Aanhef
Het college besluit:
•De Herziene Nota Bodembeheer 2016-2016 vast te stellen conform het gestelde in het advies;
•Dat de aangepaste bodemfunctieklassenkaart, de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart en deze nota bodembeheer de eerder bestuurlijk vastgestelde bodemfunctieklassenkaart, bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer vervangen.
Samenvatting
Inleiding
Het bodembeleid ondergaat een transitie. Met de invoering van de Omgevingswet (naar verwachting in 2022) maakt het huidige sectorale beleid (gericht op de chemische kwaliteit) plaats voor een beleid dat zich richt op het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en ondergrond. Met deze nota bodembeheer wordt hierop ingespeeld.
Bij het bodembeleid voor hergebruik van grond, bodemsanering en activiteiten zoals bouwen en ruimtelijke planvorming wordt gestreefd naar een beleid waarbij de eisen die gesteld worden aan de bodemkwaliteit onafhankelijk zijn van de wet- en regelgeving die aanleiding zijn om de bodemkwaliteit te beoordelen.
Daarom wordt bij het bodembeleid zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling nagestreefd. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig voor de burgers en bedrijven.
Bij het opstellen van deze nota bodembeheer zijn de volgende algemene uitgangspunten aangehouden:
•Zo weinig mogelijk regels. Nieuwe regels zijn alleen nodig indien de algemeen geldende landelijke kaders inzake bodem niet voldoende mogelijkheden bieden om, voor de specifieke situatie in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen oplossingen te vinden.
•Vereenvoudigen van de aanpak van de bodemverontreiniging. Om de maatschappelijke, economische en ruimtelijke ontwikkelingen te faciliteren, wordt er naar gestreefd om met deze nota bodembeheer de aanpak van de bodemverontreiniging zo veel mogelijk te vereenvoudigen. Essentieel onderdeel hierbij is het maximaal gebruik van de informatie uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten. Deze vereenvoudiging leidt ook tot een groter gebruiksgemak voor de bedrijven, burgers, bestuurders, adviesbureaus en ambtenaren die uit verschillende invalshoeken te maken kunnen krijgen met bodemverontreiniging.
•Gebruik maken van de ervaringen van de voorbije jaren. De voorbije jaren is binnen de gemeenten ervaring opgedaan met het gevoerde grondstromenbeleid. Deze ervaringen zijn bij het opstellen van deze nota bodembeheer geïnventariseerd. Het beleid dat als positief is ervaren blijft gehandhaafd, verder is voor de optimalisering beleid aangepast of nieuw beleid geïntroduceerd.
De gemeenten Maassluis en Vlaardingen hebben de eerder opgestelde bodemkwaliteitskaart en deze nota bodembeheer geactualiseerd. De eerder opgestelde bodemfunctieklassenkaart is in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen voor enkele gebieden aangepast. De kaarten zijn de instrumenten voor dit duurzame beleid. Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond op en in de landbodem van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. Ook zijn regels en procedures voor dit beleid geformuleerd. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen.
De gemeenten vullen haar bodembeleid in door vrijkomende grond en baggerspecie (bij graaf- en baggerwerkzaamheden) zoveel als mogelijk te hergebruiken zodat minder materiaal wordt gestort en minder primaire grondstoffen worden gewonnen.
De wet- en regelgeving voor het opslaan (tijdelijk) en het toepassen van grond en baggerspecie is geregeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het is niet zonder meer toegestaan om grond en baggerspecie ergens te ontgraven en op een andere plaats tijdelijk neer te leggen of het toe te passen. Voorkomen moet worden dat het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en baggerspecie de ontvangende bodem verontreinigd en risico's vormt voor het (toekomstige) bodemgebruik. Vanwege andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld.
Met de aangepaste bodemfunctieklassenkaart, de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart en deze nota bodembeheer worden de eerder bestuurlijk vastgestelde bodemfunctieklassenkaart, bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer vervangen.
Gemeentelijk beleid
In de onderstaande tabel is het (gebiedspecifieke) beleid weergegeven waarbij is aangegeven of het beleid een voorzetting of een aanpassing van het tot nu toe gevoerde beleid dan wel nieuw beleid is.
Beoogd effect
Met het vaststellen van dit grondstromenbeleid wordt gefaciliteerd dat:
•de gemeenten Maassluis en Vlaardingen duurzaam bodembeleid in uitvoering brengt dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is;
•meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeente en derden kunnen hierdoor besparingen worden gerealiseerd in tijd en kosten;
•meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond duurzaam te hergebruiken;
•het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd;
•de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker).
Mandateren bevoegdheden
Het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid en eventuele toekomstige wijzigingen op dit beleid moeten, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om praktische redenen worden besluiten met een uitvoerend karakter gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het betreft besluiten voor:
•wijzigingen van de bodemfunctieklassenkaart;
•het toevoegen van aanvullende gegevens aan de bodemkwaliteitskaart die geen invloed hebben op het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid;
•het onder voorwaarden accepteren van een bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond;
•het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke grondstromenbeleid.
Het vaststellen van nieuw of gewijzigd gebiedsspecifiek beleid (Lokale Maximale Waarden of afwijkende percentages bijmenging bodemvreemd materiaal) kunnen conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit niet worden gemandateerd.
Financiën
Het beleid heeft voor de gemeenten Maassluis en Vlaardingen geen nadelige financiële gevolgen. Met het beleid kunnen voor de gemeente en derden besparingen worden gerealiseerd bij:
•onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en baggerspecie;
•transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond;
•aanschafkosten voor de toe te passen primaire bouwstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank).
Communicatie
De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, worden door de gemeenten digitaal gepresenteerd op de gemeentelijke websites en interactief inzichtelijk gemaakt op een website die voor iedereen te raadplegen is: https://dcmr-bbkweb.lievense.com/. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 inwerking treedt.
De kaarten van deze nota bodembeheer zijn ook raadpleegbaar op de website van het
Bodemloket: http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk.
Bijlage 1 Begrippenlijst
Algemene stedelijke bodemkwaliteit
De algemene stedelijke bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling
kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden) in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).
Aangrenzend perceel
Van een aangrenzend perceel is sprake in de situatie dat er een feitelijke relatie bestaat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waarop de verspreiding plaatsvindt. Het “in verbinding staan” van watergangen (zelfde watersysteem, peilniveau) is niet altijd voldoende om uit te gaan van aangrenzendheid (Uitspraak Raad van State 201401123/1/A1, 4 februari 2015).
In aanvulling op de uitspraak van de Raad van State en mede gebaseerd op artikel 60 lid 2 van het Besluit[1], stelt de gemeente dat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waar de baggerspecie wordt verspreid, niet gescheiden mag worden door bijvoorbeeld een lint- of aaneengesloten bebouwing, een weg breder dan één rijstrook, een spoorweg, een waterkering of een dijk.
In 2016 wordt het naar verwachting mogelijk gemaakt om gebiedsspecifiek beleid te maken voor het verspreiden van baggerspecie over ‘aangrenzende percelen’. De normen van de maximale kwaliteit van de baggerspecie die mag worden verspreid (of gebruikt in weilanddepots) wordt afgestemd op de normen voor de voedselveiligheid. Voor de herkenbaarheid voor de omgeving (omwonenden; duidelijk waar bagger vandaan komt) wordt vanaf de exacte locatie van baggeren een afstandscriterium van 10 kilometer gehanteerd. De zorgplicht, artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit, blijft te allen tijde van kracht. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bagger(specie)
Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Baggerspecie die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit[1] nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen hebben hieraan strengere eisen gesteld.
Bodembeheergebied bodemkwaliteitskaart
Het bodembeheergebied voor de bodemkwaliteitskaart bestaat uit het grondgebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen.
Bodembeheergebied gemeentelijk grondstromenbeleid
Het bodembeheergebied voor het gemeentelijke grondstromenbeleid bestaat uit het grondgebied van de gemeenten Goeree-Overflakkee, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Zoetermeer.
Bodemfunctieklassenkaart
Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’. Onder het laatstgenoemde gebruik vallen landbouw en natuur.
Bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:
1Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.
2De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast).
3De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen).
Bodemkwaliteitsklasse
De bodemkwaliteitsklasse bepaald samen met de bodemfunctie de toepassingseis.
De bodemkwaliteitsklasse is gebaseerd op de 80-percentiel van een zone en getoetst aan de Lokale Maximale Waarden uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam[13]. De toetsmethodiek voor de bodemkwaliteitsklasse en de ontgravingsklasse is gelijk. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in één van de vier verschillende bodemkwaliteitsklassen:
•Natuur.
•Landbouw.
•Wonen.
•Industrie.
Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.
Bodemkwaliteitszone
Een deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte).
Bodemvreemd materiaal
Onder bodemvreemd materiaal vallen alle materialen die niet onder de definitie van grond vallen en bij ontgraving al in de bodem aanwezig zijn. Deze bijmenging mag niet opzettelijk zijn toegevoegd aan de partij of het gevolg zijn van onzorgvuldige ontgraving of sloopwerkzaamheden.
Bijzondere omstandigheden
Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanwege andere wet- en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld.
Deelgebied
Deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het bodembeheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is er voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als “niet-aaneengesloten deelgebieden”.
Ernstig verontreinigde grond
Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden van de Wet bodembescherming overschrijden.
Grond
Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit bodemkwaliteit[1] definieert grond als volgt: “Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.” Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen hebben hieraan strengere eisen gesteld.
Heterogeniteit
Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de bodemkwaliteitskaart in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar mening van de gemeente dan een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule:
Omdat de gemeente Maassluis en Vlaardingen afwijken van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[12] is de bovenstaande formule niet één op één overgenomen bij het maken van de bodemkwaliteitskaart. Wel is dezelfde methodiek toegepast. Zo is voor de Maximale waarde industrie (generiek) en de achtergrondwaarde (generiek) respectievelijk de “Lokale Maximale Waarde Industrie” en de “Lokale Maximale Waarde Natuur” uit het bodembeleid van Rotterdam[13] gebruikt. Op deze manier wordt de maximale range gebruikt om te vergelijken.
De beoordeling van de heterogeniteitsindex is als volgt:
Index < 0,2 : weinig heterogeniteit
0,2 < Index < 0,5 : beperkte heterogeniteit
0,5 < Index < 0,7 : er is sprake van heterogeniteit
Index > 0,7 : sterke heterogeniteit
Interventiewaarde
Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2013.
Kwalibo – kwaliteitsborging in het bodembeheer
Bij het duurzaam beheren en gebruiken van de (water)bodem moeten gegevens betrouwbaar zijn en moet netjes worden gewerkt. Hiervoor stelt Kwalibo eisen aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer. In artikel 2.1 van de Regeling bodemkwaliteit[2] zijn de werkzaamheden aangewezen waarop Kwalibo van toepassing is.
Lokale bron (puntbron)
Duidelijk aanwijsbare bron voor bodemverontreiniging zoals bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, dammen en kavelpaden, elektriciteitsmasten, huiskavels van boerderijen (boerenerf), bodembedreigende activiteiten of een locatie die in het Kadaster is geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking ‘Ernstig’).
Niet gezoneerd gebied
Gebieden kunnen worden gezoneerd wanneer er voldoende analysegegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[12] en/of de afspraken met de DCMR. Wanneer er onvoldoende analysegegevens beschikbaar zijn, kan de algemene stedelijke bodemkwaliteit van het gebied niet met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het deelgebied niet gezoneerd. Een gebied kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de analysegegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de bodemkwaliteitskaart (zie ook: Uitgesloten locaties en gebieden).
Niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging
Een locatie waar geen lokale bron (puntbron) aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank, een halfverharding, een gedempte watergang, een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, dammen en kavelpaden, elektriciteitsmasten, huiskavels van boerderijen (boerenerf), bodembedreigende activiteiten of een locatie die in het Kadaster is geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking ‘Ernstig’).
Onderscheidende gebiedskenmerken
Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een bodemkwaliteitskaart kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld.
Ontgravingskaart
De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De te verwachten ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de 80-percentiel van een zone en getoetst aan de Lokale Maximale Waarden uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam[13]. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in één van de vijf onderscheiden ontgravingskwaliteitsklassen:
•Klasse Natuur.
•Klasse Landbouw.
•Klasse Wonen.
•Klasse Industrie.
•Klasse Niet toepasbaar
Voor het effect van gehalten aan PFAS-verbindingen op de indeling in kwaliteitsklassen, zie het kopje ‘PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen’.
Ontgravingslocatie
Betreft het terrein(deel) waar grond ontgraven wordt.
Onverharde wegbermen
De strook grond naast de verharde (klinker- en asfalt) weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,3 meter diepte, en heeft gerekend vanaf de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1.):
•de erfgrens of
•de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of
•de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of
•als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).
Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in het natuurnetwerk Nederland (voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden.
Figuur B1. Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).
Oppervlaktewaterlichaam
Een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater.
Percentiel/percentielwaarde
Waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen
(Gebaseerd op: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/resultaten-pfas-onderzoek-toetsen-aanvulling/ )
De toetsing aan de PFAS-verbindingen is een aanvullende (losse) toets ten opzichte van de toetsing op de reguliere parameters en indeling in kwaliteitsklassen. Dat betekent dat eerst de toetsing plaatsvindt op basis van de reguliere parameters en op basis daarvan een indeling in kwaliteitsklasse plaatsvindt.
Vervolgens vindt de toetsing aan de voorlopige toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader voor de PFAS-verbindingen plaats. Aan de hand van de aanvullende toetsing stel je vervolgens vast in hoeverre beperkingen aan de toepassing gelden, bijvoorbeeld een verbod op het toepassen onder grondwaterniveau of in oppervlaktewater.
Bij de inbouw van het handelingskader in de Regeling bodemkwaliteit wordt de wijze van toetsen aan normwaarden nader ingevuld.
Hieronder zijn twee voorbeelden uitgewerkt:
Voorbeeld 1
Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Wonen, dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de voorlopige toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader. Dit kan leiden tot de volgende drie situaties:
1Als alle PFAS-gehalten zijn aangetoond beneden de bepalingsgrens, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan en gelden geen aanvullende toepassingsvoorwaarden. De partij kan als bodemkwaliteit Wonen worden toegepast zonder aanvullende voorwaarden.
2Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de bepalingsgrens maar alle PFAS-gehalten voldoen aan de voorlopige toepassingswaarden voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen (7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de andere PFAS), blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan, maar gelden wel beperkingen aan de toepassing: toepassingen van grond op de landbodem beneden grondwaterniveau (tenzij PFAS < voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS), in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden, en in oppervlaktewater zijn dan niet altijd toegestaan.
3Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de voorlopige toepassingswaarden van 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg voor de andere PFAS, kan de partij niet meer ingedeeld worden in de kwaliteitsklasse Wonen maar is deze niet generiek toepasbaar. Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid.
Voorbeeld 2
Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Natuur of Landbouw, dan moeten aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden (1,9 µg/kg ds voor PFOA en 1,4 µg/kg ds voor de andere PFAS) en bij overschrijding daarvan ook toetsen aan de normen voor 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de andere PFAS). Dit kan leiden tot de volgende vier situaties:
1Als alle PFAS-gehalten kleiner zijn dan de bepalingsgrens, blijft de indeling in kwaliteitsklasse Natuur of Landbouw staan en gelden geen toepassingsvoorwaarden. Kortom alle toepassingen zijn toegestaan.
2Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de bepalingsgrens (0,1 µg/kg ds) maar beneden de voorlopige landelijke achtergrondwaarden van 1,9 µg/kg ds voor PFOA en 1,4 µg/kg ds voor de andere PFAS, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Natuur of Landbouw staan, maar gelden wel toepassingsvoorwaarden: toepassing van grond op de landbodem in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en toepassing van grond in oppervlaktewater zijn dan niet altijd toegestaan.
3Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de voorlopige landelijke achtergrondwaarde (van 1,9 µg/kg ds voor PFOA en 1,4 µg/kg voor de andere PFAS) en onder de voorlopige toepassingswaarden van 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de andere PFAS, dan wordt de partij ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Wonen, of in de bodemkwaliteitsklasse Natuur dan wel Landbouw als een lokale maximale waarde is vastgesteld tussen de (voorlopige) landelijke achtergrondwaarde en de voorlopige toepassingswaarden van 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de andere PFAS.
4Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de voorlopige toepassingswaarden van 7,0 µg/kg ds voor PFOA en 3,0 µg/kg ds voor de andere PFAS, kan de partij niet meer ingedeeld worden in een kwaliteitsklasse voor toepasbare grond. Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid.
Puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek
Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[17] of NEN 5897[18] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld.
De NEN 5707 moet worden gebruikt bij een bijmenging met bodemvreemd materiaal tot en met 50 gewichtsprocent. Als meer dan 50 gewichtsprocent aan bijmenging met bodemvreemd materiaal is vastgesteld, moet de NEN 5897 worden gebruikt. In overleg met de DCMR kan ook direct een partijkeuring worden uitgevoerd (inclusief, dan wel specifiek op asbest). Een onderzoek conform de NEN 5707 of de NEN 5897 is volgens paragraaf 4.3 van de Regeling namelijk geen erkend bewijsmiddel.
Of bodemvreemd materiaal daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is, het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel in de bodem terecht is gekomen) en de soort puinbijmenging. Alleen als voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat het puin in de grond geen asbest kan bevatten, is de grond niet-verdacht voor asbest. In de NEN 5725[35] is hierover het volgende beschreven:
“Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat is toegepast en het historisch gebruik van de locatie, bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel is toegepast. Er zijn verschillende typen puin: metselpuin, betonpuin, puin van asfalt, klinkers en/of straatstenen en historisch puin
30Puin van voor 1945.
