Gemeentelijke regelgeving

Gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid

Gemeente Maasgouw · geldt sinds 19 juni 2026

Aanhef

Het college besluit:

1het ‘Regionaal modelbeleid bluswater en bereikbaarheid’ (31-03-2017, versie 1.0) in te trekken;

2het actuele ‘Gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid’ vast te stellen.

Voorwoord

Voldoende bluswater en een goede bereikbaarheid bij brand zijn belangrijk voor een goede bestrijding van de brand. Op basis van de Wet veiligheidsregio’s ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij gemeenten. Mede door de saneringen van het drinkwaternet door de Waterleiding Maatschappij Limburg en de regionalisering van de brandweerzorg is de behoefte ontstaan aan regionaal uniforme uitgangspunten die beter aansluiten op de repressieve mogelijkheden van de brandweer. Bluswaterbehoefte en bereikbaarheid zijn immers niet gemeente specifiek en in vergelijkbare situaties zal de brandweer op een gelijke wijze optreden.

In 2017 is het “Regionaal modelbeleid bluswater en bereikbaarheid” tot stand gekomen in samenwerking tussen de Veiligheidsregio Limburg-Noord, een vertegenwoordiging van diverse gemeenten binnen de regio en Waterleiding Maatschappij Limburg. Daarbij zijn de wederzijdse verantwoordelijkheden, technische randvoorwaarden en werkafspraken vastgelegd, zodat saneringen, uitbreidingen en advisering over bluswater en bereikbaarheid op een voorspelbare en efficiënte wijze kunnen plaatsvinden. Het modelbeleid gaf een nadere praktische en inhoudelijke invulling aan de wettelijke eisen ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid. Het was bedoeld als toetsingskader voor situaties zoals nieuwbouw projecten, saneringen van waterleidingen en verkeersbesluiten.

Door wijzingen in regelgeving, voortschrijdende inzichten binnen het vakgebied en nieuwe technologische ontwikkelingen heeft het modelbeleid van destijds een update gekregen. Deze update omvat geen grote wijzigingen, maar is wel noodzakelijk voor een hedendaagse en eenduidige advisering. Om nog duidelijker aan te geven dat het een beleid voor én samen met de gemeente opgesteld is, is de naam veranderd in ‘Gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid’.

Het beleid is vastgesteld door de bestuurscommissie Veiligheid van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. De veiligheidsregio zal haar adviezen richting gemeenten baseren op de uitgangspunten in dit beleid. Aan gemeenten wordt gevraagd het beleid lokaal vast te stellen. Dit zorgt voor voorspelbaarheid en rechtszekerheid bij initiatiefnemers: welke voorzieningen moet ik bij welke ontwikkelingen realiseren?

2. Bluswatervoorzieningen

2.4 Primaire, secundaire en tertiaire voorzieningen

2.4.1 Primaire bluswatervoorziening

Primaire voorzieningen zijn voorzieningen die door de eerste brandweereenheid zelfstandig opgebouwd en gebruikt kunnen worden. De brandweer beschikt over materieel en middelen om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat de continuïteit van de blussing gegarandeerd is. Het water wordt geleverd door brandkranen of alternatieve voorziening, zoals een geboorde put. In bijlage 2 is de technische uitvoering van een geboorde put opgenomen.

Uitvoering

Eisen

Minimale opbrengst

4Voor bepaalde objectsoorten kan volstaan worden met een lagere opbrengst (zie paragraaf 2.7).

Brandkraan aangesloten op een waterleidingnet.

•Voldoet aan de NEN-EN 14339 (voorheen NEN947).

•Op maximaal 15 meter van de brandkraan is een opstelplaats voor de tankautospuit.

•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerd is.

•Ligt in beginsel op 40 meter van een object. Bij een aantal objectsoorten kan deze afstand vergroot worden tot 100 meter.

•De voorziening kan door één brandweereenheid opgebouwd en onderhouden kan worden.

•Heeft een minimale opbrengst van 1000 L/minuut (= 60 m3/uur) en een onbeperkte waterlevering.

60m3/uur

Gesloten geboorde put (put met vaste aansluiting voor zuigslang tankautospuit).

•Op maximaal 8 meter

5De zuigslang van een tankautospuit is 10 meter lang. De afstand van 8 meter is aangehouden i.v.m. bochten in de slang.

van de geboorde put is een opstelplaats voor de tankautospuit.

•Aanzuighoogte maximaal 6 meter.

•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerd is.

•Afhankelijk van de lokale situatie kan het noodzakelijk zijn om te voorzien in een onderwaterpomp. Dit is in nader overleg met Brandweer Limburg-Noord te bepalen. De pomp heeft een uittrededruk tussen 0,5 en 1 bar (druk gemeten aan perskoppeling).

•Ligt op maximaal 40 meter van het object.

•De voorziening kan door één brandweereenheid opgebouwd en onderhouden worden.

•Heeft een minimale opbrengst van 1000 L/minuut (= 60 m3/uur) en een onbeperkte waterlevering.

60m3/uur

2.4.2 Secundaire bluswatervoorziening

Een secundaire voorziening kan binnen 30 minuten opgebouwd en gebruikt worden. De brandweer beschikt over materieel en middelen om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat de continuïteit van de blussing gegarandeerd is. Het water wordt geleverd door een brandkraan of door alternatieve voorziening zoals een geboorde put of open water.

Uitvoering

Eisen

Minimale opbrengst

6Voor bepaalde objectsoorten kan volstaan worden met een lagere opbrengst (zie paragraaf 2.7).

Brandkraan aangesloten op een waterleidingnet.

•Voldoet aan de NEN-EN 14339 (voorheen NEN947).

•Op maximaal 15 meter van de brandkraan is een opstelplaats voor de tankautospuit.

•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerd is.

•Ligt op maximaal 200 meter van een object.

•Heeft een minimale opbrengst van 1500 L/minuut (= 90 m3/uur) en een onbeperkte waterlevering.

90m3/uur

Gesloten geboorde put (put met vaste aansluiting voor zuigslang tankautospuit).

