Gemeentelijke regelgeving

Risicogerichte Toezichtstrategie Brandveiligheid 2026-2029

Gemeente Maashorst · geldt sinds 16 januari 2026

Aanhef

Gericht toezicht op brandveiligheid

Samenvatting

Risicogerichte Toezichtstrategie Brandveiligheid 2026-2029

Aanleiding en achtergrond

Sinds 2017 werken de Veiligheidsregio Brabant-Noord en de gemeenten met een Risicogerichte Toezichtstrategie Brandveiligheid voor gebouwen. Hiervoor was het toezicht op brandveiligheid per gemeente verschillend en gebaseerd op historische afspraken. Ook had de provincie in haar rol als Interbestuurlijk Toezichthouder aanbevelingen gedaan over brandveiligheidstoezicht bij zorginstellingen. Met de Risicogerichte Toezichtstrategie Brandveiligheid kwam er eenheid in het toezicht op brandveiligheid binnen de regio, werden de gemeenten ontzorgd en werd er tegemoetgekomen aan de aanbevelingen van het Interbestuurlijk Toezicht.

Eén van de bestuurlijke kaders die gemeenten hebben meegegeven aan Veiligheidsregio Brabant-Noord is ‘’het voorkomen van slachtoffers bij brand’’. De toezichtstrategie is dan ook vormgegeven rond dit doel. De brandweer heeft een adviserende en toezichthoudende rol, met mandaat van de gemeenten. Binnen de strategie heeft de brandweer, door middel van toezicht en handhaving op de naleving van brandveiligheidsvoorschriften, een belangrijk instrument in handen om minder branden, slachtoffers en schade te realiseren. Omdat we weten dat toezicht en handhaving alleen niet voldoende zijn om dit te bereiken, worden er ook andere interventies ingezet binnen de toezichtstrategie.

De toezichtstrategie 2026–2029 bouwt voort op de twee eerdere cycli (2017-2021 en 2022-2025).

Risicogerichtheid

De kern van de strategie is het risicogericht inzetten van toezichtcapaciteit. Gebouwen worden geprioriteerd op basis van risico’s, zoals gebruiksfunctie, aanwezigheid van kwetsbare personen, bouwkundige kenmerken en naleefgedrag. De objecten worden ingedeeld in risicocategorie A t/m E, waarbij A het hoogste risico vertegenwoordigt.

Naast fysieke risico’s wordt ook gekeken naar gedrag en cultuur. Menselijk handelen blijkt vaak een bepalende factor bij het ontstaan en verloop van branden. Daarom wordt naast toezicht ook ingezet op bewustwording en gedragsverandering.

Interventies

De Risicogerichte Toezichtstrategie Brandveiligheid 2026-2029 bestaat uit een mix van interventies:

•Fysieke controle: Toezicht en handhaving door middel van fysieke controle blijven de kern van de toezichtstrategie. Tijdens een controle wordt getoetst of voldaan wordt aan wet- en regelgeving. De inspectieonderwerpen zijn gebaseerd op het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) wordt toegepast voor het bepalen van de interventie bij overtredingen.

•Systeemtoezicht: Systeemtoezicht richt zich op organisaties met meerdere objecten en de objecten in de hoogste risicocategorie. Het systeemtoezicht richt zicht op de organisatie als geheel en de focus ligt bij het bezoek op het beoordelen van het brandveiligheidsbeleid, procedures en interne borging. Doel is het bevorderen van structurele brandveiligheid en bewustwording binnen de organisatie.

•Voorlichting op maat: Voorlichting op maat is een specifieke voorlichting en volgt na een bezoek vanuit het systeemtoezicht. De voorlichting is afgestemd op de specifieke risico’s van het object en de doelgroep. Doel is het vergroten van bewustzijn en het stimuleren van brandveilig gedrag.

•Zelfscan brandveiligheid: De zelfscan is een digitale vragenlijst waarin eigenaren of gebruikers van een gebouw gevraagd worden zelf een aantal controlepunten met betrekking tot brandveiligheid in hun gebouw na te lopen. Hierdoor worden zij op een laagdrempelige manier gestimuleerd om zelf na te denken over brandveiligheid en wordt beoogd bewustwording te creëren. In de nieuwe cyclus wordt de zelfscan verbeterd met het aanleveren van onderbouwingen en gerichtere vraagstelling.

