Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2025

Gemeente Losser · geldt sinds 1 januari 2025

Artikel 2.3.2, 2.3.3, 2.3.4, 2.3.8 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 Verordening

Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 3 van de Verordening

3 Beoordeling van de aanspraak

3.3 Algemene criteria

3.3.1 Bevorderen gezondheid

Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet.

Therapeutisch of medisch doel

Als een maatwerkvoorziening (ook) een therapeutisch of medisch doel dient, dan onderzoekt het college of er daarnaast ook beperkingen zijn in de zelfredzaamheid of participatie en gelet daarop een maatwerkvoorziening voor de cliënt is aangewezen (CRVB:2023:1508, CRVB:2023:349, CRVB:2021:1595).

3.3.2 Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie

Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt:

•al dan niet met behandeling door een ergotherapeut gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272);

•met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224);

•met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas maatwerkvoorziening collectief vervoer) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222).

3.3.3 Eigen kracht

Eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. In zo’n situatie is geen sprake van een tekort in de zelfredzaamheid of participatie (zie 3.3.2 van deze Beleidsregels).

3.3.4 Eigen verantwoordelijkheid valt ook onder eigen kracht

Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015

Artikel 3.3 lid 2 onder b Verordening

In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag.

Zelf of met anderen

Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het college zal dat telkens in het individuele geval moet beoordelen wat moet blijken uit het onderzoeksverslag. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In de onderstaande tekst staan voorbeelden genoemd die ook zijn gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo (oud) tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat deze van overeenkomstige toepassing is.

Herinrichting woning

Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht dat bijvoorbeeld wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429).

Aanspreken woningeigenaar

Van de cliënt mag worden gevergd dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509).

Privaatrechtelijke verbintenis

Het college mag verwachten dat de cliënt de woningeigenaar aanspreekt op contractuele afspraken (CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. Is de aanvrager de eigenaar van de woning dan zal hij dat zelf moeten realiseren.

3.3.5 Voorliggende voorziening

Artikel 3.3 lid 2 onder c en 1.1 lid 1 onder w Verordening (begripsbepaling)

Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015. Dat betekent ook dat evenmin recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat als de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de kosten voorziet door de eigen bijdrage die iemand moet betalen (CRVB:2013:CA1427).

Verplicht eigen risico

De kosten van bijvoorbeeld ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is te vergelijken met de kosten van de eigen bijdrage voor bijvoorbeeld een hoorapparaat op grond van de Zvw. Aanspreken van het verplicht eigen risico is geen reden om geen gebruik te maken van een Zvw-aanspraak. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel.

Gelden met een specifieke bestemming

Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (CRVB:2012:BV9433).

Onderzoek aanspraak andere wet

Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden. Als dat nodig is, neemt het college contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw.

Reële mogelijkheden van behandeling

Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444). Het college is dan niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken.

Onderzoek maatwerkvoorziening en behandeling

Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan.

Gebruik maken van ergotherapie

Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in de leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar.

3.3.6 Algemeen gebruikelijke voorziening

Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015

Artikel 3.1 lid 1 onder b Verordening

Art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken.

Beoordelingskader

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in 2019 een richtinggevende uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze:

1niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

2daadwerkelijk beschikbaar is;

3een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en

4financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

De beoordeling

Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat.

Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking

Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een fietskar, een (robot)stofzuiger, een spoel-föhn installatie, kreuk-/strijkvrije kleding of een boodschappendienst bij de supermarkt.

Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar

Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is.

Ad. 3 Een passende bijdrage

Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen.

Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau

Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Gaat het om kosten van ongeveer € 190, dan gaat het (qua betaalbaarheid) om een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2021:160). Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt.

Hoogte van de kosten

Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op:

1de aflossingsduur van 36 maanden die in Losser geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen);

2een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheidt gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt.

Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272).

Datum aanvraag

De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening.

Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice

Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn.

Kosten boodschappendienst

Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397).

Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden.

Besteding pgb

Artikel 8.3 lid 1 Verordening

De cliënt mag het pgb niet besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening.

Meerkosten

Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn:

•Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel.

•De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles.

Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar.

3.3.7 Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de Verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 van deze Beleidsregels.

3.3.8 Mantelzorg en personen uit het sociale netwerk

Mantelzorg is niet afdwingbaar (vrijwillig) en wordt onbetaald geboden. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid of participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja wat de behoefte van de mantelzorger is om de taken vol te kunnen houden. Dat zal ik belangrijke mate afhankelijk zijn van de omvang en intensiteit van de mantelzorg. Zie verder hoofdstuk 5 van deze Beleidsregels.

Sociaal netwerk

Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring. Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden verminderd of weggenomen.

3.3.9 Gebruikmaken van algemene voorzieningen

De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning en kunnen een voorliggend en volwaardig alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. In de Sociale Kaart Losser zijn ook de algemene voorzieningen opgenomen.

3.3.10 Overige voorliggende oplossingen (eigen kracht)

Andere beschikbare voorliggende oplossingen in Losser vallen ook onder het beoordelingskader. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn waaruit deze bestaan, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die dagbestedingsactiviteiten organiseert of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. Er is een Sociale Kaart Losser beschikbaar waarin de mogelijkheden van ‘voorliggende oplossingen’ zijn opgenomen.

3.4 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget

3.4.1 Ingangsdatum

Artikel 3.2 lid 1 Verordening

Als hoofdregel geldt dat de ingangsdatum van de indicatie niet eerder ingaat dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag.

3.4.2 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding

Artikel 3.2 lid 2 onder a Verordening

Het kan voorkomen dat de melding van de hulpvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een hulpvraag tot het college. Omdat de Wmo 2015 niet voorziet in een grondslag, bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening in die situatie wordt geweigerd (CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet met terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748).

3.4.3 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname

Artikel 3.2 lid 2 onder b Verordening

Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert tijdens de procedure van de melding maar voordat is beslist op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing van het college op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan anders aan iemand wordt toegewezen of verkocht. Het college zal in dat geval de noodzaak van de maatwerkvoorziening nog wel moet kunnen vaststellen.

3.4.4 Ingangsdatum diensten

Als het bovenstaande onder 3.4.2 of 3.4.3 niet aan de orde is, kan voor een dienst zoals huishoudelijke ondersteuning wel een indicatie worden verstrekt maar niet met terugwerkende kracht.

3.4.5 Aanpassing zelf aangeschaft hulpmiddel

Het kan voorkomen dat de cliënt zelf een hulpmiddel heeft aangeschaft en een melding doet voor een aanpassing van dat hulpmiddel. De omstandigheid dat het om een zelf aangeschaft hulpmiddel gaat wil niet zeggen dat een aanpassing daarvan niet voor verstrekking in aanmerking kan komen als die nog niet is gerealiseerd (zie hiervoor). Het college beoordeelt in zo’n situatie of het betreffende hulpmiddel noodzakelijk is en zo ja, of dat ook geldt voor de aanpassing.