•Op maximaal 8 meter van de geboorde put is een opstelplaats voor de tankautospuit.

•Aanzuighoogte maximaal 6 meter.

•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerd is.

•Afhankelijk van de lokale situatie kan het noodzakelijk zijn om te voorzien in een onderwaterpomp. Dit is in nader overleg met Brandweer Limburg-Noord te bepalen. De pomp heeft een uittrededruk tussen 0,5 en 1 bar (druk gemeten aan perskoppeling).

•Ligt op maximaal 200 meter van een object.

•Heeft een minimale opbrengst van 1500 L/minuut (= 90 m3/uur) en een onbeperkte waterlevering.

90m3/uur

Open geboorde put.

•Op maximaal 2 meter van de geboorde put is een opstelplaats voor de tankautospuit.

•Aanzuighoogte maximaal 6 meter.

•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerd is.

•Ligt op maximaal 200 meter van een object.

•Heeft een minimale opbrengst van 1500 L/minuut (= 90 m3/uur) en een onbeperkte waterlevering.

**De voorkeur gaat uit naar een gesloten geboorde put.**

90m3/uur

Open water.

•Op maximaal 2 meter van het open water is een opstelplaats voor de tankautospuit.

•Aanzuighoogte maximaal 6 meter.

•Waterspiegel vrij te bereiken

•Minimale waterdiepte 0,5 meter.

•Ligt op maximaal 200 meter van een object.

•Heeft een minimale opbrengst (bv bluswatervijver) van 360 m3 (waterlevering = 4 uur x 90 m3/uur) [= 4 x 1500 l/minuut]

90m3/uur

Bluswaterriool.

•Op maximaal 2 meter van het open water is een opstelplaats voor de tankautospuit.

•Aanzuighoogte maximaal 6 meter.

•Maatvoering schacht binnendiameter 60 cm.

•Putdeksel om brandput af te sluiten.

•Tralies voor buis of een andere functionele voorziening om te voorkomen dat grof afval in het bluswaterriool terecht komt.

•Aanwezigheid van een controle en onderhoudsschacht inclusief zonk. In de zonk kan klein sediment worden afgevangen zodat het bluswaterriool niet dichtslibt.

•Bord plaatsen waarop staat aangegeven dat het een bluswaterwinplaats brandweer betreft.

•Ligt op maximaal 200 meter van een object.

•Heeft een minimale opbrengst (bv bluswatervijver) van 360 m3 (waterlevering = 4 uur x 90 m3/uur) [= 4 x 1500 l/minuut].

90m3/uur

2.4.3 Tertiaire bluswater voorziening

De voorziening kan binnen 60 minuten opgebouwd en gebruikt worden. De brandweer beschikt over materieel en middelen (zoals grootschalige watertransportsystemen) om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat de continuïteit van de blussing gegarandeerd is. Deze voorziening betreft “open water” met een onbeperkte waterlevering.

Open water via grootwatertransportsysteem.

•Op maximaal 45 meter

745 meter * factor 1,5 = 60 meter (maximale lengte hydrauliekslangen) (i.v.m. bochten in traject slangen)

van het open water is een opstelplaats voor de pompunit van het grootwatertransportsysteem (GWT).

•Aanzuighoogte maximaal 8 meter.

•Waterspiegel vrij te bereiken.

•Minimale waterdiepte 0,5 meter.

•Ligt op maximaal 3.000 meter (te bepalen in overleg met Brandweer Limburg-Noord).

•Heeft een minimale opbrengst van 4000 L/minuut (= 240 m3/uur) en een onbeperkte waterlevering.

240m3/uur

Standaard afwijking

Bij grote compartimenten (zoals industriehallen) of objecten waar een snelle branduitbreiding mogelijk is, zijn tertiaire voorzieningen noodzakelijk om bij een “standaard afwijking” (zie paragraaf 2.1) overslag naar een volgend compartiment te voorkomen. De tertiaire voorzieningen zijn in dat geval noodzakelijk op relatief korte afstand tot het object. De brandweer zal het water ontsluiten met een WTS1500 grootwatertransportsysteem.

Escalatie scenario

Tertiaire voorzieningen zijn ook nodig om bij “escalatie scenario’s” (wanneer een brand overslaat naar een volgend compartiment, zoals een naastgelegen woning) een grootschalig brandweeroptreden mogelijk te maken. Deze voorzieningen zijn dan gelegen op “strategische locaties”. Wanneer de tertiaire voorziening ingevuld wordt doormiddel van open water, dan is de maximale afstand tot een object 3.000 meter. De brandweer zal het water ontsluiten met een WTS1500 grootwatertransportsysteem.

Wanneer de tertiaire voorziening ingevuld wordt door middel van een geboorde put en/of brandkraan, dan moet deze voorziening binnen een rijafstand van maximaal 5 minuten liggen. De brandweer zal bij escalatie scenario’s dan gaan pendelen met waterwagens.

Bootlanceerplaats als waterinnamepunt brandweer

Voor calamiteiten op het water heeft Brandweer Limburg-Noord de beschikking over boten. Om de boot te water te laten is er op meerdere plekken aan het water een trailerhelling

8Infobrief trailerhelling boot en waterinnamepunt brandweer LN, versie 1.2 (2024)

nodig. Deze helling kan gebruikt worden als een waterinnamepunt open water door het grootschalige watertransportsysteem (GWT) of een tankautospuit (TS) bij een grotere calamiteit in de omgeving.

Afhankelijk van de locatie en mogelijkheden zal het GWT als haakarmbak niet opgesteld worden op de trailerhelling zelf. De haakarmbak met de dompelpompunit (DPU) zal aan de bovenzijde van de trailerhelling worden opgesteld. Van daaruit zal de dompelpomp met een maximale lengte van 45 meter (totale lengte hydrauliekslangen is 60 meter) via de trailerhelling te water worden gelaten.

Een opstelplaats heeft een minimale lengte van 30 meter en breedte van 4 meter

De opstelplaats is zodanig gelegen dat de (openbare) weg cq trailerhelling voldoende vrij is voor overig verkeer Is op de (openbare) weg onvoldoende ruimte moet een opstelplaats worden aangelegd, voldoende voor een aslast van 10 ton en totaalgewicht van 30 ton.

