Aanhef
Samenvatting
Deze notitie gaat in op het beleid zoals dat wordt gevoerd door het Openbaar Ministerie (OM) en de politie, en geeft weer welk beleid ten aanzien van vestiging van coffeeshops in de gemeente Maasgouw wordt gevoerd.
Te benoemen als aanleiding voor deze nota zijn:
1Binnen Maasgouw is de exploitatie van een coffeeshop niet toegestaan. Het onderliggende (nul)beleid ontbreekt echter. Handhavend optreden is eenvoudiger wanneer beleidsregels zijn opgesteld;
2Indien de ‘Wietpas’ of ‘clubpas’ wordt geïntroduceerd dan zijn de gevolgen voor de omliggende gemeenten moeilijk in te schatten. Met de vaststelling van het voorliggende nulbeleid kan in voorkomende gevallen duidelijker op een aanvraag worden gereageerd;
3Het nulbeleid voor coffeeshops sluit aan bij het preventief alcohol- en drugsbeleid van de gemeente Maasgouw.
In deze nota wordt de koers van het huidige coffeeshopbeleid in Maasgouw niet gewijzigd: het exploiteren van een coffeeshop is en blijft in Maasgouw niet mogelijk. Dit standpunt is bij besluit van 27 mei 2008 overgenomen van de voormalige gemeenten Thorn, Heel en Maasbracht. Tot op heden is deze afspraak echter nog niet in een beleid vastgelegd. Wanneer een dergelijke afspraak wel in beleid wordt omgevormd, wordt dit nulbeleid genoemd.
Met een nulbeleid is de vestiging van een coffeeshop in Maasgouw onder geen enkele voorwaarde mogelijk. Wanneer zich in de gemeente tóch een verkooppunt van cannabis wil vestigen kan er eenvoudiger handhavend worden opgetreden. Deze nota beperkt zich tot de exploitatie van coffeeshops en daarmee samenhangend beleid. Deze nota gaat niet in op de teelt van hennep.
Het voornaamste doel van het nulbeleid voor coffeeshops is de bescherming van de openbare orde en veiligheid, leefbaarheid en publieke gezondheid. Het nulbeleid past bij het karakter en het beleid van de gemeente Maasgouw.
Inleiding
In feite is het in Nederland wettelijk niet toegestaan om softdrugs te produceren of te verhandelen. De wet verbiedt het nog steeds. Er bestaan echter landelijke richtlijnen (uitgevaardigd door het College van Procureurs-generaal) over de wijze waarop de wet dient te worden nageleefd.
Het huidige kabinet wil een strenger gedoogbeleid: coffeeshops moeten besloten clubs worden, die alleen toegankelijk zijn met een clubpas. Binnen een afstand van 350 meter van scholen mogen zich geen coffeeshops bevinden. Handel in drugs zal zwaarder bestraft worden. Ook wil het kabinet wiet met een gehalte van 15% THC of meer op de lijst van de harddrugs plaatsen.
In een brief van 26 oktober 2011 gaat de minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport, nader in op de voorgenomen aanscherping van de landelijke kaders van het nieuwe coffeeshopbeleid en de bijbehorende verantwoordelijkheden.
In deze brief is opgenomen dat:
1het kabinet staat voor een daadkrachtige aanpak van drugsgerelateerde overlast en (georganiseerde) criminaliteit;
2Er zal een einde worden gemaakt aan het huidige “open-deur-beleid”;
3Coffeeshops moeten kleiner en meer beheersbaar worden gemaakt;
4De aantrekkingskracht van het Nederlandse drugsbeleid op gebruikers uit het buitenland moet worden teruggedrongen;
5Middelengebruik van minderjarigen wordt sterk tegengegaan en met name kwetsbare jongeren worden beschermd tegen drugsgebruik.
De handhaving van het aangescherpte beleid zal gefaseerd van kracht worden. De data worden bepaald door de noodzakelijkheid om gemeenten en coffeeshopexploitanten in staat te stellen zich voor te bereiden.