3.4.6 Pgb-aanvraag binnen budgetperiode

Artikel 3.2 lid 3 Verordening

Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode.

Bestedingsruimte

Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818).

Rekening en risico budgethouder

Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren.

3.4.7 Technisch geschikte maatwerkvoorziening

Artikel 3.2 lid 4 Verordening

De hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling gaat ook over de maatwerkvoorziening in natura.

3.4.8 Afsluiten opstalverzekering

Artikel 3.2 lid 5 Verordening

De cliënt aan wie een woningaanpassing is verstrekt moet zorgen voor een opstalverzekering die het risico van schade afdekt.

3.4.9 Afdoende verzekeren

Artikel 3.2 lid 6 Verordening

Maatwerkvoorzieningen die worden meegenomen naar het buitenland of buiten de gemeente zullen afdoende verzekerd moeten tegen verlies, diefstal en schade.

3.4.10 Goedkoopst passende bijdrage

Artikel 3.3 lid 1 onder a Verordening

Het college verstrekt altijd de goedkoopst passende bijdrage. Er zijn vaak meerdere geschikte oplossingen, maar er wordt gekozen voor de oplossing die naar objectieve maatstaven de goedkoopst passende is. Indien de cliënt een duurdere voorziening wil (die eveneens passend is) komen de meerkosten voor rekening van de cliënt. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de kosten van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening.

3.4.11 Individueel gericht

Artikel 3.3 lid 1 onder b Verordening

Een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht. De maatwerkvoorziening wordt aan de cliënt verstrekt en levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin deze in staat is toe zelfredzaamheid of participatie. Het college kan bijvoorbeeld wel rekening houden met mantelzorgers die hulp door bijvoorbeeld duwondersteuning op een rolstoel te verstrekken.

3.4.12 Afschrijvingstermijn niet verstreken

Artikel 3.3 lid 2 onder a Verordening

Een maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, kan door het verstrekken van instandhoudingskosten een passende oplossing bieden. In de praktijk gaat het om maatwerkvoorzieningen die technisch nog niet zijn afgeschreven.

3.4.13 Zelf passende oplossing realiseren

Artikel 3.3 lid 2 onder b Verordening

Het college kan van de cliënt vergen dat hij zelf zorgt voor een passende oplossing. Zie 3.3.4 van deze Beleidsregels voor voorbeelden.

3.4.14 Gebruik maken voorliggende voorziening

Artikel 3.3 lid 2 onder c Verordening

Het gebruik maken van een andere wettelijke aanspraak gelet op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning valt binnen de eigen kracht. Zie 3.3.5 van deze Beleidsregels.

3.4.15 Langdurige noodzaak

Artikel 3.3 lid 2 onder d Verordening

In beginsel moet de cliënt langdurig zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening, tenzij het huishoudelijke ondersteuning, begeleiding of dagbesteding betreft. Zie 8.5 van deze Beleidsregels voor de langdurige noodzaak bij een woningaanpassing.

3.7 Eigen bijdragen

3.7.1 Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik

Abonnementstarief

Als uitgangspunt geldt dat het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de maatwerkvoorziening van aaneengesloten drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt.

3.7.2 Bijdrage niet verschuldigd

Het college is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen eigen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8 lid 3 onder g en h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015).

Tijdelijk geen betalingscapaciteit

Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het college berekent de betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie. Deze bevoegdheid geldt sinds 1 januari 2018 toen de eigen bijdrage nog inkomensafhankelijk was. Gelet op de hoogte van het abonnementstarief zal zelden sprake van zijn van het ontbreken van betalingscapaciteit. Het hebben van schulden valt niet onder het ontbreken van betaalcapaciteit.

Zorgmijders

Het gaat bij zorgmijders specifiek om cliënten die de stap naar ondersteuning niet kunnen of willen maken. Meestal is er sprake van een vorm van verwaarlozing. Het kan voorkomen dat het vragen van een eigen bijdrage maakt dat de stap naar ondersteuning niet wordt gezet. Dat wil zeggen: het opleggen van een eigen bijdrage heeft nadelige gevolgen voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in Losser. In die gevallen kan het college besluiten om tijdelijk geen eigen bijdrage op te leggen.

4 Gebruikelijke hulp

Artikel 1.1.1 lid 1 en 2.3.5 Wmo 2015

Artikel 3.1 en 3.4 Verordening

4.2 Beleidsuitgangspunten

4.2.1 Algemeen aanvaardbare opvattingen

Hulp die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval:

•overname van huishoudelijke taken;

•overname van of hulp bij de thuisadministratie;

•hulp gericht op zelfzorg;

•hulp bij structureren van de dag/week;

•hulp bij participatie;

•legen en reinigen van de toiletemmer;

•zorg voor minderjarige inwonende kinderen.

Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd van niet-professionele hulp. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie.

Niet-professionele hulp

Het gaat bij gebruikelijke hulp om niet-professionele hulp die niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:1114). Daarom wordt in dit hoofdstuk de term hulp en niet begeleiding gebruikt.

Legen en reinigen toiletemmer

Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met een losse toiletstoel. Van een partner/echtgenoot en/of inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen.

4.2.2 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten

Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal het college vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies. De individuele situatie gaat in ieder geval over:

•de beschikbaarheid van de huisgenoot voor de niet-uitstelbare taken,

•mogelijke overbelasting van de huisgenoot,

•de (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

Artikel 1.1.1 lid 1 en 2.3.5 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 5.4 Verordening

Hoofdstuk 4 Verordening

6 Huishoudelijke ondersteuning

6.2 Maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning

6.2.1 Resultaat schoon en leefbaar houden van de woning

Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en leefbare elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, een slaapkamer, een slaapkamer die anders wordt gebruikt, een keuken, sanitaire ruimtes (maximaal één badkamer en twee toiletten) en aangrenzende hal, trap en/of overloop.

Elementaire woonruimten

Het gaat bij deze woonruimten over de primaire leefruimten in de woning die de cliënt daadwerkelijk (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Deze ruimten worden schoongemaakt volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de sanitaire ruimten, keuken en het dweilen van vloeren.

Alleen de binnenkant van de woning

De huishoudelijke taken beperken zich tot de binnenkant van de woning. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier niet onder een schoon en leefbaar huis (CRVB:2017:1302, CRVB:2017:885, RBZWB:2023:49). Dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld het vegen van een balkon nooit gedaan zou mogen worden, maar er wordt geen aparte indicatie voor gegeven.