Een trailerhelling kan ook worden gebruikt om met een tankautospuit water te verpompen. Hiervoor kan normaliter een trailerhelling die is aangelegd zoals hierboven beschreven voldoende worden gebruikt.

Het kan voorkomen dat een trailerhelling niet gebruikt mag worden door onbevoegden. In een voorkomend geval zal een trailerhelling afgesloten kunnen worden met een slagboom. Om toegang te hebben bij een calamiteit is door de hulpdiensten en de gemeenten in Limburg-Noord in een intentieverklaring opgesteld dat vaste afsluitingen zijn te openen met:

Een driekantsleutel (maatvoering sleutel in overleg met Brandweer Limburg-Noord) of een hangslot met een maximale beugeldiameter 10 mm, dat in geval van een calamiteit door de brandweer kan worden doorgeknipt.

Afhankelijk van de locatie kan een aanwijzing worden geplaatst:

Brandweer Limburg-Noord maakt gebruik van een Mobiel Operationeel Informatiesysteem (MOI). Een geschikte trailerhelling is als bootlanceerplaats en/of waterinnamepunt in deze MOI opgenomen. Wijzigingen zullen door het team operationele voorbereiding worden bijgehouden.

Een eigenaar/ beheerder van een trailerhelling zorgt voor de borging van het gebruik door voldoende beheer en onderhoud van de trailerhelling. Bij eventuele wijzigingen van de gebruiksmogelijkheden zal dit gemeld worden bij Brandweer Limburg-Noord. Mochten er door de brandweer onvolkomenheden worden geconstateerd zullen deze aan de betreffende eigenaar/beheerder worden gemeld.

2.5 Onderhoud

2.5.1 Openbare bluswatervoorzieningen

Brandkranen

Om de goede werking van bluswatervoorzieningen bij een incident te garanderen, moeten ze periodiek geïnspecteerd en onderhouden worden. Voor brandkranen, die zijn aangesloten op het drinkwaternet, hebben gemeenten een huur- en onderhoudsovereenkomst afgesloten met WML. Op basis van de “Overeenkomst Gemeenten en Nutsbedrijven in de provincie Limburg” (OGN) worden deze brandkranen periodiek door WML geïnspecteerd en onderhouden. WML rapporteert haar inspectiebevindingen aan de gemeente. Terugkomende bevindingen - zoals overgroeide of onvindbare brandkranen - kunnen zo structureel opgepakt worden door de gemeente, bijvoorbeeld door deze voorzieningen op te nemen in gemeentelijk snoeiprogramma of door het aanleggen van omliggende bestrating.

De onderhoudsfrequentie van brandkranen is vastgesteld op 1x per 3 jaar.

Geboorde putten

Nadat een put geslagen is, moet hij periodiek getest en onderhouden worden door een ter zake kundige partij. Dit om te voorkomen dat de capaciteit van de put afneemt, bijvoorbeeld door verzanding. Geadviseerd wordt om hierbij een minimale frequentie van 1 keer per 2 jaar aan te houden. Hierbij moet ook gekeken worden naar de bereikbaarheid van de voorziening voor brandweervoertuigen.

Bluswatervijvers

Openbare bluswatervijvers moeten periodiek geïnspecteerd worden met een minimale frequentie van 1 keer per 2 jaar. Hierbij dient specifiek gekeken te worden naar het waterpeil en naar de bereikbaarheid van de bluswatervijver voor brandweervoertuigen.

2.5.2 Bluswatervoorzieningen op eigen terrein

Wanneer een bluswatervoorziening is aangelegd op het eigen terrein, dan zal de eigenaar op basis van het “zorgplicht beginsel” er voor moeten zorgen dat de voorziening te allen tijde functioneert en de benodigde bluswatercapaciteit levert. Een gemeente kan in de vergunning voorschrijven dat een voorziening periodiek getest en onderhouden wordt door een ter zake kundige partij. Geadviseerd wordt om hiervoor – bij geboorde putten - een minimale frequentie van 1 keer per 2 jaar aan te houden (behoudens afwijkende richtlijnen van de leverancier). Deze frequentie geldt ook voor reeds bestaande voorzieningen op privaat terrein. Voor brandkranen op privaat terrein wordt geadviseerd om tenminste de inspectie- en onderhoudsfrequentie aan te houden zoals vastgesteld in de OGN.

2.5.3 Melden defecte bluswatervoorzieningen

Wanneer de brandweer bij een oefening of inzet te maken krijgt met een defecte brandkraan of geboorde put, dan meldt zij dit defect bij de betreffende gemeente. Bij een defecte put zal de gemeente zelf het defect (laten) herstellen. Bij een defecte brandkraan zal de gemeente aan WML de opdracht geven om de defecte brandkraan te herstellen. Er bestaat daarmee géén directe lijn tussen brandweer en de WML.

2.7 Bluswaterbehoefte per object- of gebiedstype

2.7.1 Woningbouw

Onder deze categorie worden bouwwerken verstaan welke gebruikt worden voor bewoning. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 4 subcategorieën. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar bouwjaar, omdat volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) - ongeacht het bouwjaar - minimaal voldaan moet worden aan het brandveiligheidsniveau "bestaande bouw”. Het voldoen aan dit niveau is bepalend voor de kans op branduitbreiding naar andere woningen of objecten en daarmee de bluswaterbehoefte.

Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer

lager dan 6 meter boven hetmeetniveau, zoals vrijstaande woningen, geschakelde woningen, rijtjeswoning en/of gestapeld woningbouw.

Opstelplaats

Primaire voorziening

Secundaire voorziening

Tertiaire voorziening

Max. afstand tot object (m)

Max. afstand tot opstel- plaats (m)

Debiet (m3/uur)

Max. afstand tot object (m)

Debiet (m3/uur)

Escalatie: 90 m3/uur

•Bij open water maximaal 3.000 meter.

•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.

40

100

30

200

30

Voorbeelden

Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer

tussen 6 meter en 20 meterboven het meetniveau, zoalsportiekwoningen en lage flats.

