Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser,
gelet op de Algemene wet bestuursrecht (hoofdstuk 4, titel 4.3), de Jeugdwet (art. 8.1.1 lid 2), de Verordening jeugdhulp gemeente Losser 2025,
overwegende dat het noodzakelijk is om beleidsregels vast te stellen inzake het uitwerken van de uitoefening van de bevoegdheid van het college inzake de jeugdhulp,
Besluit vast te stellen:
Beleidsregels jeugdhulp gemeente Losser 2025.
Besluit in te trekken:
Nadere regels PGB Jeugdhulp 2021
Nadere regels vervoer Jeugdhulp 2024
Artikelen 2.3 lid 1 en 2.6 Jeugdwet Hoofdstuk 3 verordening
3. Eigen kracht
3.2 Zorgplicht van ouders valt onder eigen kracht
3.2.1 Inhoud zorgplicht van ouders
Artikel 4.1 lid 1 Verordening
De zorgplicht van ouders omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt verstaan:
a.de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede
b.het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid,
c.de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen;
d.het bieden van een beschermende woonomgeving.
De zorgplicht van ouders kan worden vertaald naar kernpunten over goed ouderschap.
3.2.2 Kernpunten goed ouderschap
De wetgever heeft bij goed ouderschap acht kernpunten voor ogen:
1Handelingen II 2018/19, 33 836, nr. 45, p. 2.
1Een onvoorwaardelijke toewijding.
2Continuïteit in de opvoedingsrelatie.
3Verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn.
4Opvoeding tot zelfstandigheid en sociale en maatschappelijke participatie.
5Het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, op school en in het publieke domein.
6Zorg dragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind.
7Zorg dragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen.
8Een veilige opvoedsituatie van het kind.
Het college kan gebruik maken van deze kernpunten bij de motivering van de beslissing op de aanvraag. In de Richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut zijn deze kernpunten ook terug te vinden. Bijvoorbeeld in de Richtlijn ‘goed genoeg’ opvoederschap.
3.4 Gebruikelijke hulp
3.4.1 Uitgangspunten beoordelen gebruikelijke hulp
Het college stelt op basis van de Richtlijn gebruikelijke hulp vast of er sprake is van gebruikelijke hulp. Een door ouders opgesteld zorgmomentenoverzicht kan helpen bij de vaststelling. De Richtlijn gebruikelijke hulp voorziet niet in een precieze tijdsindicatie; het gaat om een bandbreedte. Het college beoordeelt in stap 3 van het stappenplan op welke verzorging, begeleiding en opvoeding en bijbehorend ouderlijk toezicht de jeugdige is aangewezen, rekening houdend met de leeftijd. Valt een noodzakelijke activiteit binnen een bepaald ontwikkelingsprofiel van de Richtlijn gebruikelijke hulp, dan is in beginsel sprake van gebruikelijke hulp die ouders geacht worden te bieden. De volgende vier uitgangspunten worden gehanteerd bij de beoordeling.
1Leeftijd van de jeugdige
De Richtlijn gebruikelijke hulp gaat, zoals gezegd, uit van een bandbreedte in het normale ontwikkelingsprofiel van een kind. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Een voorbeeld. Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.
2Aard van de zorghandelingen
Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorghandeling vervangen. Twee voorbeelden. Het geven van sondevoeding in plaats van eten of handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.
3Frequentie en patroon van de zorghandelingen
Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer eten per dag, worden als gebruikelijke hulp aangemerkt. Een voorbeeld. Als een kind bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind en wordt dit als gebruikelijke hulp aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij kinderen met een lichamelijke beperking.
4Omvang van de met de zorghandelingen gemoeide tijd
De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer sprake is van gebruikelijke hulp. Een voorbeeld. Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien maar als boven-gebruikelijke hulp.
3.4.2 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp
Voor de beoordeling of ouders de gebruikelijke hulp kunnen bieden bepaalt de verordening twee afwegingskaders:
1de capaciteiten van ouders;
2de beschikbaarheid van ouders rekening houdend met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen.