. Vooral bij ongedefinieerd gemengd bouw‐ en sloopafval is de kans groot dat dit asbestcementplaatmateriaal bevat (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). Ook in betonpuin (vooral funderingspuin) komt incidenteel asbestcement voor in de vorm van asbestcementbuizen, verloren bekisting en stelplaatjes.
In de overige soorten puin (puin van asfalt, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers en/of straatstenen, trottoirbanden en historisch puin) zit in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid daarvan maakt een locatie niet verdacht. Indien het (puin)granulaat duidelijk visueel herkenbaar is als eenduidig materiaal en voldoende kan worden onderbouwd dat dit materiaal niet vermengd kan zijn met asbesthoudend materiaal, is de (deel)locatie niet verdacht. De kans op het aantreffen van asbest is sterk afhankelijk van de herkomst en ouderdom van het materiaal. Op basis van de leeftijd van het bouw‐ en sloopafval of recyclinggranulaat is het mogelijk om de verdachtheid nader vast te stellen.”
In de onderstaande tabel is aangegeven welke kans er is op het aantreffen van asbest in relatie tot de leeftijd van het materiaal.
Onderzoek door TNO[36] naar bodemvreemd materiaal in de bodem en het voorkomen van asbest wijst uit dat ten opzichte van onverdachte locaties:
•hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond met bijmengingen met bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin;
•hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als meer bodemvreemd materiaal in de grond aanwezig is;
•hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als er slechts spoortjes puin aan bijmenging aanwezig zijn.
Kans op aantreffen van asbest in puin(granulaat) in relatie tot leeftijd materiaal (bron: NEN 5725)
Periode
Kans op aantreffen asbest
Soort asbest
Indicatief gehalte (mg/kg)
Asbestverdacht?
Puin
Vóór 1945
Gering
Hechtgebonden
<10
Nee
1945-1980
Groot
Hechtgebonden en niet-hechtgebonden
>100
Ja
1980-1993/1995
Tamelijk groot
Meestal hechtgebonden
10-100
Ja
1993/1995-1998
Gering
Meestal hechtgebonden
Vaak <10, incidenteel >10
In principe ja
1998-2005
Incidenteel
Hechtgebonden
< 10
Nee
Na 2005
Nihil
Hechtgebonden
<<10
Nee
(Gecertificeerd) recyclinggranulaat
<1998
(niet gecertificeerd)
Groot
Ja
1998-2005
(gecertificeerd)
Tamelijk groot
Ja
Na 2005
(gecertificeerd)
Nihil
Nee
Onder Certiva certificaat
Nee
(Gecertificeerd) recyclinggranulaat
Bouw en sloopafval van project met een asbestinventarisatierapport waar door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is aangegeven dat in het betreffende bouwwerk geen asbest aanwezig is.
Nee
Bouw- en sloopafval van project met een asbestvrijgaverapport waar door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf is aangegeven dat het al in het betreffende bouwwerk aanwezige asbest is verwijderd.
Nee
Puin dat aantoonbaar voldoet aan de SCB-007/BRL9999 en aantoonbaar is verkregen uit een sloop die aantoonbaar is uitgevoerd conform SCB-007/BRL9999.
Nee
Bouw- en sloopafval dat afkomstig van een sloper en wordt geleverd met een conformiteitsverklaring volgens de SCB-007/BRL9999.
Nee
Standaarddeviatie
Ook wel “standaardafwijking” genoemd. Het geeft de mate aan voor de spreiding van analysegegevens in een dataset. De berekening hiervan is als volgt:
Hierbij is n het aantal analyseresultaten, x een individueel analyseresultaat en ¯x het gemiddelde van de analyseresultaten.
Toepassingskaart
Deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt aan elke zone de toepassingseis vastgesteld.
Voor de gemeenten Maassluis en Vlaardingen geldt voor de landelijke bodemfunctieklasse ‘Overig (landbouw/natuur)’ dat uitgegaan wordt van de regionaal gedefinieerde klasse ‘Natuur’, zodat de bodemkwaliteit niet kan verslechteren als gevolg van grondverzet.
Voorbeelden onderbouwing toepassingseis ontvangende bodem
Bodemfunctieklasse
Bodemkwaliteitsklasse/kwaliteit ontvangende bodem
Toepassingseis
Natuur
Natuur
Natuur @
Natuur
Landbouw
Natuur @
Natuur
Wonen
Natuur @
Natuur
Industrie
Natuur @
Landbouw
Natuur
Natuur @
Landbouw
Landbouw
Landbouw @
Landbouw
Wonen
Landbouw @
Landbouw
Industrie
Landbouw @
Bodemfunctie Wonen
Natuur
Natuur @
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw @
Bodemfunctie Wonen
Wonen
Wonen @@
Bodemfunctie Wonen
Industrie
Wonen @@
Bodemfunctie Industrie
Natuur
Natuur @
Bodemfunctie Industrie
Landbouw
Landbouw @
Bodemfunctie Industrie
Wonen
Wonen @@
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie @@
@De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden.
@@Het gehalte aan PFOA moet voldoen aan 7,0 μg/kg ds en de gehalten aan de andere PFAS-verbindingen moeten voldoen aan 3,0 μg/kg ds.
Toepassingslocatie
Betreft het terrein(deel) waar grond wordt toegepast.
Toetsing toepassen grond
Om te beoordelen of grondverzet is toegestaan wordt de kwaliteit van de aan te brengen grond vergeleken met de toepassingseis. De kwaliteit van de aan te brengen grond kan worden bepaald op basis van een bodemkwaliteitskaart, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis op basis van de bodemkwaliteitskaart (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet gezoneerde gebieden).
Kwaliteit toe te passen grond
Toepassingseis
Toepassing toegestaan?
Industrie #/##
Industrie @@
Ja
Wonen #/##
Industrie @@
Ja
Landbouw #/##
Industrie @@
Ja
Natuur #/##
Industrie @@
Ja
Industrie #/##
Wonen @@
Nee
Wonen #/##
Wonen @@
Ja
Landbouw #/##
Wonen @@
Ja
Natuur #/##
Wonen @@
Ja
Industrie #/##
Landbouw @
Nee
Wonen #/##
Landbouw @
Nee
Landbouw #/##
Landbouw @
Ja
Natuur #/##
Landbouw @
Ja
Industrie #/##
Natuur @
Nee
Wonen #/##
Natuur @
Nee
Landbouw #/##
Natuur @
Nee
Natuur #/##
Natuur @
Ja
#De 80-percentielwaarde van PFOA en PFOS in de bodemlaag 0-1,0 m-mv zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de toepassingswaarden voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater. Dit leidt tot beperkingen van het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden en voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater.
##De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen in de bodemlaag 1,0-1,5 m-mv zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit leidt tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.
@De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden.
@@Het gehalte aan PFOA moet voldoen aan 7,0 μg/kg ds en de gehalten aan de andere PFAS-verbindingen moeten voldoen aan 3,0 μg/kg ds.
Toetsingsnormen/Lokale Maximale Waarden uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam en het tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie
Om een zone te karakteriseren heeft een toetsing plaatsgevonden aan de Lokale Maximale Waarden uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam[13] en het tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven. In bijlage C van de hoofdnota van het Rotterdamse beleid[13] is onderbouwd dat met de Maximale Waarden een duurzaam beschermingsniveau wordt gewaarborgd waarbij de bodemkwaliteit blijvend geschikt is voor de betreffende functie.
Toetsingsnormen bodembeleid gemeente Rotterdam[13] (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org.stof 10%-)
Stof
Maximale waarden Natuur
(landelijke toetsingsnorm)
Maximale waarden Landbouw
Maximale waarden Wonen
(landelijke toetsingsnorm)
Maximale waarden Industrie
(landelijke toetsingsnorm)
Arseen
20
30
40(27)
76
Barium*
190
280
550
920
Cadmium
0,60
1
3.7 (1,2)
13(4,3)
Kobalt
15
25
50(35)
190
Koper
40
60
100(54)
190
Kwik
0,15
2
4,8 (0,83)
4,8
Lood
50
200
300(210)
530
Molybdeen
1,5
10
88
190
Nikkel
60(35)
60
75(39)
100
Zink
140
200
350(200)
720
Som PAK
1,5
5,5
11(6,8)
40
Som PCB
0,02
0,1
0,25 (0,04)
0,5
Minerale olie
190
300
500(1,9)
1.000 (500)
PFOA
31PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten.
zonder vastgestelde achtergrondwaarde
0,0019
Andere PFAS-verbindingen zonder vastgestelde achtergrondwaarde
0,0014
PFOA
0,0019
0,007
Andere PFAS-verbindingen
0,0014
0,003
* De norm voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor barium tijdelijk buitenwerking gesteld. In het stedelijk gebied van de regio Rijnmond komt barium vaak verhoogd voor. Daarom is barium meegenomen bij de karakterisering van de algemene stedelijke bodemkwaliteit.
Uitbijters
Een uitbijter is een gehalte in het gegevensbestand die niet representatief is voor de algemene stedelijke bodemkwaliteit in een deelgebied. De (potentiële) uitbijters worden met een visuele methode (scatterplots) inzichtelijk gemaakt. Het niet representatieve gehalte is het gevolg van duidelijk aantoonbare menselijke activiteiten: puntverontreinigingen, verdachte locaties, typfouten tijdens invoer.
Uitgesloten locaties en gebieden
Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de analysegegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[12] en/of de afspraken met de DCMR. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit worden eveneens uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Ook terreinen die in het beheer zijn van andere organisaties zoals Rijkswaterstaat (rijkswegen), de provincie (provinciale wegen) of ProRail/NS Vastgoed (spoorgebonden gronden) worden soms uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
Variatiecoëfficiënt
Maat voor de spreiding in gehalten (standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde).
Vrij grondverzet
Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het grondverzet de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld.
Bijlage 2 Wet- en regelgeving
2.1 Landelijke wet- en regelgeving
2.1.1 Besluit en Regeling bodemkwaliteit
Algemeen
Voor het inwerking treden van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit[1] [2] was de regelgeving voor het nuttig toepassen van grond, baggerspecie (hierna aangeduid met 'grond') en bouwstoffen versnipperd in diverse wet- en regelgevingen. De diverse regelgevingen waren complex, onoverzichtelijk en in de praktijk moeilijk handhaafbaar. Daarom zijn de regels herzien en is één eenduidig landelijk kader gemaakt: het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.
Het Besluit heeft betrekking op de kwaliteit van de uitvoering[11] (Kwalibo) en het toepassen van grond en bouwstoffen. Binnen het Besluit kunnen gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders voor het toepassen van grond aansluiten bij het landelijke, generieke, kader zoals dat in het Besluit is opgenomen. Ook bestaat de mogelijkheid om op gebiedsniveau maatwerkbeleid te formuleren in de vorm van gebiedsspecifiek beleid. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen knelpunten bij grondstromen onder bepaalde voorwaarden worden opgelost. Gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders kunnen voor hun beheergebied, of delen daarvan, Lokale Maximale Waarden vaststellen (zie ook § 2.2.2 van deze bijlage). Op deze wijze kunnen de toepassingseisen voor grond worden aangepast. Ook zijn er meer mogelijkheden voor een lokale invulling van het beleid als het gaat om de nuttige toepassing van grond. Gebiedsspecifiek beleid is mogelijk als:
•er sprake is van ‘standstill’ op beheergebiedsniveau;
•de Lokale Maximale Waarden het Saneringscriterium niet overschrijden;
•het risiconiveau van de gekozen Lokale Maximale Waarden wordt berekend met behulp van de Risicotoolbox (zie http://www.risicotoolboxbodem.nl);
•de Lokale Maximale Waarden worden afgestemd met het bevoegd gezag bodemsanering;
•de Lokale Maximale Waarden worden vastgelegd in een nota bodembeheer;
•de vaststelling van de gekozen Lokale Maximale Waarden een besluit is van de Raad waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Dit betekent dat het besluit alleen openstaat voor inspraak.
De Regeling geeft een technische invulling aan de hoofdregels van het Besluit en uitleg over de uitvoering. In de Regeling staan onder andere de normen, de wijze waarop de kwaliteit van grond, baggerspecie en bouwstoffen moet worden bepaald en de wijze waarop aan de normen wordt getoetst. Het Besluit en de Regeling vullen elkaar aan en zijn niet los van elkaar te gebruiken.
Nuttige toepassingen van grond
Het hergebruik van grond mag uitsluitend in nuttige toepassingen plaatsvinden (Besluit, artikel 35[1]). Als grond wordt hergebruikt in een niet-nuttige toepassing, dan wordt dit gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden in het kader van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. De onderstaande toepassingen van grond en baggerspecie worden beoordeeld als nuttige toepassingen:
a) Toepassing in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen.
b) Toepassing in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid.
c) Toepassing voor het afdekken van een saneringslocatie of als bovenafdichting voor een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier door contact met het onderliggende materiaal.
d) Toepassing in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van een oppervlaktewaterlichaam met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart.
e) Toepassing in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen bedoeld in a tot en met d.
f) Verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang aangrenzende percelen.
g) Verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, uitgezonderd uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met het oog op de duurzame invulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment.
h) Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie, bestemd voor de toepassingen bedoeld in onderdeel a tot en met e, gedurende maximaal drie jaar op landbodems of gedurende maximaal 10 jaar in een oppervlaktewaterlichaam.
i) Tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor toepassingen bedoeld in a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.
Grootschalige toepassingen
Binnen het Besluit[1] is een verbijzondering opgenomen: het toetsingskader voor het toepassen van grond in grootschalige toepassingen. Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem. Wel moet de toe te passen grond voldoen aan de emissiewaarden (opgenomen in bijlage B van de Regeling[2]) om te voorkomen dat ontoelaatbare uitloging naar de onderliggende bodem en het grondwater plaatsvindt. De toetsing aan de emissiewaarden is een eenvoudige toetsing op basis van het rekenkundige gemiddelde van de gemeten stoffen in de toe te passen grond. De emissietoetsingswaarden komen overeen met de t-waarden uit het voormalige Bouwstoffenbesluit.
Grootschalige toepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Met de voornoemde eisen voor toepassingshoogten moet pragmatisch worden omgegaan. Taluds lopen bijvoorbeeld niet verticaal maar schuin af waardoor ze formeel gezien niet aan de eisen voor de toepassingshoogten voldoen. Voor (spoor)wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter.
Een grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van tenminste
0,5 meter dikte. Hiervan zijn grootschalige toepassingen in bermen van (spoor)wegen uitgezonderd. De leeflaag moet geschikt zijn voor de functie en passen bij de daadwerkelijke bodemkwaliteit van de omliggende bodem, of voldoen aan de bestuurlijk vastgestelde Lokale Maximale Waarden.
Een initiatiefnemer kan gebruik maken van het toetsingskader voor grootschalige toepassingen. Het is overigens niet verplicht om van dit toetsingskader gebruik te maken. In het Besluit (artikel 63) zijn toepassingen benoemd die als grootschalige toepassingen gedefinieerd mogen worden:
•Toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen.
•Toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving.
•Toepassingen van grond en baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart.
•Toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen.
N.B. Het ophogen van een industrie/bedrijventerrein of een woonwijk wordt niet als een grootschalige toepassing beschouwd.
De initiatiefnemer van de grootschalige toepassing neemt in de planfase contact op met de gemeente waar de grootschalige toepassing wordt gerealiseerd.
2.1.2 Wet bodembescherming
De Wet bodembescherming (Wbb) is geschreven met het oogmerk de bodem te beschermen. In de Wbb is een regeling opgenomen voor ernstig verontreinigde bodems. Op grond van de Wbb is grondverzet ter plaatse van ernstig verontreinigde locaties alleen toegestaan als hiervoor een melding ingevolge artikel 28 of een melding ingevolge het Besluit uniforme saneringen (artikel 39b) wordt verricht aan het bevoegd gezag. Ook geldt als voorwaarde dat het grondverzet moet passen binnen een van te voren opgesteld en door het bevoegd gezag goedgekeurd (raam)saneringsplan. Daarom moet voorafgaand aan het grondverzet worden geverifieerd of de leverende en/of de ontvangende bodem ernstig verontreinigd is.
Het bevoegd gezag voor het bereiken van het saneringsresultaat is voor de gemeenten Maassluis en Vlaardingen de provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag grond op deze locatie nuttig worden toegepast. Daarbij moet worden nagegaan of dit niet in strijd is met de opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen.
Nieuwe bodemverontreiniging
Op nieuw ontstane bodemverontreiniging (dat wil zeggen ontstaan na 1 januari
1987) is allereerst de zorgplicht van toepassing (artikel 13 Wbb). De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is aan het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven over hoe de nieuwe verontreiniging dient te worden gesaneerd. Binnen inrichtingen is dit het bevoegd gezag inzake de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht /Activiteitenbesluit (gemeente of provincie, soms de minister van Infrastructuur en Waterstaat), buiten inrichtingen het bevoegd gezag Wbb (gemeente met provincie als 'aanvullend' gezag). Indien het om een ongewoon voorval gaat buiten een inrichting, is de provincie bevoegd gezag.