Opstelplaats

Primaire voorziening

Secundaire voorziening

Tertiaire voorziening

Max. afstand tot object (m)

Max. afstand tot opstel- plaats (m)

Debiet (m3/uur)

Max. afstand tot object (m)

Debiet (m3/uur)

Escalatie: 90 m3/uur

•Bij open water maximaal 3.000 meter.

•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.

15

100

30

200

60

Voorbeelden

Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer

tussen 20 meter en 70 meterboven het meetniveau,zoals flatgebouwen.

Opstelplaats

Primaire voorziening

Secundaire voorziening

Tertiaire voorziening

Max. afstand tot object (m)

Max. afstand tot opstel- plaats (m)

Debiet (m3/uur)

Max. afstand tot object (m)

Debiet (m3/uur)

Escalatie: 90 m3/uur

•Bij open water maximaal 3.000 meter.

•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.

15

40

30

200

60

Voorbeelden

Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer 70 meter boven het meetniveau, zoals woontorens.

Voorbeelden

Hier zijn tenminste de voorzieningen noodzakelijk zoals beschreven in de tabel “Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer tussen 20 meter en 70 meter”. Afhankelijk van het risicoprofiel van het object kunnen aanvullende voorzieningen noodzakelijk zijn (maatwerk). Deze worden bepaald in overleg tussen gemeente, initiatiefnemer en Brandweer Limburg-Noord.

2.7.2 Historische stads- en dorpscentra

Onder deze categorie worden gebieden verstaan met oude, vooroorlogse bebouwing. De gebieden worden gekenmerkt door een aaneenschakeling van bouwwerken, waarbij bouwconstructies (zoals houten draagbalken) doorlopen en smalle verbindingssteegjes en straten aanwezig zijn. De aaneenschakeling van bouwwerken maakt het complex om snel de begrenzing van een bouwwerk en daarmee het brandcompartiment inzichtelijk te krijgen. De doorlopende constructieonderdelen en het grote aantal verbindingen met andere brandcompartimenten maakt de kans op branduitbreiding groot. Het benaderen van de brandlocatie is vaak lastig door de smalle straten.

Historische dorps- en stadscentra (vóór 1945).

Opstelplaats

Primaire voorziening

Secundaire voorziening

Tertiaire voorziening

Max. afstand tot object (m)

Max. afstand tot opstel- plaats (m)

Debiet (m3/uur)

Max. afstand tot object (m)

Debiet (m3/uur)

Standaard afwijking: 120 m3/uur

•Bij open water maximaal 3.000 meter.

•Bij geboorde put en/of brandkraan maximaal 3.000 meter.

15

40

60

200

90

Voorbeelden

2.7.3 Utiliteitsbouw, niet industrie

Hieronder worden alle bouwwerken verstaan welke geen woonfunctie of industriefunctie zijn. Denk hierbij aan winkels, hotels, scholen en kantoren, zorgfuncties (zoals verpleegtehuizen en ziekenhuizen), bioscopen en sportgebouwen. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen 3 subcategorieën.

Utiliteitsbouw niet industrie: enkel laags.

Brandcompartiment met een vloeroppervlakte <1.000 m2 en enkellaagse bouw. Compartimentering conformBesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Opstelplaats

Primaire voorziening

Secundaire voorziening

Tertiaire voorziening

Max. afstand tot object (m)

Max. afstand tot opstel- plaats (m)

Debiet (m3/uur)

Max. afstand tot object (m)

Debiet (m3/uur)

Escalatie: 120 m3/uur

•Bij open water maximaal 3.000 meter.

•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.

40

40

60

200

60

Voorbeelden

Utiliteitsbouw niet industrie: meerlaags.

Brandcompartiment met een vloeroppervlakte <1.000 m2 en gestapelde bouw met de hoogste verblijfsvloerlager dan 20 meter. Compartimentering conform Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Opstelplaats

Primaire voorziening

Secundaire voorziening

Tertiaire voorziening

Max. afstand tot object (m)

Max. afstand tot opstel- plaats (m)

Debiet (m3/uur)

Max. afstand tot object (m)

Debiet (m3/uur)

Escalatie: 120 m3/uur

•Bij open water maximaal 3.000 meter.

•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.

15

40

60

200

90

Voorbeelden

Utiliteitsbouw niet industrie: op basis van gelijkwaardigheid.

Brandcompartiment met een vloeroppervlakte >1.000 m2 en/of gestapelde bouw met de hoogste verblijfsvloer hoger dan 20 meter. Toepassing grotere brandcompartimenten conform artikel 2.4 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Hier zijn tenminste de voorzieningen noodzakelijk zoals beschreven in de tabel “Utiliteitsbouw niet industrie: meerlaags”. Afhankelijk van het risicoprofiel van het object kunnen aanvullende voorzieningen noodzakelijk zijn (maatwerk). Deze worden bepaald in overleg tussen gemeente, initiatiefnemer en Brandweer Limburg-Noord.

Voorbeelden

2.7.4 Utiliteitsbouw, industrie

Hieronder worden bouwwerken verstaan welke gebruikt worden voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden. Het gaat hierbij om gebouwen die een industriefunctie hebben. Onder deze categorie vallen ook agrarische inrichtingen, zoals boerderijen en stallen. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen 2 subcategorieën.

Utiliteitsbouw industrie.

Brandcompartiment met een vloeroppervlakte <2.500 m2 en maximale hoogte van het gebouw lager dan 20meter. Compartimentering conform Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Opstelplaats

Primaire voorziening

Secundaire voorziening

Tertiaire voorziening

Max. afstand tot object (m)

Max. afstand tot opstel- plaats (m)

Debiet (m3/uur)

Max. afstand tot object (m)

Debiet (m3/uur)

Standaard afwijking: 240 m3/uur

•Bij open water maximaal 3.000 meter.

•Bij geboorde put en/of brandkraan maximaal 3.000 meter.

