Aanhef
De raad van de gemeente Maashorst;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders 19 september 2023:
b e s l u i t
De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 van toepassing te verklaren.
Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0
Opgesteld vanuit het BPO-speerpunt Veehouderij in Noord-Brabant
Inhoud:
1Inleiding en perspectief
2Waarom beoordeling volksgezondheid?
3Werkwijze beoordeling
2. Waarom beoordeling volksgezondheid?
2.3 Waarom is de huidige wetgeving niet voldoende voor volksgezondheid?
2.3.1 Geurhinder:
De meeste geurstoffen zijn al te ruiken bij hele lage concentraties. Deze lage concentraties geven over het algemeen nog geen gezondheidseffecten ten gevolge van toxische eigenschappen van de stof. Echter kunnen er door de waarneming van de stof wel al gezondheidseffecten teweeg worden gebracht. Dit kunnen zijn: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten, stress- gerelateerde klachten zoals hoofdpijn, vermoeidheid, benauwdheid en misselijkheid.
Geurbelasting is sterk afhankelijk van een groot aantal persoonsgebonden- en omgevingsfactoren die de relatie beïnvloedt. Deze factoren bestaan uit geurkarakteristieken, demografische en sociaaleconomische kenmerken en persoonsgebonden en cognitieve kenmerken.
In de handreiking Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) worden waarden genoemd die bij de beoordeling van de geurbelasting gehanteerd kunnen worden. De Gezondheidsraad stelt in haar advies dat zowel eerdere geurnormen als de huidige adviesnormen in de Wgv niet gebaseerd zijn op een blootstelling-responsrelatie. Volgens de commissie is het hoog tijd de wetgeving en handhaving op dit gebied wetenschappelijk steviger te funderen. Dat vraagt om nader onderzoek (Gezondheidsraad, 2012).
Bureau GMV van de GGD’en Brabant/Zeeland en het IRAS van Universiteit Utrecht onderzochten in 2012 en 2013 de relatie tussen de cumulatieve geurbelasting afkomstig van veehouderijen en de ervaren geurhinder (Geelen et al., 2015). De dosis-effect relaties uit het onderzoek van Geelen et al. en het eerder uitgevoerde PRA onderzoek zijn helaas niet vergelijkbaar. Daarnaast is het zo dat de normen uit de Wgv niet zijn gebaseerd op een dosis-effect relatie maar op de wens van de Tweede Kamer om de uitbreidingsruimte voor de veehouderij in stand te houden, op het niveau van de Wet stankemissie veehouderij. Gemeenten die een eigen geurverordening opstellen maken vaak gebruik van de dosis-effect relatie uit het PRA-onderzoek.
In het kennisbericht Geur van het Kennisplatform Veehouderij en Humane Gezondheid staat meer informatie over de verschillen tussen het PRA en het GGD/IRAS onderzoek8.
Het ondersteuningsteam wijst erop dat wanneer advies aan de GGD gevraagd wordt, de GGD haar advisering baseert op de onderzoeksresultaten van het GGD/IRAS onderzoek, ondanks het feit dat de Wet geurhinder veehouderij juridisch leidend is.
2.3.2 Fijnstof:
Er is geen veilige concentratie bekend, waaronder géén nadelige gezondheidseffecten van fijnstof optreden. Wel zijn er wettelijke grenswaarden opgesteld, maar ook onder de in de wet genoemde grenswaarden kunnen gezondheidseffecten optreden. De normen zijn gebaseerd op fijnstof afkomstig van verkeer waarvan de samenstelling afwijkend is ten opzichte van het fijnstof afkomstig van veehouderij. Fijnstof uit verkeer bevat vooral ultrafijne deeltjes (vooral PM0,1- PM1,0) waaronder roet en is met allerlei chemische stoffen beladen. Het fijnstof uit de landbouw behoort vooral tot de ‘grove’ fijnstof-fractie (PM2,5-PM10) en in mindere mate tot de fractie <PM2,5 in de vorm van (bio)aerosolen.
Uit eerder onderzoek bleek al dat dichter bij pluimveehouderijen vaker longontsteking voorkomt. Eén van de theorieën was dat de hoge uitstoot van fijnstof en endotoxine de samenstelling van de bacteriepopulatie in de luchtwegen zou kunnen verstoren waardoor pneumokokken of andere veelvoorkomende ziekteverwekkers meer kans krijgen om een longontsteking te veroorzaken.
Door het nieuwe onderzoek9 wordt het idee ondersteund dat de uitstoot van fijnstof en endotoxinen vanuit pluimveehouderijen een plausibele verklaring kan zijn voor het verhoogde risico op longontstekingen bij omwonenden. Vandaar dat er ingestoken wordt op een zo laag mogelijke emissie van fijnstof. Ook in een straal van 2000 meter rondom geitenhouderijen wordt een hogere incidentie longontstekingen gezien, maar deze verhoogde incidentie kan niet worden gerelateerd aan de uitstoot van fijnstof en endotoxinen. Nader onderzoek naar de oorzaak is nodig.
2.3.3 Endotoxinen:
Endotoxine-belasting in veedichte gebieden kan worden toegerekend aan de uitstoot van veehouderijen. Voor endotoxinen is nog geen wettelijke norm vastgesteld. Er is een advieswaarde voor omwonenden door de Gezondheidsraad voorgesteld (30 EU/m3) welke door het ondersteuningsteam en de GGD is overgenomen. Afstanden, waarbinnen deze advieswaarde wordt overschreden, zijn te berekenen door middel van het Endotoxine-toetsingskader.
Factoren welke de grootste mate van invloed hebben op endotoxine-concentraties in de lucht zijn de afstand van een object tot een veehouderij en het aantal dieren. Naast de diersoorten die een hoge stofemissiefactor hebben, dragen diersoorten met een lage stofemissiefactor ook bij aan de opeenstapeling van de endotoxine-concentraties in de lucht. Kortdurende (enkele uren) uitstoot van grote hoeveelheden endotoxinen hebben waarschijnlijk meer effect op de gezondheid van omwonenden dan de jaargemiddelden.
2.3.4 Zoönosen en resistente bacteriën:
De aanwezigheid of uitbreiding van een veehouderij roept bij veel mensen de angst voor zoönosen op. Dat is te begrijpen omdat er in 2007-2010 veel omwonenden van besmette geitenhouderijen ziek zijn geworden door Q-koorts. Een aantal mensen is overleden en ook zijn er mensen die tot op de dag van vandaag nog klachten van hun besmetting ondervinden. Door maatregelen tegen Q-koorts, waaronder vaccinatie van schapen en geiten, is het risico voor omwonenden zeer sterk gereduceerd. Na de Q-koortsuitbraak is er een landelijke overlegstructuur ingesteld om signalen van zoönosen, sneller dan in het verleden, om te kunnen zetten naar maatregelen om zieken te voorkomen.
Overdracht van zoönosen vindt meestal plaats via voedsel of door contact met dieren of mest. Ziekteverwekkers die zich via de lucht verspreiden (zoals Q-koorts en aviaire influenza) zouden voor omwonenden een risico kunnen opleveren, met name tijdens uitbraken omdat er dan grote hoeveelheden micro-organismen op het bedrijf zijn. Er is onderzoek gedaan naar een aantal zoönotische ziekteverwekkers die bij veehouderijen voorkomen. Niet alle resultaten van onderzoeken zijn al bekend en ook zijn verschillende verwekkers nog niet onderzocht, bijvoorbeeld omdat er geen geschikte test voorhanden is. Uit het VGO-onderzoek blijken gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen veroorzaakt te worden door fijnstof en endotoxinen en niet door de onderzochte zoönosen. Verschillende ziekteverwekkers, zoals Hepatitis E, Clostridium difficile en resistente ESBL-bacteriën, komen niet vaker voor bij mensen die dichtbij veehouderijen wonen dan bij mensen die daar verder vandaan wonen.