•Specifieke aanpak woongebouwen: Vanwege problematiek met brandveiligheid bij woongebouwen, de vergrijzing en kwetsbaarheid van ouderen wordt extra aandacht besteed aan woongebouwen met een hoog aandeel 65-plussers. Als veiligheidsregio ondersteunen we eigenaren en beheerders met het toepassen van de ‘Leidraad brandveilig beheer van woongebouwen’ van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) om o.a. een beheersplan op te stellen.

Afspraken voor uitvoeringsfase

Zodra alle colleges binnen de Veiligheidsregio Brabant-Noord akkoord geven op de Risicogerichte Toezichtstrategie Brandveiligheid voor de periode 2026-2029, maken we met de VTH-afdelingen werkafspraken over o.a. inhoud en kwaliteit van rapporteren, aanleveren van dossiers en het rapporteren van het toezicht. Hiervoor worden de huidige werkafspraken geactualiseerd naar de nieuwe strategie.

3. Interventies toezichtstrategie

3.1 Combinatie van interventies

3.1.1 Fysieke controle

Fysieke controle a.d.h.v. inspectieonderwerpen Bbl

Door middel van een fysieke controle wordt getoetst of voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving (Bbl). De controle vindt plaats aan de hand van onderstaande inspectieonderwerpen:

•Actualiteit dossier;

•Interne organisatie;

•Draagconstructie;

•Materialen;

•Compartimentering;

•Vluchtroutes;

•Hulpverlening;

•Melden en alarmeren;

•Brandveilig gebruik;

•Veilig vluchten;

•Vangnet en zorgplicht.

De inspectieonderwerpen zijn afgeleid van het Bbl. Naast bovenstaande inspectieonderwerpen zijn ook enkele inspectieonderwerpen toegevoegd die niet afgeleid zijn van het Bbl, maar wel bijdragen aan de borging van brandveiligheid. Deze hebben vooral te maken met de interne organisatie binnen een object in relatie tot brandveiligheid en zijn bijvoorbeeld gerelateerd aan andere wetgeving zoals de Arbeidsomstandighedenwet.

Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht

De brandweer houdt toezicht volgens de zogenaamde Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Hierbij bepaalt de controleur van de brandweer in welk segment van de interventiematrix (zie Figuur 3) hij de gedane tekortkoming(en) positioneert. De positionering van de bevinding in de interventiematrix is afhankelijk van de gevolgen van de bevinding voor milieu, natuur, water, veiligheid, gezondheid en/of maatschappelijke relevantie en het “gedrag” van de overtreder.

Figuur 3: Interventiematrix Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht

3.1.2 Systeemtoezicht

Uit analyse van de resultaten van het fysieke toezicht van voorgaande jaren komt naar voren dat veel van de gebreken gerelateerd kunnen worden aan de manier waarop brandveiligheid binnen een organisatie is geborgd en hoe deze wordt beleefd. Veel van de geconstateerde gebreken hebben dan ook te maken met brandveilig gebruik, het niet of onvoldoende onderhouden van brandveiligheidsvoorzieningen zoals brandscheidingen en brandbeveiligingsinstallaties en het ontbreken van vereiste (actuele) vergunningen en meldingen. Een nadeel van fysiek toezicht is dat dit vaak reactief is. De tekortkoming bestaat al en wordt pas gesignaleerd tijdens het toezicht. Om te voorkomen dat tekortkomingen pas bij een toezichtmoment aan het licht komen, moet het toezicht meer proactief worden. Idealiter worden tekortkomingen of ongewenste situaties al in een vroeg stadium gesignaleerd en tenietgedaan, bij voorkeur door de eigen organisatie. Systeemtoezicht is een instrument dat hiervoor ingezet kan worden.