40

100

60

200

90

Voorbeelden

Utiliteitsbouw industrie: op basis van gelijkwaardigheid (incl. opslag van (brand)gevaarlijke stoffen). Brandcompartiment met een vloeroppervlakte >2.500 m2 en/of maximale hoogte van het gebouw is hoger dan 20 meter. Toepassing grotere brandcompartimenten conform artikel 2.4 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Hier zijn tenminste de voorzieningen noodzakelijk zoals beschreven in de tabel “Utiliteitsbouw industrie”. Afhankelijk van het risicoprofiel van het object kunnen aanvullende voorzieningen noodzakelijk zijn (maatwerk). Deze worden bepaald in overleg tussen gemeente, initiatiefnemer en Brandweer Limburg-Noord.

Voorbeelden

2.7.5 Gebouwen met grote inzetdiepten of gelijkwaardigheid

Wanneer er vanwege een grote inzetdiepte (> 60 meter) of een vorm van gelijkwaardigheid een droge blusleiding vereist is, dan dient binnen 15 meter een opstelplaats voor een tankautospuit aanwezig te zijn. Binnen 40 meter van die opstelplaats dient vervolgens een bluswatervoorziening van 30 m3/uur (woningen) of 60 m3/uur (overige bouwwerken) aanwezig te zijn.

2.7.6 Buitengebied

Voor objecten die zijn gelegen in het buitengebied kan de bluswaterbehoefte bepaald worden met de hierboven beschreven bluswatertabellen. Vanwege de geringe capaciteit van het drinkwaternet in het buitengebied, kan de gevraagde waterhoeveelheid soms niet geleverd worden door brandkranen. In die gevallen kan de bluswaterbehoefte ingevuld worden met alternatieve voorzieningen, zoals geboorde putten. Daarbij is het soms mogelijk om een gemeenschappelijke voorziening te treffen voor meerdere gebruikers. Wel zal afgewogen moeten worden of de investering in relatie staat tot het doel, namelijk het voorkomen van uitbreiding van een brand naar een volgend compartiment.

Waterwagens

De brandweer beschikt over een aantal waterwagens met bluswater (zie paragraaf 2.2). Een waterwagen levert bluswater als overbrugging bij het opbouwen van de vaste watervoorziening, of wanneer er – vanuit een historische situatie – onvoldoende bluswater aanwezig is. Waterwagens kunnen in nieuwe situaties daarom niet beschouwd worden als een alternatieve primaire of secundaire bluswatervoorziening.

Gebruik van beregeningsputten

In veel gevallen beschikken agrarische ondernemers over een beregeningsput voor hun gewassen. Deze voorziening kan, na toestemming van de eigenaar

9Dit in verband met eventuele directe of indirecte (gevolg)schade bij foutief gebruik van de voorziening door de brandweer.

, gebruikt worden om de bestaande bluswatersituatie te verbeteren. De voorziening moet dan wel voldoen aan de gestelde eisen uit paragraaf 2.4. Omdat agrarische voorzieningen in veel uitvoeringsvarianten voorkomen, zal de eigenaar zélf moeten voorzien in een verloopstuk waarmee de brandweer kan aansluiten op de put (deze verloopstukken liggen niet standaard op de voertuigen van de brandweer). Dit verloopstuk dient zodanig te zijn uitgevoerd dat het brandweervoertuig kan aansluiten op een Stortz koppeling 4”-nok 133 aluminium (zie Technische uitvoering van een geboorde put in bijlage 2).

Figuur 4. Gesloten put voor agrarisch gebruik.

2.7.7 Infrastructuur

De bluswaterbehoefte bij (spoor)wegen is sterk afhankelijk van het type incident. Een autobrand of toiletbrand in een passagierstrein is een standaard incident dat bestreden wordt met het water uit de tank van een tankautospuit, eventueel aangevuld met een waterwagen. Voor de effectieve bestrijding van incidenten met gevaarlijke stoffen op (spoor)wegen zijn bluswatervoorzieningen noodzakelijk. Hoewel de kans op een incident tijdens het vervoer van gevaarlijke stoffen klein is, kunnen de gevolgen groot zijn. Relevante scenario’s, zoals een dreigende BLEVE

10Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion.

, een plasbrand of het uitdampen van een giftige stof, kunnen binnen een kort tijdsbestek verstrekkende gevolgen hebben voor de omgeving en vergen grote hoeveelheden bluswater. Zeker wanneer het incident in dicht bebouwd gebied plaatsvindt.

In onderstaande tabel is voor verschillende scenario’s aangegeven welke bluswaterhoeveelheid noodzakelijk is om als brandweer repressief te kunnen optreden. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen weg en spoor. Nut en noodzaak voor het daadwerkelijk realiseren van voorzieningen hangt onder meer af van de transportfrequentie, personendichtheden en aanwezigheid van kwetsbare objecten in de directe omgeving van de transportas en is daarmee niet in standaard beleidsregels te vangen. Een gemeente zal hierin per situatie een afweging moeten maken.

Scenario

Bluswaterbehoefte

Weg

Spoor

Ongeval met brandbare vloeistoffen, plasbrand.

2x90m3/uur

2x90m3/uur

Ongeval met brandbare gassen, BLEVE

2x90m3/uur

4x90m3/uur

11Door de omvang van de transporteenheid is er voor het koelen van een spoorketelwagon meer water nodig dan voor het koelen van een tankwagen.

Ongeval met toxische vloeistof, toxische wolk

2x90m3/uur

2x90m3/uur

Ongeval met toxisch gas, toxische wolk

2x90m3/uur

2x90m3/uur

2.7.8 Kampeerterreinen

Vanwege het type bebouwing binnen bungalowparken (huisjes, chalets, etc.) en kampeerterreinen zijn hier de bluswatertabellen uit paragraaf 2.7.1 van toepassing (woningbouw).

Voor overige eisen met betrekking tot de inrichting van dergelijke parken en terreinen wordt verwezen naar het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (AmvB Bgbop, 2018).

2.7.9 Natuurlijke omgeving

Onder natuurlijke omgeving worden de volgende soorten (natuur)gebieden verstaan: bos, zowel loof- als naaldbos, heide en veengebied.