Een goede diergezondheid is erg belangrijk want als een ziekteverwekker niet op het bedrijf voorkomt, kan ook niemand ermee besmet raken. Dieren kunnen echter micro-organismen bij zich dragen waar zij zelf geen ziekteverschijnselen van krijgen maar die bij mensen wel klachten kunnen veroorzaken. Hygiënemaatregelen dragen bij aan een goede diergezondheid en kunnen waarschijnlijk ook bijdragen aan het beperken van transmissie binnen de veestapel en naar mensen wanneer er toch een zoönotische ziekteverwekker bij de dieren voorkomt. Voor meer informatie over zoönosen en hoe deze te beheersen wordt verwezen naar het kennisbericht ‘Zoönosen’ van het Kennisplatform Veehouderij en Humane Gezondheid10
Bij ontwikkeling of planvorming van veehouderijbedrijven is het belangrijk om mogelijke gezondheidseffecten in een risico-inventarisatie en -evaluatie af te wegen, rekening houdend met de lokale omstandigheden. De Gezondheidsraad (2008) adviseert hierbij om onder andere ‘op de situatie toegesneden met onzekerheden om te gaan’. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR, 2014) pleit daarnaast voor het inzetten van de zorgplicht, waarbij risico nemende partijen moeten aantonen dat zij verantwoordelijk te werk gaan.
Bijlage 1 Aanvullend toetsingsinstrument: ontvankelijkheid voor gezondheidstoets
Informatie ten behoeve van het “Toetsingsinstrument”
Dit document beschrijft de informatie die de GGD nodig heeft om een advies te kunnen opstellen over de gezondheidsaspecten die het bevoegd gezag moet meewegen in haar considerans van vergunningaanvragen voor veehouderij. Deze informatie is gebaseerd op het ‘Aanvullend toetsingsinstrument’20 dat de GGD heeft ontwikkeld samen met de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden en Gemert-Bakel en dat op basis van ervaringen met de gemeente Landerd verder is doorontwikkeld. Hiermee kunnen gezondheidsaspecten worden afgewogen bij besluitvorming over individuele veehouderijbedrijven. Het eindresultaat is een maatschappelijk gedragen en wetenschappelijk onderbouwd toetsingsinstrument bestaande uit een checklist met verschillende gezondheidskundige criteria waarop bedrijfsuitbreidingen van veehouderijen beoordeeld kunnen worden.
Voor het doel van dit document zijn de gezondheidskundige criteria opgesplitst in ‘toetsingscriteria’ en ‘maatregelen’.
De tabellen ‘toetsingscriteria’ beschrijven de gegevens waarvoor gezondheidskundige advieswaarden worden gehanteerd. In de kolom toelichting staat een korte uitleg over de relevantie voor volksgezondheid. Voor een uitgebreide onderbouwing kunt u het aanvullend toetsingsinstrument raadplegen.
De tabellen ‘maatregelen’ bevatten de maatregelen die in het toetsingskader vermeld staan. Om advies uit te kunnen brengen heeft de GGD graag inzichtelijk wat een ondernemer voor maatregelen met betrekking tot gezondheid toepast op het bedrijf. Dit kan de ondernemer laten zien door middel van een beschrijving van deze maatregelen, en een korte toelichting waarom dergelijke maatregelen wel of niet toegepast zijn. De tabellen ‘maatregelen’ kunnen hier richting aan geven.
Toetsingscriteria algemeen
Toelichting
Invullen door ondernemer
*
Is er een aanvraag voor de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) gedaan, en waarom wel/niet?
Indien een aanvraag is gedaan, deze dan bijvoegen.
1
Welke diersoort(en) worden bedrijfsmatig gehouden?
•Vergunde (huidige) situatie
•Aangevraagde (toekomstige) situatie
Als er meerdere diersoorten op één bedrijf zijn kan dit een risico vormen voor de verspreiding van zoönosen. Dit voor zowel de vergunde als aangevraagde situatie.
Uitgangspunt is dat er op bedrijfsmatig niveau geen varkens en pluimvee op één bedrijf samen gehouden mogen worden in verband met het risico op transmissie en vermenging van influenzavirus. Ook het bedrijfsmatig samenhouden van verwante soorten als rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) en kleine herkauwers onderling wordt afgeraden (o.a. vanwege Q-koorts), tenzij er sprake is van een gescheiden bedrijfsvoering. Voor de combinatie rundvee en varkens gelden er op dit moment geen zwaarwegende argumenten in kader van infectierisico’s mits er sprake is van een gescheiden bedrijfsvoering.
2
Wat is de omvang van het bedrijf (in dieraantallen en emissies)?
•Vergunde (huidige) situatie
•Aangevraagde (toekomstige) situatie
Het is in het kader van dier- en volksgezondheid belangrijk om te weten hoeveel dieren er op een bedrijf (beroepsmatig) gehouden worden, en of er sprake is van een toe- of afname in dierenaantallen ten opzichte van de vergunde situatie. Om inzicht te krijgen in de emissies vraagt de GGD om de diertabel voor zowel de vergunde als aangevraagde situatie aan te leveren,. In deze tabel moet worden opgenomen de totale emissie fijnstof, ammoniak, geur in vergunde en bestaande situatie.
3
Wat is de afstand van het bedrijf tot de meest nabijgelegen gevoeligebestemming, gerekend vanaf hetemissiepunt tot de woning?
•Vergunde (huidige) situatie
Aangevraagde (toekomstige) situatie
Tot gevoelige bestemmingen worden gerekend woningen (niet zijnde bedrijfswoningen), scholen, zorginstellingen, etc. Het RIVM (Maassen, 2012) concludeert dat door toenemende afstand verdunning van agentia in het milieu plaats vindt waardoor blootstelling lager wordt. Het hanteren van een bepaalde afstand tussen veehouderijbedrijf en woningen heeft daardoor een gunstig effect op de blootstelling van omwonenden aan geur, fijnstof, endotoxinen en zoönotische agentia.
4
Hoeveel gevoelige bestemmingen (scholen, zorgboerderijen, kinderdagverblijven en burgerwoningen) liggen in een straal van 250 meter vanaf het bedrijf?
Geef dit aan voor zowel de huidige als de aangevraagde situatie,
Wanneer het initiatief een pluimveehouderij betreft, is de vraag hoeveel gevoelige bestemmingen in een straal van 1000 meter liggen.
Wanneer het initiatief een geitenhouderij betreft, is de vraag hoeveel gevoelige bestemmingen in een straal van 2000 meter liggen?
In de directe omgeving van intensieve veehouderijen is sprake van gezondheidskundig relevante hogere blootstelling aan fijnstof, geur, endotoxinen en mogelijk zoönosen.
Modelberekeningen laten zien dat de verhoogde blootstelling aan geur en fijnstof vanaf een afstand van 250 meter vanaf een intensieve veehouderij in de meeste gevallen is gereduceerd tot achtergrondniveau.
Uit het VGO-vervolgonderzoek blijkt dat er sprake is van een verhoogde kans op longontsteking binnen 1000 meter van een pluimveebedrijf en 2000 meter van een geitenhouderij.
4b
Is het bedrijf gelegen in een gebied waarin woningen liggen met meer dan 15 veehouderijen in een straal van 1 kilometer?
Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO onderzoek) komt daarnaast naar voren dat een verlaging van de longfunctie wordt gevonden bij mensen die veel veehouderijen in hun leefomgeving hebben (15 of meer bedrijven binnen een straal van 1 kilometer afstand van een woning). Dit hangt vooral samen met het aantal veehouderijen rond de woning en hangt niet duidelijk samen met specifieke veehouderijtypen.
De GGD vraagt om aan te geven hoeveel woningen het betreft die aan het criterium 15 of meer veehouderijen binnen een straal van 1 kilometer voldoen.
4c
Wat is de afstand van het bedrijf tot het meest nabij gelegen veehouderijbedrijf?