Ongewoon voorval
Voor het begrip ongewoon voorval geeft de wet geen definitie, maar daarmee kan niets anders zijn bedoeld dan elke gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteit. Daaronder vallen zowel ongelukken en calamiteiten, zoals bijvoorbeeld brand en leidingbreuken, als onderhoud aan en reparatie van installaties waardoor die niet (volledig) normaal kunnen functioneren.
In een uitspraak
32Zie ABRvS 22 april 1999, E03.97.0229, gepubliceerd in JM september 1999, afl. 8, p.460 e.v.
heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gesteld dat bij elke gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteit sprake is van een ongewoon voorval. Dus óók het falen van voorzieningen. Dit betekent ook dat een milieuvergunning daarover geen eisen mag stellen. De gewone voorvallen, zoals bijvoorbeeld het druppelen van een pomp iedere keer nadat een automobilist de slang van de pomp terughangt, moeten wel via vergunningsvoorschriften worden gereguleerd.
Indien sprake is van een ongewoon voorval gaat het vaak over calamiteiten, zoals een lekkende vrachtwagen, gedumpte vaten met onbekende inhoud, etc. In dergelijke gevallen is een adequaat optreden van de bodemmedewerker nodig.
Saneringsregeling Wbb (historische bodemverontreiniging)
De Wbb definieert gevallen van ernstige verontreiniging. Op grond van artikel 37 van de Wbb (saneringscriterium) wordt bepaald of bij een geval van ernstige verontreiniging aanleiding is voor een vorm van saneren of beheren. De saneringsdoelstelling is opgenomen in artikel 38 van de Wbb. De uitwerking van de artikelen 37 en 38 Wbb is opgenomen in de Circulaire Bodemsanering (oorspronkelijke circulaire uit 2006, in de afgelopen jaren echter meerdere malen aangepast).
Gebiedsgericht beheer
Op 1 juli 2012 is de aanpassing van de Wbb, die gebiedsgericht beheer van grootschalige grondwaterverontreinigingen mogelijk maakt, inwerking getreden. De verwachting is dat daarmee onder andere de kosten van aanpak van verspreidingsrisico’s zullen worden gedrukt. Het gebiedsgericht beheer biedt kansen om in samenhang tussen bovengrondse en ondergrondse ontwikkelingen te komen tot meerdere kostendragers voor de te nemen maatregelen. De wettelijke verankering van gebiedsgericht beheer moet leiden tot een versnelling in de aanpak van de problematiek van de grootschalige grondwaterverontreinigingen.
2.1.3 Besluit en Regeling Uniforme Sanering
Het Besluit Uniforme Saneringen[28] (BUS) en de daarbij behorende Regeling[29] (RUS) is bedoeld voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd afgerond kunnen worden. In de RUS (artikel 3.1.7) is vastgelegd dat de grond in de leeflaag en andere aanvulgrond moet voldoen aan de maximale waarde van de kwaliteitsklasse volgens de bodemfunctieklassenkaart. Als gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld dan gelden de hierin vastgestelde Lokale Maximale Waarden. Want naast het RUS geldt ook het Besluit bodemkwaliteit[1]. Dit is het algemeen staatsrechtelijk beginsel en is ook terug te vinden in de toelichting op het Besluit.
In artikel 3.1.6 lid c van de RUS is aangegeven dat als Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, deze waarden gelden als terugsaneerwaarden in het kader van het BUS.
2.1.4 Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie
Op 8 juli 2019 is een tijdelijk handelingskader[20] inwerking getreden voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. De initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Het tijdelijk handelingskader is op 29 november 2019 en op 2 juli 2020 geactualiseerd. Op 29 november 2019 zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-gehalten gedefinieerd, evenals voorlopige toepassingswaarden in verschillende toepassingssituaties. Op 2 juli 2020 zijn de voorlopige landelijke achtergrondwaarden aangepast en voor een aantal toepassingssituaties in een oppervlaktewaterlichaam de toepassingswaarden gewijzigd.
2.1.5 Transport verontreinigde grond
Voor het vervoer van verontreinigde grond geldt de landelijke Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen[37]. In § 7.5 van het hoofdrapport is hier nader op ingegaan.
2.1.6 Overige wet- en regelgeving
Vanwege overig wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) aanvullende voorwaarden worden gesteld. Hierbij moet worden gedacht aan:
•Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet.
Een groot aantal toestemmingstelsels uit de Wro zijn volledig geïntegreerd in de omgevingsvergunning. Hierbij gaat het onder meer om bouwen, slopen, aanlegactiviteiten, het gebruik in strijd met een ruimtelijk plan of besluit. Als gevolg van de Wabo zijn de regels over de verlening en handhaving van die toestemmingen uit de Wro verdwenen. De Wro blijft echter de centrale wet voor het ruimtelijke ordeningsrecht.
De financiële haalbaarheid van een plan blijft echter een belangrijk criterium en een eventuele saneringsnoodzaak kan van invloed zijn hierop. Tevens dient de bodemkwaliteit te stroken met de beoogde bestemming binnen het plan.
Ten behoeve van bestemmingswijzigingen zal daarom in de meeste gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak.
In de Wro is de verplichting voor bodemonderzoek niet rechtstreeks opgenomen, in de Bro blijft de verplichting bestaan voor onderzoek naar de bodemgesteldheid (artikel 9 Bro).
Gemeenten worden in de Wro verplicht elke 10 jaar het bestemmingsplan te actualiseren. Eventueel aan te vragen vergunningen waarbij tevens grondverzet plaatsvindt, zoals omgevingsvergunningen met activiteit bouwen of activiteit aanleggen dienen te worden getoetst aan een 'actueel' bestemmingsplan. De omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voorafgaand aan grondverzet. In het bestemmingsplan kan een aanlegvergunning worden geëist voor ophogen.
•Ontgrondingenwet, wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet. De ontgrondingenwet en -verordening reguleren de winning van oppervlaktedelfstoffen als zand, klei en grind voor de bouwproductie.
•Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet, en Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor inrichtingen over verschillende milieuaspecten, zoals geluid, bodem, lucht en afvalwater. De Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepalen al dan niet in combinatie met een deel van het Activiteitenbesluit of er sprake is van vergunningplicht; bijvoorbeeld de opslag van grond.
Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn de bepalingen met betrekking tot de bouwvergunning en handhaving overgeheveld van de Woningwet naar de Wabo. Hiermee is de bouwvergunning vervangen door de omgevingsvergunning voor bouwen.
Bij de ontwikkeling van bouwplannen moet echter nog steeds rekening worden gehouden met de functie-eisen in relatie tot de aanwezige bodemkwaliteit. Bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen dient de aanvrager daarom in een aantal gevallen een bodemonderzoek te overleggen.
•Woningwet, wordt op termijn grotendeels vervangen door de Omgevingswet. In deze wet wordt het bouwen op verontreinigde bodem (grond en grondwater) geregeld.
•Besluit gebruik meststoffen (Bgm). Bij het toepassen van compost of zwarte grond zijn (aanvullende) kwaliteitseisen gesteld.
•Monumentenwet 1988, wordt op termijn grotendeels vervangen door de Omgevingswet. In deze wet is het verdrag van Malta opgenomen. Bij grondverzet moet rekening worden gehouden met archeologische waarden. Op kaart moet de gemeente een overzicht geven van bekende archeologische vindplaatsen. Bij grondverzet moeten andere bronnen zoals bijvoorbeeld de stadsarcheoloog worden geraadpleegd.
•Wet natuurbescherming, enkele bepalingen gaan op termijn over naar de Omgevingswet. Deze wet vereist dat in planvorming rekening wordt gehouden met de aanwezige flora en fauna. Voor een groot aantal expliciet beschermde soorten is bepaald welke handelingen niet zijn toegestaan. Daarnaast is in de wet een algemene zorgplicht opgenomen, die aangeeft dat de negatieve gevolgen van ieders handelen op de aanwezige (beschermde) flora en fauna voor komen of zo veel mogelijk beperkt moet worden. De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland zijn opgenomen in de provinciale structuurvisie.
•Wet Informatie uitwisseling ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Doel van de WIBON is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (zoals bijvoorbeeld: water-, elektriciteit-, gas- en telecomleidingen) te voorkomen. Bij machinale graafwerkzaamheden is een KLIC-melding verplicht.
•Arbeidsomstandighedenbesluit. De regels voor het werken in verontreinigde grond liggen vast in de Arbeidsomstandighedenwet en -besluit. Met name in het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn regels opgenomen die werken met gevaarlijke stoffen veilig moeten houden. In het Arbeidsomstandighedenbesluit, hoofdstuk 2, afdeling 5 wordt aangegeven welke verantwoordelijkheden opdrachtgevers, ontwerpende partijen en werkgevers hebben ten aanzien van veilig en gezond werken.
•Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen. Dit besluit bepaalt sinds 1 juli 2013 de regels met betrekking tot het installeren en inwerking hebben van bodemenergiesystemen. In het besluit wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten bodemenergiesystemen. De gemeente is als bevoegd gezag voor gesloten bodemenergiesystemen belast met de ontvangst en behandeling van meldingen, vergunningaanvragen, toezicht en handhaving. Ook krijgt de gemeente de bevoegdheid zogeheten “interferentiegebieden” aan te wijzen indien door drukte in de ondergrond bodemenergie inefficiënt dreigt te worden gebruikt. De nieuwe regels stellen de gemeente daarmee voor de uitdaging om het thema bodemenergie concreet in de passen in het ruimtelijk beleid.
•Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Op basis van de Wob is de gemeente verplicht om te zorgen voor informatie en communicatie in het kader van bodemkwaliteitsbeheer. Het is aan te bevelen binnen de gemeente/omgevingsdienst één bodeminformatiepunt (bodemloket) in te richten om de verschillende informatiestromen op elkaar af te stemmen. In de meeste gevallen zal de milieu- afdeling van een gemeente/omgevingsdienst deze taak toegewezen krijgen.
o De taken van het bodemloket kunnen zijn:
o voorlichtingsfunctie voor gemeentelijke afdelingen, burgers en bedrijven;
o beheren Bodem Informatie Systeem (BIS):
o registratie bodemonderzoeks- en saneringsgegevens;
o registratie verdachte locaties;
o registratie grondstromen;
o registratie nazorg bodemsanerings- en hergebruiklocaties;
o referentiekader bij preventie;
o sturing grondstromen.
•Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb). De Wkpb moet de registratie van alle beperkingen van de overheid (publiekrechtelijke beperkingen) verbeteren zodat kopers of eigenaren makkelijker inzicht hebben in de beperkingen die voor een gebouw of stuk grond gelden. Ook bodembesluiten die leiden tot publiekrechtelijke beperkingen vallen onder de Wkpb, bijvoorbeeld een beschikking van gedeputeerde staten over het nazorgplan (art. 39d Wbb) of een bevel tot het nemen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen, tot het verrichten van onderzoek of tot het beheren of saneren van de bodem (art. 43 Wbb). Meldingen van bodemsaneringen die worden uitgevoerd onder het Besluit uniforme saneringen (BUS) hoeven sinds 1 februari 2013 niet meer door het bevoegd gezag te worden geregistreerd in het kader van de Wkpb.
Een bodembesluit heeft veelal betrekking op een ‘geval van ernstige verontreiniging’. Echter niet alle percelen die onder het besluit vallen hebben een publiekrechtelijke beperking. Alleen percelen die vallen binnen de ‘interventiewaardecontour’ van grond (niet grondwater) bevatten een ernstige verontreiniging die leidt tot een publiekrechtelijke beperking. De Regeling beperkingenregistratie Wet bodembescherming, die op 1 augustus 2007 inwerking is getreden, schept verdere duidelijkheid over de invulling van het begrip publiekrechtelijke beperking in relatie tot bodembesluiten.
•Resterende wetten. Bovenstaand zijn een aantal wetten beschreven, die belangrijke gevolgen hebben voor gemeentelijke taken en verplichtingen met betrekking tot bodemkwaliteit. Naast bovengenoemde wetten heeft de gemeente/omgevingsdienst ook nog bodemtaken en –verplichtingen op basis van de volgende wetten:
o Wetboek van strafrecht.
o Wet op economische delicten.
o Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
o Waterwet.
2.2 Landelijk beleid grondstromen
2.2.1 Richtlijn bodemkwaliteitskaarten
In de landelijke Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten[12] is voorgeschreven hoe een bodemkwaliteitskaart moet worden opgesteld als deze wordt gebruikt voor hergebruik van grond onder het Besluit[1]. Met deze Richtlijn is ook een aantal andere procedures geregeld, waaronder de te hanteren normwaarden, omgaan met extreme waarden (uitbijters), vergelijkbaarheid, omgaan met ‘bijzondere omstandigheden’ en het in een kaart weergeven van de bodemkwaliteit en mogelijkheden tot grondverzet.
2.2.2 Lokale Maximale Waarden
Zoals in § 2.1.1 van deze bijlage al beschreven, hebben gemeenten en waterkwaliteitbeheerders de mogelijkheid om voor het toepassen van grond binnen haar beheergebied, of delen daarvan, per stof Lokale Maximale Waarden (LMW) op te stellen die afwijken van het landelijke (generieke) maximale waarden; het zogenaamde gebiedsspecifiek beleid. Aanleidingen voor gebiedsspecifiek beleid kunnen zijn:
•De ambitie van een gemeente. De gemeente wil strenger of minder streng beleid hanteren dan het generieke kader van het Besluit[1].
•Dat de vastgestelde diffuse kwaliteit in een gebied knelpunten veroorzaakt bij het beoogde grondverzet als uitgegaan wordt van het generieke kader van het Besluit.
•Deze LMW kunnen variëren tussen de ‘altijd’- en ‘nooit’-grens. De ‘altijd’-grens is gebaseerd op de Achtergrondwaarden (AW2000, Landbouw/natuur). Partijen grond die voldoen aan de Achtergrondwaarden zijn, voor wat betreft de chemische kwaliteit, altijd toepasbaar. De 'nooit'-grens is gebaseerd op het Saneringscriterium. Partijen grond die het Saneringscriterium overschrijden leveren onaanvaardbare risico's op.
•In het generieke kader van het Besluit zijn voor de kwaliteit van de toe te passen grond Generieke Maximale Waarden vastgesteld die horen bij de functie van de ontvangende bodem. LMW die hoger dan de Generieke Maximale Waarden liggen moeten worden onderbouwd om aan te tonen dat geen onaanvaardbare risico's ontstaan. Het risiconiveau van de gekozen LMW wordt berekend met behulp van de Risicotoolbox (http://www.risicotoolboxbodem.nl).
In figuur B2.1 is het voorgaande schematisch weergegeven.
Figuur B2.1. Generiek versus gebiedsspecifiek beleid.
2.3Provinciaal beleid grondstromen
De Provinciale Milieuverordening (PMV) is gebaseerd op het Activiteitenbesluit (daarvoor de Wet milieubeheer) en de Wet bodembescherming. De PMV is één van de instrumenten om het milieu gezond en veilig te houden. De PMV bevat regels over afvalwater, gebruik stortplaatsen, milieubeschermingsgebieden, bodemsanering en inspraak bij een milieubeleidsplan, milieuprogramma en milieuverordening.
Ook door de provincie aangewezen beschermingsgebieden vallen onder locaties met bijzondere omstandigheden voor grondverzet. Voorafgaand aan het grondverzet moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden er restricties zijn ten aanzien van het grond- en baggerverzet. De provincie kan hier aanvullende eisen stellen.
In de gemeenten Maassluis en Vlaardingen liggen de provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn archeologie en cultuurhistorie, Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS) en aardkundig waardevolle gebieden. De ligging van deze gebieden is te raadplegen op de website van de Provincie Zuid-Holland (www.zuid-holland.nl).
Als de ontgravings-, toepassingslocatie of de locatie voor de tijdelijke opslag van grond in een provinciaal beschermingsgebied is gelegen, moet er afstemming plaatsvinden met de provincie over de uit te voeren werkzaamheden.
2.4Provinciale en gemeentelijke kaders die relevant zijn voor de bodemtaken[38]
Provinciale Milieuverordening (PMV)
In de Provinciale Milieuverordening staan verschillende regels waaraan de gemeente zich als initiatiefnemer moet houden. Er mag bijvoorbeeld geen verontreinigde grond worden toegepast in grondwaterbeschermings- en drinkwaterwingebieden. Verder kunnen in de PMV nadere eisen aan saneringsplannen en evaluatieonderzoek zijn gesteld.
Gemeentelijk milieubeleidsplan (GMP)
In het gemeentelijk milieubeleidsplan wordt het milieubeleid van de gemeente bepaald. In principe moeten alle verschillende milieu-onderwerpen behandeld worden, waaronder bodem. Voor bodem zal dus een eigen paragraaf of hoofdstuk in het GMP moeten staan.
Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP)
In het kader van de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet gaan er stemmen
op om het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) te benutten als kapstok voor een programmatische aanpak van de problematiek van bodem en ondergrond. In dit programma zou dan een directe koppeling worden gelegd met gebiedsontwikkelingen met kansen voor het combineren van grondwater-/bodemsanering en warmte- en koudeopslag, afkoppelen van verhard oppervlak, waterberging en aanpak knelpunten rioolbeheer.
Gemeentelijke gedragscode
Naast de wettelijke verplichtingen die de gemeente heeft als initiatiefnemer is het ook mogelijk om een gemeentelijke gedragscode op te stellen. Deze interne gedragslijnen kunnen ervoor zorgen dat gemeenten zorgvuldig en eenduidig met bodemverontreiniging omgaan. De gedragscode heeft geen wettelijke status, maar kan wel gezien worden als een aanvulling op de wettelijke regels en beleidskaders.