6.2.2 Resultaat schone en draagbare kleding

Dit resultaat gaat over de overname van de wasverzorging. Een indicatie voor de maatwerkvoorziening wasverzorging zal zich zelden voordoen omdat het resultaat doorgaans bereikt kan worden door gebruik te maken van de algemene voorziening was- en strijkservice. Er wordt dan geen indicatie maatwerkvoorziening voor wasverzorging afgegeven.

Deeltaken zelf uitvoeren

Mocht de algemene voorziening was- en strijkservice (nog) geen passende oplossing zijn, dan is het wel vaak zo dat cliënten een deel van de wasverzorging nog zelf kunnen uitvoeren. Denk bijvoorbeeld aan: de was sorteren of de was in de wasmachine stoppen en deze aanzetten.

Uitgangspunt strijken van was

Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. RBOBR:2019:4844).

Maatwerk

In het geval de algemene voorziening was- en strijkservice niet passend is én de normtijden van HHM 2019 voor de maatwerkvoorziening wasverzorging niet toereikend zijn, wordt maatwerk geboden (CRVB:2023:2470).

6.2.3 Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven

Dit resultaat gaat over de overname van het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Een indicatie voor de overname van het doen van boodschappen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door gebruik te maken van de boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp). Ook kinderen die niet meer thuis wonen of buren van de cliënt kunnen mogelijk hulp bieden. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Andere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen niet onder dit resultaat.

6.3 Maatwerkvoorziening ondersteuning: regie/ zorg over het huishouden

6.3.1 Resultaat een gestructureerde organisatie van het huishouden

Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen met de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden). Het hoeft niet alleen te gaan over de volledige overname van taken. Het kan zijn dat de cliënt, samen met de hulp, bepaalde huishoudelijke taken uitvoert.

Regievermogen

De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. Daaronder kan worden verstaan of de cliënt het vermogen heeft om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.

6.3.2 Resultaat advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden

Bij dit resultaat gaat het niet over de overname van huishoudelijke taken maar over het aanleren daarvan. Het resultaat gaat over het beschikken van de vaardigheid om zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren. Aan cliënten die leerbaar zijn kan tijdelijk Advies, Instructie, Voorlichting worden verstrekt over het zelf kunnen uitvoeren van huishoudelijke taken en/ of het plannen daarvan.

6.3.3 Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd

In incidentele gevallen valt het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden onder de maatwerkvoorziening regie/zorg over het huishouden. Dit resultaat valt onder de huishoudelijke ondersteuning als sprake is van overname van het:

•klaarzetten of aanreiken van de broodmaaltijd;

•klaarzetten of opwarmen van een maaltijd;

•bereiden van de warme maaltijd (alleen als voorliggende oplossingen zoals kant- en klaar maaltijden niet passend zijn);

•tafel dekken en afruimen;

•eten en drinken klaarzetten;

•in/uitruimen van de vaatwasser of de afwas doen en het opruimen van de vaat.

Zie bijlage II Normenkader Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) bij deze Beleidsregels.

Niet-uitstelbaar

Bij dit resultaat gaat het om niet-uitstelbare taken. Dat wil zeggen: taken die doorgaans dagelijks moeten worden gedaan of in ieder geval niet kunnen worden uitgesteld tot de hulp weer langskomt bij de cliënt. Bij maaltijden spreekt dat voor zich.

Voorliggende oplossingen

Een indicatie voor het overnemen van het doen van maaltijdverzorging zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans: op eigen kracht, met algemeen gebruikelijke voorzieningen (kant en klaar maaltijden), met gebruikelijke hulp of met hulp van anderen bereikt kan worden. Ook het mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis valt hieronder.

Uitgangspunt broodmaaltijden

Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden gemaakt en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960).

Wijkverpleging en maaltijdvoorziening

Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client:

•hulp nodig heeft om het eten en drinken in zijn mond te brengen (eten en drinken geven),

•is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar.

6.3.4 Maatwerk bij geen indicatie maaltijden

Het resultaat maaltijden omvat ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen. Dat betekent ook dat als geen indicatie voor maaltijden wordt gesteld, het wel nodig kan zijn dat een indicatie wordt afgegeven voor afwassen of vaatwasser in- en uitruimen (CRVB:2023:2470). Het college baseert zich in beginsel op het CIZ-protocol huishoudelijke verzorging 2005. Daarbij wordt opgemerkt dat de cliënt doorgaans in staat zal zijn om (een deel) van de afwas zelf te doen (eigen kracht).

6.3.5 Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren

Een indicatie voor het overnemen van de zorg voor minderjarige kinderen zal zich zelden voordoen omdat dit resultaat doorgaans bereikt zal worden door eigen kracht, gebruikelijke hulp (de andere ouder) of hulp van anderen. Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(s) ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt.

6.11 Algemene voorziening

6.11.1 Was- en strijkservice

Als onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning is in de gemeente Losser een algemene voorziening was- en strijkservice opgezet. Alle inwoners van de gemeenten Losser kunnen gebruik maken van deze voorziening. De algemene voorziening voor de was en strijk kan voorzien in de ondersteuningsbehoefte van het grootste deel van de inwoners voor het wassen en strijken en is daarom een goed alternatief voor de inzet van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de wasverzorging. De algemene voorziening kan gebruikt worden voor alle soorten was (kleding en linnen- en/of beddengoed).

Omvang

Inwoners van de gemeente Losser kunnen wekelijks gebruik maken van de algemene voorziening was- en strijk service. Van de cliënt wordt verwacht dat hij voldoende kleding of andere linnengoed heeft om een week te overbruggen. De was kan op twee vaste momenten in de week bij cliënten thuis opgehaald en gebracht worden. Cliënten zijn zelf verantwoordelijk voor het aanwezig zijn op deze momenten of om hiervoor een eventueel alternatief te regelen.

Passende oplossing

De algemene voorziening was- en strijkservice wordt in de volgende situaties in ieder geval als passende oplossing aangemerkt:

•Als het doen van de was als uitstelbare taak kan worden aangemerkt.

•Er een mogelijkheid is voor het:

○ aanbieden van de was in de daarvoor bestemde waszak. Hiermee wordt ook de situatie bedoeld dat de aangeboden was met hulp in de waszak bij de voordeur wordt neergezet en even kan blijven staan tot het moment dat de aanbieder de was ophaalt;

○ aannemen of opruimen van de was. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de opgevouwen was even in huis kan blijven staan tot er hulp beschikbaar is om de was op te ruimen.