–welk diertype wordt hier gehouden?
4d
Hoe is het bedrijf gelegen ten aanzien van gevoelige bestemmingen (kaart van de omgeving) en nabijgelegen veehouderijen?
De GGD vraagt om een kaart van de omgeving (circa 1000 meter) , omdat zo de ligging van het bedrijf ten opzichte van gevoelige bestemmingen en andere veehouderijen inzichtelijk wordt.
II. Geur
Gezondheidseffecten
Geur kan verschillende gezondheidseffecten oproepen bij de mens: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stress gerelateerde somatische gezondheidsklachten (bijvoorbeeld hoofdpijn). Het meest voorkomende en beschreven (gezondheids)effect van geur is (ernstige) hinder. De beoordeling van geur is subjectief en individueel bepaald. Hoe hinderlijk mensen een geur vinden hangt onder meer af van de aangenaamheid, de duur, frequentie en intensiteit van de geur. Ook de gewenning, het tijdstip en de vermijdbaarheid van de blootstelling spelen hierbij een belangrijke rol. Uiteraard beïnvloeden ook persoonsgebonden eigenschappen de ervaren hinder. Of de hinder ook tot andere gezondheidsklachten leidt, is persoonsgebonden en afhankelijk van de persoonlijke ‘stressverwerking’ ofwel ‘coping’.
Toetsingscriteria
Het uitgangspunt van de GGD is dat het recht op het verspreiden van geur samen dient te gaan met de verantwoordelijkheid om te werken volgens het ALARA-principe: ‘as low as reasonably achievable’. Daarnaast hanteert de GGD bij de beoordeling van geur gezondheidskundige advieswaarden. De maximaal toegestane geurbelasting is (uitgedrukt als effectmaat) maximaal 12% hinder in bebouwde kom (overeenkomend met redelijke goede milieukwaliteit conform bijlage 6/7 Wgv) en maximaal 20 % hinder in het buitengebied (boven 20% is sprake van een (tamelijk) slechte milieukwaliteit conform bijlage t/7 Wgv). Uit de tabel in bijlage 6/7 van de Wet geurhinder en veehouderij kan afgeleid worden welke geurbelasting dan nog acceptabel is afhankelijk van het gebiedstype (concentratie of niet concentratiegebied) en afhankelijk of het gaat om voorgrond- of achtergrondbelasting. In afwachting van de lopende evaluatie Wet Geurhinder en veehouderij hanteert de GGD als gezondheidkundige advieswaarden de waarden uit het recent onderzoek van Geelen et al.21
Toetsingscriteria algemeen
Toelichting
Invullen door ondernemer
1
Overzichtstabel van geur (voorgrond en achtergrond) voor omliggende gevoelige bestemmingen (binnen 2 km)
•Voor de vergunde (huidige) situatie
•Voor de aangevraagde (toekomstige) situatie
Met een overzichtstabel kan de GGD direct zien wat de huidige geurbelasting is en wat de geurbelasting zal zijn in de aangevraagde situatie. Met de tabel wordt inzichtelijk welke gevoelige bestemmingen betrokken zijn, en hoe de geurbelasting (voor zowel voor- als achtergrond) verandert voor iedere gevoelige bestemming. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen de belasting in de woonkern en het buitengebied. De waarden worden getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden zoals door de GGD gehanteerd.
Ook ondernemers die dieren houden waarvoor geen wettelijke geuremissiefactor is opgesteld wordt gevraagd de achtergrondbelasting weer te geven.
2
Geef zowel voor de vergunde als aangevraagde situatie aan wat de bijdrage van het bedrijf is met betrekking tot de achtergrondgeurbelasting op de hoogst belaste gevoelige bestemming.
Door inzicht te geven in de mate van bijdrage aan de achtergrondgeurbelasting op de hoogst belaste gevoelige bestemming, wordt duidelijk wat de invloed van het bedrijf is op de geurbelasting in de omgeving.
In de overzichtstabel voor geur moeten in ieder geval de volgende gegevens aanwezig zijn:
1a
Wat is de voorgrondbelasting geur (in OU/m3) op de hoogst belaste gevoelige bestemmingen in het buitengebied en woonkern?
•Voor de vergunde (huidige) situatie.
•Voor de aangevraagde (toekomstige) situatie
De voorgrondbelasting is de geurbelasting die de veehouderij veroorzaakt bij de omliggende gevoelige bestemmingen. Het is voor de GGD belangrijk om de voorgrondbelasting mee te nemen, omdat deze hinder kan veroorzaken bij omwonenden. De mate van hinder kan ingeschat worden op basis van de berekende geurbelasting. Om het verschil in de voorgrond geurbelasting in de huidige versus de aangevraagde situatie inzichtelijk te krijgen, dient deze voor beide situaties aangeleverd te worden.
1b
Wat is de achtergrondbelasting geur (in OU/m3) op de hoogst belaste gevoelige bestemmingen in het buitengebied en woonkern?
•Vergunde (huidige) situatie
•Aangevraagde (toekomstige) situatie
Met de achtergrondbelasting wordt de cumulatieve geurbelasting bedoeld. Alle veehouderijen uit de omgeving dragen hier aan bij. Ook de achtergrondbelasting kan hinder veroorzaken. De mate van hinder kan ingeschat worden op basis van de berekende geurbelasting. De relatie tussen de geurbelasting is verschillend voor de voorgrond- en achtergrondbelasting. Ook voor de achtergrondbelasting is het nodig om voor zowel de vergunde als de aangevraagde situatie de geurbelasting aan te leveren.
Maatregelen
Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om de geuremissie te beperken. Door de vragen uit de tabel te beantwoorden kan de ondernemer aangeven en onderbouwen welke maatregelen worden genomen binnen het bedrijf. Indien er extra maatregelen worden genomen die niet in de lijst vermeld staan, kunnen deze natuurlijk worden toegevoegd.
Maatregelen geur*
Aanvullende informatie
Invullen door ondernemer
1
1Wat is de verandering in de geurbelasting (in OU/m3 ) die plaatsvindt ten gevolge van de ontwikkeling?
Indien er toename in geurbelasting plaatsvindt, wordt dan vermeld:
•Hoeveel extra blootgestelden/ extra overbelaste woningen er zijn?
•Of deze blootgestelden in de woonkern of het buitengebied wonen?
•Of er (compensatie)maatregelen worden genomen?
Uitgangspunt van de GGD is dat het recht op het verspreiden van geur samen dient te gaan met de verantwoordelijkheid om te werken volgens het ALARA-principe: ‘as low as reasonably achievable’. Indien de geurbelasting redelijkerwijs niet verder verlaagd kan worden, vraagt de GGD om een beschrijving van de maatregelen die de ondernemer neemt om de geurbelasting van zijn bedrijf zo laag mogelijk te houden. Indien er sprake is van traditionele huisvesting, kan het ook met behulp van maatregelen mogelijk zijn de geuremissie te reduceren.
2
Is er sprake van emissiearme huisvesting en stalinrichting?
•Zo ja, welk type?
•Zo nee, waarom niet?
Maatregelen specifiek voor gesloten stalsystemen
3
Zijn de emissiepunten geplaatst aan die zijde van het gebouw waarmee omwonenden het minst belast worden?
4
Wat is de hoogte van de emissiepunten? Wat betekent een extra verhoging van dit emissiepunt voor de omwonenden?
Het is mogelijk dat de emissie uit de schoorsteen door gebouwinvloed onvoldoende opstijgt, en daardoor in de directe omgeving van het bedrijf veel geuroverlast veroorzaakt, ondanks eerdere geurberekeningen. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat de ondernemer aan alle vergunningen voldoet, maar er desondanks toch geuroverlast ontstaat.
In het algemeen geldt dat gebouwinvloed geen rol speelt als de schoorsteen 2,5 keer zo hoog is (vanaf maaiveld) als de hoogste obstakels of gebouwen in de omgeving.