Bouwverordening
Elke gemeente heeft een bouwverordening vastgesteld. Het indienen van een bouwaanvraag dient in principe vergezeld te gaan van een bodemonderzoeksrapport conform NEN 5740. De taak van de gemeente in deze is dat in principe bouwen op verontreinigde grond wordt tegen gegaan. Voor meer informatie over dit onderwerp zie de handreiking ‘Bodemtoets bij bestemmingsplan en omgevingsvergunning voor bouwen’. In de bouwverordening is ook opgenomen aan welke kwaliteitseisen de bodem van open erven en terreinen moet voldoen, ook als er niet op gebouwd wordt.
In deze nota bodembeheer is onder voorwaarden een vrijstellingsregeling opgenomen voor het gebruik van de bodemkwaliteitskaart in plaats van het uitvoeren van een bodemonderzoek bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouw.
2.4Taken en verplichtingen[38]
De gemeente/omgevingsdienst heeft verschillende taken en verplichtingen op het gebied van bodemkwaliteitsbeheer. De taken en verplichtingen komen voort uit wettelijke regels en/of beleidskaders. Indien de gemeente op basis van een wet bevoegd gezag is, heeft zij bepaalde taken. Deze komen aan de orde in tabel B2.1. Als de gemeente zelf initiatief neemt is zij te beschouwen als private partij. De verplichtingen die hieruit voortvloeien komen aan de orde in tabel B2.2
Tabel B2.1 Gemeente als bevoegd gezag m.u.v. Wbb (publiekrechtelijk)
wettelijk kader
naam AmvB
taak
toelichting taak
registratie / documentatie
Wet bodembescherming
-zorgplicht art. 13 Wbb
-preventie bodemverontreiniging
-bodembeheerplan / verordeningen
-opgave onderzoeksgevallen en gevallen van ernstige verontreiniging (o.b.v. artikel 41 Wbb)
-melden gevallen bodemverontreiniging en calamiteiten aan Wbb bevoegd gezag
-beoordelen mogelijk ernstige gevallen en nieuwe gevallen van bodemverontreiniging
-register meldingsformulieren
-register / beoordelingsformulieren
-uitvoering werkzaamheden in het kader van het budget Decentralisatie Uitkering bodem
-bodemsanering meenemen in ruimtelijke ontwikkelingen
-Bodemloket: informatieverstrekking over verontreinigde locaties
-sanering ernstige bodemverontreiniging (saneringsregeling Wbb of BUS)
-onderzoek (laten) doen
-beschikkingen aanvragen en melden
-sanering begeleiden
-onderzoeksrapport
-overzicht beschikkingen
-saneringsverslag
-handhaving binnenen buiten inrichting
-artikel 6 t/m 11 (AMvB), artikel 13 (Zorgplicht), artikel 72 (verplicht bodemonderzoek) en artikel 95 (bestuurlijke handhaving)
-handhavingsverslag
-uitvoering gebiedsgerichte aanpak grondwater
-het bevoegd gezag Wbb kan uitvoeringstaken in het kader van gebiedsgerichte grondwaterbeheer overdragen aan andere besturen
-monitoring van de voortang
-communicatie betrokken instantie en bedrijven
-overige taken
-verhaalactiesentameren en begeleiden
-begeleiding, voorlichting, advisering bij onderzoek en sanering in opdracht van Wbb bevoegd gezag/ waterschap/ derden
-correspondentie
-brochures
-verplichte aankoop bij ernstige bodemverontreiniging (artikel 56 t/m 63 Wbb)
-bewonersregeling Wbb: op verzoek van eigenaar/bewoner aankoop woningen
wettelijk kader
naam AmvB
taak
toelichting taak
registratie / documentatie
AMvB’sop basis van de Wet bodembescherming*
Besluit bodemkwaliteit
-verantwoordelijk voor bodemkwaliteit binnen eigen beheersgebied
-standstill principe toepassen
-beoordelen kwaliteit toe te passengrond (toetsen aan klasseniveau) met behulp van Risicotoolbox
-toezicht herkomstlocatie en toepassingslocatie
-meldingen via centraal meldpunt
-verslagen toezicht en handhaving
-generiek beleid
-functiekaart opstellen, waarop de functies wonen en industrie binnen het eigen beheergebied zijn aangegeven. Zonder deze functiekaart kan alleen grond en baggerspecie worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarde voor schone gebieden in Nederland (AW2000)
-functiekaart beheren
-functiekaart
-gebiedsspecifiek beleid
-opstellen bodemkwaliteitskaart volgens nieuwe regels (zoals opgenomen in bijlage J van de Regeling) eneen bodembeheernota opstellen, waarin de lokale normen worden gemotiveerd en vastgelegd
-handhaven gebiedsspecifiek beleid
-bodembeheernota
Activiteitenbesluit
-controle en handhaving ondergrondse tanks
-registratie meldingen en saneringen
-controle saneringen
-controle en handhaving in gebruik zijnde tanks
-register meldingen
-controleverslagen
-controleverslagen
-actie Tankslag
-voorlichtinggeven (inventariseren tanks)
-begeleiding Actie Tankslag
-financiering (eventueel )
-brochures
-controle en handhaving bodemlozingen
-registratie omvangrijke lozingen
-verlenen ontheffing registratie van niet op de riolering aangesloten percelen
-register
-correspondentie
-register
*In deze tabel zijn alleen de AMvB’s opgenomen waarbij de afdeling bodem van de gemeente bepaalde taken heeft. Bij overige AMvB’s bij de Wbb, zoals Besluit Overige Organische Meststoffen, Stortbesluit Bodembescherming en Infiltratiebesluit Bodembescherming is de gemeente geen bevoegd gezag of houdt een andere afdeling binnen de gemeente zich hiermee bezig. Voor meer informatie over deze AMvB’s wordt verwezen naar de Leidraad Bodembescherming.
wettelijk kader
naam AmvB
taak
toelichting taak
registratie / documentatie
Waterwet
-slibbeheer gemeentelijke wateren
-onderzoek kwaliteit gemeentelijke waterbodems onderhoud ensanering gemeentelijke waterbodems (deel)sanering in kader van nautisch baggeren
-onderzoeksrapport
-saneringsverslag
-saneringsverslag
Wijzigingsbesluit Bodemenergie- systemen
Activiteitenbesluit en Besluit lozen buiten
inrichtingen
-afhandeling meldingen kleine gesloten systemen
-vergunningverlening (OBM) voor grotere gesloten systemen >70kW)
-algemene regels en voorschriften met betrekking tot de bescherming van debodem en ondergrond bij gebruik bodemenergie
-verwerking via OLO of AIM
-opname systemenin WKO tool
-controle en handhaving bij aanleg, gebruiksfase en bij buitengebruikstelling
-Toezien op efficiënt gebruik bodemenergie
-Buitengebruikstelling en verwijderen koelvloeistoffen bij beëindiging systeem
-controleverslag
Omgevingsvergunning
(Wabo/Wm)
-vergunningverlening
-bodemvoorschriften opnemenin vergunningen
-bodemvoorschriften
-controle en handhaving vergunningen
-toetsen nul/eindsituatie-onderzoeken
-toetsingsverslag
-controle en handhaving AMvB’s en art. 10.2 Wm en Hoofdstuk 17 Wm
-controleren op storten buitende inrichting en calamiteiten
-controleverslag
Wabo (voorheen besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer)
hoofdstuk 7 Bor en hoofdstuk 10
Mor
-opstellen handhavingsbeleid en jaarlijks uitvoeringsprogramma
-op grond van art. 2 en 3 van het besluit moeten deze beleidsgerichte taken worden uitgevoerd
-handhavingsbeleidsplan en
-programma
-beheer en registratie handhavingsgegevens
-bewaken uitvoeringsprogramma met geautomatiseerd systeem
-registratie gegevens (aantal controles, overtredingen, handhavingsbeschikkingen, p.v.’s, ontvangen klachten)
-geautomatiseerd systeem handhaving
-rapportage en evaluatie
-rapportage over mate waarin doelen zijn bereikt en of afspraken (activiteiten) zijn nagekomen
-periodiek rapportage
Wm (voorheen Wet milieugevaarlijke stoffen)
-controle en handhaving (artikel 64)
-zorg dragen voor debestuursrechtelijke handhaving in overleg metinspectie en provincie
-handhavingsverslagen
wettelijk kader
naam AmvB
taak
toelichting taak
registratie / documentatie
Omgevingsvergunning voor bouwen/ Woningwet
-opstellen Bouwverordening
-bodemonderzoek/bodemkwaliteitskaart en –toets vastleggen in bouwverordening
-controleren of bodemkwaliteit open erven en terreinen voldoet aan gestelde eisen
-tekst bouwverordening
-verlenen omgevingsvergunning voor bouwen
-opnemen bodemvoorschriften in de omgevingsvergunning voor bouwen
-bodemvoorschriften
-controle en handhaving
-beoordelen en controleren bodemtoets omgevingsvergunning voor bouwen
-verlenen ontheffing bodemtoets
-register beoordelingsformulieren
-correspondentie
Wet op de ruimtelijke ordening
-bodembescherming garanderen
-bodemparagraaf in bestemmingsplan
-bodemparagraaf
-controle en handhaving
-bodemtoets bestemmingsplanprocedures
-bodemtoets omgevingsvergunning (artikel 19 procedure)
-toetsingsverslagen
Wet openbaarheid van bestuur/ verdrag van Aarhus
-verzorgen informatie en communicatie
-verzorgen bodemloket (intern en extern)
-op verzoek ter beschikking stellen gegevens over bodemkwaliteit
-correspondentie
-makelaarsformulieren
Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
-bijhouden beperkingenregister en
-registratie
-verzorgen informatie en communicatie
-inschrijven beperkingenbesluiten in register en doorgeven aan de landelijke voorziening
-op verzoek aangegeven of er een beperking (bijv. saneringsplicht, gebruiksbeperking) op een bepaald perceel rust
-register beperkingen (voorheen kadastrale registratie)
-correspondentie
Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer (opgenomen als hoofdstuk 2 in het Besluit bodemkwaliteit)
-kwalibo: alleen werken met erkende bodemintermediairs
-besluiten baseren (bijv. verlenen vergunning, afgegeven beschikking) op bodemonderzoek dat is uitgevoerd door een daarvoor erkend onderzoeksbureau
-erkenning bij Bodem+
Tabel B2.2 Gemeente als eigenaar (privaatrechtelijk)
wettelijk kader
naam AmvB
verplichting
toelichting
registratie / documentatie
Wet bodembescherming
-sanering in eigen beheer
-melden voorgenomen sanering
-saneren indien gemeente zelf eigenaar/- gebruiker/ veroorzaker is
-onderzoeksrapport
-saneringsverslag
-monitoringrapportage
-zorgplicht art. 13 wbb
-preventie bodemverontreiniging bij uitvoeren eigen werken
-werkwijzer / werkafspraken
AmvB’s op basis van de Wbb
Besluit bodemkwaliteit
-melding van hergebruik grond en bouwstoffen
-aantonen kwaliteit van grond en bouwstoffen
-registratie
-keuringsverslagen en certificaten
-register meldingsformulieren
-toepassingseisen naleven
-bij toepassing voldoen aan generiek danwel gebiedsspecifiek kader, toetsing kwaliteit aan ontvangende bodem
-toetsingsresultaat
Activiteitenbesluit
-naleving regels bij gemeentelijke ondergrondse tanks
-KIWA-keuringen laten uitvoeren
-bodemonderzoek
-keuringsverslag
-onderzoeksrapport
Wet milieubeheer
-preventie bodemverontreiniging
-aanvraag omgevingsvergunning/ melding doen i.h.k.v. AMvB
-stimuleren hergebruik grond
-toe te voegen bodemonderzoek bij aanvraag vergunningdient te zijn uitgevoerd door daarvoor erkende instantie
-initiëren van faciliteiten voor hergebruik (grondbank)
-haalbaarheidsstudie grondbank: in eigen beheer of in samenwerking
Besluit melden Bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
-melden transport verontreinigde grond
-indien van toepassing: omschrijvingsformulier en/of transportbegeleidingsbonnen invullen
-bij afvoer van niet-gevaarlijk afval, zijnde bedrijfsafval naar depot/reiniger: melden transport, invullen en overleggen omschrijvingsformulier en transport-begeleidingsbonnen
-bij afvoer grond naar werk: buiten de locatie alleen permanente begeleidingsbrief
-bij afvoer gevaarlijk afval: lmv-formulier, melden transport, invullen omschrijvings-formulier en transportbegeleidingsformulier
-registratie transportbegeleidingsbonnen en omschrijvingsformulieren
Burgerlijk Wetboek
-bodemonderzoek en saneringen
-afdekken risico’s en aansprakelijkheid
-onderzoeksrapporten
-clausules bij overdrachtsakten
2.6 Verdeling bevoegdheden
2.6.1 Verdeling bevoegdheden bij bodemverontreiniging
Decentralisatie en deregulering staan hoog genoteerd. In dit kader is ook inzake bodemkwaliteitsbeheer een toenemende verantwoordelijkheid van de gemeenten gerealiseerd en te verwachten. Een overzicht van huidige bevoegdheidsverdeling tussen gemeente enerzijds en provincie en Wbb bevoegde gemeenten anderzijds staat in tabel B2.3.
Tabel B2.3 Bevoegdheidsverdeling bij bodemverontreiniging
1Als het gaat om meer dan 50 m3 niet ernstige verontreiniging is niet de gemeente, maar de provincie (of de daarvoor aangewezen gemeenten) bevoegd gezag. Op basis van de Wet bodembescherming artikel 28 lid 4 is het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen opgesteld. Hierin wordt onder andere geregeld dat voor niet-ernstige gevallen met een omvang groter dan 50 m3 grond of 100 m3 grondwater andere wettelijke kaders dan de Wbb van toepassing kunnen zijn, bijvoorbeeld de Woningwet. Hiervoor is de gemeente dan het bevoegd gezag.
2Gevallen van ernstige bodemverontreiniging kleiner dan 25 m3 grond of 100 m3 grondwater vallen sowieso niet onder de meldingsplicht, evenzo gevallen van bodemverontreiniging kleiner dan 50 m3 grond of 100 m3 grondwater, de gemeente is dan bevoegd gezag.
3Ontstaan/veroorzaakt na 1 januari 1987. Naast de typering ‘nieuwe gevallen’ kent de Wet bodembescherming ook het ‘ongewone voorval’. Dit is een bijzondere gebeurtenis waarbij verontreiniging of aantasting van de bodem is opgetreden.
4Afhankelijk van wie bevoegd gezag is in het kader van de Wabo/ Activiteitenbesluit. De inrichtingen die vallen onder de bevoegdheid van de minister van I&M zijn hier buiten beschouwing gelaten.
5De gemeente is het eerste aanspreekpunt bij de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging buiten inrichtingen. De gemeente neemt hierbij de formele besluiten aangaande instemming met de voorgenomen sanering van deze gevallen. Hierbij is wel afstemming vereist met de provincie. De provincie kan aanvullende eisen stellen.
2.6.2 Omgevingsdiensten
Sinds januari 2013 hebben gemeenten, provincies en Rijk hun taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) ondergebracht bij Omgevingsdiensten ook wel Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) genoemd. Het gaat om minimaal de VTH taken op het gebied van milieu en mogelijk ook bouwen, natuur en water.
De gemeenten en provincies hebben ook hun VTH taken met betrekking tot bodem overgedragen aan de Omgevingsdienst. In het kader hieronder zijn de basistaken met betrekking tot bodem weergegeven die bij de Omgevingsdienst zijn neergelegd.
Tot de basistaken met betrekking tot bodem van de Omgevingsdienst/RUD horen:
•het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder het Besluit bodemkwaliteit voor zover het die activiteiten betreft;
•het milieutoezicht bij bodemsanering, sanering van bedrijfsterreinen en lozing van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering voor zover het die activiteiten betreft;
•het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen, asbest, vuurwerk, bouwstoffen, grond, baggerspecie, meststoffen, dierlijke vetten, radioactief schroot, destructiemateriaal, explosieven voor civiel gebruik of andere gevaarlijke stoffen voor zover het die activiteiten betreft. Het gaat hierbij om ketengericht milieutoezicht.
Daarnaast hebben gemeenten en provincie ook nog een aantal bodemtaken die zij vrijwillig kunnen overdragen aan de omgevingsdienst.
Bijlage 3A Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart
1Doelstelling bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart
Het doel van het aanpassen van de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaarten is om aan te sluiten bij het Rotterdamse beleid[13] en om een betere weergave te verkrijgen van de ligging van de bodemfuncties ‘Industrie, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ en ‘Natuur’ op het grondgebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen.
Het doel van het opstellen van de bodemkwaliteitskaart is om een actueel en dekkend beeld te krijgen van de algemene stedelijke bodemkwaliteit in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen.
De achterliggende doelstellingen is de wens van de gemeenten om met de bodemkwaliteitskaart gebruik te kunnen maken van de mogelijkheden die het Besluit[1] en de Omgevingswet (die naar verwachting in 2022 inwerking treedt) biedt:
•als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven minder partijkeuringen en bodemonderzoeken te worden uitgevoerd wat een kosten- en tijdbesparende factor is bij grondverzet);
•bij het toepassen van grond en baggerspecie op en in de landbodem;
•bij het wegnemen van mogelijke knelpunten bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond);
•om gebiedsspecifiek bodembeleid mogelijk te maken;
•het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming[4] en het Besluit en de Regeling Uniforme Saneringen[28] [29].
