HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
In deze nadere regels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
-landbouwplastic: agrarisch dekzeil van plastic of folie, onder andere ten behoeve van de bescherming van gewassen of verpakking van gemaaid gras.
Artikel 1:2 Afbakening
1De in dit document opgenomen nadere regels zijn van toepassing op landbouwplastic zoals genoemd in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel b Apv.
2Het verbod genoemd in artikel 4:9, eerste lid, onderdeel b Apv is niet van toepassing op het opslaan, plaatsen of aanwezig hebben van landbouwplastic, zowel binnen als buiten de bebouwde kom, binnen het bouwvlak zoals opgenomen in het bestemmingsplan.
HOOFDSTUK 2 OPSLAAN, PLAATSEN OF AANWEZIG HEBBEN VAN LANDBOUWPLASTIC
Artikel 2:1 Landbouwplastic
Het is verboden landbouwplastic op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, tenzij wordt voldaan aan de volgende regels:
1de landbouwplastic mag niet herhaaldelijk willekeurig worden opgeslagen, zonder dat het feitelijk in gebruik is.
2de rollen landbouwplastic, inclusief afdekking, steken maximaal 1 meter boven het aan de opslaglocatie grenzende grondniveau uit. Om aan de maximale toegestane hoogtemaat te voldoen, is het gedeeltelijk ingraven van de rollen in de gevallen waarin dit nodig is toegestaan;
3de rollen landbouwplastic worden volledig afgedekt door middel van een grondlaag of een camouflagezeil;
4bij gebruik van een camouflagezeil, wordt om geluidsproductie door het trillen van het zeil te minimaliseren en het wegwaaien van het zeil te voorkomen dit zodanig aangebracht zodat het nauw aansluit op de rollen landbouwplastic.
5de opslag van de landbouwplastic vindt plaats op het gedeelte van het perceel dat vanaf de openbare weg (en) niet zichtbaar is. Als het perceel volledig zichtbaar is vanaf de openbare weg, wordt de landbouwplastic opgeslagen op de locatie die het verst van de openbare weg is gelegen.
6Bij het opslaan van de rollen landbouwplastic moet een minimale afstand van 100 meter in acht worden genomen ten aanzien van bestemmingen waarin personen een al dan niet permanente verblijfplaats hebben. Als een al dan niet permanente verblijfplaats wordt in ieder geval aangemerkt:
a.woningen;
b.bedrijfswoningen;
c.campings, en;
d.recreatieparken
zoals bestemd in het bestemmingsplan.
HOOFDSTUK 3 OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 3:1 Bijzondere afwijkingsbevoegdheid
In geval van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten om van de nadere regels af te wijken.
Artikel 3:2 Citeertitel
Dit document wordt aangehaald als “Nadere regels landbouwplastic Maasgouw 2020”.
Artikel 3:3 Inwerkingtreding
1De vastgestelde “Nadere regels landbouwplastic Maasgouw 2020” treden in werking de dag na bekendmaking.
2De “Nadere regels reclame landbouwplastic 2017” worden per gelijke datum ingetrokken.