De GGD adviseert daarom in knelpuntsituaties om de gebouwinvloed mee te nemen in de berekeningen en vooral om ook de mogelijkheden te onderzoeken van het (verder) verhogen van de schoorsteenhoogte.
5
In hoeverre zijn lokale geografische aspecten (gebouwinvloed) meegenomen voor het bepalen van de geuroverlast? (zoals de relatie met gebouwhoogte en ligging van het bedrijf t.o.v. de bebouwing in relatie tot de heersende windrichting in beeld in de geurmodellering)
Deze uitgebreidere modellering biedt meer inzicht in de lokale verspreiding van geur en biedt inzicht in mogelijke knelpunten.
Zie vorige punt.
6
Loopt de ventilatie-uitstroom verticaal in plaats van horizontaal?
Een verticale uitstroom zorgt ervoor dat geur en fijnstof zich meer verspreidt in de omgeving t.o.v. horizontale uitstroom.
7
Is de opslag brijvoeder en bewerking brijvoeder/bijvoerkeuken aangesloten op een aparte luchtwasser?
•Zo ja, welk type luchtwasser?
•Zo nee, waarom niet?
Vraag advies over de effectiviteit luchtwassers. In de praktijk blijkt tevens dat in brijvoercomponenten een ander soort bacterie voorkomt die een negatieve invloed kan hebben op de werking van de bacteriën in een biologische luchtwasser. Gevolg is dat de geur vanuit de dierverblijven niet meer of minder wordt gereduceerd.
8
Wordt er gebruik gemaakt van technieken die maximale emissiereductie brengen, en waarom wel/niet?
Er zijn inmiddels veel technieken beschikbaar die verder reduceren dan de BBT die vallen onder het Besluit emissiearme huisvesting. Maakt het bedrijf gebruik van dergelijke technieken?
9
Worden BBT ook ingezet voor de bestaande (niet- emissiearme) gebouwen (in plaats van intern salderen), en waarom wel/niet?
10
Is een sluis aangebracht en onderdruk gecreëerd bij het openen van de deuren, en waarom wel/niet?
Door het aanbrengen van een sluis en het creëren van onderdruk wordt verspreiding naar de omgeving zoveel mogelijk voorkomen.
11
Wordt de inzet en het gebruik van de luchtwassers inzichtelijk gemaakt, met behulp van computergestuurde monitoringsystemen, en waarom wel/niet?
Inzichtelijk maken van de inzet en gebruik van luchtwassers, met behulp van computergestuurde monitoringsystemen.
De luchtwasser dient 100% van de tijd te voldoen. Elektronische monitoring van nieuwe luchtwassers is wettelijk verplicht per 1-1-2013. Voor bestaande luchtwassers per 1-1-2016.
Maatregelen specifiek voor diersoorten waar geen emissiefactoren zijn vastgesteld
12
Wat is de afstand tot de dichtsbijgelegen gevoelige bestemming en de bebouwde kom wanneer dieren zonder (wettelijke) emissiefactor worden gehouden? Wordt er voldaan aan de afstanden uit de Maatlat Duurzame veehouderij, en waarom wel/niet?
De GGD hanteert vanuit gezondheidskundig oogpunt een minimale afstand voor melkvee van 100 meter en voor nertsen 200 meter22. (VNG) Afstanden houden geen rekening met cumulatie van meerdere bedrijven.
Bij grote veehouderijen (bv 150 of meer melkkoeien) wordt gemeenten geadviseerd een grotere vaste afstand aan te houden en een
dergelijke staffeling in haar beleid op te nemen.
Communicatie omgeving
13
Is er een omgevingsdialoog gehouden?
Indien dit het geval is de beschrijving bijvoegen.
14
Hoe worden activiteiten (zoals mest rijden/mixen) aangekondigd bij de bewoners in de lokale omgeving?
15
Hoe worden afspraken gemaakt over activiteiten, zoals tijdstippen van uitrijden mest en rekening houden met weersomstandigheden?
16
Wat voor een klachtenprotocol heeft het bedrijf?
•Is de ondernemer het aanspreekpunt voor (geur)klachten, en waarom wel/niet?
17
Wordt er bij aanhoudende klachten samen met de gemeente een klachtenanalyse uitgevoerd (met bijbehorend onderzoek, bijvoorbeeld geurrendementsmetingen, elektronische monitoring en eventuele optimalisatie die daarin mogelijk is)?
Door het uitvoeren van een klachtenanalyse wordt duidelijk wat mensen als hinderlijk ervaren (beleving van omwonenden) en zijn gerichtere maatregelen mogelijk.
III. Fijn stof- endotoxine
Gezondheidseffecten
Veehouderijen leveren een belangrijke bijdrage aan verhoging van fijnstofbelasting zowel regionaal als lokaal. Uit het VGO onderzoek blijkt dat een verminderde longfunctie samen lijkt te hangen met concentraties fijnstof en ammoniak. Met name de samenhang met ammoniak impliceert een relatie tussen veehouderij en longfunctie (bij alle deelnemers, onafhankelijk van eventuele luchtwegaandoeningen, wordt een verminderde longfunctie gevonden bij een verhoogde concentratie ammoniak in de lucht). Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door omzetting in secundair fijnstof. In de nabijheid van veehouderijbedrijven zijn verhoogde concentraties endotoxinen gemeten die tot effecten op de luchtwegen kunnen leiden23 24 25 Of dergelijke blootstelling ook leidt tot specifieke effecten op de gezondheid van omwonenden is nog beperkt onderzocht. De studies wijzen met name op het meer voorkomen van zelf gerapporteerde klachten van luchtwegen, verminderd welbevinden, acute klachten van ogen, neus en bovenste luchtwegen gerelateerd aan aanwezigheid van veehouderijbedrijven of hogere blootstelling aan fijnstof of endotoxinen.
Toetsingscriteria
De norm voor PM10 ligt op 40 µg/m3 en maximaal 35 overschrijdingsdagen met een belasting van 50 µg/m3. Vanuit de GGD wordt als toetsingswaarde 31,2 µg/m3 gehanteerd (advieswaarde waarin 35 dagen overschrijding met 50 µg/m3 is verrekend met 40 µg/m3). Daarnaast wordt er getoetst aan de strengere advieswaarden die door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) zijn opgesteld (PM2,5: gemiddeld 10 µg/m3; PM10: gemiddeld 20 µg/m3). Vanaf 2015 moet ook voldaan worden aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie van 25 μg/m3. Voor 2020 is de streefwaarde 20 μg/m3.
Zoals de Gezondheidsraad ook concludeert, is de norm voor PM10 en PM2,5 niet een goede parameter om de blootstelling van veehouderijbedrijven te toetsen. Bovendien treedt ook onder de PM10-norm gezondheidseffecten op. Daarom hanteert de GGD in dezen het voorzorgbeginsel en acht elke toename van de bijdrage van het bedrijf aan PM10 concentratie ten opzichte van de huidige situatie niet wenselijk. Voor endotoxinen is een advieswaarde door de gezondheidsraad voorgesteld. Deze bedraagt 30 EU/m3. Met behulp van de door het Ondersteuningsteam opgestelde handreiking is het voor varkens- en pluimveehouderijen op basis van de fijnstofemissie mogelijk de richtafstand te bepalen waarbinnen de advieswaarde voor endotoxine volgens deze toets wordt overschreden.
Toetsingscriteria fijnstof
Toelichting
1
Overzichtstabel van fijnstof (PM10 en PM 2,5) op omliggende gevoelige bestemmingen (binnen 2 km) voor de huidige situatie
•Vergunde (huidige) situatie
•Aangevraagde (toekomstige) situatie
Deze tabel geeft inzicht in de fijnstofbelasting in de vergunde versus de aangevraagde situatie. En ook welke gevoelige bestemmingen betrokken zijn, en hoe de fijnstof belasting (voor zowel voor- als achtergrond) verandert voor iedere gevoelige bestemming.