Het doel van het systeemtoezicht is het bevorderen en borgen van een structureel hoog niveau van brandveiligheid binnen organisaties. Dit wordt bereikt door te toetsen of organisaties zelf voldoende maatregelen nemen om brand te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken. In essentie gaat systeemtoezicht verder dan alleen het controleren van de fysieke brandveiligheid. Het richt zich op de organisatorische en procedurele aspecten van brandveiligheid, met als doel een duurzame en integrale aanpak van brandrisico's. Concreet richt het systeemtoezicht zich op:

•Het beoordelen van het managementsysteem voor brandveiligheid: Worden er procedures, instructies en protocollen gehanteerd die voldoen aan de wet- en regelgeving en de specifieke risico's van de organisatie?

•Het stimuleren van zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid: Organisaties worden aangezet om zelf na te denken over brandveiligheid en maatregelen te treffen.

•Het vroegtijdig signaleren van risico's: Door het analyseren van documenten en procedures en het stellen van verdiepende vragen, kunnen potentiële brandrisico's in kaart worden gebracht.

•Het bevorderen van continue verbetering: Door middel van aanbevelingen en terugkoppeling worden organisaties gestimuleerd om hun brandveiligheid continu te verbeteren.

Verder wordt met systeemtoezicht een bijdrage geleverd aan:

•Het voorkomen van brand: Door organisaties te stimuleren om preventieve maatregelen te nemen.

•Het beperken van de gevolgen van brand: Door te zorgen dat er adequate procedures zijn voor ontruiming, bestrijding en nazorg.

•Het verhogen van de brandveiligheidscultuur: Door bewustwording te creëren en medewerkers te betrekken bij brandveiligheid.

Als brandweer hebben we ervaring met systeemtoezicht, vanuit het toezicht op Seveso-bedrijven en risicorelevante bedrijven, waar ook met een vorm van systeemtoezicht wordt gewerkt. De ervaring is dat gebruikers en eigenaren zich bewuster worden van de risico’s en ook zelf aan de slag gaan met het herkennen en beheersen van risico’s.

Toepassing systeemtoezicht bij objectcategorieën

Systeemtoezicht is niet geschikt voor alle objectcategorieën binnen de toezichtstrategie. Een groot verschil ten opzichte van het reguliere fysieke toezicht, is dat systeemtoezicht zich niet richt op individuele objecten, maar op de overkoepelende organisatie.

Voor de cyclus 2026-2029 is in beeld gebracht bij welke organisaties er verwacht kan worden dat systeemtoezicht geschikt is. In eerste instantie richt het systeemtoezicht op de overkoepelende organisatie van organisaties met meer dan twee objecten die binnen de toezichtstrategie vallen, en op losse objecten uit risicocategorie A. Naast systeemtoezicht gericht op de organisatie worden de afzonderlijke locaties ook fysiek gecontroleerd.

Voorafgaand aan het bezoek bij het bedrijf/organisatie wordt een self-assessment opgestuurd, waarbij van het bedrijf/organisatie gevraagd wordt deze vooraf in te vullen. Er worden vragen gesteld over het brandveiligheidsbeleid, BHV-organisatie, interne communicatie over brandveiligheid en onderhoud en beheer. Vervolgens wordt er tijdens het bezoek o.a. verder in gegaan op de onderwerpen en antwoorden uit het self-assessment.

3.1.3 Voorlichting op maat

Organisaties van objecten waar systeemtoezicht plaats vindt, krijgen ook een voorlichting op maat aangeboden. Tijdens dit moment wordt een voorlichting specifiek afgestemd op de betreffende objecten, de doelgroep en de organisatie.

Tijdens de voorlichtingen wordt er gericht ingegaan op de situatie ter plaatse: o.a. welke risico’s kunnen zich voordoen, hoe kan men deze risico’s en kwetsbaarheden herkennen, wat kan men zelf doen om risico’s te beperken en hoe moet men handelen bij een calamiteit. Door de gerichte aanpak sluit de boodschap beter aan bij de praktijk, is de informatie relevanter voor de ontvanger en wordt de kans groter dat het brandveilig gedrag daadwerkelijk wordt toegepast. De uitkomsten van de fysieke controle en het systeemtoezicht zullen worden gebruikt als input voor de voorlichtingen.

Vanuit Brandveilig Leven is de afgelopen jaren al veel ervaring opgedaan met het geven van voorlichtingen, zowel in het algemeen als ook gericht op een specifieke doelgroep. Hierbij is geconstateerd dat deze voorlichtingen een grote bijdrage leveren aan het vergroten van het brandveiligheidsbewustzijn.

