schade dreigt op te lopen. Voor de initiatiefnemer betekent dit dat hij baat heeft bij het gebiedsplan. Middels een zogenaamde ‘deelnameregeling’ wordt een deel van deze baat verrekend met de gebiedsbeheerder.
8.3.3 Aansluiten additionele grondwaterverontreinigingen
Binnen de gebiedsgrenzen bevinden zich een aantal grondwaterverontreinigingen van derden die mogelijk later kunnen aansluiten bij het gebiedsplan. Ook is het mogelijk dat er later nog onbekende grondwaterverontreinigingen aan het licht komen waarvoor deelname interessant is. De probleemeigenaren van deze gevallen hebben de keuze om een gevalsgerichte aanpak te kiezen ofwel aan te sluiten bij het gebiedsplan. Bij een gevalsgerichte aanpak dient de probleemhouder zelf saneringsmaatregelen te treffen teneinde de geconstateerde risico’s op te heffen. Verspreiding van deze verontreinigingen moet worden voorkomen, ook al liggen ze binnen de gebiedsgrenzen.
Kiest de probleemhouder echter voor deelname aan het gebiedsplan dan vervalt zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de verspreiding binnen de gebiedsgrenzen aan de gebiedsbeheerder. De gebiedsbeheerder stelt als voorwaarde voor deelname aan het gebiedsplan dat de probleemhouder binnen een bepaalde termijn zijn bron aanpakt. Ook bij deze nieuwe gevallen gelden hierbij de afspraken uit paragraaf 7.2 van dit gebiedsplan. Verder levert de probleem- houder een financiële bijdrage aan de gebiedsbeheerder. In een zogenaamde ‘afkoopregeling’ zal de grondslag voor deze afkoop worden vastgelegd.
Bijlage 3 Bodemverontreinigingen (Bron gemeente Maastricht)
Locatie
Adres/wijk
oorzaak/bron
strabiscode
probleemhouder
Stoffen
Toelichting
Grootschalige grondwaterverontreinigingen
1) Heerderweg/Europaplein
Heerderweg 152-154
vml. chemische wasserij
*1044
gemeente
VOCl
grootschalige grondwaterverontreiniging
2) Chemische Wasserij
Heerderweg 49a
vml. chemische wasserij
*0250
Nog onbekend
VOCl
grootschalige grondwaterverontreiniging
3) Blythe Colours
Heugemerweg
Kleurstoffen en glazuren
*0448
gemeente
VOCl
grootschalige grondwaterverontreiniging
4) De Lelie
Heugemerweg/Duitse Poort
vml. chemische wasserij
*1032
gemeente
VOCl
grootschalige grondwaterverontreiniging
5) Maasgouwstraat
Maasgouwstraat 8/Eburonenweg 15
vml. chemische wasserij
*2109
Nog onbekend
VOCl
grootschalige grondwaterverontreiniging
6) Koningsplein
Koningsplein e.o.
vml. chemische wasserij
*1885
gemeente
VOCl
grootschalige grondwaterverontreiniging
7) Palace
"Wyck" (diverse adressen)
onbekend
*0116
gemeente
VOCl
grootschalige grondwaterverontreiniging met onbekende bron(nen)
8) NS-emplacement
Nieuweweg
divers
*0674
SBNS
divers
Grootschalige grondwaterverontreiniging, bron VOCl verdwenen
9) Hoolhuus
Abdissenweg 1-3
vml. chemische wasserij
*0002
gemeente
VOCl
grootschalige grondwaterverontreiniging
Overige verontreinigingen
"Essentterrein"
Edisonstraat
vml. bedrijfsterrein
*0321
gemeente
minerale olie
monitoringsverplichting
"Zinkwit"
Borgharenweg 2-16
Zinkwit
*0082
Mourik
zware metalen
grondwaterverontreiniging als gevolg van verzu- ring
Openbarewerken gemeente
Willem Alexanderweg 66-72
opslag van olie en wegen- zout
*1007
gemeente
olie en cyanide/chloride
monitoringsverplichting voor olie en sanering (?) cyanide/chloride
gebouw RWS/vml. zinkwit
Francois de Veijestraat 6
Zinkwit
*0199
gemeente
zware metalen
zinkwit gerelateerd
"Trega"
Borharenweg 30
Keramische industrie
*0083
derde
VOCl ?