Geen passende oplossing

De algemene voorziening was- en strijkservice is niet geschikt als:

•sprake is van frequent optredende incontinentie en aannemelijk is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen afdoende oplossing is;

•de cliënt gebruik maakt van zalven op grond waarvan een hoge hygiëne noodzakelijk is vanwege infectiegevaar (CRVB:2019:982);

•het aantal noodzakelijke wasbeurten een omstandigheid is dat het geen passende oplossing is. In de praktijk kan dat te maken hebben met jonge kinderen.

In zulke gevallen kan de was mogelijk niet (een week) blijven liggen. Het gaat dan in zo’n situatie om een niet-uitstelbare taak. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Bijdrage in de kosten

Cliënten die op grond van de Wmo 2015 gebruik (kunnen) maken van deze algemene voorziening, betalen een bedrag per waszak. In de Verordening staat de hoogte van de eigen bijdrage. De eigen bijdrage voor de was- en strijkservice betalen cliënten aan de aanbieder zelf.

6.12 Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019

6.12.1 Nadere instructies HHM 2019

In september 2022 zijn door HHM in bijlage II van het normenkader 2019 nadere instructies toegevoegd over de toepassing. Het college zoekt op een aantal punten aansluiting in de motivering van de beslissing op de aanvraag van huishoudelijke ondersteuning bij deze instructies voor minder of meer inzet. In februari 2024 is door HHM een toelichting geschreven voor de activiteiten en de normtijden voor de wasverzorging. Dit naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB (CRVB:2023:2470). Zie Bijlage II Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze Beleidsregels.

6.12.2 Gemiddelde cliëntsituatie

Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan:

•Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

•Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

•Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen (zie 6.12.9 van deze Beleidsregels);

•De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

•De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

•Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

•Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

•De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

6.12.3 Individuele situaties op basis van kenmerken

Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:

a.Kenmerken cliënt:

•Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.

•Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:

1Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

2Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Daarbij geldt het uitgangspunt van een gesaneerde woning.

•Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt.

b.Kenmerken huishouden:

•Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp).

De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding.

•Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen (zie 6.12.9 van deze Beleidsregels). Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.).

c.Kenmerken woning:

•Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden.

•Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.

•Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

6.12.4 Minder inzet dan volledige overname/afschalen

In september 2022 zijn nadere instructies toegevoegd voor het toepassen van het Normenkader HHM 2019 over onder meer het afschalen of minderen ten opzichte van de norm aangegeven in minuten per week bij volledige overname. Het gaat ook over de mogelijkheid om verder af te schalen dan de 10, 15 of 17 minuten die in het normenkader staan benoemd.

Eigen mogelijkheden (eigen kracht)

Uit onderzoek is gebleken dat cliënten zelf gemiddeld zo’n 15 minuten per week kunnen doen om het resultaat leefbaar huis te bereiken. Het gaat dan meestal om schoonmaken op middenniveau (afstoffen en nat afnemen) en algemeen opruimen. Het afstoffen op middenniveau is dus zonder bukken of klimmen/reiken. Kan de cliënt meer dan schoonmaken op middenniveau, kan dat tot een aftrek van nog eens 15 minuten leiden.

Gebruikelijke hulp

Bovenop of in plaats van de mindering vanwege eigen mogelijkheden kan ook nog aftrek plaatsvinden vanwege hulp vanuit het netwerk of door inwonende personen (gebruikelijke hulp). Dit kan 15 minuten zijn, maar dit kan ook meer dan 15 minuten zijn.

Wasverzorging

Zeker bij de was is vaak ruimte voor eigen mogelijkheden door de cliënt (aftrekoptie voor de helft van de omvang -/- 17 minuten). Vaak zie je dat de cliënt de zware/grote stukken was niet meer kan hanteren, maar de kleine stukken nog wel, zoals kleding, ondergoed e.d.

6.12.5 Enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten)

Dit gaat over situaties waarin door beperkingen of belemmeringen van de cliënt extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt.

•Oorzaak 1: allergieën/COPD en dergelijke waardoor het huis beter stofvrij moet blijven.

•Oorzaak 2: incontinentie, overmatig zweten, specifieke medicijnen met lichamelijke reacties, rolstoelgebruik binnen-buiten (en geen robotstofzuiger mogelijk voor het zand opzuigen) en dergelijke, waardoor het huis sneller vervuilt.

30of 60 minuten

•Tot 30 minuten extra inzet is vooral aan de orde als uitbreiding op het ene bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.

•Tot 60 minuten extra inzet is in het algemeen aan de orde als een tweede bezoek/werkmoment per week van de hulp nodig is. Vanwege extra vaak of extra goed moeten schoonmaken.

Tweede keer

In geval van een tweede keer moeten komen vanwege stof of zand/haren op de vloer vanwege huisdieren, vanwege allergie, vanwege rolstoelgebruik et cetera. Het college kan overwegen of het mogelijk is dat de cliënt zelf een eenvoudige robotstofzuiger aanschaft als algemeen gebruikelijke voorziening. Vooropgesteld dat de cliënt met een (eenvoudig) apparaat uit de voeten kan.

6.12.6 Kamer wel/niet in gebruik (als slaapkamer)

Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer ‘wel of niet in gebruik’ is. Een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is, dan is het dus voor ‘iets anders’, het maakt in principe niet uit waarvoor dat is.

Extra (slaap)kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt (die in de standaardtijd is opgenomen), moeten worden schoongemaakt om de woning uiteindelijk niet te laten vervuilen.

Als een extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is, dan vergt dat 18 minuten per week zoals genoemd in het normenkader. Bijvoorbeeld voor een stel dat altijd apart slaapt, twee mensen -geen stel- die samen een huis bewonen, een kind, mits geen gebruikelijke hulp mogelijk is: betekent zelf schoonmaken door het kind), et cetera.

Voor de niet-slaapkamers indiceren we 5 minuten per week. Dat is in principe onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt. Van leeg tot logeerkamer tot strijkkamer tot computerkamer etc. Want: met 20 minuten per maand heeft de hulp genoeg tijd om die kamer een keer te kunnen stoffen en stofzuigen e.d. en blijft deze acceptabel schoon.

Een zolder en dus ook een eventuele helemaal leegstaande zolderkamer: die neem je in principe niet mee, behalve als er duidelijke redenen zijn om dit wel te doen. Het eventueel eens per jaar een stofzuiger door de zolder halen, lost zich in de praktijk eigenlijk altijd wel op.

De 18 minuten voor een kamer in gebruik als slaapkamer komen voort uit het moeten verschonen van het bed en de extra benodigde tijd voor stoffen en schoonmaken vanwege de aard van het gebruik van de kamer.