3.1.4 Woongebouwen / Vereniging van Eigenaren

De toenemende vergrijzing en de trend dat ouderen langer zelfstandig wonen (bijvoorbeeld in woongebouwen), vragen om verhoogde aandacht voor brandveiligheid in woongebouwen. Onderzoeken van het NIPV

9NIPV – Vergrijzing en brandveiligheid: Vergrijzing en brandveiligheid - Nederlands Instituut Publieke Veiligheid

tonen aan dat ouderen een kwetsbare doelgroep vormen met een significant verhoogd risico op brandletsel en overlijden. Veel ouderen wonen in reguliere woongebouwen die oorspronkelijk niet zijn ontworpen voor bewoners met specifieke behoeften en vaak geen speciale brandveiligheidsvoorzieningen kennen, wat een groeiend risico vormt wanneer de bewonerspopulatie veroudert.

Hoewel het Bbl minimumeisen stelt aan brandveiligheid en de verantwoordelijkheid bij de gebouweigenaar (vaak de Vereniging van Eigenaren) legt, blijkt uit onderzoek dat deze regels niet altijd goed worden nageleefd in wooncomplexen met ouderen. Onderzoeken van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) en het NIPV naar aanleiding van de flatbrand in Arnhem in 2020

10Onderzoeksraad voor Veiligheid (2021): fatale_flatbrand_in_arnhem_lessen_voor_brandveiligheid.pdfNIPV – Vluchtveiligheid van woongebouwen: Onderzoeken naar vluchtveiligheid

toont aan dat er veel misgaat: zo worden vluchtroutes vaak geblokkeerd door spullen van bewoners, zijn er bouwkundige gebreken zoals slechte rookscheidingen, en krijgen bewoners te weinig informatie over brandgevaar en wat ze moeten doen bij brand. Per 1 juli 2024 zijn de regels in het Bbl aangescherpt, vooral over het vrijhouden van vluchtroutes. Toch blijft er een kloof tussen de regels en de praktijk. Daarom is er niet alleen beter toezicht nodig, maar ook een cultuur waarin brandveiligheid serieus wordt genomen, zowel technisch als in gedrag.

Volgens de OvV en het NIPV is een integrale aanpak nodig: meer bewustzijn en actie van gebouweigenaren, goed toezicht door gemeenten, advies van de brandweer en duidelijke voorlichting aan bewoners, vooral aan kwetsbare groepen. Alleen door samen te werken kunnen we ervoor zorgen dat ouderen veilig zelfstandig kunnen blijven wonen.

Interventie

Om hier invulling aan te geven worden eigenaren en beheerders van woongebouwen door middel van de ‘Leidraad brandveilig beheer van woongebouwen’

11NIPV (2023) – Leidraad brandveilig beheer van woongebouwen: 20231116-NIPV-Leidraad-brandveilig-beheer-van-woongebouwen.pdf

door de brandweer (Risicobeheersing) ondersteund bij het opstellen van een beheersplan een plan om het woongebouw brandveilig te houden tijdens het gebruik. Het is geen kant-en-klaar plan, maar een hulpmiddel om een maatwerkplan te maken. De leidraad biedt inzicht in:

•Wettelijke kaders en verantwoordelijkheden: Een duidelijke uitleg van de wet- en regelgeving en wie waarvoor verantwoordelijk is.

•Risicoanalyse: Handvatten om de specifieke risico's van een woongebouw in kaart te brengen, rekening houdend met de bouwkundige staat, de aanwezige installaties en het gedrag van bewoners.

•Opstellen van een beheersplan: Een stapsgewijze aanpak voor het opstellen van een concreet beheersplan waarin maatregelen op bouwkundig, installatietechnisch en organisatorisch vlak worden vastgelegd.

•Onderhoud en actualisatie: Richtlijnen om het beheersplan actueel en effectief te houden

•Ondersteunende webpagina: Naast de leidraad is er ook een ondersteunende webpagina met o.a. een digitale leeromgeving, voorbeeldtemplate van een beheersplan, checklist voor toezicht, veelgestelde vragen etc.