resultaten eindsituatie onderzoek niet beschik- baar
Garage De Griend
Griend 2
garage/tankstation
*2058
Woningstichting Servatius
minerale olie
spoedlocatie
vml. garagebedrijf
Spoorweglaan 18-20
garage/tankstation
*1237
eigenaar
spoedlocatie
vml. garagebedrijf
Scharnerweg 165
garage/tankstation
*1650
eigenaar ?
minerale olie/BTEX
BSB-locatie
vml. garagebedrijf
Scharnerweg 137
garage/tankstation
*0598
eigenaar?
minerale olie
spoedlocatie
Bijlage 4 Emissietoets Natuurlijke Lozing Oppervlaktewater(NLO)
1.1Inleiding
Teneinde te kunnen beoordelen of een natuurlijke lozing op de Maas, zoals deze in de huidige situatie waarschijnlijk plaatsvindt, acceptabel is heeft Rijkswaterstaat een emissietoets uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van het spreadsheet dat via Waternet beschikbaar is.
1.2Uitgangspunten
Bij de berekeningen heeft Rijkswaterstaat de volgende uitgangspunten gehanteerd:
•Afmetingen Maas ter hoogte van Sappi Maastricht: breedte = 135 m; diepte = 5,9 m;
•De achtergrondwaarde van per in de Maas bedraagt 0,03 µg/l;
•De 90 percentiel waarde van de Maasafvoer bedraagt 35 m3/s;
•De milieukwaliteitsnorm (MKN) van ‘PER” in het oppervlaktewater is 10 µg/l.
Grontmij en de gemeente Maastricht hebben de volgende gegevens aangeleverd:
•een ‘best-guess’, ‘best-case’ en ‘worst-case’ inschatting van verontreinigd ‘debiet’ dat naar de Maas stroomt;
•een ‘best-guess’, ‘best-case’ en ‘worst-case’ inschatting van ‘concentratie tetrachlooretheen (PER)’ die naar de Maas stroomt;
•een ‘kaart’ met gehalten in peilbuizen aan de hand waarvan RWS onze aannames kan checken;
In onderstaande tabel zijn deze gegevens weergegeven.
Worst- case
Best-case
best-guess
lengte gebied [m]
1000
250
500
dikte grind[m]
10
6
8
k-grind [m/d]
500
100
200
k-kalksteen [m/d]
20
2
6
dikte kalksteen [m]
5
2
3
kD grind
5000
600
1600
kD kalksteen
100
4
18
verhang [m/m]
0,00100
0,00050
0,00075
Q [m3/dag]
5100
76
607
Q [m3/s]
0,0590
0,0009
0,0070
Concentratie tetrachlooretheen (PER) [µg/l]
100
30
50
1.3Resultaten
De worst-case geeft een verhoging van 9% van de MKN-waarde
De best-case geeft een verhoging van 0,04% van de MKN-waarde
De best-guess geeft een verhoging van 0,5% van de MKN-waarde
In alle gevallen is er dus sprake van minder dan 10% verhoging van de MKN-waarde, dus er is sprake van geen significante verhoging
In alle gevallen blijft de totale concentratie na de mengzone beneden de MKN-waarde.
1.4Conclusie
De diffuse lozing op de Maas voldoet aan de emissietoets
Bijlage 6 Advies GGD Zuid-Limburg
Gemeente Maastricht
Postbus 1992
6201 BZ Maastricht
Uw kenmerk
Ons kenmerk
2013/02477
GGD-locatie
Heerlen
Uw brief van
Datum
1juli 2013
Telefoonnr.