In de overzichtstabel van fijnstof moeten in ieder geval de volgende gegevens aanwezig zijn:
1a
Wat is de totale fijnstof (PM10 en PM 2,5) concentratie (in µg/m3) op de hoogste belaste gevoelige bestemmingen?
•Voor de vergunde (huidige) situatie
•Voor de aangevraagde (toekomstige) situatie
De totale fijnstof (PM10) concentratie bestaat uit de bijdrage van het bedrijf aan de fijnstof concentratie plus achtergrondconcentratie fijnstof. Door de totale fijnstof (PM10) concentratie aan te leveren voor vergunde en aangevraagde situatie worden de veranderingen in het gebied inzichtelijker.
Vanuit de GGD wordt als toetsingswaarde 31,2 µg/m3 gehanteerd (advieswaarde waarin 35 dagen overschrijding met 50 µg/m3 is verrekend met 40 µg/m3)
1b
Wat is de bijdrage van het bedrijf aan de fijnstof (PM10) concentratie (in µg/m3)?
•Voor de vergunde (huidige) situatie
•Voor de aangevraagde (toekomstige) situatie
Een toename van de fijnstof concentratie kan leiden tot een toename van effecten op de luchtwegen. De bijdrage van het bedrijf aan de fijnstof (PM10) concentratie moet dus worden aangeleverd voor zowel de vergunde situatie als de aanvraag.
2
Voor varkenshouderijen en pluimveehouderijen: Hoeveel woningen liggen in de huidige en beoogde situatie binnen de richtafstand voor endotoxine, berekend op basis van de fijnstofemissie (huidig en beoogd).
Voor endotoxinen is een advieswaarde door de gezondheidsraad opgesteld. Deze bedraagt 30 EU/m3. Met behulp van de handelingsnotitie toetsingskader endotoxine 1.0 van het Ondersteuningsteam is voor varkens en pluimvee de richtafstand te bepalen waarbinnen de advieswaarde endotoxine wordt overschreden. Binnen deze afstand hebben omwonenden een verhoogd risico op gezondheidseffecten ten gevolge van de blootstelling aan endotoxinen.
Maatregelen
Voor elk agrarisch bedrijf geldt dat het belangrijk is om, mét de uitstoot van fijnstof, ook de daaraan gekoppelde biologische agentia te beperken. Met het recht om de voorgestelde activiteiten uit te voeren komt ook de verantwoordelijkheid om te werken volgens het ALARA-principe: ‘as low as reasonably achievable’. De ondernemer dient te onderbouwen welke maatregelen genomen worden om de uitstoot te beheersen volgens het ALARA-principe. Door de vragen uit de tabel te beantwoorden kan de ondernemer aangeven en onderbouwen welke maatregelen worden genomen binnen het bedrijf. Indien er extra maatregelen worden genomen die niet in de lijst vermeld staan, kunnen deze natuurlijk worden toegevoegd.
Maatregelen fijnstof
Aanvullende informatie
Invullen door ondernemer
1
Wordt het aantal dieren in traditionele huisvestingsystemen verminderd (bijv. door oude stal niet meer te gebruiken voor veehouderij na gereedkomen nieuwe stal of oude stal aan te passen aan nieuwe eisen), en waarom wel/niet?
Minder dieren in traditionele, niet-emissiearme huisvesting leidt tot minder blootstelling van omwonenden aan fijnstof/ micro-organismen.
2
Welke maatregelen worden genomen om de uitstoot van fijnstof / micro-organismen te reduceren?
Enkele voorbeelden zijn:
•Aangepast strooisel bij pluimvee.
•Aanpassing lichtschema’s.
•Oliefilm drukleidingen
•Droogfilterwand
•Ionisatiefilter
•Warmtewisselaar
Maatregelen die op fijnstof- en geurreductie zijn gericht, zullen ook de kans op uitstoot van micro- organismen verkleinen. Een ondernemer kan zelf de Maatlat duurzame veehouderij – eisen hanteren. Hiervoor is een subsidiemaatregel beschikbaar.
Per diercategorie kunnen maatregelen variëren.
Voorbeeld: Winkel et al. (2012) keken naar vijf technieken om de concentratie fijnstof in stallen te verlagen. Drie technieken bereikten een duidelijke vermindering in de concentratie:
•IC-ionIC: een systeem dat stofdeeltjes een elektrische lading geeft (36% reductie);
•ienippel: een systeem dat olie aanbrengt op de huid van de varkens; de stofdeeltjes worden aan de olie gebonden (28%);
•flimmerfilter: een filtersysteem (23-49%).
3
Worden technieken (luchtwassers) met maximale emissiereductie ingezet, in combinatie met de inzet van emissiearme systemen, en waarom wel/niet?
Het rendement in emissiereductie wat met een luchtwasser behaald kan worden hangt af van het type. Met combiluchtwassers worden de hoogste rendementen behaald (circa 80%) terwijl met waterwassers of chemische luchtwassers de rendementen veel lager zijn (circa 30-35%).
De reductie van luchtwassers staat ter discussie. In praktijkmetingen zijn grote bandbreedtes gemeten.
4
Wordt er gebruik gemaakt van technieken (BBT’s) die maximale emissiereductie brengen, en waarom wel/niet?
•Inzet luchtwasser
•Inzet technieken in de stal (zie boven)
Er is geen gezondheidskundige drempelwaarde voor fijnstof. De norm van 40 µg/m3 (gecorrigeerd voor het aantal toegestane overschrijdingsdagen 31,2 µg/m3) beschermt onvoldoende tegen gezondheidseffecten.
Daarom adviseert de GGD om te sturen op maximale emissiereductie, ook al voldoet het bedrijf zonder BBT ook aan de norm.
5
Wordt de inzet en het gebruik van de luchtwassers inzichtelijk gemaakt, met behulp van computergestuurde monitoringsystemen, en
waarom wel/niet?
De luchtwasser dient 100% van de tijd te voldoen. Elektronische monitoring van nieuwe luchtwassers is wettelijk verplicht per 1-1-2013. Voor bestaande luchtwassers per 1-1-2016.
6
Wordt de ventilatie-uitlaat verhoogd, en waarom wel/niet?
Stroomt de ventilatie-uitlaat verticaal uit, en waarom wel/niet?
Door verhoging en verticale uitstroom van de lucht treedt er een grotere verdunning op van de concentraties op leefniveau. Als de uitstroomopening van 5 meter naar 10 meter wordt verhoogd wordt de fijnstofconcentratie op 50 meter afstand ca. 7x, op 100 meter ca. 3x en op 250 meter ca. 1,5x zo laag.
Kanttekening is wel dat stoffen hiermee, hoewel in lagere concentraties, verder verspreid worden in de leefomgeving.
IV. Zoönosen
Gezondheidseffecten
Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Per diersoort kunnen verschillende ziekten voorkomen die zich via de lucht verspreiden naar mensen, via direct contact tussen dier en mens of via voedsel. Voor omwonenden zijn vooral de via de lucht overdraagbare aandoeningen van belang. De belangrijkste zijn Q-koorts en influenza (vogelgriep, varkensgriep). De aanwezige veehouderijen zorgen voor een (mogelijke) verhoogde blootstelling aan via de lucht overdraagbare zoönosenverwekkers en antibioticaresistente bacteriën die leiden tot een verhoogd risico op infectieziekten of onbehandelbare infecties. Het is nog niet goed inzichtelijk vanaf welke concentraties of binnen welke afstand tot aan veehouderijen het risico verhoogd is. Alleen bij een uitbraak met Q-koorts is er, op basis van wetenschappelijk onderzoek, een verhoogd risico op besmetting en ziekte bij omwonenden, in relatie tot afstand van woonhuis en melkgeitenhouderijen tot een afstand van 5 kilometer26.