1Per 1 mei 2012 zullen in de gemeenten van de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland het Besloten-club- en het Ingezetenencriterium worden ingevoerd, met uitzondering van het maximumaantal leden van 2000. Het staat de gemeenten in de andere provincies vrij deze criteria ook al toe te passen;
2Per 1 januari 2013 wordt het maximumaantal van 2000 leden van kracht;
3Per 1 januari 2013 zullen het B- en I-criterium volledig in het hele land gelden;
4Per 1 januari 2014 wordt het Afstandscriterium van kracht.
Met het oog op bovengenoemde aanscherping van het coffeeshopbeleid is de Aanwijzing Opiumwet per 1 januari 2012 gewijzigd. Het kabinet heeft aangegeven de lokale, regionale en landelijke (neven)effecten van het nieuwe coffeeshopbeleid scherp te zullen volgen.
Binnen Maasgouw zijn de ontwikkelingen nauwgezet gevolgd wat uiteindelijk heeft geleid tot het opstellen van het voorliggend coffeeshopbeleid.
Hoofdstuk 2. Vormen van beleid
2.1 Beleid in de regio
In het politiedistrict Midden-Limburg waar Maasgouw onderdeel van uitmaakt, is in het verleden afgesproken dat enkel de centrumgemeenten Weert en Roermond een maximumbeleid hanteren en hiermee voorzien in de regionale vraag. Dit heeft tot gevolg dat in de overige vijf gemeenten in ons district de exploitatie van een coffeeshop niet is toegestaan.
In onderhavige nota is het voeren van een dergelijk (nul)beleid ook als het gewenste beleid voor Maasgouw neergelegd. Bovenstaande geschetste situatie komt overeen met het landelijk beeld dat de gemeenten met een centrumfunctie in de regio de vestiging van één of meer coffeeshops toestaan en de omliggende gemeenten nulbeleid voeren. In heel Nederland heeft ongeveer 70% van de gemeenten een nulbeleid vastgesteld. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op het beleid van Maasgouw.
2.2 Lokaal beleid
Als het gaat om het aantal toegestane coffeeshops in een gemeente, kunnen drie vormen van beleid worden onderscheiden.
1Beleid zonder maximum
Bij dit beleid is geen maximum aantal toegestane coffeeshops vastgesteld. Exploitanten bepalen dan of en hoeveel coffeeshops er komen. Gelet op het marktmechanisme zal het aantal coffeeshops vermoedelijk aansluiten bij de vraag naar softdrugs. Dit betekent dat het risico van verplaatsing van handel in softdrugs elders in principe gering is. Anderzijds kan bij dit stelsel wildgroei van het aantal coffeeshops ontstaan.
Een groot aanbod kan bovendien de vraag doen toenemen en drempelverlagend werken. Verder wordt het overlast probleem moeilijker beheersbaar en controleerbaar;
2Maximumbeleid
In dit beleid is er ruimte voor het toelaten van coffeeshops. De burgemeester stelt echter een maximum vast om onaanvaardbare aantasting van het woon-en leefklimaat te voorkomen. Door het opnemen van een maximum in het beleid kan wildgroei worden voorkomen en tegen nieuwe coffeeshops kan worden opgetreden. Het strafrechtelijke gedoogbeleid is niet meer van toepassing ten aanzien van andere, nieuwe, extra coffeeshops. Politie en justitie kunnen optreden tegen die coffeeshops, ook als de AHOJG-BIA criteria niet worden overtreden. Het maximumstelsel geeft tevens voor alle betrokkenen duidelijkheid over het aantal in de gemeente toegestane coffeeshops;
3Nulbeleid
Het nulbeleid is eigenlijk een bijzondere vorm van het maximumbeleid. Ook hier bestaat er voor alle betrokkenen duidelijkheid. Er is geen enkele coffeeshop in de gemeente toegestaan. Het OM kan dan overgaan tot vervolging van elke vorm van handel in softdrugs en de burgemeester kan toestemming voor de vestiging van coffeeshops weigeren en overgaan tot sluiting van illegale coffeeshops. Het al dan niet voldoen aan de AHOJG-BIA criteria doet hier niets aan af. Nulbeleid zou er mogelijk toe kunnen leiden dat de aanpak van straathandel prominenter in beeld komt, dat er meer illegale verkooppunten ontstaan en meer illegale handel plaatsvindt dan wanneer één of meer coffeeshops zijn toegestaan. Aan de andere kant sluit een maximumbeleid of een beleid zonder maximum dit ook niet helemaal uit.