Onderwerp
Beoordeling concept GGg d.d. 20-02-13
Bijlage(n)
-
Geachte ,
Op uw verzoek heeft de unit Medische Milieukunde van de GGD Zuid Limburg het concept Gebiedsplan Gebiedsgericht grondwaterbeheer (concept GGg) van 20 februari 2013, geschreven door Grontmij in opdracht van de gemeente Maastricht, beoordeeld op het aspect risico’s voor de gezondheid.
Uit het concept GGg blijkt dat het grondwater verontreinigd is met vluchtige organochloorverbindingen (VOCL). Het betreft een grootschalige grondwaterverontreiniging die in het verleden is ontstaan uit meerdere puntbronnen, waaronder chemische wasserijen. Het betreft voornamelijk het gebied tussen A2-tracé en de rivier de Maas.
In deze brief volgt een toelichting op deze beoordeling en een aantal adviezen.
Gezondheidkundige beoordeling
De GGD heeft het concept GGg gelezen en beoordeeld op het aspect risico’s van het verontreinigde grondwater voor de mens. Bij deze beoordeling is enerzijds nagegaan of alle blootstellingsmogelijkheden voldoende in beeld zijn gebracht en anderzijds of vanuit ons oogpunt alle relevante factoren in de berekeningen van het humane risico zijn meegenomen (paragraaf 5.3.2).
VOCL zijn vluchtig en goed oplosbaar in water. Daardoor kan de verontreiniging zich makkelijk verspreiden in het grondwater en uitdampen. Bij het beoordelen van het risico voor de gezondheid is vooral de uitdamping van VOCL naar de binnenlucht van belang. Bij uitdamping naar de woning kunnen de VOCL worden ingeademd door mensen. De gezondheidsrisico’s van inademing van vluchtige organochloorverbindingen zijn verschillend per stof.
Blootstelling aan de stoffen tetrachlooretheen (PER) en 1,2 dichlooretheen (CIS) kan leiden tot oogirritaties, hoofdpijn en duizeligheid. Vinylchloride, een afbraakproduct van PER en CIS, is een kankerverwekkende stof.
VOCL kunnen ook door kunststof (PE)drinkwaterleidingen heendringen en daarmee de kwaliteit van het drinkwater beïnvloeden. Vergeleken met uitdamping naar de woning wordt verwacht dat deze blootstelling in het algemeen gering is
1GGD Richtlijn Medische Milieukunde, Gezondheidsrisico’s bodemverontreiniging. Rapportnr. 609330010?2009, al. (2009). [voetnoot hoort bij bijlage 6]
.
Een andere mogelijke blootstellingsroute is door contact met de vluchtige verontreinigingen in opgepompt grondwater. Bijvoorbeeld wanneer grondwater wordt opgepompt voor besproeien van (moes)tuinen, vullen van zwembad, veedrenking of voor industriële en/of duurzame energie toepassingen.
Beoordeling berekening humane risico (par. 5.3.2 van concept GGg).
In paragraaf 5.3.2. van het concept GGg wordt aandacht besteed aan het thema humane risico’s. Met behulp van de modellen Volasoil van Sanscrit zijn berekeningen uitgevoerd.
In het rapport is berekend dat wanneer uitgegaan wordt van de hoogst gemeten concentraties in het grondwater van tetrachlooretheen, 1,2 dichlooretheen en vinylchloride, uitdamping van deze stoffen niet leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid. Bij deze berekeningen is uitgegaan van een grondwaterstand van 4 meter beneden maaiveld, van huizen zonder kruipruimte of kelder, van een intacte vloer en van een gemiddelde ventilatie.
De GGD heeft deze berekeningen ook uitgevoerd en komt tot dezelfde conclusie. Ook wanneer in Volasoil het worst-case scenario ‘vloer met scheuren en gaten’ en een ‘slechte ventilatie’ door de GGD wordt doorgerekend, vormen de berekende concentraties in de binnenlucht geen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid.