Verantwoordelijkheden en achtergrond

Het beheersen van het natuurbrandrisico is een primaire verantwoordelijkheid van de betreffende natuurbeheerder. Hierbij hoort ook de verantwoordelijkheid voor de bereikbaarheid van het natuurgebied en de beschikbaarheid van voldoende bluswater. Voor natuurgebieden zijn bij wetgeving geen eisen gesteld aan een duiding voor een adequate bluswatervoorziening.

Complexiteit en bestrijding van natuurbranden

Hoe een natuurbrand zich ontwikkelt is afhankelijk van veel factoren, zoals de soort vegetatie, de windsterkte, de luchtvochtigheid, de temperatuur en het jaargetijde. Voor de bestrijding van een natuurbrand komen daar nog variabelen bij als de ontdekkingstijd, de opkomsttijd, de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid en de beschikbaarheid van voldoende brandweermaterieel, -personeel en bluswater.

Bluswatercapaciteit

De hoeveelheid benodigd bluswater is vooral afhankelijk van de soort vegetatie die brandt, het brandvermogen wat hierbij vrijkomt, de omvang van de brand, de uitbreidingssnelheid en de tactische keuzes die gemaakt worden. Voor een defensieve bestrijding (het aanbrengen van natte stoplijnen) bij heide- en grasbranden naast een zandpad of verharde weg, is een te organiseren bluswatercapaciteit nodig van circa 4 liter per vierkante meter met een diepte van 5 meter, welke periodiek moet worden onderhouden (15-30 minuten). De benodigde bluswatercapaciteit moet gerealiseerd worden via de tankinhoud van de tankautospuit en via de aanwezige bluswatervoorzieningen, in combinatie met waterlogistieke systemen, zoals waterwagens en het grootwatertransportsysteem.

Een eenvoudig te gebruiken methode is het trekken van cirkels met een diameter van 2 kilometer om bluswatervoorzieningen van circa 90 m3/uur en groter. Hierbij ligt een relatie met het instrument Risico Index Natuurbranden (RIN), waarin bij onderlinge afstanden van bluswatervoorzieningen van meer dan 2 kilometer op dit onderdeel de hoogste risicoscore wordt toegekend. Aan de hand van de RIN worden de blinde vlekken op het gebied van bluswater in beeld gebracht. De uitkomsten hiervan moeten geprojecteerd worden op het natuurgebied.

Bereikbaarheid

Bij een incident in een natuurgebied geldt dat de incidentlocatie bereikt moet kunnen worden. Hiervoor dienen natuurgebieden vrij toegankelijk te zijn voor de hulpdiensten. Daarnaast dienen de hoofdroutes binnen een natuurgebied geschikt te zijn voor de inzet van hulpdienstvoertuigen. Bereikbaarheid in natuurgebieden vraagt maatwerk en daarbij kan gebruik worden gemaakt van de uitgangspunten in hoofdstuk 3 van dit beleid.

3. Bereikbaarheid

3.7 Soorten toetredingssystemen

3.7.1 Hangslot

Een vaste afsluiting die is voorzien van een hangslot met een maximale beugeldiameter van 10 mm, dat in geval van een calamiteit door de brandweer wordt doorgeknipt (bijvoorbeeld een hangslot aan een poort).

3.7.2 Driekantsleutel

Een vaste afsluiting (bijvoorbeeld een wegklapbaar paaltje)die te openen is met een driekantsleutel. De maatvoering van de driekantsleutel is afhankelijk van de toepassing en dient in overleg met Brandweer Limburg-Noord te worden bepaald.

Figuur 9. Voorbeelden: de maatvoering van driekantsleutels verschilt per toepassing

Dynamische afsluitingen

3.7.3 Nedap

Het Nedap systeem werkt met transponders welke op afstand kunnen communiceren tussen de zender (transmitter) en de ontvanger die de boodschap beantwoordt (transponder). Hierdoor kunnen toegangsinstallaties, zoals sleutelkluizen, slagbomen, poorten of inzinkbare palen, zonder tussenkomst van een menselijke handeling, reageren op een naderend voertuig. (Meer informatie is te vinden op www.nedapidentification.com)

3.7.4 SOS Toegang16Maakt geen onderdeel uit van de intentieverklaring uit 2014. Operationeel binnen de VRLN sinds 01-01-2026.

SOS Toegang werkt met transponders welke op afstand kunnen communiceren tussen de zender (transmitter) en de ontvanger die de boodschap beantwoordt (transponder). Hierdoor kunnen toegangsinstallaties, zoals sleutelkluizen, slagbomen, poorten of inzinkbare palen, zonder tussenkomst van een menselijke handeling, reageren op een naderend voertuig. (Meer informatie is te vinden op www.sostoegang.nl)

Bijlage 1. Uitwerking wettelijk kader

Wet veiligheidsregio’s

Op grond van artikel 2 van de Wet veiligheidsregio’s is de gemeente verantwoordelijk voor de brandweerzorg, terwijl de uitvoering van de brandweertaak is belegd bij de veiligheidsregio. Een goede bereikbaarheid en bluswatervoorziening zijn essentiële randvoorwaarden voor een effectieve brandweerzorg. In het kader van deze verantwoordelijkheid is het college van Burgemeester en Wethouders primair verantwoordelijk voor het waarborgen van bereikbaarheid en bluswatervoorziening binnen de fysieke leefomgeving, zoals ook verankerd in het omgevingsplan onder de Omgevingswet.

Besluit kwaliteit leefomgeving, bruidsschat en omgevingsplan

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de regels voor bereikbaarheid en bluswatervoorziening niet meer opgenomen in Rijksregels. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt in artikel 5.2 alleen verwezen naar het gemeentelijk omgevingsplan.

In het kader van de Omgevingswet is ook de bruidsschat geïntroduceerd. De bruidsschat is het pakket aan regels vanuit het Rijk dat automatisch is opgenomen in gemeentelijke omgevingsplannen.

Artikel 22.29 van de bruidsschat vormt de basis voor het beoordelen van bluswater en bereikbaarheid bij aanvragen voor omgevingsplanactiviteiten. Deze regels zijn automatisch onderdeel van het omgevingsplan, tenzij gemeenten ze zelf hebben aangepast.