Verder zijn er aanwijzingen dat bij enkele zoönosenverwekkers zoals Coxiella burnetti (veroorzaker Q-koorts), Campylobacter (veroorzaker darminfecties) en veegerelateerde MRSA, de bedrijfsgrootte een risicofactor is voor de werknemers binnen het bedrijf zelf om besmet te raken. Of deze bedrijfsgrootte ook een risico is voor besmetting bij omwonenden is onbekend, behalve bij Q-koorts.
Maatregelen
Mogelijk kan ook bedrijfsmanagement effect hebben op verspreiding naar de omgeving, bijvoorbeeld wanneer veehouders de stallen schoonspuiten naar buiten, stallen openen bij aanvoer/afvoer dieren, of stallen en ventilatiesystemen niet goed onderhouden. Om de infectierisico’s voor mensen in direct contact te verminderen kunnen op twee niveaus maatregelen genomen worden: de aanwezigheid van zoönoseverwekkers bij de dieren verminderen en transmissie van dier naar mens tegengaan. Met behulp van diverse maatregelen kan de verspreiding en uitstoot van deze zoönosenverwekkers en bacteriën voorkomen dan wel beheerst worden. Om een inschatting te kunnen maken van de risico’s, is het nodig dat de afdeling Infectieziektenbestrijding van de GGD weet welke maatregelen er op dit gebied door de ondernemer genomen worden. Het is hierbij belangrijk dat de maatregelen zo precies mogelijk beschreven worden.
Maatregelen zoönosen27*
Aanvullende informatie
Invullen door ondernemer
Huisvesting
1
Wordt er een huisvestingsysteem gebruikt dat gericht is op beheersing van introductie en verspreiding van micro-organismen, en waarom wel/niet?
Beschrijving van huisvesting systeem. Bij sommige huisvesting systemen in de kans op insleep en verspreiding veel minder dan bij andere stallen; bijvoorbeeld dichte en open stallen/ emissiearme stalsystemen.
2
Is de professionele expertise van een dierenarts betrokken bij het stalontwerp (ontwikkeling van stal en huisvestingssysteem), en waarom wel/niet?
De dierenarts heeft kennis van preventie van dierziekten.
3
Wordt er gebruik gemaakt van compartimentering (scheiding leeftijdsgroepen en afdelingen), en waarom wel/niet?
Bij compartimentering voorkom je dat micro- organismen verspreiden van de ene (leeftijds)groep dieren naar de andere groep.
4
Hoe zijn de punten voor mestafzuiging gesitueerd?
De punten voor mestafzuiging niet onder luchtinlaatplaatsen situeren om zo de overdracht van ziektekiemen van extern te beperken.
5
Welke veterinaire adviezen zijn opgenomen?
Opnemen van veterinaire adviezen voor de verbetering van interne en externe biosecurity.
6
Waarom is er sprake van gesloten of open bedrijfsvoering?
Het advies is om een (zo veel mogelijk) gesloten bedrijfsvoering te hanteren om insleep van micro- organismen te verminderen.
Routing
7
Loopt de routing van vrachtverkeer met levende dieren en mesttransport buiten bebouwde komt?
8
Is het mogelijk om bij een uitbraak van zoönose wegen af te sluiten zodat diertransport en mesttransport buiten de bebouwde kom omgeleid wordt?
9
Door welke vegetatie en bebouwing wordt het bedrijf omringd?
De vegetatiedichtheid en bodemomstandigheden zijn factoren die invloed hebben op de verspreiding van micro-organismen. Micro-organismen zullen zich in een bosrijke of vochtige omgeving minder makkelijk verspreiden dan in een droge of open omgeving. Daarom vraagt de GGD een beschrijving van deze lokale gebiedsomstandigheden.
Kwalitatieve beschrijving
10
Welk type zoönosen komt voor bij de diersoort op het bedrijf en welke extra maatregelen zijn gericht op de bestrijding van deze zoönosen?
Het is belangrijk om te weten welke zoönosen op het bedrijf kunnen voorkomen, voor de veehouder zelf, maar ook voor andere mensen die in de stallen komen. Bij inzicht in de relevante zoönosen krijgt men ook inzicht op welke wijze de zoönosen voorkomen kunnen worden en welke maatregelen men dus kan nemen.
Opleidingseisen eigenaar/personeel
11
Wat voor een opleidingsplan voor personeel (inclusief eigenaar) is op het bedrijf aanwezig? Zijn hierin de volgende punten opgenomen:
•zoönosen
•hygiënemaatregelen
•het houden van dieren
•herkenning dierziektes
•te nemen maatregelen
In welke mate is er in het opleidingsplan aandacht voor periodieke bijscholing?
Om de kennis over zoönosen en preventiemaatregelen actueel te houden is het van belang dat de veehouder en eventuele medewerkers zich regelmatig laten bijscholen.
Voor Campylobacter, ESBL-producerende bacteriën en HEV geldt dat deze aanwezig zijn in feces van besmette dieren. Feces kan op de huid van besmette dieren terechtkomen; via direct contact met deze oppervlakten kan besmetting optreden bij mensen. Goede persoonlijke hygiëne kan deze transmissieroute voorkomen (onder andere handen wassen, geen hand-mondcontact, handschoenen). Mondkapjes kunnen toegevoegde bescherming geven. In een studie onder Nederlandse varkenshouders blijkt echter dat gebruik en hergebruik van mondkapjes juist een risicofactor zijn voor dragerschap van EBSL- producerende E. coli (Zomer et al., 2014). Zorg voor goede protocollen indien gebruik gemaakt wordt van persoonlijke beschermingsmiddelen.
Hygiëne
Met extra aandacht voor hygiëne wordt insleep, verspreiding en uitstoot van zoönosen beheerd. De andere aspecten van hygiëne zijn ook voor de werknemers belangrijk.
12
In welke mate is er een scheiding tussen het schone en niet-schone bedrijfsgedeelte?
De inrichting van een bedrijf is van belang voor uitstoot naar de buitenomgeving en kan ook de gezondheid van de dieren in belangrijke mate − positief of negatief beïnvloeden.
13
Is er een spoelplaats aanwezig voor de dieren, en waarom wel/niet?
14
Is er een aparte opvang beschikbaar voor zieke dieren, en waarom wel/niet?
Door zieke dieren in een aparte ruimte te plaatsen voorkomt men verdere verspreiding van de ziekte.
15
Hoe wordt verzekerd dat in het bedrijfsgedeelte
geen andere (landbouw)huisdieren kunnen komen?
Bacteriën/ virussen kunnen worden verspreidt door huisdieren.
16
Welke maatregelen zijn getroffen om watervervuiling te voorkomen?
Het waterleidingsysteem blijkt te vaak ziektekiemen en resistente bacteriën te verspreiden. Dit heeft invloed op antibioticaresistentie en de ontwikkeling van zoönosen. In de praktijk worden veel (chemische) middelen ingezet om de microbiologische kwaliteit te verbeteren, maar dit heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het drinkwater.
17
Welke bezoekers komen er in de stal?
Komen er bijvoorbeeld ook schoolklassen, worden er open dagen gehouden, is er sprake van een zichtstal etc.
18
Welke beschermingsmaatregelen worden toegepast als bezoekers de stal ingaan?
Ter preventie van overdracht van ziekteverwekkers naar dieren en vice versa.
19
Welke eisen zijn opgenomen voor de opslag van voermiddelen, ongedierte-bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermings-middelen en mest?
I.v.m. veiligheid is het van belang dat de middelen in een afgesloten ruimte staan.
Is de mest afgedekt of wordt het meteen afgevoerd?
20
Wordt er een actief ongedierte-bestrijdingsbeleid gevoerd, en waarom wel/niet?
Ongedierte kan zorgen voor insleep en verspreiding van ziekteverwekkers.