•bij de interpretatie van eindsituatie-onderzoeken na beëindiging van bodembedreigende activiteiten;
•bij vrijstelling van bodemonderzoek in het kader van omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en/of activiteit ruimtelijke planvorming).
Op 8 juli 2019 is een tijdelijk handelingskader inwerking getreden voor hergebruik van PFAS
33Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn.
-houdende grond en baggerspecie[20]. De initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. Het tijdelijk handelingskader is op 29 november 2019 en op 1 juli 2020 geactualiseerd. Op 29 november 2019 zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-gehalten gedefinieerd, evenals voorlopige toepassingswaarden in verschillende toepassingssituaties. Op 1 juli 2020 zijn de voorlopige landelijke achtergrondwaarden aangepast en voor een aantal toepassingssituaties in een oppervlaktewaterlichaam de toepassingswaarden gewijzigd.
Door meetgegevens over PFAS-gegevens in de grond te verzamelen, hebben de gemeenten met deze herziene versie de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen de bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen geactualiseerd. Hiermee faciliteren de gemeenten de beoogde effecten zoals die deze nota bodembeheer zijn geformuleerd.
2Bodemfunctieklassenkaart
Op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1) wordt de ligging van gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Landbouw’, ‘Wonen’ en 'Industrie' weergegeven. De bodemfunctieklassenkaart wordt gebruikt voor:
•het mede bepalen van de kwaliteitseisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen (zie ook § 3.8.4 van deze bijlage en bijlage 1 onder het kopje 'Toepassingskaart').
•het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet
bodembescherming[4].
De huidige gemeentelijke bodemfunctieklassenkaarten zijn in 2016 aangepast. Hieronder zijn de aanpassingen weergegeven:
•De rijkswegen en spoorwegen vallen nu in de functieklasse ‘Industrie’; was de functieklasse van het omliggende gebied.
•De Broekpolder in Vlaardingen valt nu grotendeels in de functieklasse ‘Natuur’, een klein aangewezen deel van de Broekpolder valt nu in de functieklasse ‘Industrie’; de gehele Broekpolder viel in de functieklasse ‘Wonen’.
•Natuurgebied ‘De Lickebaert’, het ‘Volksbos’, valt nu in de functieklasse ‘Natuur’; was functieklasse ‘Wonen+recreatie’.
•Het landelijk gebied in de gemeente Maassluis, het gebied ‘Bebouwing en weilanden’ in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen en het gebied Aalkeet- en Holypolder in Vlaardingen (zie de kaartbijlagen 2A, 2B en 2C) vallen in de functieklasse ‘Landbouw’; was de functieklasse ‘Overig (AW2000)’ in de gemeente Maassluis of de functieklasse ‘Natuur’ in de gemeente Vlaardingen.
In 2021 is de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart als volgt aangepast:
Gemeente Maassluis:
•Het gebied tussen het veer Maassluis-Rozenburg en het Gemaal Mr. Dr C.P. Zaayer, ten zuidoosten van de Deltaweg valt nu in de functieklasse ‘Wonen’, was de functieklasse ‘Industrie’.
Gemeente Vlaardingen
•Een deel van de ‘Rivierzone’ ten zuiden van de T-splitsing Deltaweg-Van Beethovensingel valt nu in de functieklasse ‘Wonen’, was de functieklasse ‘Industrie’.
•De Broekpolder in Vlaardingen valt nu grotendeels in de functieklasse ‘Natuur’, een klein aangewezen deel van de Broekpolder valt nu in de functieklasse ‘Industrie’. Na heroverweging valt:
o het noordelijke deel en de oostelijke strook van de Broekpolder in de functieklasse ‘Wonen’, was de functieklasse ‘Natuur’;
o de sportvelden tussen de Broekpolderweg en het Broekpolderpad in de functieklasse ‘Wonen’, was de functieklasse ‘Natuur’;
o het gebied dat omsloten wordt door de Broekpolderweg en de Watersportweg in de functieklasse ‘Landbouw’, was de functieklasse ‘Wonen’.
3Bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[12] en/of de afspraken met de DCMR. Er is gewerkt volgens het in de Richtlijn opgenomen stappenplan. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven, die in de volgende paragrafen nader zijn toegelicht. In de Richtlijn is aangegeven dat de stappen niet chronologisch gevolgd hoeven te worden. Wel is het noodzakelijk dat elementen van alle stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de bodemkwaliteitskaart.
Stap 1: Opstellen programma van eisen.
Stap 2: Vaststellen onderscheidende kenmerken.
Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking.
Stap 4: Indelen beheergebied in deelgebieden.
Stap 5: Controle indeling van het beheergebied.
Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie.
Stap 7: Vaststellen bodemkwaliteitszones.
Stap 8: Opstellen ontgravings- en toepassingskaart.
3.1 Stap 1: Programma van eisen
Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn de volgende definities vastgesteld:
•Het beheergebied van de bodemkwaliteitskaart omvat het grondgebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen. In § 4.2 van de nota bodembeheer is voor de acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel bij grondverzet een ruimer bodembeheergebied gedefinieerd.
•De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de landbodem in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte (m-mv). Vanwege de karakteristiek van de algemene stedelijke bodemkwaliteit zijn in afwijking op de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten de volgende bodemlagen onderscheiden:
1Vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter beneden het maaiveld.
2Vanaf 1,0 meter tot en met 1,5 meter beneden het maaiveld.
3Vanaf 1,5 meter tot en met 2,0 meter beneden het maaiveld.
•De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart:
-Rijkswegen, provinciale wegen en spoorgebonden gronden inclusief de onverharde (spoor)wegbermen (andere beheerorganisatie).
-Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging, inclusief locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende
34Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen.
en verwerkende bedrijven
35Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica.
, inzet blusschuim
36Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart).
en secundaire bronnen
37Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.
).
-Locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (de locaties met een beschikking “Ernstig”).
-De bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld.
-De waterbodems die in beheer zijn van de betreffende waterkwaliteitsbeheerder: Rijkswaterstaat of het Hoogheemraadschap van Delfland; met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling[8].
-Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
•De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor het huidige standaard NEN 5740[18] stoffenpakket: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), aangevuld met arseen. Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,5 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS-verbindingen
38Het betreft minimaal de 30 PFAS-verbindingen die zijn opgenomen in de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019: https://www.bodemplus.nl/publish/pages/164708/1907012-pfas_-_advieslijst_tbv_tijdelijk_handelingskader_v4.pdf.
vastgesteld.
•De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken uit het bodeminformatiesystemen van de DCMR (Squit), die de bodeminformatie voor de gemeenten Maassluis en Vlaardingen beheert, en van het aanvullend bodemonderzoek dat is uitgevoerd voor deze bodemkwaliteitskaart (LievenseCSO, september 2015). De gegevens voor PFAS-verbindingen zijn afkomstig van aanvullend uitgevoerd bodemonderzoek[39] en een bij de DCMR bekend onderzoek naar PFAS-verbindingen[40]
De werkzaamheden die zijn uitgevoerd voor het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen zijn beschreven in § 3.9
3.2 Stap 2 en 4: Onderscheidende gebiedskenmerken en voorlopige deelgebieden
De basis van de bodemkwaliteitskaart is het identificeren van onderscheidende gebiedskenmerken. Binnen een deelgebied wordt de bodemkwaliteit homogeen verondersteld (vergelijkbare kwaliteit). Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik is een voorlopige deelgebiedenkaart gedefinieerd.
De gemeenten Maassluis en Vlaardingen hebben eerder een bodemkwaliteitskaart gehad waarin de stappen 2 en 4 van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten zijn doorlopen. Bij het definiëren van de voorlopige deelgebieden is voor de gemeente Vlaardingen uitgegaan van de vorige bodemkwaliteitskaart[41]. Op basis van historische informatie over wijkontwikkelingen en bodemkwaliteit heeft de DCMR voor de gemeente Maassluis een notitie over historische gegevens met voorstel ruimtelijke eenheden (maart 2015) opgesteld. Deze notitie vormt de basis voor de voorlopige deelgebieden in de gemeente Maassluis.
Voor de bodemlagen vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte en vanaf 1 meter tot en met 2 meter diepte zijn de volgende voorlopige deelgebieden onderscheiden (zie ook de kaartbijlagen 2A, 2B en 2C):
Gemeente Maassluis
•Kern, 1e Fase
•2e Fase inrichting
•3e Fase bebouwing
•Balkon
•Industrie Stationsbuurt
•Kapelpolder
•Landelijk gebied
•Steendijkpolder
•Zuidelijk Industrieterrein
•NNPZ (Noord Nieuwlandse Polder Zuid)
•Noordelijk industriegebied
•Park
•Sterrebos
Gemeente Vlaardingen
•1e Ring
•2e Ring
•Aalkeet- en Holypolder
•Bebouwing en weilanden
•Centrum
•Industrie na 1945
•Rivierzone
•Vergulde Hand West
3.3 Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking
3.3.1 Selecteren beschikbare gegevens
Voor het maken van de bodemkwaliteitskaart is het van belang om een representatieve dataset te maken, zodat de algemene stedelijke bodemkwaliteit binnen een bodemkwaliteitszones zo goed mogelijk kan worden bepaald.
De DCMR voert alleen analyseresultaten in als deze representatief zijn voor de algemene stedelijke bodemkwaliteit. Daarom zijn in eerste instantie alle analyseresultaten uit het bodeminformatiesysteem meegenomen in de dataset voor de bodemkwaliteitskaart.
De DCMR heeft aangegeven dat de analyseresultaten ouder dan 5 jaar vergelijkbaar zijn met de analyseresultaten die vanaf 2010 zijn verkregen. Daarom zijn rapporten geselecteerd vanaf 1 januari 1995. Gegevens van voor 1995 zijn niet representatief geacht omdat de analysemethoden en detectiegrenzen te veel afwijken van de huidige.
Van de geselecteerde gegevens zijn om de onderstaande redenen nog gegevens uit de dataset verwijderd:
•Gegevens zonder rapportdatum, geografie en/of monstertraject.
•Analysemonsters met een gemiddeld monstertraject dieper dan 2 m-mv.
•Analysegegevens afkomstig van niet-gecertificeerde onderzoeksbureau 'Elementair' en 'Bodemstaete'.
•Analysemonsters die een geografische overlap hebben met locaties die in het kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming, zogenaamde Wbb-locaties.
3.3.2 Het samenvoegen van punt- en mengmonsters
De dataset voor de bodemkwaliteitskaart bestaat uit meng- en puntmonsters met analysegegevens. De landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft onderzocht wat de invloed is van het meenemen van zowel punt- als mengmonsters op de berekening van percentielwaarden[42] van de analysegegevens. De resultaten laten zien dat percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van zowel punt- als mengmonsters, vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan daarom geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met analysegegevens, afkomstig van zowel punt- als mengmonsters. In dit project zijn de analysegegevens van de mengmonsters eenmaal meegenomen.
3.3.3 Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet
Bij analyses komt het vaak voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in een concentratie beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyses is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen.
De opgegeven detectielimiet van een bepaalde stof verschilt van rapport tot rapport. Verhoogde detectielimieten komen voor bij verstoringen in de grond(meng)monstermatrix. Daarnaast zijn de detectielimieten in de loop der jaren lager geworden doordat nauwkeurigere analyseapparatuur beschikbaar is gekomen.
3.3.4 Het opsporen van uitbijters
Ondanks dat er representatieve analysegegevens zijn geselecteerd, kan er sprake zijn van uitschieters in de dataset: extreem hoge gehalten als gevolg van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door puntbronnen die niet als zodanig in het bodeminformatiesysteem zijn aangegeven. Hierbij worden vaak bij meerdere stoffen in hetzelfde monster relatief hoge gehalten aangetroffen. Per deelgebied en per stof zijn met een visuele methode (scatterplots) extreme gehalten gemarkeerd.
In overleg met de DCMR zijn de uitschieters bekeken. Indien de extreem hoge waarden tot een lokale bron (puntbron), type- of meetfout zijn te herleiden of als niet-representatief zijn beoordeeld in vergelijking met de andere resultaten van dat deelgebied, zijn de analyseresultaten uit het bestand verwijderd of aangepast. In bijlage 3B is een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters opgenomen.
3.4 Stap 5: Controle indeling beheergebied in deelgebieden (1/2)
De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt de volgende minimale eisen aan het aantal analysegegevens per deelgebied:
•Per deelgebied zijn voor alle stoffen tenminste 20 analysegegevens beschikbaar.
•De analysegegevens liggen voldoende verspreid over het deelgebied:
-Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer analysegegevens beschikbaar.
-Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 analysegegevens beschikbaar.
In overleg met de DCMR is besloten om voor de stoffen barium, kobalt, molybdeen en som-PCB af te wijken van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. De deelgebieden worden voor deze vier stoffen gezoneerd met minimaal 10 analysegegevens in plaats van 20. Wel moet in elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied voor deze vier stoffen 3 analysegegevens beschikbaar zijn
Na het samenstellen van de dataset voor de bodemkwaliteitskaart (zie § 3.3.1 van deze bijlage) en de voorbewerkingen (zie § 3.3.3 en § 3.3.4 van deze bijlage), bleek dat de meeste deelgebieden niet aan de voornoemde minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten en/of de afspraken met de DCMR voldeden. Daarom is stap 6, verzamelen aanvullende informatie, uitgevoerd (zie § 3.5 van deze bijlage).
In overleg met de gemeente Maassluis zijn geen extra analysegegevens verzameld voor de deelgebieden NNPZ (Noord Nieuwlandse Polder Zuid), Noordelijk industriegebied, Park en Sterrebos. In deze deelgebieden wordt de komende jaren geen grondverzet verwacht. Deze deelgebieden worden verder uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
3.5 Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie
Voor de deelgebieden waar nog onvoldoende analysegegevens beschikbaar waren, is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (LievenseCSO, september 2015).
Tijdens het veldwerk bleek deelgebied ‘Steendijkpolder’ in Maassluis, in de ondergrond, verspreid over het deelgebied zintuigelijk verontreinigd met minerale olie. Ook moesten boringen worden gestaakt vanwege ondoordringbare puinlagen. In overleg met de DCMR is besloten het deelgebied ‘Steendijkpolder’ in de bodemlaag vanaf 1,0 tot en met 2,0 meter diepte niet mee te nemen voor de bodemkwaliteitskaart.
Het aanvullend bodemonderzoek is zo opgezet, dat voor alle deelgebieden wordt voldaan de afspraken die gemaakt zijn met de DCMR betreffenden het aantal analysegegevens
(zie § 3.4 van deze bijlage). Ook is rekening gehouden met de eis uit de Richtlijn dat de analysegegevens goed verspreid moeten liggen over de deelgebieden.
De resultaten van het aanvullend bodemonderzoek zijn op dezelfde wijze bewerkt als de andere bodemgegevens in de dataset (zie § 3.3) en daarbij ook onderworpen aan een uitbijteranalyse. Bij de uitbijteranalyse zijn geen monsters als uitbijter geïdentificeerd. Alle resultaten van het bodemonderzoek zijn als representatief beoordeeld en toegevoegd aan de dataset van de bodemkwaliteitskaart.
3.6 Stap 5: Controle indeling beheergebied in deelgebieden (2/2)
3.6.1 Aantal analysegegevens
Met uitzondering van 4 deelgebieden in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte en 5 deelgebieden in de bodemlaag vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte in de gemeente Maassluis (tabel B3.1) voldoen de deelgebieden aan de afspraken die met de gemeenten en de DCMR zijn gemaakt over het aantal analysegegevens en de spreiding van de analysegegevens.
Een overzicht van het aantal analysewaarden per stof per bodemkwaliteitszone staat in bijlage 4 (kolom ‘N’).
Tabel B3.1: Niet gezoneerde deelgebieden.
Niet gezoneerde deelgebieden
Gemeente
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte
Bodemlaag vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte
NNPZ (Noord Nieuwlandse Polder Zuid)
Noordelijk industriegebied
Maassluis
Niet gezoneerd
Niet gezoneerd
Noordelijk industriegebied
Maassluis
Niet gezoneerd
Niet gezoneerd
Park
Maassluis
Niet gezoneerd
Niet gezoneerd
Steendijkpolder
Maassluis
Gezoneerd
Niet gezoneerd
Sterrebos
Maassluis
Niet gezoneerd
Niet gezoneerd
3.6.2 Splitsen van deelgebieden
Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van LievenseCSO bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen en minerale olie een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en voor de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en polychloorbifenylen (PCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering.
Het overzicht van de variatiecoëfficiënten is opgenomen in bijlage 4 (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat voor veel deelgebieden voor één of meerdere stoffen sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt (zie bijlage 4, kolom ‘VC’). Deze hoge variatiecoëfficiënten worden veroorzaakt door één of enkele relatief hoge waarden. De locaties waar de relatief hoge waarden zijn vastgesteld vertonen geen ruimtelijke clustering. De relatief hoge variatiecoëfficiënten geven daarmee geen aanleiding tot het splitsen van deelgebieden.