Lokale beleidsregels

In regionaal verband is beleid ontwikkeld dat een nadere inhoudelijke uitwerking geeft van de hierboven genoemde wettelijke eisen. Met het opstellen van het “Gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid” wil de veiligheidsregio een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening borgen, zodat de veiligheidsregio in staat wordt gesteld een adequate rol in de brandweerzorg te spelen. Gemeenten kunnen het beleid lokaal vaststellen. Door de beleidsregels lokaal vast te stellen, maken gemeenten gebruik van de beleidsruimte die de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving bieden om gemotiveerd invulling te geven aan de regels uit de bruidsschat voor bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Beleidsregels vormen, juridisch gezien, een (lokaal) verplicht toetsingskader voor de initiatiefnemer en de behandelend ambtenaar. Ze bieden zodoende rechtszekerheid bij initiatiefnemers. Het gemotiveerd afwijken van deze richtlijnen is een bevoegdheid van het college van Burgemeester en Wethouders. De veiligheidsregio kan hierin adviseren. De rol van de veiligheidsregio (brandweer) is en blijft die van adviseur van het bevoegde gezag.

Vroegtijdig overleg (intake- en omgevingstafel)

Vroegtijdige structurele aandacht voor veiligheid voorkomt onveilige situaties. Al in de prilste fase van grote projecten worden keuzes gemaakt die gevolgen hebben voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van een calamiteit binnen een bepaald gebied. Het is daarom verstandig om in een vroegtijdig stadium gezamenlijk van gedachten te wisselen over zaken als infrastructuur, type van ontwikkeling en bijvoorbeeld de beschikbaarheid van bluswater. Onder de Omgevingswet stelt de gemeente het omgevingsplan vast en ziet toe op de uitvoering ervan binnen haar grondgebied. Onder de Omgevingswet stelt de gemeente een programma of een financiële onderbouwing op voor gebiedsontwikkeling, waarin kosten voor aanleg van nutsvoorzieningen en inrichting van het openbaar gebied worden meegenomen. Het college van Burgemeester en Wethouders is daarbij aangewezen als bestuursrechtelijk handhavingsorgaan voor de uitvoering van het omgevingsplan.

Vergunningverlening en advisering

De Omgevingswet regelt de omgevingsvergunning als één geïntegreerde vergunning voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, waaronder bouwen, milieu, natuur en cultureel erfgoed. Het college van Burgemeester en Wethouders is – behoudens uitzonderingen – bevoegd gezag voor het verlenen van deze vergunningen. De veiligheidsregio adviseert het bevoegd gezag bij vergunningverlening, zoals vastgelegd in het Omgevingsbesluit. Op grond van de Omgevingswet en de Wet milieubeheer kunnen in de vergunning voorschriften worden opgenomen over bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter bescherming van de veiligheid en het milieu.

Drinkwaterwet en bluswater

Voor de bluswatervoorziening wordt over het algemeen gebruik gemaakt van brandkranen die zijn aangesloten op het drinkwaterleidingnet. Drinkwaterbedrijven kennen geen wettelijke verplichting voor het leveren van bluswater. Gedreven door onder meer de Drinkwaterwet, zijn de Waterbedrijven steeds meer gefocust op de kwaliteit van het drinkwater. Het leveren van bluswater heeft daar een negatieve invloed op. Allereerst is iedere brandkraan een potentiële bron voor besmetting van het drinkwater, daarnaast kan de waterkwaliteit achteruitgaan in leidingen met grote diameters, omdat daarin niet voldoende doorstroming zit bij beperkte afname van het reguliere drinkwater. Alternatieve voorzieningen, zoals geboorde brandputten of oppervlaktewater, worden daarom steeds belangrijker.

In Limburg is overeengekomen dat de Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) zich inspant om, binnen de technische randvoorwaarden van de drinkwaterlevering, een bijdrage te leveren aan de beschikbaarheid van bluswater. WML ontwerpt haar leidingnet primair voor drinkwater en levert geen gegarandeerde bluswatercapaciteit.

Bij de dimensionering van het leidingnet wordt steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen waterkwaliteit, leveringszekerheid en de praktische bruikbaarheid van het netwerk voor de brandweer. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de gezamenlijke intentie van Brandweer Limburg-Noord, gemeenten en WML om drinkwaterkwaliteit en bluswatervoorziening in balans te houden.

Bijlage 2. Technische uitvoering van een geboorde put

Algemeen

Om een geboorde put geschikt te maken als bluswatervoorziening voor de brandweer, moet deze voldoen aan een vastgestelde uitvoeringsstandaard. Hiervoor wordt primair verwezen naar de richtlijn SKIB 2200: Ontwerp, realisatie en oplevering, beheer en onderhoud van geboorde brandputten. Naast deze landelijke richtlijn hanteert de Veiligheidsregio Limburg-Noord enkele aanvullende, lokale eisen, die hieronder nader worden toegelicht.

Algemene technische eisen geboorde put

1Een geboorde put dient voorzien te zijn van een bovengrondse aansluiting met Storz-koppeling.

2De Storz-koppeling moet zijn uitgevoerd met een nokafstand van 133 mm (armatuur Q van NEN 3374). Ze moeten, geborgd tegen losdraaien, op de bocht zijn gemonteerd.

3De aansluiting voor de brandweer moet ten minste 25 cm boven het maaiveld uit komen.

4Indien er een risico bestaat dat de bovengrondse aansluiting kan worden aangereden, dient deze aansluiting te worden voorzien van een adequate aanrijdbeveiliging.

5Aanzuighoogte maximaal 6 meter (bij 60 m3/uur of minder). Bij een vereiste opbrengst van 90 m3/uur, waarbij de aanzuighoogte groter is dan 6 meter, moet de put worden voorzien van een onderwaterpomp. De specifieke eisen hiervoor zijn uitgewerkt onder de kop: Technische eisen geboorde put met onderwaterpomp.

6De voorziening kan door één brandweereenheid opgebouwd en onderhouden worden.