De leidraad richt zich op het brandveilig beheren van woongebouwen om de kans op brand en effecten daarvan zo veel mogelijk te beperken. Er staan geen adviezen in over wat te doen als er brand uitbreekt. Naast de ondersteuning bij het opstellen van een beheerspan worden eigenaren en beheerders van woongebouwen en hun bewoners geïnformeerd over de nieuwe regelgeving met betrekking tot brandgevaarlijke objecten in een vluchtroute voor woongebouwen (artikel 6.15a Bbl) en indien relevant over de problematiek rondom brandveiligheid in relatie tot de energietransitie en/of de problematiek rondom bestaande parkeergarages onder woongebouwen.

Doelgroep en drempelwaarde

In de regio Brabant-Noord, waar de vergrijzing in de toekomst sterk toeneemt (21% 65+ in 2023, stijgend naar 25,5% in 2040) en met name de groep 75-plussers het sterkst groeit, is een gerichte aanpak essentieel. We richten onze aandacht in eerste instantie, specifiek op reguliere woongebouwen, met meer dan 10 wooneenheden en waar meer dan 50% van de bewoners ouder is dan 65 jaar. Het gaat hierbij om woongebouwen die qua (brandveiligheids)voorzieningen vaak niet zijn voorbereid op de huidige bewonerssamenstelling en/of -behoeften. We richten ons met de interventie op gebouweigenaren, gebouwbeheerders, VvE’s en bewoners.

3.1.5 Zelfscan brandveiligheid

Met de zelfscan brandveiligheid wordt de eigenaar of gebruiker van een object gevraagd om zelf een aantal controlepunten met betrekking tot brandveiligheid in hun object na te lopen. Door het invullen van een digitale vragenlijst worden eigenaars en gebruikers van een object op een laagdrempelige manier gestimuleerd om zelf na te denken over de brandveiligheid in hun bouwwerk. Hiermee wordt beoogd de bewustwording te vergroten. Bovendien geven de uitkomsten van de zelfscan op een snelle manier inzicht in of er voldaan wordt aan wet- en regelgeving.

Onderwerpen en aanpak zelfscan

De vragen uit de zelfscan brandveiligheid zijn gebaseerd op onderstaande inspectieonderwerpen (afgeleid vanuit Bbl):

•Actualiteit dossier;

•Interne organisatie;

•(Brand)compartimentering;

•Vluchtroutes;

•Melden en alarmeren;

•Brandveilig gebruik;

•Veilig vluchten;

•Vangnet en zorgplicht.

Als een zelfscan niet wordt ingevuld wordt er éénmalig een herinnering verstuurd. Als na deze herinnering nog geen respons heeft plaatsgevonden kan dit aanleiding zijn voor het inplannen van een fysieke controle. Ook als na analyse van de zelfscan blijkt dat deze (bewust) onjuist is ingevuld, kan een fysieke controle worden ingepland. Ook kan het zijn dat de antwoorden op de vragen van de zelfscan aanleiding geven voor het nemen van vervolgstappen.

Ervaringen zelfscan 2022-2025

Tijdens de vorige cyclus 2022-2025 is er ervaring opgedaan met de zelfscan. De zelfscan is een efficiëntie manier om bewustwording te creëren, maar de ervaring leert ook dat de zelfscan soms te algemeen en te vrijblijvend was waardoor het onduidelijk was of het doel van bewustwording ook daadwerkelijk bij de eigenaar en/of gebruiker wordt bereikt.

Door de zelfscan voor de cyclus 2026-2029 specifieker te maken, onderbouwing zoals foto’s, gegevens of documentatie te vereisen en vragen te verduidelijken, kan de effectiviteit worden verbeterd. Om dit te bereiken worden een aantal aanpassingen in de zelfscan doorgevoerd zoals:

•De mogelijkheid tot het uploaden van onderbouwingen (foto’s, gegevens, documentatie)

•Verbeteren en verdiepen van de vraagstelling.