3.6.3 Definitieve gebiedsindeling
Op basis van de uitgevoerde stappen 1 t/m 6 van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten en de afspraken met de gemeenten en de DCMR zijn op het grondgebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen voor zowel de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte als bodemlaag vanaf 1,0 tot en met 2 meter diepte definitieve deelgebieden gedefinieerd. Deze definitieve deelgebieden worden de bodemkwaliteitszones in de gemeente Maassluis en Vlaardingen
De bodemkwaliteitszones zijn opgenomen in tabel B3.2 en op de kaartbijlagen 2A, 2B en 2C.
Tabel B3.2: Onderscheiden definitieve deelgebieden, bodemkwaliteitszones.
Definitief deelgebied / bodemkwaliteitszone
Gemeente
Voldoet aan eisen Richtlijn[12]/afspraken met DCMR (§ 3.4 van deze bijlage)
Hoge variatiecoëfficiënt
(§ 3.6.2 van deze bijlage)
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte
Kern, 1e Fase
Maassluis
Voldoet aan afspraken DCMR
–
2eFase inrichting
Maassluis
Voldoet aan afspraken DCMR
–
3eFase bebouwing
Maassluis
Voldoet aan Richtlijn
–
Balkon
Maassluis
Voldoet aan afspraken DCMR
–
Industrie Stationsbuurt
Maassluis
Voldoet aan afspraken DCMR
–
Kapelpolder
Maassluis
Voldoet aan afspraken DCMR
Koper
Landelijk gebied
Maassluis
Voldoet aan Richtlijn
Lood, PAK, Minerale olie
Steendijkpolder
Maassluis
Voldoet aan afspraken DCMR
Cadmium
Zuidelijk industriegebied
Maassluis
Voldoet aan Richtlijn
PAK
1eRing
Vlaardingen
Voldoet aan Richtlijn
Koper, PAK
2eRing
Vlaardingen
Voldoet aan Richtlijn
Molybdeen, PCB, PAK
Alkeet- en Holypolder
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
–
Bebouwing en weilanden
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
PAK
Centrum
Vlaardingen
Voldoet aan Richtlijn
PAK, Arseen
Industrie na 1945
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
Koper, Lood, PAK
Rivierzone
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
PAK
Vergulde Hand West
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
–
Vervolg tabel B3.2: Onderscheiden definitieve deelgebieden, bodemkwaliteitszones.
Definitief deelgebied / bodemkwaliteitszone
Gemeente
Voldoet aan eisen Richtlijn[12]/afspraken met DCMR (§ 3.4 van deze bijlage)
Hoge variatiecoëfficiënt
(§ 3.6.2 van deze bijlage)
Bodemlaag vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte
Alkeet- en Holypolder
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
PAK, Minerale olie
Bebouwing en weilanden
Vlaardingen
Voldoet aan Richtlijn
Cadmium, Koper, Kwik, Lood, Zink, PCB, PAK, Minerale olie, Arseen
Centrum
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
Kwik, Lood, PAK
Industrie na 1945
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
–
Rivierzone
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
Cadmium, Kwik, Lood, PAK
Vergulde Hand West
Vlaardingen
Voldoet aan afspraken DCMR
Minerale olie
3.7 Stap 7: Vaststellen en karakteriseren bodemkwaliteitszones
De gemeenten Maasluis en Vlaardingen hebben besloten om bij het vaststellen en karakteriseren van de bodemkwaliteitszones niet aan te sluiten bij de standaard werkwijze uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit[2], maar uit te gaan van het bodembeleid van de gemeente Rotterdam[13] (zie bijlage 1 onder het kopje 'Bodemkwaliteitsklasse'). Voor het karakteriseren van de bodemkwaliteitszones is de 80-percentielwaarde
3980% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
getoetst aan de Lokale Maximale Waarden van de gemeente Rotterdam (zie bijlage 4, kolom 'P80').
De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de vier bodemkwaliteitsklassen: Natuur, Landbouw, Wonen of Industrie. Voor het toetsen van de bodemkwaliteitsklasse is gebruik gemaakt van de ‘Rotterdamse Toetsingstabel’ (STI en BKK) [13]. In het stedelijk gebied van de regio Rijnmond komt barium vaak verhoogd voor. Daarom is barium meegenomen bij de karakterisering van de algemene stedelijke bodemkwaliteit. Dit wijkt af van de Toetsingstabel van Rotterdam[13], omdat hier barium alleen wordt mee getoetst als duidelijk sprake is van een bodemverontreiniging als gevolg van een antropogene bron.
In tabel B3.3 is aangegeven in welke bodemkwaliteitsklasse iedere bodemkwaliteitszone valt. De bodemkwaliteitsklasse wordt samen met de bodemfunctieklasse gebruikt voor het bepalen van de toepassingseis (zie § 3.8.4 van deze bijlage).
Door de indeling in vier kwaliteitsklassen en deze te baseren op de 80-percentielwaarde, wordt naar Rotterdam beleid ongewenst grondverzet met de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met een uitgevoerd historisch onderzoek) als bewijsmiddel beperkt. Met deze werkwijze vinden de gemeenten het niet nodig om, conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, een controle op het saneringscriterium uit te voeren voor die bodemkwaliteitszones waar de 95-percentielwaarde de Interventiewaarde overschrijdt.
Heterogeniteit
Naast de variantie is ook de heterogeniteit van de analysegegevens berekend, volgens de methodiek zoals beschreven onder het kopje “Heterogeniteit” in bijlage 1. In de gemeenten Maassluis en Vlaardingen is met uitzondering van twee bodemkwaliteitszones sprake van sterke heterogeniteit voor één of meerdere stoffen (zie tabel B3.3).
De gemeenten Maassluis en Vlaardingen en de DCMR hebben aangegeven dat op hun gemeentelijke grondgebied de bodemkwaliteit gezien de historie van het gebied heterogeen is verspreid, ook binnen zones. Het vaststellen van een sterke heterogeniteit wordt niet als een belemmering gezien om de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met een historisch onderzoek) als bewijsmiddel te gebruiken voor de chemische kwaliteit van de nuttig toe te passen grond.
Tabel B3.3: Bodemkwaliteitszones, verwachte bodemkwaliteits-/ontgravingsklasse, kwaliteitsbepalende stof en sterke heterogeniteit.
Bodemkwaliteitszone
Verwachte bodemkwaliteits-/ontgravingsklasse
Kwaliteits-bepalende stof
Sterke heterogeniteit (aantal analysegegevens)
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte
Kern, 1e Fase
Industrie
Lood en Zink
Koper (62), Lood (67), Nikkel (61), Zink (61) en Minerale olie (52)
2eFase inrichting
Industrie
Zink
Koper (27), Nikkel (24), Zink (34) en Minerale olie (24)
3eFase bebouwing
Wonen
Zink
Nikkel (161), PCB (26) en Minerale olie (154)
Balkon
Landbouw
Kwik en Zink
Nikkel (22)
Industrie Stationsbuurt
Industrie
Lood en Zink
Barium (15), Koper (26), Lood (27), Nikkel (26), Zink (27), PCB (11) en Minerale olie (25)
Kapelpolder
Industrie
PCB
Barium (10), Nikkel (57), Zink (61), PCB (10) en Minerale olie (62)
Landelijk gebied
Landbouw
Kwik, Lood, Zink en PAK
Minerale olie (66)
Steendijkpolder
Industrie
Cadmium, Zink en Arseen
Barium (19), Cadmium (20), Koper (20), Kwik (20), Lood (20), Nikkel (20), Zink (20), PCB (19), Minerale olie (20 en Arseen (20)
Zuidelijk industriegebied
Wonen
Cadmium en Zink
Zink (21)
1eRing
Wonen
Zink
Lood (190), Nikkel (175), Zink (198) en Minerale olie (179)
2eRing
Landbouw
Kwik, Zink en PCB
Nikkel (242)
Alkeet- en Holypolder
Landbouw
Kwik, Lood en Molybdeen
Nikkel (25)
Bebouwing en weilanden
Wonen
PAK
Lood (34), Nikkel (28) en PAK (25)
Centrum
Industrie
Lood en Zink
Koper (213), Lood (245), Nikkel (202), Zink (239), PAK (191) en Minerale olie (210)
Industrie na 1945
Industrie
Zink en Minerale olie
Barium (11), Koper (63), Kwik (63), Lood (65), Nikkel (63), Zink (71), PAK (50), Minerale olie (68) en Arseen (54)
Vervolg tabel B3.3: Bodemkwaliteitszones, verwachte bodemkwaliteits-/ontgravingsklasse, kwaliteitsbepalende stof en sterke heterogeniteit.
Bodemkwaliteitszone
Verwachte bodemkwaliteits-/ontgravingsklasse
Kwaliteits-bepalende stof
Sterke heterogeniteit (aantal analysegegevens)
Bodemlaag vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte
Rivierzone
Industrie
Minerale olie
Lood (69), Nikkel (68), Zink (69) en Minerale olie (95)
Vergulde Hand West
Landbouw
Cadmium, Kwik, Lood, Molybdeen
–
Kern, 1e Fase
Industrie
Zink en Minerale olie
Koper (35), Lood (35), Nikkel (34), Zink (34), PAK (30) en Minerale olie (28)
2eFase inrichting
Wonen
Zink
Nikkel (25) en Zink (29)
3eFase bebouwing
Landbouw
PCB
Nikkel (59) en Minerale olie (60)
Balkon
Landbouw
Cadmium, Kobalt, Koper, Kwik, Lood, Zink, PCB en PAK
Nikkel (22)
Industrie Stationsbuurt
Industrie
Zink
Koper (22), Lood (22), Nikkel (22), Zink (22) en Minerale olie (25)
Kapelpolder
Industrie
Zink, PCB en Minerale Olie
Barium (12), Cadmium (29), Koper (29), Nikkel (29), Zink (29), PCB (12) en Minerale olie (26)
Landelijk gebied
Landbouw
Molybdeen
–
Zuidelijk industriegebied
Industrie
Zink
Nikkel (21), Zink (21), PCB (20), Minerale olie (20 en Arseen (21)
1eRing
Landbouw
Kwik en PCB
Nikkel (64)
2eRing
Landbouw
Kobalt
Nikkel (83)
Alkeet- en Holypolder
Landbouw
Molybdeen
Nikkel (20)
Bebouwing en weilanden
Landbouw
Lood en Molybdeen
Nikkel (21)
Centrum
Landbouw
Cadmium, Koper, Kwik, Lood, Zink, PCB en PAK
Nikkel (62) en Minerale olie (72)
Industrie na 1945
Industrie
Zink
Nikkel (28), Zink (29), Minerale olie (28) en Arseen (21)
Rivierzone
Landbouw
Kwik, Lood en PCB
Barium (21), Koper (28), Nikkel (28), Zink (28) en Minerale olie (34)
Vergulde Hand West
Landbouw
Molybdeen
Nikkel (25)
3.8 Stap 8: Bodemkwaliteitskaart
3.8.1 Inleiding
De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:
1Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.
2De ontgravingskaart.
3De toepassingskaart.
In de volgende paragrafen is nader ingegaan op de hoofdkaarten.
3.8.2 Kaart met uitgesloten locaties en gebieden
In de gemeenten Maassluis en Vlaardingen is een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Een overzicht van de uitgesloten locaties en gebieden is aangegeven in hoofdstuk 4 van deze bijlage. De uitgesloten deelgebieden, (spoor)wegen en waterbodems zijn afgebeeld op de kaartbijlagen. De ligging van de overige uitgesloten locaties en gebieden is vanwege het dynamische karakter niet op de kaarten weergegeven. Voor een actueel overzicht van deze locaties moet contact worden opgenomen met de DCRM. De beschikbare bodeminformatie is ook via het internet inzichtelijk gemaakt op de volgende website: http://dcmr.gisinternet.nl/.
Voor locaties die uitgesloten zijn van de bodemkwaliteitskaart en waarvan provincie Zuid-Holland gegevensbeheerder is (te saneren of gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming en stortplaatsen), moet contact worden opgenomen met provincie Zuid-Holland.
Deze bodemkwaliteitskaart kan niet worden gebruikt als bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven ter plaatse van de uitgesloten locaties en gebieden. Ook kan deze bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de toepassingseis te bepalen als grond op deze locaties/gebieden wordt toegepast. In deze nota bodembeheer (zie § 4.10 van de hoofdtekst) is hier nader op ingegaan.
3.8.3 Ontgravingskaart
De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor de bodemkwaliteitskaart niet uitgesloten locatie/gebied. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de algemene stedelijke bodemkwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart (zie § 6.1 van de hoofdtekst van deze nota bodembeheer). De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken.
De ontgravingsklasse is bepaald met dezelfde toetsingsmethodiek als de bodemkwaliteitsklasse (zie bijlage 1 onder het kopje 'Bodemkwaliteitsklasse').
In tabel B3.4 is de ontgravingsklasse per zone aangegeven. De ontgravingskaart per bodemlaag is opgenomen in de kaartbijlagen 3A, 3B en 3C. De kleuren in tabel B3.4 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.
3.8.4 Toepassingskaart
De toepassingskaart is opgesteld aan de hand van de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en de (toekomstige) functie van de bodem (zie bijlage 1 onder het kopje 'Toepassingskaart'). ). Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart (zie § 6.1 van de hoofdtekst van deze bodemkwaliteitskaart). Omdat in één bodemkwaliteitszone meerdere bodemfuncties kunnen voorkomen, kunnen ook meerdere toepassingseisen voorkomen. In tabel B3.4 is het resultaat van deze werkwijze voor de toepassingskaart van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen samengevat. Per bodemkwaliteitszone kunnen meerdere bodemfuncties voorkomen, dit is verwerkt in tabel B3.4.
Op de kaartbijlagen 4A en 4B staat per bodemlaag aangegeven welke toepassingseis er geldt. De kleuren in tabel B3.4 komen overeen met de gebruikte kleuren op kaartbijlage 1 (bodemfunctieklassenkaart) en kaartbijlagen 4A en 4B (toepassingskaarten).
Tabel B3.4: Toepassingseisen per combinatie voorkomende bodemfunctie en verwachte bodemkwaliteitsklasse-/ontgravingsklasse voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones.
Bodemkwaliteitszone
Bodemfunctieklasse
Verwachte
bodemkwaliteits- en ontgravingsklasse
Toepassingseis
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte
Kern, 1e Fase
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Bodemfunctie Wonen
Wonen
2eFase inrichting
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Bodemfunctie Wonen
Wonen
3eFase bebouwing
Bodemfunctie Wonen
Wonen
Wonen
Natuur
Natuur
Balkon
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
Industrie Stationsbuurt
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Bodemfunctie Wonen
Wonen
Kapelpolder
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Landelijk gebied
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Steendijkpolder
Bodemfunctie Wonen
Industrie
Wonen
Zuidelijk industriegebied
Bodemfunctie Industrie
Wonen
Wonen
Bodemfunctie Wonen
1eRing
Bodemfunctie Wonen
Wonen
Wonen
2eRing
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
Alkeet- en Holypolder
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Bebouwing en weilanden
Landbouw
Wonen
Landbouw
Vervolg tabel B3.4: Toepassingseisen per combinatie voorkomende bodemfunctie en verwachte bodemkwaliteitsklasse-/ontgravingsklasse voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones.
Bodemkwaliteitszone
Bodemfunctieklasse
Verwachte
Toepassingseis
bodemkwaliteits- en ontgravingsklasse
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte
Centrum
Bodemfunctie Wonen
Industrie
Wonen
Industrie na 1945
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Rivierzone
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Bodemfunctie Wonen
Wonen
Vergulde Hand West
Bodemfunctie Industrie
Landbouw
Landbouw
Bodemlaag vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte
Kern, 1e Fase
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Bodemfunctie Wonen
Wonen
2eFase inrichting
Bodemfunctie Industrie
Wonen
Wonen
Bodemfunctie Wonen
Wonen
3eFase bebouwing
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
Natuur
Natuur
Balkon
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
Industrie Stationsbuurt
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Bodemfunctie Wonen
Wonen
Kapelpolder
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Landelijk gebied
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Zuidelijk industriegebied
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
1eRing
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
2eRing
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Alkeet- en Holypolder
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Bebouwing en weilanden
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Centrum
Bodemfunctie Wonen
Landbouw
Landbouw
Industrie na 1945
Bodemfunctie Industrie
Industrie
Industrie
Rivierzone
Bodemfunctie Industrie
Landbouw
Landbouw
Bodemfunctie Wonen
Vergulde Hand West
Bodemfunctie Industrie
Landbouw
Landbouw
3.9 PFAS-verbindingen in de bodemkwaliteitskaart
3.9.1 Stappen 1, 3 en 6 (programma van eisen, gegevensverzameling en gegevensverwerking en verzamelen aanvullende informatie)
Om de bodemkwaliteitskaart te actualiseren voor PFAS-verbindingen hebben de gemeenten aanvullend bodemonderzoek[39] laten uitvoeren en is een bij de DCMR bekend onderzoek naar PFAS-verbindingen[40] gebruikt om de dataset met PFAS-meetgegevens aan te vullen. Bij het bodemonderzoek is rekening gehouden met de richtlijn die Bodem+
40https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-gebruik-milieuhygienische/faq/gemeente-waterkwaliteitsbeheerder-water/
heeft aangegeven om bodemkwaliteitskaarten te actualiseren voor PFAS-verbindingen. De bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,5 meter diepte is onderzocht.