Deze berekeningen zijn gebaseerd op een aantal uitganspunten, waarvan de diepte van het grondwater en de grondwaterconcentraties de belangrijkste zijn.
Ten aanzien van de diepte van het grondwater heeft de GGD volgende opmerkingen:
In de berekeningen is uitgegaan van een grondwaterpeil van 4 m-mv. Incidenteel kunnen wellicht hogere grondwaterstanden voorkomen, bijvoorbeeld bij hoogwater in de Maas.
Hoge grondwaterstanden kunnen leiden tot ondergelopen kelders. Wanneer dit water verontreinigd is met VOCL kan dit mogelijk via uitdamping een gezondheidsrisico vormen voor de bewoners. Dit scenario is niet meegenomen in de berekeningen. Wij adviseren ook voor deze situatie risicoberekeningen uit te voeren.
Bij overschrijding van de normen (TCL/ MTR humaan) is alertheid geboden. Met name omdat Vinylchloride een kankerverwekkende stof is, waaraan blootstelling zoveel mogelijk vermeden dient te worden. Wanneer uit de berekeningen blijkt dat de gezondheidkundige normen worden overschreden, adviseren wij in die specifieke situatie binnenluchtmetingen uit te voeren.
Ten aanzien van de grondwaterconcentraties:
De berekeningen zijn gebaseerd op de hoogst gemeten concentraties van de drie betreffende VOCL-stoffen (PER, CIS en Vinylchloride). De gemeten concentraties zijn de belangrijkste invoergegevens van de gehanteerde modellen. Daarom adviseren wij de grondwaterconcentraties in het betreffende gebied goed te monitoren.
Beoordeling mogelijke blootstellingsroutes.
Zoals reeds aangegeven vormt uitdamping vanuit het grondwater naar het binnenmilieu in woningen het grootste risico voor de gezondheid van de aanwezige VOCL- verontreiniging in het grondwater. Een andere blootstellingroute is door inademing en/of inname van vluchtige stoffen afkomstig van opgepompt grondwater. Bijvoorbeeld voor het vullen van een zwembad of het besproeien van de (moes)tuin.
In het concept GGg wordt vermeld dat er ook industriële grondwateronttrekkingen plaatsvinden of gaan plaatsvinden, al dan niet in combinatie met duurzame energietoepassingen. Daar waar contact mogelijk is met het grondwater (bijvoorbeeld bij onderhouds- of installatiewerkzaamheden) is ook blootstelling aan de VOCL- verontreinigingen mogelijk. Per individueel geval kan door middel van een risicobeoordeling beoordeeld worden of er sprake is van een mogelijk gezondheidsrisico.
Ook kan er blootstelling plaatsvinden via het drinkwater, als gevolg van het doordringen van de verontreinigingen door de kunststof drinkwaterbuizen.
Tekstuele opmerkingen:
Op bladzijde 19 staat in par. 4.1.2 in de laatste zin van de 2 alinea: “Gezien de relatief lage gehalten aan VOCL in het watervoerende pakket zijn er risico’s voor de aantasting van leidingen en bronnen”. Dit klopt niet. Waarschijnlijk is er sprake van een schrijffout.
Op blz. 20 staat in par. 4.1.4 in de tweede alinea in de 2e zin: “Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er met een bronaanpak geen twijfel is dat schadelijke milieueffecten in de Maas optreden (i.v.m. lage actuele gehalten en afbreekbaarheid van de verontreinigde stoffen)”. Klopt het dat er inderdaad schadelijke milieueffecten optreden en wat zijn die effecten dan?
Advies:
Op basis van bovenstaande opmerkingen adviseert de GGD Zuid Limburg:
1) te onderzoeken of hogere grondwaterstanden (en ondergelopen kelders/kruipruimten) kunnenleiden tot hogere binnenluchtconcentraties en daardoor mogelijkeen risico vormen voor de gezondheid.