Daarnaast wordt de beoogde effectiviteit van de zelfscan bij instanties en organisaties met meerdere objecten niet gehaald. Bij deze categorie is vaak één persoon belast voor brandveiligheid die dan ook voor alle objecten de zelfscan invult. Hierdoor wordt het doel om het brandveiligheidsbewustzijn bij de specifieke locatie en de gebruikers ervan te beïnvloeden niet behaald. Daarom wordt de zelfscan tijdens de cyclus 2026-2029 niet meer generiek voor alle gebruiksfuncties ingezet. De zelfscan wordt alleen nog ingezet bij organisaties, eigenaars of gebruikers met maxiaal twee objecten vallend binnen risicocategorie B, C of D.

Bijlage 1 - Indicatoren

Indicatoren voor omvang en gevolgen van brand

Figuur 6: Indicatoren voor omvang en gevolgen van brand

Bijlage 2 – Naleefgedrag

Analyse naleefgedrag 2022-2024

12De data van 2025 is nog niet beschikbaar op het moment dat dit beleidsplan wordt opgesteld

Het naleefgedrag van objecten zegt iets over de mate waarin objecten zich aan de brandveiligheidseisen en –regels houden. Door controles uit te voeren kan worden nagegaan of objecten zich ook daadwerkelijk aan deze eisen en regels houden. Bij deze controles kunnen een aantal acties ondernomen worden:

•Akkoord: Er zijn tijdens de controle geen overtredingen geconstateerd. Het object voldoet aan de gecontroleerde brandveiligheidsvoorschriften.

•Aanwijzing: Er zijn lichte overtredingen geconstateerd. De brandweer maakt mondeling een afspraak met de overtreder en gaat ervan uit dat de overtreding(en) worden opgelost. Er wordt geen hercontrole uitgevoerd.

•Waarschuwing: Er zijn ‘zwaardere’ overtredingen geconstateerd. De brandweer stuurt een brief met waarschuwing naar de overtreder en er wordt een hercontrole ingepland.

•Handhaven: Bij ernstige overtredingen of wanneer blijkt dat er na een hercontrole de gebreken nog niet zijn opgelost wordt het bevoegd gezag verzocht om handhavend op te treden.

•Afgebroken / Niet controleren: De acties ‘Afgebroken’ en ‘Niet controleren’ betekenen dat tijdens de controle is geconstateerd dat het object op dat moment niet gecontroleerd kan/hoeft te worden. Dat kan voorkomen wanneer er sprake is van bijvoorbeeld een verbouwing, verhuizing, object definitief gesloten etc. Er is daarom geen inhoudelijk resultaat toegekend aan de controle.

Het naleefgedrag is onderverdeeld in goed, gemiddeld en slecht naleefgedrag. Om deze verdeling te maken zijn de volgende aannames gedaan:

•Er is sprake van goed naleefgedrag wanneer er bij controles binnen de objectcategorie in 2/3 (66,67%) of meer gevallen een akkoord of aanwijzing is gegeven.

•Er is sprake van slecht naleefgedrag wanneer er bij controles binnen de objectcategorie in 2/3 (66,67%) of meer gevallen een waarschuwing is gegeven of er overgegaan is tot handhaving.

•Er is sprake van gemiddeld naleefgedrag wanneer er geen 2/3 meerderheid is voor akkoord of aanwijzing en waarschuwing of handhaven.

Naleefgedrag reguliere controles risicogericht toezicht

Het naleefgedrag is gebaseerd op de reguliere risicogericht toezicht controles. De ADHOC-controles zijn niet meegenomen omdat deze vaak worden uitgevoerd nadat er een signaal is geweest dat er sprake is van een onveilige situatie op het gebied van brandveiligheid of omdat het gaat om een nieuw object of een object waarvan het gebruik gewijzigd is. De hercontroles zijn niet meegenomen in het naleefgedrag, omdat er dan al in een eerdere controle een waarschuwing of verzoek tot handhaving is afgegeven.

In Tabel 1 is het naleefgedrag van alle uitgevoerde reguliere controles risicogericht toezicht 2022-2024 weergegeven. Het algemene beeld over de controles is, is dat er sprake is van een goed naleefgedrag. In 2022-2024 werd 7 van de 10 objecten tijdens een controle direct goedgekeurd. Bij 3 van de 10 objecten is bij een controle ofwel een waarschuwing gegeven (gevolgd door een hercontrole) of wordt het bevoegd gezag geadviseerd een handhavingstraject te starten. Dit is vergelijkbaar met het naleefgedrag in de cyclus 2017-2021.