Een logeerkamer die (zeer) incidenteel wordt beslapen: die kan in principe door de logee weer schoon worden opgeleverd. Of door de ouders van het kleinkind dat komt logeren. Het is niet aan het college om dit soort zaken altijd te moeten oplossen. In principe blijft dan de genoemde 5 minuten per week (20 minuten per maand) toereikend om die kamer voldoende schoon te houden. Ook hier geldt weer: uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld: twee kleinkinderen logeren enkele dagen per week bij opa en oma om het gezin te ontlasten waar al jeugdhulp in zit: dan is huishoudelijke ondersteuning inzetten een betere optie dan meer jeugdhulp inzetten.

6.12.7 Wanneer ruimtes wel of niet als ‘extra kamer’ aanmerken

Binnen het normenkader rekenen we extra tijd voor extra kamers. Er is een verschil tussen de tijd die wordt gerekend wanneer een extra kamer wel of niet in gebruik is als slaapkamer.

Grote bijkeuken

Een bijkeuken is in principe onderdeel van ‘de keuken’. Het kan natuurlijk voorkomen dat sprake is van een serieus grote keuken in combinatie met een serieus grote bijkeuken: dan kan opplussen op basis van ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’ of op basis van de factor ‘omvang van de woning’ aan de orde zijn. Dat kan spelen als de hele woning duidelijk bovengemiddeld groot is.

Tweede badkamer

Wordt deze niet (noodzakelijkerwijs) gebruikt als badkamer, dan wordt de ruimte aangemerkt als ‘extra kamer niet zijnde een slaapkamer’: plus 5 minuten/week.

Separaat toilet boven

Als er geen toilet in de badkamer zit is dit een onderdeel van ‘het sanitair boven’ en vergt geen extra tijdsinzet.

Kantoor

Als het echt een kantoor is en niet een slaap/logeerkamer die als werkplek wordt gebruikt: deze moet zakelijk schoongemaakt en dat valt niet binnen de Wmo. Als het een thuiswerkplek betreft, dan is het een kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer.

Grote kelder

Dit wordt afgewogen op basis van het werkelijke gebruik hiervan. Er wordt geen extra tijd toegekend, maar net zoals de zolder of eventueel meenemen als ‘extra kamer niet in gebruik als slaapkamer’.

6.12.8 Samenstelling huishouden (= eigen kracht + gebruikelijke hulp)

In het normenkader is de mogelijkheid benoemt om extra tijd toe te kennen op grond van de ‘samenstelling van het huishouden”. Hiervoor hanteren we de uitgangspunten van eigen kracht en gebruikelijke hulp.

Meer personen in leefeenheid

Als sprake is van meer personen in het huishouden, dan zijn eigen kracht en gebruikelijke hulp bepalend of er MINDER dan volledige overname of MEER dan volledige overname moet worden ingezet. De 30 minuten zoals (oorspronkelijk) vermeld in het normenkader: het college komt tot een specifieke afweging die kan leiden tot het toekennen van minder tijd of tot het toekennen van meer tijd.

Er wordt niet meer tijd toegekend dan noodzakelijk is dan wel in redelijkheid nodig is. Voorbeelden: meerdere honden die vrij door het hele huis mogen lopen of losvliegende vogels die veel troep maken. Cliënten met COPD die binnen roken en binnen 20 parkieten houden en vervolgens om extra vaak schoonmaak vragen. In dezelfde lijn: cliënten met zware allergie of COPD, die weigeren de woning te saneren, maar wel extra ondersteuning vragen.

6.12.9 Huisdieren (die extra inzet van ondersteuning noodzakelijk maken)

De verzorging van huisdieren valt buiten het normenkader van deze Beleidsregels (vergelijk CRVB:2021:88). Maar het hebben van huisdieren kan leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning. In geval van een hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw overweegt het college dat (RBGEL:2018:1741). Zie de mogelijkheid tot opplussen in Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze Beleidsregels. Heeft de cliënt huisdieren, anders dan een hulphond, dan geldt in het algemeen dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585).

6.12.10 Strijken en boodschappen

Strijken wordt over het algemeen niet meer geïndiceerd, hier zijn in de vorm van strijkvrije kleding voorliggende oplossingen voor beschikbaar. Boodschappen halen wordt in het algemeen niet meer geïndiceerd. Hier zijn veelal boodschappenservices voor beschikbaar als voorliggende oplossing.

6.12.11 Overige kenmerken van de woning: omvang, bewerkelijkheid, inrichting

Op basis van het normenkader is het mogelijk om 15 minuten extra tijd toe te kennen op basis van ‘overige kenmerken’. Wat zijn deze overige kenmerken?

1Omvang van het huis: alleen in uitzonderlijke situaties neem je 15 minuten extra op vanwege een heel groot huis. Dit aspect wordt namelijk mede gedekt door de mogelijkheid van toekennen van extra tijd voor ‘extra kamers wel of niet in gebruik als slaapkamer’.

2Bewerkelijkheid: idem. Alleen in uitzonderlijke situaties hiervoor extra tijd opnemen.

3Inrichting: idem. Eerste verantwoordelijkheid ligt bij de cliënt om niet meer inzet nodig te maken dan redelijkerwijs nodig is. In uitzonderlijke situaties kan dit worden meegenomen.

Voor deze drie items apart dan wel gezamenlijk kan in principe 1 x 15 minuten extra worden toegekend.

Hoofdstuk 5 Verordening

7 Begeleiding en dagbesteding

7.3 Begeleiding individueel

7.3.1 Begeleiding individueel basis

Begeleiding individueel basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;

•De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;

•De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;

•De cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;

•Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt;

•De leefsituatie is redelijk stabiel. Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie;

•De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.

7.3.2 Begeleiding individueel plus

Begeleiding individueel plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;

•De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;

•De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken;

•De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen (on)mogelijkheden;

•De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;

•De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en of escalatie;

•De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag.

7.3.3 Uitwerking kenmerken begeleiding individueel basis en plus

Basis

Plus

De cliënt heeft in enige mate

activering en/of stimulans nodig

De cliënt heeft in grote mate

activering en/of stimulans nodig

•Met een positieve en motiverende benadering en aanmoediging komt de cliënt tot resultaat en neemt verantwoordelijkheid voor de eigen vooruitgang.

•Met een herinnering, een voorbeeld, oefenen of een instructie kan de cliënt een taak volbrengen of een haalbare vaardigheid eigen maken.

•De cliënt kan door middel van informatieverstrekking, verkennen van opties en ondersteunende gesprekken tot juiste beslissingen komen

•Met een intensieve en proactieve benadering komt de cliënt tot resultaat door middel van motiveren, inspireren en ondersteunen. Intensief gaat over de methodische benadering en niet over de frequentie.

•De cliënt heeft bij herhaling aanmoediging, positieve feedback en ondersteuning nodig om verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen vooruitgang.

•De cliënt heeft in grote mate sturing/toezicht nodig om een taak te volbrengen.

•Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt.