2) binnenluchtmetingen uit te voeren indien er sprakeis van berekende binnenluchtconcentraties die hoger zijn dan de Toelaatbare Concentratie Lucht (TCL).
3) de grondwaterkwaliteit in het gebied goed te monitoren.
4) particuliere grondwateronttrekkingen, voor bijvoorbeeld het vullen van een zwembad of het besproeien van de tuin, uit voorzorg af te raden.
5) bij (toekomstige) industriële grondwateronttrekkingen en/of grondwateronttrekkingen voor duurzame energietoepassingen aandacht te hebben voor eventuele gezondheidkundige risico’s. Deze dienen per geval te worden beoordeeld.
6) na te gaan of blootstelling via drinkwaterleidingen in het betreffende gebied mogelijk is.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor vragen of opmerkingen kunt u contact opnemen met , telefoonnummer.
Met vriendelijke groet,
Uw kenmerk
Ons kenmerk
2013/03107
GGD-locatie
Heerlen
Uw brief van
Datum
15augustus 2013
Telefoonnr.
Onderwerp
Beoordeling eindconcept GGb
Bijlage(n)
Behandelaar
Geachte,
Op uw verzoek heeft de unit Medische Milieukunde van de GGD Zuid Limburg het Eindconcept Gebiedsplan Gebiedsgericht grondwaterbeheer (Eindconcept GGb, Grontmij, 6 augustus 2013) beoordeeld.
In het Eindconcept GGb is het advies van de GGD ZL op de conceptversie van 20 februari 2013 in zijn geheel opgenomen . De GGD-adviezen worden in paragraaf 6.6 puntsgewijs besproken en toegelicht. Aan de adviezen is voldoende aandacht besteed en zijn concrete acties verbonden.
Een van de adviezen van de GGD was om te onderzoeken of (incidentele) hogere grondwaterstanden zouden kunnen leiden tot hogere binnenluchtconcentraties. In het Eindconcept GGb wordt aangegeven dat op basis van de huidige kennis en beschikbare gegevens geen gezondheidsrisico's bij hogere grondwaterstanden worden verwacht. Om te weten of deze verwachting ook uitkomt, wordt in het rapport voorgesteld om een aantal meetpunten in te richten op plaatsen waar ondiepe grondwaterstanden kunnen voorkomen. De GGD ZL vindt dit een goed voorstel en adviseert hier uitvoering aan te geve.
Door een adequate monitoring, met name ook bij hogere grondwaterstanden, kan met meer zekerheid een uitspraak worden gedaan over de daadwerkelijke gezondheidsrisico's. Dit geldt zowel voor de blootstellingsroute 'uitdamping naar de woning' als voor 'permeatie van drinkwaterleidingen' .
Kortom: de GGD Zuid Limburg is van mening dat voldoende aandacht is besteed aan de adviezen van de GGD. Geadviseerd wordt om het voorstel voor monitoring op plekken waar hogere grondwaterstanden kunnen voorkomen, uit te voeren.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor vragen of opmerkingen kunt u contact opnemen met , telefoonnummer.
, milieugezondheidkundige
Afdeling SIM - Unit Medische Milieukunde
Seksuele Gezondheid,Infectieziekten en Milieu
GGD Zuid Limburg
www.ggdzl:nl
Bijlage 8 Kostenraming
Indicatieve kostenraming Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Maastricht Oost PN 319714
d.d. 17 december 2013
OnderdeelEenheidsprijsFrequentieKostenToelichting
Opzetten Gebiedsbeheer
Beleid, gem beleid als verankering Ggb-plan
€
5.000
Beslisproces binnen gemeente om verder te gaan metggb
Gebiedsplan
€
30.000
Gebiedsplan opstellen
Ambtelijkebegeleiding van opstellen ggb-plan
€
10.000
Afkoopregeling / regeling verrekeningvoordelen
€
5.000
Spelregels voor derden voor gebruik van mogelijkheden van de gebiedsaanpak (of anders is klassiek Wbb-traject van toepassing)
Aanleg meetnet (vnl aanvullen bestaande meetpunten)
€
18.000,00
1maal
€
18.000
Uitgangspunt 12 nieuwe meetlocaties inrichten
Financiering
nvt, heeft betrekking op verkrijgen van inkomsten
Oprichting beheerorganisatie
€
5.000
Ten behoeve van de organisatie en uitvoering van het gebiedsbeheer.