7De voorziening heeft een onbeperkte levertijd.

Technische eisen geboorde put met onderwaterpomp

1Voor een geboorde put met onderwaterpomp gelden eveneens de Algemene technische eisen geboorde put.

2De pomp zal de vereiste bluswatercapaciteit moeten kunnen leveren.

3De onderwaterpomp heeft een uittrededruk tussen 0,5 en 1 bar (druk gemeten aan perskoppeling).

4In de directe nabijheid van de geboorde put moet een pompbedieningskast komen te staan.

5De pompbedieningskast moet aangemerkt zijn met onderstaand pictogram. Het pictogram dient een minimale afmeting van 200x250 mm te hebben.

6De pompbedieningskast moet geopend kunnen worden met een driekantsleutel (maatvoering sleutel in overleg met Brandweer Limburg-Noord).

7De pomp moet middels één handeling (indrukken van een aan/uit knop) in en uit te schakelen zijn.

8Van de geboorde put dient een geplastificeerde operationele gebruiksaanwijzing (specifiek toegesneden op de uitvoering van de onderhavige geboorde put) in de besturingskast van de pomp geplaatst te worden.

9De voorziening heeft een onbeperkte levertijd.

Locatie en bereikbaarheid geboorde put

1Op maximaal 8 meter van de geboorde put is een opstelplaats voor de tankautospuit (TS). De eisen welke worden gesteld aan een opstelplaats zijn nader uitgewerkt onder de kop Uitvoeringseisen opstelplaats TS.

2Geboorde put is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerd is.

3Geboorde put en de opstelplaats moeten buiten de zogenaamde valschaduw (1,5 x gevelhoogte) van een bouwwerk worden geplaatst.

Uitvoeringseisen opstelplaats TS

1De opstelplaats heeft een breedte van tenminste 4 meter en een lengte van tenminste 10 meter.

2De opstelplaats beschikt over een vrije doorganghoogte van tenminste 4,2 meter.

3De opstelplaats is bestand tegen een aslast van 11,5 ton.

4De opstelplaats is bestand tegen een totaal gewicht van 20 ton.

Oplevering en onderhoud van geboorde put

1Na oplevering van de geboorde put dienen de volgende gegevens aangeleverd te worden aan Brandweer Limburg-Noord:

–Coördinaten van de positie van de geboorde put (Rijksdriehoekscoördinaten)

–Boorstaat van de geboorde put met het vastgestelde debiet

2De geboorde put dient eenmaal per 2 jaar onderhouden te worden door een ter zake kundig persoon. Tijdens het onderhoud moet minimaal een debietmeting uitgevoerd worden. De capaciteitsmeting moet bij controle door het bevoegd gezag overlegd kunnen worden.

Voorbeelden en schematische weergaven

Figuur B1. Een bovengronds afgewerkte gesloten brandput met een bochtstuk en Storz-koppeling. Links: werktekening. Rechts: voorbeeld van een gerealiseerde put. (Bron: Richtlijn SIKB 2020, versie 2.0, 18 maart 2021)

Figuur B2. Een gesloten brandput met een vaste onderwaterpomp en een buiten-opstellingkast voor de pompbediening. Links: werktekening. Rechts: voorbeeld van een gerealiseerde put en de bedieningskast. (Bron: Richtlijn SIKB 2020, versie 2.0, 18 maart 2021)

Bijlage 3. Afkortingen en begrippen

Aflegsysteem

Systeem voor de taakverdeling van een bluseenheid bij het leggen van slangleidingen van de waterwinplaats naar het te blussen object / blusvoertuig.

BLEVE

Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion. Een soort explosie die kan voorkomen als een houder (tank) met een vloeistof onder druk openscheurt.

Brandcompartiment

Compartiment zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Gedeelte van een of meer bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand.

Brandweereenheid

Basisbrandweereenheid zoals bedoeld in artikel 3.2.1 van het Besluit veiligheidsregio’s: tankautospuit met bemanning.

Droge blusleiding

Een droge blusleiding wordt toegepast in grote of hoge (flat)gebouwen als blusvoorziening voor de brandweer. De leiding bestaat in de regel uit een verzinkte stalen pijp met voedings- en aansluitpunten

Inzetvoorstellen

Afhankelijk van melding/scenario (bijvoorbeeld brand woning, hulpverlening personenauto met beknelling) is bepaald welke slagkracht en dus welke combinatie van materieel ingezet moet worden.

KAR

Korte Afstand Radio. Systeem waarmee voorrangsvoertuigen verkeersregelinstallaties kunnen beïnvloeden. Hiermee worden verkeerslichten op groen gestuurd waardoor de doorstroming en verkeersveiligheid vergroot wordt.

Meetniveau

Hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw (maatvoering volgens definities Besluit bouwwerken leefomgeving).

OGN

Overeenkomst Gemeenten en Nutsbedrijven in de provincie Limburg

Redvoertuig

Brandweervoertuig dat ingezet wordt voor het redden van personen op grotere hoogte (ladderwagen of hoogwerker).

Primaire bluswatervoorziening

Voorziening die door de eerste brandweereenheid zelfstandig opgebouwd en gebruikt kan worden. Water wordt geleverd door brandkraan of alternatieve voorziening zoals een geboorde put.

Secundaire bluswatervoorziening

Voorziening die door de brandweer binnen 30 minuten opgebouwd en gebruikt kan worden. Water wordt geleverd door brandkranen of alternatieve voorziening zoals een geboorde put of open water.

Tertiaire bluswatervoorziening

Voorziening die binnen 60 minuten opgebouwd en gebruikt kan worden. De voorziening is meestal “open water” of een blusvijver, maar kan ook ingevuld worden door een brandkraan of geboorde put met voldoende capaciteit.

Tankautospuit

Brandweervoertuig dat ingezet wordt als basis blusvoertuig.

VRLN

Veiligheidsregio Limburg-Noord.

WML

Waterleiding Maatschappij Limburg.

WTS

Watertransportsysteem (ook wel Groot Watertransport genoemd). Systeem waarmee de brandweer over grote afstanden bluswater kan transporteren.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.