Aanhef
De burgemeester van de gemeente Maasgouw
gelezen het voorstel van 07 september 2009:
gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
b e s l u i t vast te stellen de volgende beleidsregel[s]:
“Beleidslijn lokaal maximumstelsel prostitutie-inrichtingen”
Hoofdstuk 4. Lokaal prostitutiebeleid
4.1 Actualiteit
Met voornoemde vaststelling onderschrijft de gemeente Maasgouw de inhoud van de regionale nota en staat de restrictieve aanpak voor zoals deze is omschreven en gemotiveerd.
Het lokale maximum binnen Maasgouw is hiermee vastgesteld op zes. Dit aantal is sinds de opheffing van het bordeelverbod ongewijzigd gebleven. De locatie van betreffende inrichtingen, allemaal gelegen langs de Rijksweg Roermond-Echt, is eveneens ongewijzigd gebleven.
De huidige locaties zijn gelegen buiten de woonkernen, buiten de bedrijventerreinen en buiten het landelijk gebied en geacht wordt dat hierdoor het woon- en leefklimaat en de openbare orde en veiligheid niet wordt geschaad.
Exploitatie op andere locaties wordt niet toegestaan omdat het aannemelijk is dat met name in de woonkernen dit tot ernstige overlast leidt. Met de name de openingstijden, tot 4.00 uur, zijn hier mede debet aan.
Het is een gemeentelijke autonomie om het maximum aantal inrichtingen vast te stellen. Dit is vastgelegd in de APV. Het regionale maximum is een optelsom van de lokale maxima. Het regionale maximum is met name tot stand gekomen om gemeenten een nuloptie te bieden en het regionale maximum betrof de inrichtingen die op het moment van het opheffen van het bordeelverbod bestonden.
In het wetsvoorstel “Wet regulering prostitutie” kunnen gemeenten er voor kiezen om geen seksinrichtingen binnen haar grenzen een vergunning te geven, de nuloptie, op basis van argumenten die verband houden met de openbare orde, veiligheid of gezondheid. Dan is het vaststellen van een regionaal maximum in principe overbodig.
4.2 Probleemschets
Bij de vaststelling van het lokale maximum is destijds uitgegaan van het aantal legale inrichtingen ten tijde van de opheffing van het bordeelverbod. De ligging van de inrichtingen heeft hierbij mede een rol gespeeld.
In overleg met enerzijds de betrokken gemeenten en anderzijds met zowel de regionale stuurgroep als de werkgroep prostitutiebeleid, werd al in 2006 geconstateerd dat het huidige aantal seksinrichtingen ruimschoots voldeed aan de behoefte (de regiopolitie sprak in dit verband zelfs van een overaanbod).
Bij de vaststelling van het maximum is de intentie uitgesproken het maximum in de toekomst, op basis van de actuele en praktische kengetallen en ontwikkelingen, jaarlijks opnieuw te (her)ijken.
In de praktijk echter is hier geen uitvoering aan gegeven. Vooraf opgestelde criteria of overwegingen die gehanteerd kunnen worden ten aanzien van deze herijking ontbreken. In het volgende hoofdstuk worden een aantal criteria en afwegingen benoemd die toepasbaar zijn ten aanzien van een bijstelling van het lokale maximum.
Hoofdstuk 5. Overwegingen ten aanzien van bijstelling maximumstelsel.
5.1 Regio
Willen gemeenten (participerend in een regionale samenwerking) het aantal bordelen binnen hun grenzen reduceren tot nul, dan lijkt dat in onderling gemeentelijk overleg mogelijk te zijn, mits gemeenten concrete afspraken maken over de concentratie van dit soort bedrijven in aangewezen gemeenten.
Het in dat verband tussen de gemeenten overeengekomen regionale beleid is geregeld dat:
1Gemeenten zijn aangewezen waarbinnen seksinrichtingen zich kunnen vestigen;
2Gemeenten een aanwijsbaar prostitutiebeleid hebben vastgesteld;
3Gemeenten een minimumniveau van regionale samenwerking kennen.
5.2 Lokaal
Regionaal is afgesproken dat de gemeente Maasgouw huisvesting biedt aan een seksinrichting. Indien het aantal naar neerwaarts wordt bijgesteld naar vier blijft Maasgouw voldoen aan de regionaal gemaakte afspraken.
Bij besluit van 18 nov. 2008 is het prostitutiebeleid voor Maasgouw vastgesteld. Aanleiding hiertoe was de Wet Ahri. Betreffend nieuw vastgesteld beleid was een bestendiging van het voorgaande beleid. Hiermee wordt voldaan aan ad. 2.
Ten aanzien van ad. 3 wordt opgemerkt dat ambtelijk wordt deelgenomen aan de periodieke regionale overleggen ter zake. In deze overleggen vindt mede afstemming plaats van de lokale ontwikkelingen die mogelijk invloed hebben op het regionaal vastgesteld beleid.
Naar aanleiding van het bovenstaande ligt het in de rede te veronderstellen dat een bijstelling van het lokale maximum geen breuk betekent met de regionaal gemaakte afspraken. Het is evident dat een bijstelling van het lokale maximum gevolgen heeft voor het regionale maximum: dit dient dan ook opnieuw vastgesteld te worden.