Tabel 1: Naleefgedrag reguliere controles risicogericht toezicht 2022-2024

Actie

Aantallen 2022-2024

Percentage

Percentage goedgekeurd / niet goedgekeurd:

Akkoord

405

36%

Goedgekeurd:

Aanwijzing

390

34,67%

70,67%

Waarschuwing

313

27,82%

Niet goedgekeurd:

Handhaven

17

1,51%

29,33%

Totaal

1125

100%

100%

Afgebroken / niet controleren / schriftelijke aanvulling / ADHOC

93

Naleefgedrag per risicocategorie en objectcategorie

Bij de risicocategorie B, C en D wordt meer dan 70% van de objecten tijdens een controle direct goedgekeurd. Bij risicocategorie A is dat ook een meerderheid en gaat het om 57% van de objecten die direct worden goedgekeurd.

Tabel 2: Naleefgedrag controles risicogericht toezicht per risicocategorie 2022-2024

Risico-categorie

Aantal controles 2022-2024

Akkoord + Aanwijzing

Waarschuwing + Handhaven

Goed/gemiddeld/slecht naleefgedrag

A

264

57,20% (151)

42,8% (113)

Gemiddeld

B

537

75,05% (403)

25,74% (134)

Goed

C

198

76,77% (152)

23,23% (46)

Goed

D

125

71,2% (89)

28,8% (36)

Goed

E

1

0%

100% (1)

Slecht

Totaal

1125

795

330

Kijkend naar de objectcategorieën is er geen zorgwekkend naleefgedrag geconstateerd. Bij de objectcategorieën waar een tweederde meerderheid niet is goedgekeurd en waar dus sprake is van slecht naleefgedrag, gaat het om een beperkt aantal controles dat is uitgevoerd (0-5), waardoor er geen duidelijke constatering te maken is.

Tabel 3: Naleefgedrag controles risicogericht toezicht per objectcategorie 2022-2024

Objectcategorie

Risicocategorie

Aantal controles

Bed & Breakfast

D

1

Niet basisonderwijs

E

1

Opvangcentrum (korte termijn)

A

4

Zorghotel

A

4

Bijlage 3 - Prioritering

Prioritering 2026-2029 (incl. weging naleefgedrag)

Nr.

Gebruiks-

functie

Sub-gebruiksfunctie

Objectcategorie

Risicocategorie

Strategie 2022-2025

Risicocategorie

Strategie 2026-2029

1

Woonfunctie

1a

Woonfunctie

Grondgebonden woning

Grondgebonden woning

E

E

1b

Woonfunctie

Woongebouw

Woongebouw

E

C NIEUW

1c

Woonfunctie

Woongebouw met zorgvraag

Woongebouw met zorgvraag

C

C

1d

Woonfunctie

Kamerverhuur (algemeen)

Kamerverhuur arbeidsmigranten

C

⟱ D

1e

Woonfunctie

Kamerverhuur (algemeen)

Kamerverhuur studenten

C

⟱ D

1f

Woonfunctie

Woonfunctie voor zorg (intramuraal)

Intramurale woonfunctie voor zorg

A

A

1g

Woonfunctie

Opvangcentra (lange termijn)

Opvangcentra (lange termijn)

A

A

1h

Woonfunctie

Woonfunctie voor zorg (extramuraal)

Begeleid wonen verstandelijk gehandicapten

C

C

1i

Woonfunctie

Woonfunctie voor zorg (extramuraal)

Begeleid wonen overig

C

C

2

Bijeenkomstfunctie

2a

Bijeenkomstfunctie

Kinderdagverblijf / peuterspeelzaal

Kinderdagverblijf / peuterspeelzaal

B

B

2b

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (groot)

Stadion / sport kijken

C

C

2c

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (groot)

Gebedshuis

D

D

2d

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (groot)

Horeca bij sportaccommodatie

D

D

2e

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (klein)