Beheer - Technisch
Monitoringprogramma uitvoeren
uitvoering monitoring (eerste 5 jaar)
€
6.500,00
2x/jaar
€
57.070
Feitelijke uitvoering van de metingen en rapporteren resultaten
uitvoering monitoring (na 5 jaar)
€
6.500,00
1x/2 jaar
€
59.296
Feitelijke uitvoering van de metingen en rapporteren resultaten
projectleiding
€
2.500,00
1x/jaar
€
55.550
Aansturing / toezicht op werkzaamheden
onderhoud meetnet
€
1.500,00
1x/jaar
€
33.330
Vervanging/herstel straatputten, peilbuizen, e.d.
databeheer
€
1.000,00
1x/jaar
€
22.220
Toevoegen data, controle input, systeem draaiend houden, data beschikbaar stellen voor belanghebbenden en voorcommunicatie
Systeemkennis/ijkmomenten
€
5.000,00
1x/5 jaar
€
20.300
Bijsturen adhv ennis over (ontwikkelingen in) hetbeheerde grondwatersysteem
Sanerende maatregelen
€
-
Op gebiedsniveau: nvt. Op bronniveau buiten scope
Beheer - organisatorisch
Communicatie
€
1.500,00
1x/jaar
€
33.330
Fungeren als aanspreekpunt en actief communiceren met belanghebbenden van hetbeheerde grondwatersysteem
Beheerorganisatie
projectleiding
€
1.500,00
1x/jaar
€
33.330
Verantwoordelijke voor het aansturen vanalle acties in het kader van het gebiedsbeheerplan
afkoopprocedure complex geval
€
15.000,00
1x/10 jaar
€
27.000
Kosten door gemeente voor begeleiden van proces als probleemhebbers verantwoordelijkheid voor sanering van eengrondwaterverontreiniging
binnen het beheerde grondwatersysteem overdragen aan de
gebiedsbeheerder doorhet betalen van een afkoopsom
NB kostenzouden met leges + kostenvoordelen moeten kunnenworden
teruggevraagd
afkoopprocedure eenvoudig geval
€
2.000,00
1x/5 jaar
€
8.120
beoordelen onderzoeken, communicatie e.d.
informatiebeheer
€
1.000,00
1x/jaar
€
22.220
Beheer van informatie gerelateerd aan gebiedbeheer
afhandelen verzoek derden tot gebruik grondwater
€
1.000,00
1x/jaar
€
22.220
Maken van afspraken met derden over het gebruik van het grondwater binnen het beheerde grondwatersysteem. Kan eventueel ook gaan om een
financiële bijdrage.
financieel beheer
€
1.000,00
1x/jaar
€
22.220
Bijhouden financien in relatie totafgesloten contracten afkoopen eventueel bijdragen van grondwatergebruikers
Financiele administratie en accountantkosten
Beheer - herijking
€
10.000,00
1x/10 jaar
€
18.000
Herijking van nut en noodzaak van gebiedsbeheer
Faalrisico's
€
76.081
15% van totalekosten
Sanerende maatregelen door:
beschermen winning te hoog gehalte NLO
humane risico's (uitdamping)
Afronding
€
-3.286
TOTAALex btw
€
580.000
Uitgangspunten bij raming
Kostenpostenvan het 'Agentschapmodel' aangepast (detail/posten) specifiek voor doelstelling van deze raming Kapitalisatiefactoren
jaarlijks eeuwigdurend
22,22
elke 2 jaar
10,86
elke 5 jaar
4,06
elke 10 jaar
1,8
effectieve rente (%)
4,5 (VROM-richtlijn)