3.9.2 Stappen 2 en 4 (onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in PFAS-deelgebieden)
Op basis van uitgevoerde bodemonderzoeken in de gemeenten zijn geen ruimtelijke clusteringen van hogere gehalten aan PFAS-verbindingen bekend. Met deze informatie is in het horizontale vlak binnen de grondgebieden van de gemeenten daarom maar 1 PFAS-deelgebied onderscheiden. In het verticale vlak zijn in overleg met de gemeenten en de DCMR de onderstaande bodemkwaliteitszones voor PFAS-verbindingen onderscheiden:
•Bodemlaag vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte.
•Bodemlaag vanaf 1,0 meter tot 1,5 meter diepte.
Deze bodemlagen zijn mogelijk belast met verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen als gevolg van atmosferische depositie, grondroering en uitspoeling van de bovengrond naar de onderliggende bodemlaag.
3.9.3Stap 5 (controle indeling PFAS-deelgebieden)
Voor de PFAS-verbindingen zijn per PFAS-deelgebied minimaal 51 en maximaal 72 meetgegevens beschikbaar. Hiermee voldoen de deelgebieden aan de minimumeis (>30 meetgegevens) als gebruik wordt gemaakt van de systematiek van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten voor het uitbreiden van een bodemkwaliteitskaart met de stoffen kobalt, molybdeen en PCB.
De meetgegevens van de PFAS-verbindingen zijn op dezelfde manier voorbewerkt als de andere stoffen in deze bodemkwaliteitskaart (zie § 3.3.3 en § 3.3.4). Onder de verzamelde PFAS-meetgegevens zijn geen uitbijters vastgesteld.
Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van Lievense bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer PFAS-verbindingen een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering. Voor PFOS
41PFOS: perfluoroctaansulfonzuur; gebruikt in blusschuim.
(som, lineair, vertakt) en L_PFHxS
42PFHxS is gebruikt in vlekbestendige weefsels, brandblusschuimen, voedselverpakkingen en als oppervlakte-actieve stof in industriële processen. De productie van PFHxS is in de Verenigde Staten in 2002 stopgezet maar kan in andere landen langer zijn doorgegaan (bron: factsheet PFHxS and Groundwater, Minnesota Department of Health, Health Risk Assessment Unit, april 2019).
in de bodemlaag 0-1,0 m-mv en voor PFOS (som, lineair, vertakt)
43PFOS: perfluoroctaansulfonzuur; gebruikt in blusschuim.
en EtFOSAA
44EtFOSAA, dat in het milieu ook kan afbreken tot PFOS, wordt normaliter vooral in waterbodems aangetroffen en is waarschijnlijk afkomstig van waterafstotende coatings.
in de bodemlaag 1,0-1,5 m-mv, is sprake van een hoge variatiecoëfficiënt (zie bijlage 4B, kolom ‘VC’). Deze hoge variatiecoëfficiënten worden veroorzaakt door één of enkele hogere waarden. Deze hogere waarden vertonen geen clustering. De relatief hoge variatiecoëfficiënten geven daarmee geen aanleiding tot het splitsen van de PFAS-deelgebieden.
3.9.4Stappen 7 en 8 (vaststellen, karakteriseren bodemkwaliteitszones en de bodemkwaliteitskaart)
De ontgravingskwaliteit voor PFAS-verbindingen is net zoals de andere stoffen
45Het betreft de stoffen arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).
gebaseerd op de 80-percentielwaarde van een bodemkwaliteitszone. De 80-percentielwaarden zijn getoetst aan de voorlopige toepassingswaarden die zijn benoemd in het geactualiseerde ‘tijdelijke handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’. In tabel B3.5 zijn de bodemkwaliteitszones voor PFAS-verbindingen gekarakteriseerd.
Controle saneringscriterium
In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten staat vermeld, dat voor elke bodemkwaliteitszone met een 95-percentielwaarde boven de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming een controle op het saneringscriterium nodig is. Bij een overschrijding is het niet verantwoord om zonder partijkeuring grondverzet uit de betreffende zone te laten plaatsvinden. Voor PFAS-verbindingen zijn er geen interventiewaarden beschikbaar maar er zijn Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV’s) voor PFOS, PFOA en
GenX
46INEV’s: PFOS: 110 µg/kg ds; PFOA: 1.100 µg/kg ds; GenX: 97 µg/kg ds.
[43] vastgesteld. De 95-percentielwaarden liggen zeer ruim onder de INEV’s (factor 32 tot 1.719). Ook zijn de 95-percentielwaarden van de PFAS-verbinding nagenoeg gelijk of liggen ruim onder de toepassingswaarden voor de bodemfuncties Wonen en Industrie (factor 0,9 tot 10,9).
Heterogeniteit
De heterogeniteit van de analysegegevens is berekend volgens de methodiek zoals beschreven onder het kopje “Heterogeniteit” in de bijlage 1’. Alleen in het PFAS-deelgebied van de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte is voor PFOS (som en lineair) een sterke heterogeniteit vastgesteld (bijlage 4B; kolom ‘Heterogeniteit’). Het vaststellen van een sterke heterogeniteit wordt niet als een belemmering gezien om de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met een historisch onderzoek) als bewijsmiddel te gebruiken voor de chemische kwaliteit van de nuttig toe te passen grond.
Tabel B3.5: Bodemkwaliteitszones PFAS-verbindingen, verwachte ontgravingskwaliteit PFAS-verbindingen.
PFAS-verbinding
80-percentiel-waarde
(in µg/kg ds)
Toetsingswaarden (in µg/kg ds)
Landbouw/natuur
Wonen / Industrie
Bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte #
PFOA
47PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten.
(som)
1,25
1,9
7,0
PFOS
48PFOS: perfluoroctaansulfonzuur; gebruikt in blusschuim.
(som)
1,15
1,4
3,0
Maximum andere PFAS-verbindingen
0,11
1,4
3,0
Bodemlaag vanaf 1,0 meter diepte tot en met 1,5 meter diepte ##
PFOA (som)
0,40
1,9
7,0
PFOS (som)
0,21
1,4
3,0
Maximum andere PFAS-verbindingen
0,07
1,4
3,0
*Deze waarde betreft de voorlopige landelijke achtergrondwaarde[20].
#De 80-percentielwaarde van PFOA en PFOS zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar PFOA boven de toepassingswaarden voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater. Dit leidt tot beperkingen voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater (neem hiervoor contact op met de waterkwaliteitsbeheerder) en mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.
##De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit leidt mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.
4Samenvatting en conclusie
In de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen zijn op basis van bodemtype, gebruikshistorie en bodemkwaliteit in totaal 17 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte, 16 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden en ook 2 bodemkwaliteitszones voor PFAS-verbindingen (bodemlagen 0-1,0 m-mv en 1,0-1,5 m-mv; kaartbijlagen 2A, 2B en 2C)
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor het huidige standaard NEN 5740[18] stoffenpakket: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), aangevuld met arseen. Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,5 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS-verbindingen vastgesteld.
De algemene stedelijke bodemkwaliteit van een bodemkwaliteitszone is gebaseerd op de 80-percentielwaarden
4980% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.
van de voornoemde stoffen
De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart:
•Rijkswegen, provinciale wegen en spoorgebonden gronden inclusief de onverharde (spoor)wegbermen (andere beheerorganisatie).
•Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging, inclusief locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende
50Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen.
en verwerkende bedrijven
51Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica.
, inzet blusschuim
52Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart).
en secundaire bronnen
53Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.
).
•Locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (de locaties met een beschikking “Ernstig”).
•De volgende gebieden in de gemeente Maassluis:
o Noord Nieuwlandse Polder Zuid (NNPZ).
o Noordelijk Industrieterrein.
o Park.
o Sterrebos.
o Steendijkpolder (bodemlaag vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte).
•De bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld.
•De waterbodems die in beheer zijn van de betreffende waterkwaliteitsbeheerder: Rijkswaterstaat of het Hoogheemraadschap van Delfland; met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling[8].
•Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
Voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse en ontgravingsklasse is gebruik gemaakt van de Lokale Maximale Waarden en de toetsingsmethodiek uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam.
In tabel B3.6 is voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones een totaaloverzicht van de voorkomende bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen en toepassingseisen. Omdat in één bodemkwaliteitszone meerdere bodemfuncties kunnen voorkomen, kunnen ook meerdere toepassingseisen voorkomen. De kleuren in tabel B3.6 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.
Alle zones zijn vastgesteld voor de stoffen arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PCB, PAK en minerale olie. Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,5 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS-verbindingen vastgesteld.
Op basis van bekende PFAS-gegevens in de gemeenten nemen de gehalten aan PFAS-verbindingen af in de diepere bodemlagen. Gezien dit gegeven is het de verwachting dat de bodemlaag dieper dan 1,5 meter van een vergelijkbare of betere kwaliteit is als de bodemlaag 1,0-1,5 m-mv.
Op de ontgravingskaarten (kaartbijlagen 3A, 3B en 3C) zijn de te verwachten kwaliteitsgegevens weergegeven van de onderscheiden 3 bodemlagen. Op de toepassingskaarten (kaartbijlagen 4A en 4B) zijn de toepassingseisen weergegeven die gelden voor de onderscheiden 2 bodemlagen in een gebied als een partij grond wordt toegepast.
Uit tabel B3.6 blijkt dat in 10 bodemkwaliteitszone de ontgraven grond niet mag worden teruggeplaatst in dezelfde bodemkwaliteitszone of in een deel van de bodemkwaliteitszone afhankelijk van de bodemfunctie van de betreffende locatie.
Tabel B3.6: Bodemkwaliteitszone per bodemlaag met verwachte ontgravingsklasse en de toepassingseisen per voorkomende bodemfunctie
Bodem-kwaliteits-zone
Bodemlaag
Verwachte ontgravings-klasse
Toepassingseis bij bodemfunctie Industrie
Toepassingseis bij bodemfunctie Wonen
Toepassingseis bij bodemfunctie Landbouw
Toepassingseis bij bodemfunctie Natuur
Gemeente Maassluis
Kern, 1e Fase
Bodemlaag 0-1 m-mv
Industrie #
Industrie @@
Wonen* @@
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Industrie ##
Industrie @@
Wonen* @@
Nvt.
Nvt.
2eFase inrichting
Bodemlaag 0-1 m-mv
Industrie #
Industrie @@
Wonen* @@
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Wonen ##
Wonen @@
Wonen @@
Nvt.
Nvt.
3eFase bebouwing
Bodemlaag 0-1 m-mv
Wonen #
Nvt.
Wonen @@
Nvt.
Natuur* @
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Nvt.
Landbouw @
Nvt.
Natuur* @
Balkon
Bodemlaag 0-1 m-mv
Landbouw #
Nvt.
Landbouw @
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Nvt.
Landbouw @
Nvt.
Nvt.
Industrie Stationsbuurt
Bodemlaag 0-1 m-mv
Industrie #
Industrie @@
Wonen* @@
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Industrie ##
Industrie @@
Wonen* @@
Nvt.
Nvt.
Kapelpolder
Bodemlaag 0-1 m-mv
Industrie #
Industrie @@
Nvt.
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Industrie ##
Industrie @@
Nvt.
Nvt.
Nvt.
Landelijk gebied
Bodemlaag 0-1 m-mv
Landbouw #
Nvt.
Landbouw @
Landbouw @
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Nvt.
Landbouw @
Landbouw @
Nvt.
Steendijk-polder
Bodemlaag 0-1 m-mv
Industrie #
Nvt.
Wonen* @@
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Niet gezoneerd $ ##
Neem contact op met de DCMR
Zuidelijk industrie-gebied
Bodemlaag 0-1 m-mv
Wonen #
Wonen @@
Wonen @@
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Industrie ##
Industrie @@
Wonen @@
Nvt.
Nvt.
Gemeente Vlaardingen
1eRing
Bodemlaag 0-1 m-mv
Wonen #
Nvt.
Wonen @@
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Nvt.
Landbouw @
Nvt.
Nvt.
2eRing
Bodemlaag 0-1 m-mv
Landbouw #
Nvt.
Wonen @@ (zie
§ 4.4.3 nota bodembeheer)
Landbouw @
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Nvt.
Landbouw @
Nvt.
Alkeet- en Holypolder
Bodemlaag 0-1 m-mv
Landbouw #
Nvt.
Nvt.
Landbouw @
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Nvt.
Nvt.
Landbouw @
Nvt.
Bebouwing en weilanden
Bodemlaag 0-1 m-mv
Wonen #
Nvt.
Nvt.
Landbouw* @
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Nvt.
Nvt.
Landbouw @
Nvt.
Centrum
Bodemlaag 0-1 m-mv
Industrie #
Nvt.
Wonen* @@
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Nvt.
Landbouw* @
Nvt.
Nvt.
Industrie na 1945
Bodemlaag 0-1 m-mv
Industrie #
Industrie @@
Nvt.
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Industrie ##
Industrie @@
Nvt.
Nvt.
Nvt.
Rivierzone
Bodemlaag 0-1 m-mv
Industrie #
Industrie @@
Wonen @@
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Landbouw @
Landbouw @
Nvt.
Nvt.
Vergulde Hand West
Bodemlaag 0-1 m-mv
Landbouw #
Industrie @@ (zie
§ 4.4.4 nota bodembeheer)
Nvt.
Nvt.
Nvt.
Bodemlaag 1-2m-mv
Landbouw ##
Industrie @@ (zie
§ 4.4.4 nota bodembeheer)
Nvt.
Nvt.
Nvt.
Broekpolder
Bodemlaag 0-1 m-mv
Niet gezoneerd $ ##
Industrie @@ (zie
§ 4.4.5 nota bodembeheer)
Wonen @@ (zie
§ 4.4.5 nota bodembeheer)
Nvt.
Natuur @@ (zie
§ 4.4.5 nota bodembeheer)
Bodemlaag 1-2m-mv
Vervolg tabel B3.6: Bodemkwaliteitszone per bodemlaag met verwachte ontgravingsklasse en de toepassingseisen per voorkomende bodemfunctie
Bodem-kwaliteits-zone
Bodemlaag
Verwachte ontgravings-klasse
Toepassingseis bij bodemfunctie Industrie
Toepassingseis bij bodemfunctie Wonen
Toepassingseis bij bodemfunctie Landbouw
Toepassingseis bij bodemfunctie Natuur
Overig
Uitgesloten gebied
54De ontgravingskwaliteit voor PFAS-verbindingen geldt niet voor de locaties die vanwege (bedrijfs)activiteiten verdacht zijn voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen.
-
Niet gezoneerd $ #/##
Neem contact op met de DCMR
Oppervlakte-waterlichaam
-
Nvt.
Neem contact op met de waterkwaliteitsbeheerder
Nvt. Deze bodemfunctie komt niet voor in de bodemkwaliteitszone.
* Grond uit het betreffende gebied mag niet worden toegepast in hetzelfde gebied (vanwege de strengere toepassingseis ten opzichte van de ontgravingskwaliteit).
$Deze bodemkwaliteitszone is niet gezoneerd voor de stoffen arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).
#De 80-percentielwaarde van PFOA en PFOS zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar PFOA boven de toepassingswaarden voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater. Dit leidt tot beperkingen voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater (neem hiervoor contact op met de waterkwaliteitsbeheerder) en mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.
##De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit leidt mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden.
@De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden
@@Het gehalte aan PFOA moet voldoen aan 7,0 μg/kg ds en de gehalten aan de andere PFAS-verbindingen moeten voldoen aan 3,0 μg/kg ds.
Bijlage 7 Vragenformulier historische gegevens
Inleiding
Dit formulier is een toelichting op de historische gegevens van een perceel (een locatie).
Als een perceel verdacht is van bodemverontreiniging, is namelijk aanvullende informatie nodig voor grondverzet en is informatie van de bodemkwaliteitskaarten (de ontgravings- en de toepassingskaarten) niet zonder meer toereikend om de bodemkwaliteit te bepalen.
Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een bedrijf dat erkend is voor het BRL 2000 – protocol 2001. Welke bodeminformatie via de DCMR Milieudienst Rijnmond beschikbaar is, is te zien op de website http://dcmr.gisinternet.nl/.
Op dit (gemeentelijk) formulier voor historische informatie kunt u, naast algemene gegevens, de historische gegevens vermelden van de ontgravingslocatie en vervolgens van de toepassingslocatie.
Op het (landelijke) formulier voor grondverzet kunt u de adresgegevens vermelden van de ontgravingslocatie en van de toepassingslocatie en moet u de hoeveelheid toe te passen materiaal aangeven.
Identificatie ontgravingslocatie en of toepassingslocatie
Het adres van de locatie zoals hieronder gemeld en/of te melden bij het Meldingsformulier Besluit bodemkwaliteit www.meldpuntbodemkwaliteit.nl of https://www.meldpuntbodemkwaliteit.nl/Pages/Voorportaal/Formulieren.aspx.
In de volgende situaties is er geen meldingsplicht voor het toepassen van grond:
•Het toepassen van grond onder het Besluit Uniforme Saneringen (BUS).
•De toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep.
•Het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast.
•Het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen.
•Het toepassen van schone grond in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.
Ontgravingslocatie
Adres: ………………………………………………………………………………………………………………………………………….………………
X-coördinaat: ……………………………………………………..……. Y-coördinaat: …………………………………………………………
Toepassingslocatie
Adres: ………………………………………………………………………………………………………………………………………….………………
X-coördinaat: ……………………………………………………..……. Y-coördinaat: …………………………………………………………
Bronvermelding
Welke bronnen heeft u geraadpleegd om alle bovenstaande vragen te beantwoorden? Ook als een geraadpleegde bron geen informatie heeft opgeleverd, moet u dit aangeven.