•De cliënt heeft in grote mate ondersteuning nodig om tot een juiste beslissing te kunnen komen. Zonder ondersteuning overziet de cliënt de risico’s niet en maakt de cliënt beslissingen die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn of haar functioneren of dat van de omgeving.

De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag

voldoende begrijpelijk maken

De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken

•Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt.

•De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).

•Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

•Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen.

•Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.

•Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

De cliënt is gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken

De cliënt is wisselend gemotiveerd om aan de ondersteuningsvraag te werken

•De cliënt is gemotiveerd om te werken aan de ondersteuningsvraag en staat open voor feedback van de ondersteuner.

•De cliënt komt afspraken voldoende na om de resultaten te behalen.

•De cliënt vindt het moeilijk om afspraken na te komen en feedback van de ondersteuner aan te nemen. De cliënt trekt bijvoorbeeld alles in twijfel en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Dit is een terugkomend kenmerk. De ondersteuner moet beschikken over methodische kennis en vaardigheden om samen met de cliënt de resultaten te halen.

De cliënt heeft redelijk inzicht in de

eigen (on)mogelijkheden

De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de

eigen (on)mogelijkheden

•De cliënt heeft een (beperkt) realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.

•De cliënt heeft geen of beperkt realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of verwaarlozing te voorkomen.

Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek bij de cliënt

De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag. Er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek

•De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. De ondersteuner moet alert zijn op signalen en kunnen bijsturen. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.

•De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is

•De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen.

•Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf.

•De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is.

De leefsituatie is redelijk stabiel.

Er is geen of slechts een geringe kans op risicovolle situaties en/of escalatie

De leefsituatie is niet stabiel en/of er is een grote kans op risicovolle situaties en/of escalaties

•Er is problematiek op één of meerdere leefgebieden zoals bijvoorbeeld financiën, sociale contacten, dag invulling, persoonlijke zelfzorg. Er is geen acute interventie noodzakelijk om escalaties te voorkomen.

•De cliënt is niet stabiel in zijn leefsituatie, denk hierbij aan zaken die de bestaanszekerheid raken. Bijvoorbeeld financiële problematiek, dreigende uithuiszetting, dakloosheid, werkloosheid en verwaarlozing. Er zijn interventies noodzakelijk om escalaties te voorkomen.

•De dynamiek van het gezin/netwerk en de complexiteit van problematiek van verschillende gezinsleden kan hierin een rol spelen.

De cliënt is in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag

De cliënt is niet in staat tot het uitstellen van de ondersteuningsvraag

•Er zijn afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt (bijvoorbeeld een telefoontje of berichtje). Voor de cliënt is dit voldoende om de resultaten te behalen zonder dat er aanvullende interventies noodzakelijk zijn.

•De cliënt heeft aanvullende interventies nodig naast de afgesproken contactmomenten met de ondersteuner en afspraken over hoe er eventueel tussendoor gecommuniceerd wordt. Dit is noodzakelijk om niet vast te lopen in het dagelijks leven.

•Dit is een structureel terugkerend patroon van de cliënt.

7.4 Maatwerkvoorziening dagbesteding

7.4.1 Dagbesteding basis

Dagbesteding basis is bedoeld voor cliënten met een verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperking. Er moet sprake zijn van matige beperkingen in de zelfredzaamheid op één of meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan meerdere van de volgende kenmerken:

•De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig;

•De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken;

•De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen;

•De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.

7.4.2 Dagbesteding plus

Dagbesteding plus is bedoeld voor cliënten met ernstige en/of meervoudige verstandelijke, zintuigelijke, lichamelijke, cognitieve, psychische, psychosociale of (psycho)geriatrische beperkingen. Er moet sprake zijn van ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden. De cliënt voldoet aan twee of meer van de volgende kenmerken:

•De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig;

•De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken;

•De cliënt heeft beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning;

•De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek;

7.4.3 Uitwerking kenmerken dagbesteding basis en plus

Basis

Plus

De cliënt heeft in enige mate activering en/of stimulans nodig

De cliënt heeft in grote mate activering en/of stimulans nodig

•De cliënt heeft een positieve benadering en aanmoediging nodig om tot activiteit te komen.

•Een gestructureerd programma aangevuld met een instructie of voorbeeld is voldoende voor de cliënt om een taak te volbrengen.

•De cliënt heeft een aanmoediging nodig om mee te doen in het groepsproces.

•Door middel van oefenen, herhaling en aanmoediging kan de cliënt een haalbare vaardigheid eigen maken.

•De cliënt heeft om tot activiteit te komen een intensieve en proactieve benadering nodig, die gericht is op motiveren, inspireren en activeren.

•Bij het uitvoeren van een taak (die gekoppeld is aan de te behalen resultaten) is bij herhaling sturing en/of toezicht nodig.

•De cliënt heeft moeite om mee te doen met het groepsproces. Dit heeft een negatieve invloed op het groepsproces en de cliënt zelf. De cliënt heeft gedurende de dag meerdere momenten ondersteuning nodig.

•Het aanleren van vaardigheden vraagt van zowel de cliënt als ondersteuner veel geduld en doorzettingsvermogen. Dit is een terugkerend patroon bij de cliënt. De leermethodes die gebruikt worden zijn afgestemd op de cliënt.

De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag voldoende begrijpelijk maken

De cliënt kan de behoefte/ondersteuningsvraag onvoldoende begrijpelijk maken

•Onder begrijpelijk maken wordt ook verstaan dat de cliënt de ander begrijpt.

•De cliënt kan aangeven wat hij of zij bedoelt. Dit kan ook non-verbaal of met een hulpmiddel (spraakcomputer).

•Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

•Hier wordt ook onder verstaan dat de cliënt moeite heeft om de ander te begrijpen.

•Het is moeilijk voor de cliënt om aan te geven wat hij of zij bedoelt, of wat hij of zij nodig heeft. Er wordt een extra beroep gedaan op de ondersteuner, want er moet met grote regelmaat een vertaalslag gemaakt worden.

•Alleen een taalbarrière is geen reden voor inzet vanuit de Wmo.

De cliënt kan beperkt of geen inzicht in de eigen beperkingen hebben, maar dit zorgt niet voor belemmeringen

De cliënt heeft beperkt inzicht in de eigen beperkingen, wat zorgt voor belemmeringen en intensievere ondersteuning.

•De cliënt heeft een realistisch of beperkt realistisch beeld van eigen problematiek. Het staat het behalen van de gestelde resultaten nauwelijks in de weg. Hij of zij staat open voor feedback om overschatting of onderschatting te kunnen bijsturen.