Buurthuis / wijkcentrum

D

⟰ C

2f

Bijeenkomstfunctie

Uitgaansgelegenheid

Café / Bar

B

⟱ C

2g

Bijeenkomstfunctie

Uitgaansgelegenheid

Discotheek / Dancing

B

B

2h

Bijeenkomstfunctie

Uitgaansgelegenheid

Zalen / partycentrum

B

B

2i

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (groot)

Bibliotheek

D

⟰ C

2j

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (groot)

Museum (expositieruimte / kunstgalerie)

D

D

2k

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (groot)

Bioscoop

D

⟰ C

2l

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (groot)

Schouwburg / theater

D

D

2m

Bijeenkomstfunctie

Uitgaansgelegenheid

Restaurants

D

D

2n

Bijeenkomstfunctie

Bijeenkomstfunctie (klein)

Crematorium

D

D

3

Celfunctie

3a

Celfunctie

Penitentiaire inrichting / cellencomplex

Penitentiaire inrichting / cellencomplex

A

A

4

Gezondheidszorgfunctie

4a

Gezondheidszorgfunctie

Niet bedgebonden gezondheidszorg

Dagverblijf voor verstandelijk gehandicapten

D

⟰ C

4b

Gezondheidszorgfunctie

Bedgebonden gezondheidszorg

Ziekenhuis

A

A

4c

Gezondheidszorgfunctie

Bedgebonden gezondheidszorg

Psychiatrisch ziekenhuis

A

A

4d

Gezondheidszorgfunctie

Bedgebonden gezondheidszorg

Beschermd wonen

A

A

4e

Gezondheidszorgfunctie

Bedgebonden gezondheidszorg

Psychiatrische noodopvang

A

A

4f

Gezondheidszorgfunctie

Bedgebonden gezondheidszorg

Zorghotel

A

A

4g

Gezondheidszorgfunctie

Bedgebonden gezondheidszorg

Hospice

A

A

5

Industriefunctie

5a

Industriefunctie

Seveso bedrijven

Seveso bedrijven

C

C

5b

Industriefunctie

Aanwezigheid gevaarlijke stoffen

Risicorelevante bedrijven

D

D

5c

Industriefunctie

Industrie algemeen

Industrie algemeen

E

E

5d

Industriefunctie

Industrie agrarisch

Lichte industrie veestallen

E

E

6

Kantoorfunctie

Kantoorfunctie

Kantoorfunctie

Kantoorgebouw

E

E

7

Logiesfunctie

7a

Logiesfunctie

Logiesgebouw

Hotel / Motel / Pension

C

C

7b

Logiesfunctie

Losse logiesfunctie

Bed & Breakfast

D

⟰ C

7c

Logiesfunctie

Losse logiesfunctie

Groepsaccommodatie

D

D

7d

Logiesfunctie

Opvangcentra (korte termijn)

Opvangcentra (korte termijn)

A

A

8

Onderwijsfunctie

8a

Onderwijsfunctie

Basisonderwijs (incl. BSO)

Basisschool (incl. BSO)

C

⟱ D

8b

Onderwijsfunctie

Niet basisonderwijs

Voortgezet onderwijs

E

D NIEUW

9

Sportfunctie

9a

Sportfunctie

Sportfunctie

Gebouw met sportfunctie

E

E

10

Winkelfunctie

10a

Winkelfunctie

Losse winkel

Winkel

E

E

10b

Winkelfunctie

Winkelcentrum (gesloten passage)

Winkelcentra (besloten passage)

D

D

10c

Winkelfunctie

Zeer grote winkel

Groot en complex winkelpand

D

D

11

Overige gebruiksfunctie

11a

Overige gebruiksfunctie

Parkeergarage

Parkeergarages (besloten, combi met andere GF)

E

E

11b

Overige gebruiksfunctie

Stations (openbaar vervoer)

Stations

C

C

12

Bijzondere objecten

Bijzondere objecten

Bijzondere objecten

Nader te bepalen

Bijlage 4 – Geconstateerde gebreken

Meest voorkomende geconstateerde gebreken

In onderstaand overzicht zijn de meest voorkomende geconstateerde gebreken per hoofdonderwerp en inspectieonderwerp aangegeven. Naast deze onderwerpen vormt ook de actualiteit van het dossier een veel voorkomend gebrek (9%).

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.