…………………………………………………………………………………………………………………………………………….
…………………………………………………………………………………………………………………………………………….
…………………………………………………………………………………………………………………………………………….
…………………………………………………………………………………………………………………………………………….
…………………………………………………………………………………………………………………………………………….
…………………………………………………………………………………………………………………………………………….
…………………………………………………………………………………………………………………………………………….
Indien van toepassing: Verificatieonderzoek (bij al eerder uitgevoerd (historisch) onderzoek)
Omdat al een eerder (historisch) onderzoek is uitgevoerd is op de ontgravingslocatie en/of de toepassingslocatie geverifieerd of tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten hebben plaatsgevonden die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. De verificatie heeft plaatsgevonden
❏ Fysiek, op …………………………………………………………………………….……………………………………………. [datum]
❏ Digitaal via Google Maps / Bing Maps, kaartgegevens …………………………………………. [jaartal foto]
❏ Digitaal via Google Streeview / Cyclomedia, kaartgegevens …..……………………………………………….
[opname datum]
ONTGRAVINGSLOCATIE
1.
Welk gebruik / functie heeft de locatie gehad voordat grond wordt ontgraven?
❏ Natuur
❏ Landbouw / volkstuin / moestuin
❏ (Onverharde) kinderspeelplaats
❏ Wonen / woongebied
❏ Industrie / bedrijven
❏ Infrastructuur
❏ Onbekend / braakliggend
2.
Welk gebruik heeft de locatie nadat de grond wordt / is ontgraven?
❏ Natuur
❏ Landbouw / volkstuin / moestuin
❏ (Onverharde) kinderspeelplaats
❏ Wonen / woongebied
❏ Industrie / bedrijven
❏ Infrastructuur
❏ Onbekend / braakliggend
3.
Welke kwaliteit heeft de bodem volgens de ontgravingskaart?
❏ Natuur / schoon (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
❏ Landbouw / overig (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
❏ Wonen (PFAS > landelijke achtergrondwaarde /
PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke
achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens /
Niet bekend *)
❏ Industrie (PFAS > landelijke achtergrondwaarde /
PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke
achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens /
Niet bekend *)
❏ Niet toepasbaar / niet ingedeeld
* Doorhalen wat niet van toepassing is
4.
Wordt de ontgraven grond tijdelijk opgeslagen?
❏ Nee
❏ Ja, adres:
………………………………………………………………………………………..
NB De tijdelijke opslag is meldingsplichtig bij opslag langer
dan 6 maanden en niet langer dan 3 jaar. Tijdelijke
opslag langer dan 3 jaar is vergunningsplichtig.
5.
Is de toe te passen grond nu tijdelijk opgeslagen?
❏ Nee
❏ Ja, adres:
………………………………………………………………………………………..
Én Bbk-meldingsnummer: ………………………………………..
6.
Is op de ontgravingslocatie een partijkeuring uitgevoerd?
❏ Nee
❏ Ja:
Naam onderzoeksbureau
………………………………………………………………………………………..
Rapportagedatum partijkeuring
………………………………………………………………………………………..
Kenmerk rapportage
………………………………………………………………………………………..
NB Het rapport moet bij de Bbk-melding worden gevoegd.
7.
Is op de ontgravingslocatie een bodemonderzoek uitgevoerd?
❏ Nee
❏ Ja:
Naam onderzoeksbureau
………………………………………………………………………………………..
Rapportagedatum partijkeuring
………………………………………………………………………………………..
Kenmerk rapportage
………………………………………………………………………………………..
NB Het rapport moet bij de Bbk-melding worden gevoegd.
8.
Van welke laagdiepte wordt de grond ontgraven?
❏ Vanaf …… meter onder het maaiveld tot ……
meter onder het maaiveld.
❏ Vanaf …… meter t.o.v. NAP tot …… meter
t.o.v. NAP.
9.
Wat voor soort grond wordt met name ontgraven?
❏ Zand
❏ Klei
❏ Kleiig zand
❏ Veen
❏ Onderhoudsbagger
❏ Anders, namelijk:
………………………………………………………………………………………...
10.
Is/zijn op de ontgravingslocatie gedempte sloten aanwezig?
❏ Nee
❏ Ja, dan deze aangeven op de situatietekening.
Met welk materiaal is de sloot gedempt:
………………………………………………………………………………………...
11.
Is op de ontgravingslocatie in het verleden een verharding of erfophoging aangebracht,
En is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?
❏ Nee
❏ Onbekend, want:
………………………………………………………………………………………...
❏ Ja, aangebracht en verwijderd
❏ Ja, aangebracht en aanwezig
12.
Is op de ontgravingslocatie in het verleden grond of baggerspecie aangebracht,
En is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?
❏ Nee
❏ Onbekend, want:
………………………………………………………………………………………...
❏ Ja, aangebracht (zie meldingsnummer …………………
van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en verwijderd
❏ Ja, aangebracht (zie meldingsnummer …………………
van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en aanwezig met
de kwaliteitsklasse:
(aankruisen wat van toepassing is):
O Natuur / schoon) (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
O Landbouw / overig (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
O Wonen (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
O Industrie (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
O Niet toepasbaar / niet ingedeeld
* Doorhalen wat niet van toepassing is
13.
Is/zijn op de ontgravingslocatie (een) opslagtank(s) voor vloeibare brandstoffen aanwezig (geweest)?
❏ Nee
❏ Ja, aangeven op een bij te voegen
situatietekening en
het betreft een (aankruisen wat van toepassing is):
O bovengrondse tank
O ondergrondse tank
De tank is gevuld met (aankruisen wat van
toepassing is):
O zand (tank is gesaneerd)
O onbekend
O type brandstof (per tank):
………………………………………………………………………………………...
14.
Is op de ontgravingslocatie een bedrijf gevestigd geweest en in welke periode (jaartallen)?
❏ Nee
❏ Ja, soort bedrijf:
………………………………………………………………………………………...
Periode:
………………………………………………………………………………………...
15.
Is op de ontgravingslocatie een meldings- of vergunningsplichtige milieubelastende activiteit van kracht geweest
en in welke periode?
❏ Nee
❏ Ja, soort activiteit:
………………………………………………………………………………………...
Periode:
………………………………………………………………………………………...
16.
Vinden of vonden activiteiten plaats op of in de nabij omgeving van de ontgravingslocatie
(inclusief belendende percelen tot 25 meter afstand) die de grond mogelijk hebben verontreinigd?
❏ Nee
❏ Ja, soort activiteit:
………………………………………………………………………………………...
Periode:
………………………………………………………………………………………...
17.
Is de locatie verdacht op het voorkomen van PFAS (poly- en perfluoralkylverbindingen) zoals PFOA, PFOS en GenX?
Is op de locatie bijvoorbeeld sprake (geweest) van:
-brand met gebruik van blusschuim;
-brandblusoefenterrein?
-zijn er bedrijfsactiviteiten (geweest) bijvoorbeeld op het gebied van:
* teflonproductie;
* galvanische industrie, textiel, papier(verwerking), lak- en verfindustrie, cosmetica;
* afvalverbranding, stortplaatsen, waterzuiveringinstallaties, ijzerinzamellocaties (inzamelenbrandblussers).
❏ Onbekend
❏ Nee
❏ Ja, namelijk:
18.
Staan of stonden objecten (panden) op de ontgravingslocatie die asbest kunnen bevatten (bouwjaar voor 1993)?
❏ Nee
❏ Ja, namelijk:
………………………………………………………………………………………...
………………………………………………………………………………………...
19.
Zijn op de ontgravingslocatie aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbest in of op de grond (zoals restanten van sloopafval)?
❏ Nee
❏ Ja, namelijk:
………………………………………………………………………………………...
20.
Welke bijmengingen aan bodemvreemd materiaal is in de te ontgraven grond aanwezig
en wat is daarvan het gewichts- of volumepercentage?
❏ Geen bijmengingen aan bodemvreemd materiaal
(nul procent)
❏ Puin en/of bakstenen: …… % (gewicht)
❏ Koolas en/of slakken: …… % (gewicht)
❏ Stukjes asbest: …… % (gewicht)
❏ Plastic / piepschuim: …… % (volume)
❏ Anderszins:
Soort: ………………………………………………………………….
Percentage: ……………………………….(gewicht / volume *)
❏ Onbekend, want:
………………………………………………………………………………………...
* Doorhalen wat niet van toepassing is
21.
Zijn op de locatie (sporen van) invasieve soorten (flora aanwezig? Zoals bijvoorbeeld de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw
❏ Onbekend
❏ Nee
❏ Ja
22.
Overige informatie met betrekking tot een mogelijke bodemverontreiniging op de ontgravingslocatie:
❏ Geen
❏ Ja, namelijk:
………………………………………………………………………………………...
TOEPASSINGSLOCATIE
23.
Welk gebruik / functie heeft de locatie gehad voordat grond wordt/is toegepast?
❏ Natuur
❏ Landbouw / volkstuin / moestuin
❏ (Onverharde) kinderspeelplaats
❏ Wonen / woongebied
❏ Industrie / bedrijven
❏ Infrastructuur
❏ Onbekend / braakliggend
24.
Welk gebruik heeft de locatie nadat de grond wordt toegepast?
❏ Natuur
❏ Landbouw / volkstuin / moestuin
❏ (Onverharde) kinderspeelplaats
❏ Wonen / woongebied
❏ Industrie / bedrijven
❏ Infrastructuur
❏ Onbekend / braakliggend
25.
Welke kwaliteit heeft de bodem volgens de toepassingskaart?
❏ Natuur / schoon (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
❏ Landbouw / overig (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
❏ Wonen (PFAS > landelijke achtergrondwaarde /
PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke
achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens /
Niet bekend *)
❏ Industrie (PFAS > landelijke achtergrondwaarde /
PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke
achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens /
Niet bekend *)
❏ Niet ingedeeld
* Doorhalen wat niet van toepassing is
26.
Wordt de ontgraven grond tijdelijk opgeslagen?
❏ Nee
❏ Ja, adres:
………………………………………………………………………………………..
NB De tijdelijke opslag is meldingsplichtig bij opslag langer
dan 6 maanden en niet langer dan 3 jaar. Tijdelijke
opslag langer dan 3 jaar is vergunningsplichtig.
27.
Is de toe te passen grond nu tijdelijk opgeslagen?
❏ Nee
❏ Ja, adres:
………………………………………………………………………………………..
Én Bbk-meldingsnummer: ………………………………………..
28.
Is op de toepassingslocatie een partijkeuring uitgevoerd?
❏ Nee
❏ Ja:
Naam onderzoeksbureau
………………………………………………………………………………………..
Rapportagedatum partijkeuring
………………………………………………………………………………………..
Kenmerk rapportage
………………………………………………………………………………………..
NB Het rapport moet bij het Bbk-melding
worden gevoegd.
29.
Is op de toepassingslocatie een bodemonderzoek uitgevoerd?
❏ Nee
❏ Ja:
Naam onderzoeksbureau
………………………………………………………………………………………..
Rapportagedatum partijkeuring
………………………………………………………………………………………..
Kenmerk rapportage
………………………………………………………………………………………..
NB Het rapport moet bij de melding Besluit bodemkwaliteit
worden gevoegd.
30.
Wordt de grond boven het bestaande maaiveld toegepast?
❏ Nee, vanaf …… meter onder het maaiveld tot ……
meter onder het maaiveld.
❏ Ja, vanaf …… meter boven het maaiveld tot ……
meter boven het maaiveld.
❏ Deels, vanaf …… meter onder het maaiveld tot
…… meter boven het maaiveld.
31.
Wat voor soort grond wordt met name toegepast?
❏ Zand
❏ Klei
❏ Kleiig zand
❏ Veen
❏ Onderhoudsbagger
❏ Anders, namelijk:
………………………………………………………………………………………...
32.
Is / zijn op de toepassingslocatie gedempte sloten aanwezig?
❏ Nee
❏ Ja, aangegeven op de situatietekening
Met welk materiaal is de sloot gedempt:
………………………………………………………………………………………...
33.
Is op de toepassingslocatie in het verleden een verharding of erfophoging aangebracht,
En is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?
❏ Nee
❏ Onbekend, want:
………………………………………………………………………………………...
❏ Ja, aangebracht en verwijderd
❏ Ja, aangebracht en aanwezig
34.
Is op de toepassingslocatie in het verleden grond of baggerspecie aangebracht,
En is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?
❏ Nee
❏ Onbekend, want:
………………………………………………………………………………………...
❏ Ja, aangebracht (zie meldingsnummer …………………
van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en verwijderd
❏ Ja, aangebracht (zie meldingsnummer …………………
van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en aanwezig met
de kwaliteitsklasse:
(aankruisen wat van toepassing is):
O Natuur / schoon) (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
O Landbouw / overig (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
O Wonen (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
O Industrie (PFAS > landelijke
achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar
< landelijke achtergrondwaarde /
PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)
O Niet toepasbaar / niet ingedeeld
* Doorhalen wat niet van toepassing is
35.
Is/zijn op de toepassingslocatie (een) opslagtank(s) voor vloeibare brandstoffen aanwezig (geweest)?
❏ Nee
❏ Ja, aangeven op een bij te voegen
situatietekening en
het betreft een (aankruisen wat van toepassing is):
O bovengrondse tank
O ondergrondse tank
De tank is gevuld met (aankruisen wat van
toepassing is):
O zand (tank is gesaneerd)
O onbekend
O type brandstof (per tank):
………………………………………………………………………………………...
………………………………………………………………………………………...
36.
Is op de toepassingslocatie een bedrijf gevestigd geweest en in welke periode (jaartallen)?
❏ Nee
❏ Ja, soort bedrijf:
………………………………………………………………………………………...
Periode:
………………………………………………………………………………………...
37.
Is op de toepassingslocatie een meldings- of vergunningsplichtige milieubelastende activiteit van kracht geweest
en in welke periode?
❏ Nee
❏ Ja, soort activiteit:
………………………………………………………………………………………...
Periode:
………………………………………………………………………………………...
38.
Vinden of vonden activiteiten plaats op of in de nabij omgeving van de toepassingslocatie
(inclusief belendende percelen tot 25 meter afstand) die de grond mogelijk hebben verontreinigd?
❏ Nee
❏ Ja, soort activiteit:
………………………………………………………………………………………...
Periode:
………………………………………………………………………………………...
39.
Is de locatie verdacht op het voorkomen van PFAS (poly- en perfluoralkylverbindingen) zoals PFOA, PFOS en GenX?
Is op de locatie bijvoorbeeld sprake (geweest) van:
-brand met gebruik van blusschuim;
-brandblusoefenterrein?
-zijn er bedrijfsactiviteiten (geweest) bijvoorbeeld op het gebied van:
* teflonproductie;
* galvanische industrie, textiel, papier(verwerking), lak- en verfindustrie, cosmetica;
* afvalverbranding, stortplaatsen, waterzuiveringinstallaties, ijzerinzamellocaties (inzamelenbrandblussers).
❏ Onbekend
❏ Nee
❏ Ja, namelijk:
40.
Staan of stonden objecten (panden) op de toepassingslocatie die asbest kunnen bevatten (bouwjaar voor 1993)?
❏ Nee
❏ Ja, namelijk:
………………………………………………………………………………………...
41.
Zijn op de toepassingslocatie aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbest in of op de grond (zoals restanten van sloopafval)?
❏ Nee
❏ Ja, namelijk:
………………………………………………………………………………………...
42.
Welke bijmengingen aan bodemvreemd materiaal is in de bodem van de toepassings aanwezig
en wat is daarvan het volumepercentage?
❏ Geen bijmengingen aan bodemvreemd materiaal
(nul procent)
❏ Puin en/of bakstenen: …… % (gewicht)
❏ Koolas en/of slakken: …… % (gewicht)
❏ Stukjes asbest: …… % (gewicht)
❏ Plastic / piepschuim: …… % (volume)
❏ Anderszins:
Soort: ………………………………………………………………….
Percentage: ……………………………….(gewicht / volume *)
❏ Onbekend, want:
………………………………………………………………………………………...
* Doorhalen wat niet van toepassing is
43.
Zijn op de locatie (sporen van) invasieve soorten (flora aanwezig? Zoals bijvoorbeeld de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw
❏ Onbekend
❏ Nee
❏ Ja
44.
Overige informatie met betrekking tot een mogelijke bodemverontreiniging op de toepassingslocatie:
❏ Geen
❏ Ja, namelijk:
………………………………………………………………………………………...
………………………………………………………………………………………...
………………………………………………………………………………………...
Ondertekening
Aldus naar waarheid ingevuld,
Bedrijfsnaam: …..............................................................................................................
Naam: ….........................................................................................................................
Functie: ….......................................................................................................................
Datum: …........................................................................................................................
Handtekening:
…………………………………………………………………………………………………………………………………………….
NBWordt tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal waargenomen, dan worden de werkzaamheden door de uitvoerder gestaakt en meldt hij dit direct aan de DCMR. Veelal wordt dan het spoor van de Wet bodembescherming gevolgd en volgt een verkennend bodemonderzoek naar asbest in grond. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die op een bodemverontreiniging wijzen.
Wordt in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal vastgesteld, of wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan wordt dit direct gemeld bij de DCMR.