•De cliënt heeft beperkt of geen realistisch beeld van de eigen problematiek. De cliënt is tot minder in staat dan wat hij denkt (overschatting) of cliënt kan op eigen kracht of in samenwerking met anderen meer dan hij denkt (onderschatting). Hierdoor blijft de cliënt in de problemen komen. De ondersteuner moet dit tekort compenseren om escalatie en/of passiviteit te voorkomen.

De cliënt vertoont redelijk constant gedrag. Er kan sprake zijn van matige gedragsproblematiek.

De cliënt vertoont zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag; er is vaak sprake van ernstige gedragsproblematiek.

•De cliënt vertoont soms gedrag dat onvoorspelbaar of niet passend kan zijn. Het gedrag kan negatieve invloed hebben op de persoon zelf of zijn of haar omgeving. Er is geen/gering risico op escalatie.

•Gedragsproblematiek matig van aard is bij te sturen middels interventies van de ondersteuner op de dagbesteding en heeft weinig tot geen consequenties voor de deelname van de cliënt aan de dagbesteding. De cliënt verstoort het groepsproces niet of nauwelijks.

•De cliënt is moeilijk te lezen waardoor het gedrag onvoorspelbaar of ongepast is.

•De ondersteuner moet alert zijn op signalen en direct actie ondernemen om escalatie te voorkomen.

•Ernstige gedragsproblematiek kan gericht zijn op de omgeving of op de persoon zelf.

•De risico’s van het gedrag zeggen iets over de ernst. De ernst wordt bepaald door de combinatie van hoe vaak het voorkomt (frequentie) en de omvang van het risico (impact). Zeer regelmatig is niet alleen in aantallen vast te leggen, maar het gaat ook om de mate waarin het ontregelend is.

•Ernstige gedragsproblematiek heeft consequenties voor de deelname van de cliënt en/of groepsleden. Er is ondersteuning nodig om dit te compenseren.

-

De cliënt is snel (psychisch) uit balans en kan moeilijk omgaan met veranderingen

-

•Bij een cliënt ontstaan grote problemen door kleine (dagelijkse) veranderingen buiten de vaste structuur. Het lukt de cliënt niet om zich aan te passen aan deze kleine veranderingen. Hierdoor raakt de cliënt bijvoorbeeld in de stress, wordt emotioneel, of kan zich op een andere manier niet meer beheersen

7.4.4 Dagbesteding en vervoer

Artikel 5.3 lid 6 en 7 Verordening

Onder dagbesteding kan ook het noodzakelijke vervoer vallen zodat de cliënt gebruik kan maken van de dagbesteding.

Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 6 Verordening

8 Ondersteuning gericht op het wonen

8.4 Primaat van verhuizen

8.4.1 Afwegingsfactoren primaat van verhuizen

Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De Beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen.

Belangenafweging

Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn:

1Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie;

2Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie;

3De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend;

4De verhuizing leidt tot een slechtere bereikbaarheid van voorzieningen voor de cliënt dan geldt voor de huidige woning. Denk aan: apotheek, huisarts, supermarkt, bibliotheek etc. Het college weegt dit aspect mee bij de beoordeling of het verhuisprimaat kan worden toegepast;

5Het toepassen van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast;

6De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner;

7Er is een substantiële stijging van de woonlasten die verbonden zijn aan de woning waar de cliënt naar moet (kan) verhuizen (zie verder hierna).

Woonlastenconsequenties woning

Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. De huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs aanvaardbaar is. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers, iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht).

Het kan ook gaan om een huurwoning in de vrije sector of een koopwoning. Daarvoor gelden dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn, hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Dat beoordeelt het college op basis van de individuele situatie.

Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen, worden de netto woonlasten van de eigen woning als volgt berekend:

•Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten);

•Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom;

•Opstalverzekering.

Medische verhuisurgentie

De afgifte van een verhuisurgentie valt niet onder de Wmo 2015 maar onder Huisvestingswet(Verordening). Er kan een verhuisurgentie worden afgegeven aan medisch geïndiceerde woningzoekenden. In die gevallen is het betrokken in de procedure. Door het verkrijgen van de medische urgentie kunnen mensen sneller een woning toegewezen krijgen. De cliënt dient de beschikking van het college in te leveren bij Woningcorporatie Domijn in Losser. Deze medische urgentie geldt ook voor mensen die naar een andere gemeente verhuizen, het is aan de woningcorporatie in die gemeente of zij deze medische urgentie ook accepteren. De regels tussen gemeenten kunnen verschillen.

8.6 Woning en hoofdverblijf

8.6.1 Uitzonderingen hoofdverblijf

Er zijn één uitzondering in het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen van de (co)ouders. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is omdat het hulpmiddelen meegenomen kan worden naar de woning van de betreffende co-ouder. Alleen in geval van co-ouderschap kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling tussen ouders.

Hoofdstuk 7 Verordening

Artikel 3.6 Verordening Financieel besluit

Hoofdstuk 8 Verordening Financieel besluit

11 Persoonsgebonden budget

11.8 Vakbekwaamheid

11.8.1 Gelijkwaardig EVC-certificaat

Beschikt de professionele ondersteuner niet over het vereiste diploma, dan kan een daarmee gelijkwaardig certificaat voor Erkenning Verworven Competenties (EVC-certificaat) verkregen volgens de procedure van het Nationaal Kenniscentrum EVC volstaan. Voor personen uit het sociaal netwerk gelden de gestelde opleidingseisen niet.

Hoofdstuk 8 en 10 Verordening

Artikel 2.3.9 Wmo 2015 Hoofdstuk 11 Verordening

Bijlage I Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(s) voor minderjarige kinderen 1 CIZ Indicatiewijzer AWBZ (2014), Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot AWBZ-zorg.

Kinderen van 0 tot en met 2 jaar

•Hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

•Ouderlijk toezicht is 24 uur per dag zeer nabij nodig;

•Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 en 4 jaar

•Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld de ouder kan de was ophangen in een andere kamer);

•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

•Ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/ verzorgers;

•Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

•Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

•Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot en met 11 jaar

•Hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;

•Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is);

•Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;

•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische, geestelijke en emotionele ontwikkeling;

•Zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/ verzorgers;

•Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;

•Hebben hulp nodig bij plannen en structureren van (huis)werk en vrijetijdsbesteding;

•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en opvoeding en begeleiding wordt geboden.

Kinderen van 12 tot en met 17 jaar

•Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

•Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

•Kunnen vanaf 16 jaar maximaal één dag en nacht alleen gelaten worden;

•Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

•Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/ opleiding;

•Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

•Hebben hulp nodig bij plannen en structureren van (huis)werk en vrijetijdsbesteding;

•Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd.