Het handhaven van strikte hygiëne op het bedrijf is van belang om insleep van zoönoseverwekkers tegen te gaan. Hierbij is ook plaagdierenbestrijding van belang en mogelijk ook vliegenbestrijding. Dit laatste wordt vooral genoemd in verband met Campylobacter.
Diergezondheid
21
Wordt het bedrijf begeleid door een vaste geborgde dierenarts (vermeld hierbij de naam van de dierenarts)?
Begeleiding van een vaste geborgde dierenarts geeft aan hoe vaak de gezondheid van de dieren op het bedrijf gecontroleerd wordt. Meer informatie over geborgde dierenartsen:
Externe link:http://www.geborgdedierenarts.nl/
22
Hoe vaak vindt er bedrijfsbegeleiding door de dierenarts plaats?
Minimaal 1x maand bedrijfsbegeleiding door dierenarts.
23
Is er een bedrijfsgezondheid- en behandelplan op het bedrijf aanwezig, en wat houden deze in?
In het bedrijfsgezondheid- en bedrijfsbehandelplan staan de preventieve maatregelen die het bedrijf neemt t.a.v. dierziekten en welke medicijnen
worden voorgeschreven.
24
Welke maatregelen worden genomen om de verspreiding van zoönosen bij de aan- en afvoer van dieren te voorkomen?
•Is er een IKB-geregistreerde aan- en afvoer van dieren, en waarom wel/niet?
Zie IKB-eisen en IKB-rapportage.
Een verwijzing naar een certificaat maakt niet altijd duidelijk welke maatregelen er daadwerkelijk, op het bedrijf, genomen worden. Beschrijf daarom expliciet de maatregelen die worden genomen en of de situatie in de aanvraag verandert.
25
Hoeveel volwassen dieren worden er gehouden per m2 leefoppervlakte in de stal?
Als dieren dicht op elkaar zitten kan de infectiedruk hoger zijn.
26
Hoe gaat men om met antibioticagebruik bij de dieren?
Om antibioticaresistentie te voorkomen is het belangrijk om zo min mogelijk antibiotica te gebruiken. De SDa (Stichting Diergeneesmiddelen autoriteit) heeft streefwaarden per sector vastgesteld. Eventueel kan de dierdagdosering worden vermeld.
27
Wordt er deelgenomen aan GD keurmerk zoönosen, en waarom wel/niet?
Voor meer informatie over eisen en certificering: Externe link:http://www.gddiergezondheid.nl/
Externe link:keurmerkzoonosExterne link:en
Maatregelen specifiek voor gesloten stalsystemen
28
Is toegang tot het schone bedrijfsdeel alleen mogelijk via een hygiënesluis, en waarom wel/niet?
Bij een hygiënesluis is het duidelijk dat men zich moet omkleden, handen wassen en eventueel douchen voordat de bezoeker de stal betreedt.
29
Welke eisen zijn er gesteld aan de hygiënesluis en omkleedruimte?
Bijvoorbeeld een nieuwe overall/schoenen als je in ander compartiment/stal komt om niet de micro- organismen mee te nemen van de ene plaats naar de andere, handen wassen, douchen.
30
Is er op het bedrijf een vaste werkverdeling (bijvoorbeeld per dag één werknemer per compartiment), en waarom wel/niet?
I.v.m. verspreiding van micro-organismen via de werknemer/veehouder tussen de verschillende compartimenten of diergroepen.
Maatregelen specifiek voor gemengde bedrijven
31
Hoe wordt op het bedrijf voorkomen dat micro- organismen zich tussen de twee diersoorten kunnen uitwisselen?
Met name de combinaties varkens en pluimvee, verwante soorten als rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten), en kleine herkauwers onderling, brengen risico’s m.b.t. zoönosen met zich mee.
Hoewel de kans klein is, bestaat er voor aviaire influenza een kans op het ontstaan van een nieuw influenzavirus door vermenging van varkens- en aviaire-influenzavirussen wanneer grote aantallen pluimvee en varkens op één bedrijf gehuisvest worden. De kans bestaat dat een aviaire- influenzavirus overdraagbaar wordt van mens op mens, wat een gevaar is voor de volksgezondheid (Maassen et al., 2012). Het is daarom verstandig deze dieren niet op hetzelfde bedrijf te houden.
Maatregelen specifiek voor pluimveehouderijen
32
Hoe wordt het pluimvee gehuisvest?
•Binnenhuisvesting
•Buitenhuisvesting met overkapping
•Buitenhuisvesting met extra monitoring
•Buitenhuisvesting
Het gaat om een maatregel ter voorkoming op bewezen verhoogd risico op besmetting pluimvee via externe bronnen (trekvogels). Afhankelijk van de beoogde locatie en aantal omwonenden vindt hier afweging plaats tussen dierenwelzijn en gezondheid.
33
Wordt de pluimveehouder (en medewerkers) jaarlijks gevaccineerd tegen influenza (griepspuit)?
Maatregelen specifiek voor varkenshouderijen
34
Wordt de varkenshouder (en medewerkers) jaarlijks gevaccineerd tegen influenza (griepspuit)?
Maatregelen specifiek voor geitenhouderijen
35
Welke extra maatregelen neemt de geitenhouderij n.a.v. de opgestelde maatregelen na de Q-koorts epidemie?
Zie voor meer informatie: Externe link:https://www.nvwa.nExterne link:l
Externe link:/documenten/communicatie/
Externe link:alle-Externe link:thema-s/folder/2016m/folder-q-koorts
V. Transport
Gezondheidseffecten
Transportbewegingen van en naar het bedrijf kunnen een negatief effect hebben op de omgeving door middel van geluid, geur, het risico op ongevallen en de uitstoot van fijnstof. Het is hierbij belangrijk op welke tijden transport plaatsvindt (’s avonds of overdag), en de routing van vrachtverkeer (binnen of buiten bebouwde kom).
Transport (uit toetsingsinstrument)
Maatregelen
Opnemen in eisen vergunning-aanvraag: Toetsing of weging
Aanvullende informatie en toelichting door ondernemer
Maatregelen gericht op de activiteit:
Inventariseer of er knelpunten zijn voor de verkeersveiligheid bij het voorgenomen initiatief. Neem maatregelen door:
Scheiding langzaam- en vrachtverkeer
Type wegverharding sluit aan bij vrachtverkeer Ligging voet- en fietspaden en oversteekplaatsen Goede verlichting wegen
Maximale toegestane snelheid
Parkeerplaatsen op terrein zelf of aparte plaatsen aanwijzen waar opleggers met dieren tijdelijk kunnen staan.
Toetsing bijvoorbeeld aan verkeers- en vervoersplan gemeente.
Maatregelen gericht op uitstoot:
Inpandige laad- en/of afleverplaats (laad-, aflever- plaats zijn aan minimaal drie zijden en van bovenaf gesloten)
Weging
Maatregelen gericht op blootstelling:
Tijdstip transportbewegingen:
Regel de tijdstippen voor het laden en lossen bij aan- en afvoer van:
•Diervoeders
•Mest
•Dieren
•Kadaver
•Tankwagen (melk)
•Eieren
•Aanvoer grondstoffen
Niet vóór 7 uur in de ochtend en na 19 uur in de avond.
Toetsing
VI. Landschappelijke inpassing
Gezondheidseffecten
Landschappelijke inpassing heeft een directe relatie met gezondheid. Bomen en struiken hebben een positief effect op gezondheid door de invloed op geluid. Een groen uitzicht vermindert de hinder die lawaai kan opleveren hoewel het feitelijk geluidniveau niet word verlaagd door beplanting 28. Daarnaast is de hoeveelheid groen in de woonomgeving van mensen positief geassocieerd met de ervaren gezondheid van bewoners, zowel in stedelijke en plattelandse woonomgeving. De positieve bijdrage van groen wordt veroorzaakt door het optreden van verkoeling en vermindering van hitte-stress (stedelijk).