Hoofdstuk 3. Juridisch kader
3.1 Rechtmatigheid vaststelling Nulbeleid
Sinds de invoering van artikel 13b Opiumwet (april 1999) moet het lokale coffeeshopbeleid (mede) worden gebaseerd op dit artikel. Op grond van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet is het bereiden, bewerken, verkopen en aanwezig hebben van zowel harddrugs als softdrugs verboden. Op grond van het zogenaamde opportuniteitsbeginsel kan het Openbaar Ministerie een gedoogbeleid voeren; dit is aldus verwoord dat aan de opsporing van de verkoop van softdrugs een lage prioriteit wordt toegekend[1].
Volgens de richtlijnen van het Openbaar Ministerie (OM) moet de lokale driehoek het coffeeshopbeleid bespreken. Het coffeeshopbeleid wordt uitgewerkt en neergelegd in gemeentelijk beleid. Het OM werkt bij de totstandkoming en handhaving van lokaal coffeeshopbeleid samen met de lokale autoriteiten. De in de lokale driehoek vertegenwoordigde partijen dragen elk met hun eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid bij aan een samenhangend en effectief beleid. In dit beleid worden de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bevoegdheden op elkaar afgestemd.
Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter de aanwezigheid van een heldere, goed beargumenteerde beleidskeuze laat meespelen in de overwegingen.
Elk van de partijen zorgt voor een deel van de handhaving: de officier van justitie kan vervolgen, maar kan een coffeeshop niet sluiten. De burgemeester kan wel sluiten, maar niet strafrechtelijk vervolgen. De politie kan pas effectief optreden als duidelijkheid bestaat over de capaciteit die vereist is voor de bestuursrechtelijke handhaving en de opsporing van strafbare feiten.
De burgemeester is op grond van de artikelen 172 en 174 van de Gemeentewet en artikel 13b van de Opiumwet bevoegd het beleid ten aanzien van coffeeshops vast te stellen.
In artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is opgenomen dat beleidsregels worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan zelf. Dit neemt niet weg dat de burgemeester de raad op basis van artikel 180 van de Gemeentewet wel verantwoording verschuldigd is ten aanzien van het gevoerde beleid.
[1]Volgens de Aanwijzing Opiumwet van het College van Procureurs-generaal d.d. 2 november 2000 ligt de grondslag van het gedoogbeleid in een afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger algemeen belang, namelijk het belang van de volksgezondheid (scheiding der markten) en de openbare orde.
3.2 Reikwijdte andere weigeringsgronden
1Algemene Plaatselijk Verordening
Ingevolge de jurisprudentie (RvS, AB 12 augustus 1999, nr. H01.99.0260) is het bevoegd gezag niet toegestaan een wettelijk vergunningstelsel te hanteren voor coffeeshops, omdat de handel in softdrugs expliciet wordt verboden in de hogere regeling, zelfs al zou de gemeentelijke verordening, zoals de APV (woon- en leefsituatie omgeving, openbare orde) een ander belang beogen te beschermen dan de Opiumwet (volksgezondheid);
2Bestemmingsplan
Indien een coffeeshop zich vestigt in een pand in strijd met de geldende bestemming, kan ook op grond van het bestemmingsplan hiertegen opgetreden worden. Een coffeeshop wordt in het kader van de AHOJG-BIA richtlijnen als een horecabedrijf beschouwd. Dit betekent dat coffeeshops zich alleen kunnen vestigen in panden met een horecabestemming of panden met een meer algemene bestemming waaronder horeca;
3Activiteitenbesluit
Een coffeeshop valt als horeca-inrichting onder het Activiteitenbesluit. Dit besluit bevat rechtstreekse voorschriften ter voorkoming van hinder waaraan een horecabedrijf en dus ook coffeeshops moeten voldoen. Het Besluit biedt evenwel geen specifieke mogelijkheden om de vestiging van coffeeshops tegen te gaan.