Bijlage II Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie)

Resultaat

Schoon en leefbaar huis

Resultaat

Wasverzorging

Resultaat

Boodschappen

Resultaat

Regie/ organisatie, AIV

Basiscliëntsituatie,

volledige overname:

125min/week

Overname:

Was 1-pers. huishouden: 35 min/week

Was 2-pers. huishouden: 43 min/week

Strijken (1 of 2 pers): 20 min/week

Maatwerk als meer nodig blijkt te zijn

Overname:

Boodschappen 51 min/week

Regie/organisatie: max 30 min/week

AIV (6 weken): max 90 min/week

+

+

+

Minder inzet:

Minder inzet:

Minder inzet:

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk (zelf uitvoeren activiteiten) één of meerdere keren

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk

Eigen mogelijkheden cliënt en/of netwerk

+

-/- 15 min

-/- 17 min

-/- 10 min

+

+

+

Meer inzet:

Meer inzet:

Resultaat

Maaltijden

Resultaat

Kindzorg (tijdelijk)

Beperkingen en belemmeringen cliënt of samenstelling huishouden

-Enig extra inzet + 30 min

-Veel extra inzet + 60 min

Extra kamer

-In gebruik als slaapkamer + 18 min

-Niet in gebruik als slaapkamer + 5 min

En/of extra inzet vanwege

-Vervuiling huisdier + 15 min

-Omvang inrichting of

bewerkelijkheid woning + 15 min

Extra wasmachine/week

Als gevolg van beperkingen

en belemmeringen cliënt + 16 min

2broodmaaltijden: + 20 min/dag

Opwarmen maaltijd: + 20 min/dag

Maaltijd koken: + 20 min/dag

Geen indicatie maaltijden

Maatwerk (afwassen handmatig of vaatwasser in- en uitruimen)rekening houdend met eigen kracht

Bereken minuten per week

Tijden voor diverse activiteiten

Maatwerk mogelijk

Bereken minuten per week

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week +

Totaal …..minuten/week

Resultaat: schoon en leefbaar huis

Basisnorm bij basiscliëntsituatie (zie hiervoor onder normtijden activiteiten en frequentie, volledige overname)

125min/week

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of overname door netwerk

-/- 15 min/week

Zelf uitvoeren huishoudelijke activiteiten (één of meerdere keren per week).

Meer inzet per huishouden

1door beperkingen en belemmeringen cliënt of de omvang van het huishouden; en

2er meer vervuiling is of een noodzaak tot hoger niveau schoonhouden woning; en

3er meer nodig is dan de frequentie van basis- of incidentele activiteiten.

Normtijd meer inzet (per huishouden)

1Enige extra inzet, of

+ 30 min/week

2Veel extra inzet.

+ 60 min/week

Extra kamer (per huishouden)

1In gebruik als slaapkamer.

+ 18 min/week

2Niet in gebruik als slaapkamer.

+ 5 min/week

En/of extra inzet per huishouden vanwege:

Vervuiling huisdier.

+ 15 min/week

Omvang, inrichting of bewerkelijkheid woning.

+ 15 min/week

Resultaat Boodschappen

Normtijd overname boodschappen

51min/week

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of netwerk: opstellen boodschappenlijst, opruimen boodschappen.

-/- 10 min/week

Resultaat wasverzorging

Bij noodzaak overname (algemene voorziening was- en strijkservice is geen passende oplossing)

Was 1 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2 wasgangen per week)

35min/week

Was 2 persoonshuishouden (tijdsindicatie voor 2,5 wasgang per week)

43min/week

Strijken, alleen bij medische noodzaak (1- of 2 persoonshuishouden, 1 x keer per week)

20min/week

Maatwerk als meer nodig blijkt te zijn

Tijd invullen

Minder inzet

Eigen kracht cliënt en/of overname door netwerk: zelf uitvoeren van bijv.: was sorteren, was in de wasmachine of droger stoppen, etc.

-/- 17 min/week

Meer inzet gerelateerd aan cliënt

Extra wasmachine per week (als gevolg van beperkingen en belemmeringen cliënt).

+ 16 min/week

Resultaat maaltijden

Onder dit resultaat valt ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen.

Frequentie maaltijden 1 x per dag tenzij de cliënt zelf of met hulp van anderen hierin kan voorzien.

Twee broodmaaltijden per dag (1 op tafel + 1 in de koelkast)

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Warme maaltijd (opwarmen)

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Koken warme maaltijd

+ 20 min per dag (bereken per week)

min/week

Geen indicatie maaltijden: maatwerk afwassen of vaatwasser in- en uitruimen

Tijd invullen per keer (bereken per week)

Min/week

Resultaat regievoering/organisatie van het huishouden

30min/week

De inzet van een maatwerkvoorziening kan in meer of mindere mate afhankelijk zijn van de vraag in hoeverre de cliënt beschikt over regievermogen. De Wmo 2015 kent geen definitie van regievermogen. Het onderzoek kan er op gericht zijn vast te stellen of de cliënt regieproblemen heeft. Het gaat dan over de vraag of de cliënt beperkingen heeft in het vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie.

Tot organisatie van het huishouden wordt gerekend het (samen met de cliënt) kunnen bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden) waaronder in incidentele gevallen het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden.

Meer of minder inzet

Meer of minder inzet kan worden geïndiceerd wanneer het niet alleen gaat om het aansturen maar ook om het “samen opwerken” met betrekking tot huishoudelijke taken, niet zijnde begeleiding.

min/week

Resultaat advies, instructie, voorlichting (AIV) over het huishouden

Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging.

Aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden.

Inzet is gemaximeerd en tijdelijk: 3 x keer week voor 6 weken.

30min per keer per week max. 90 min/week

min/week

Resultaat kindzorg (tijdelijke ondersteuning bij regie/zorg)

Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen en er geen sprake is van gebruikelijke hulp. Maximaal gedurende 3 maanden.

Verzorging van kinderen < 12 jaar. De ouder(s) blijft ALTIJD verantwoordelijk voor de kinderen.

De crèche, kinderdagverblijf, overblijven op school, voor- en naschoolse opvang is een voorliggende oplossing.

Normtijden CIZ-protocol

naar bed brengen / uit bed halen

10min per keer per kind

min/week

wassen en aankleden

30min per dag per kind

min/week

eten en/of drinken geven

20min (broodmaaltijd), 25 min (warme maaltijd)

min/week

babyvoeding (flesje/ borstvoeding)

20min per keer per kind

min/week

luier verschonen

10min per keer per kind

min/week

naar school/crèche brengen/halen

15min per keer per gezin

min/week

Maatwerk (meer inzet)

Als opvang noodzakelijk is: tot 40 uur per week

2Er wordt eerst gekeken naar andere mogelijkheden. Bijv. een sociaal medische indicatie (SMI) of opvang kinderdagverblijf.

min/week

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.