Ook kan de aanwezigheid van lokaal groen, de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de lucht kunnen verlagen, doordat de verontreinigingen op de vegetatie worden gedeponeerd of geabsorbeerd. Wees echter bedacht op bijkomende negatieve effecten, welke kunnen worden veroorzaakt door pollen en schimmelsporen afkomstig van bomen. Deze stoffen kunnen de gezondheid van allergische en/of astmatische personen negatief beïnvloeden.
Landschappelijke inpassing (uit toetsingsinstrument)
Maatregelen
Opnemen in eisen van vergunning- aanvraag; toetsing of weging
Aanvullende informatie:
Alle maatregelen kunnen worden opgenomen in bestemmingsplan en/of milieuwetgeving. Welke criteria aan de maatregelen worden gegeven, staat beschreven in de Maatlat Duurzame Veehouderij.
Invullen door ondernemer.
Maatregelen gericht op uitstoot en verspreiding:
Patronen
Openheid:
•afstand tussen bouwblokken
•afstand bouwblok tot de weg
Weging
Perceelsranden:
•Inzet van singels
Weging
Inzet van water, bijv. poelen, wadi’s en sloten
Weging
Kavelstructuur
Erfverharding:
•Percentage verharding
•Soorten erfverharding
Weging
Erfbeplanting
Weging
Bij erfbeplanting dient bij keuze voor soorten ook een afweging gemaakt worden in effectiviteit voor gezondheid en ecologie.
Bebouwing algemeen
Woning losgekoppeld van bedrijfsbebouwing
Weging
Bedrijfsbebouwing
Afstand tot de weg:
•Stallen
•Mestopslag
•Voeropslag
Bebouwing haaks op de as van de weg
Bouwhoogte
Kleurgebruik
Weging
Woonbebouwing
Woonbebouwing qua positie ruim voor de bedrijfsbebouwing; Woonbebouwing heeft landelijk karakteristiek.
1
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Maassen K., et al. (2016, juli) - Veehouderij en Gezondheid Omwonenden
2
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Maassen K., et al. (2017, juni) - Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
3
Ogink, N., Erbrink, J. J., Heederik, D. J. J., Winkel, A., & Wouters, I. M. (2016). Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering (No. 959). Wageningen UR, Livestock Research.
4
Ondersteuningsteam: Het Ondersteuningsteam is onderdeel van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) speerpunt Veehouderij en bestaat uit mensen van de provincie, GGD , omgevingsdiensten en enkele gemeenten.
5
Smit, L. A., Boender, G. J., de Steenhuijsen Piters, W. A., Hagenaars, T. J., Huijskens, E. G., Rossen, J. W., … & Bogaert, D. (2017). Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: does the upper respiratory tract microbiota play a role?.Pneumonia, 9(1), 3.
6
De ambtelijk MOLO-werkgroep veehouderij en milieu (Milieuoverleg Lokale Overheden) betrof een regelmatige informatie- uitwisseling en afstemming tussen vertegenwoordigers vanuit de provincie Noord-Brabant, de Brabantse gemeenten, de drie Brabantse omgevingsdiensten en de GGD op het gebied van veehouderij en milieu. Het MOLO is per 1 januari 2015 opgeheven en overgegaan in het BPO-speerpunt Veehouderij. Het speerpunt heeft een ongeveer vergelijkbare samenstelling als het MOLO en richt zich behalve op milieu ook meer op ruimtelijke aangelegenheden.
7
Zie o.a. uitspraken Raad van State nr. 201202452 dd. 3 juli 2013, 201207838 dd. 18 december 2013 en nr. 201306433 dd. 12
maart 2014
8
Kennisbericht Geur. Versie 1, mei 2017. Kennisplatform Veehouderij en Humane Gezondheid. Externe link:http://www.kennisplatformveehouderij.nl/Thema_s/Geur
9
Smit, L. A., Boender, G. J., de Steenhuijsen Piters, W. A., Hagenaars, T. J., Huijskens, E. G., Rossen, J. W., ... & Bogaert, D. (2017). Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: does the upper respiratory tract microbiota play a role?. Pneumonia, 9(1), 3.
10
Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid – Kennisbericht “Zoönosen”. Geraadpleegd van: http://www.kennisplatformveehouderij.nl/Thema_s/Zoönosen:273310
11
Voor toelichting bij de verschillende stappen in dit stappenplan zie het hoofdstuk ‘Afwegingsaspecten’; vanaf pagina 15.
12
Indien niet voldaan wordt aan het endotoxine-toetsingskader kan de gemeente een gesprek met de ondernemer aangaan, waarbij de GGD aanwezig kan zijn om nadere toelichting over gezondheid te geven
13
Ogink, N., Erbrink, J. J., Heederik, D. J. J., Winkel, A., & Wouters, I. M. (2016). Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering (No. 959). Wageningen UR, Livestock Research.
14
advies van de Gezondheidsraad “Gezondheidsrisico’s bij veehouderijen” d.d. 30/11/2012.
15
Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (2016). Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0. Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO).
16
Bestuurlijke werkgroep evaluatie regelgeving geurhinder door veehouderijen (Oktober 2016). Eindadvies werkgroep evaluatie geurregelgeving veehouderij. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/06/01/eindadvies- werkgroep-evaluatie-geurregelgeving-veehouderij
17
Dijksma (2017, 1 juni). Beleidsreactie op eindadvies bestuurlijke werkgroep evaluatie geurregelgeving veehouderij [Kamerbrief].
18
Smit, L. A., Boender, G. J., de Steenhuijsen Piters, W. A., Hagenaars, T. J., Huijskens, E. G., Rossen, J. W., ... & Bogaert, D. (2017). Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: does the upper respiratory tract microbiota play a role?. Pneumonia, 9(1), 3.
19
Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid – Kennisbericht “Maatschappelijk Dialoog”. Geraadpleegd van: Externe link:http://www.kennisplatformveehouderij.nl/Thema_s/Maatschappelijke_dialoog:273307
20
Aanvullend toetsingsinstrument. Een risico-inventarisatie en –evaluatie voor gezondheid bij veehouderij. Nijdam, et.al, 2013.
21
Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?), Geelen L. et al, 2015
*
Indien een BZV aanvraag is gedaan is dit gedeeltelijk ingevuld in de maatlat Geurimpact. De GGD vraagt om uitgebreidere informatie zoals de achtergrondbelasting en de geurbelasting in de huidige situatie.
22
Externe link: https://vng.nl/onderwerpenindex/milieu-en-mobiliteit/externe-veiligheid/bedrijven-en-milieuzonering, richtafstandenlijst tabel 1
23
Heederik DJJ, IJzermans CJ. (Redactie) Mogelijke effecten van intensieve-veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen. IRAS Universiteit Utrecht, NIVEL, RIVM, 7 juni 2011.
24
Emissies van endotoxinen uit de veehouderij, Ogink, N, et al. 2016
25
Veehouderijen en gezondheid omwonenden (VGO), Maassen K, et al, 2016
26
Maassen CBM, van Duijkeren E, van Duynhoven YTHP, Dusseldorp A, Geenen P, de Koeijer AA, Koopmans MPG, Loos F, Jacobs-Reitsma WF, de Jonge R, van de Giessen AW. Infectierisico's van de veehouderij voor omwonenden. RIVM Rapport 609400004, 2012.
27
Maatregelen richten zich op preventie en beheersing van risico’s bij normale bedrijfsvoering. Uitbraken van dierziekten worden via aparte protocollen/regelgeving afgehandeld.
* Indien een BZV aanvraag is bijgevoegd laten de keuzemaatregelen in de maatlat Gezondheid zien welke maatregelen de ondernemer neemt om de risico’s op zoönosen te verkleinen. De GGD vraagt daarnaast om uitgebreidere informatie over o.a. diergezondheid en routing vrachtverkeer.
28
Informatieblad Groen en Geluid GGD werkgroep groen en gezondheid, 2012