3.4.2.1 Capaciteiten
Beschikken ouders niet over (voldoende) capaciteiten om de gebruikelijke hulp te bieden aan de jeugdige, dan kan dat ook niet van hen worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan ouders met LvB-problematiek. In die gevallen wordt beoordeeld of een algemene voorziening een passende oplossing kan bieden. En zo niet, of een individuele voorziening is aangewezen. En zo ja, welke.
3.4.2.2 Beschikbaarheid
De beschikbaarheid van ouders voor de gebruikelijke hulp aan de jeugdige kan worden vergeleken met ouders en hun kinderen zonder behoefte aan jeugdhulp. Bij gebruikelijke hulp gaat het immers om normale oudertaken rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. De problemen die kunnen ontstaan bij de zorg en opvoeding zullen (alle) ouders zelf het hoofd moeten bieden door bijvoorbeeld:
•herverdeling van oudertaken;
•oplossingen te zoeken binnen het sociaal netwerk, waaronder ook volwassen inwonende huisgenoten kunnen vallen;
•gebruik te maken van verlofmogelijkheden van de Wet arbeid en zorg (werkende ouders).
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Acute situatie
Er kan zich een acute situatie voordoen waardoor ouders, ondanks de feitelijke beschikbaarheid, toch tijdelijk niet in staat zijn om de gebruikelijke hulp te bieden. Denk bijvoorbeeld aan het plotseling overlijden van een ouder (partner) of een echtscheiding. Het gaat in deze gevallen feitelijk om tijdelijke overbelasting.
3.5 Boven-gebruikelijke hulp
3.5.1 Afwegingsfactoren boven-gebruikelijke hulp
Artikel 4.4 verordening
Voor de beoordeling of ouders de boven-gebruikelijke hulp kunnen bieden in het kader van de eigen kracht bepaalt de verordening een aantal afwegingsfactoren. Die worden bij de beoordeling zonodig in onderlinge samenhang bezien.
1.De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige
Bij stap 2 en 3 van het stappenplan stelt het college vast:
•of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen,
•en zo ja, welke problemen en stoornissen dat qua aard en omvang zijn, en
•welke hulp naar aard en omvang nodig is.
Behoefte van de jeugdige
Het gaat om welke hulp naar aard en omvang nodig is (stap 3 van het stappenplan). Denk aan: toezicht, begeleiding bij of overname van de ADL of begeleiding in de vorm aansturing. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bestaat de behoefte aan jeugdhulp uit behandeling of andere specialistische jeugdhulp waarvoor een gekwalificeerde beroepskracht nog is, dan valt die hulp niet onder de boven-gebruikelijke hulp. Hiervoor kan een individuele voorziening worden verleend.
Mogelijkheden jeugdige
Het gaat om de mate waarin de jeugdige:
•leerbaar is;
•toezicht nodig heeft;
•begeleiding nodig heeft in de vorm van aansturing.
Er zijn meer voorbeelden denkbaar.
2.De voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan
Welke boven-gebruikelijke hulp naar aard en omvang nodig is kan verschillen qua intensiteit en duur.
Ondersteuningsintensiteit
De ondersteuningsintensiteit wordt mede bepaald door de aard en omvang vastgestelde problemen en stoornissen (stap 3 van het stappenplan). De jeugdige kan aangewezen zijn op boven-gebruikelijke hulp die:
•onplanbaar is wat vraagt om flexibiliteit en voortdurende beschikbaarheid van ouders. Denk aan hulp die ook ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden nodig is;
•gelet op de aard van de problemen of stoornissen, noodzakelijkerwijs door de ouders geboden moet worden omdat de jeugdige vreemden niet (goed) toelaat en een vaste, vertrouwde en altijd beschikbare persoon vereist is.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Duur
Bij de duur gaat het er om hoe lang de jeugdige aangewezen zal zijn op de boven-gebruikelijke hulp. Dat is afhankelijk van de problemen en stoornissen maar ook de leeftijd van de jeugdige.
Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging
In geval van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van persoonlijke verzorging en beoordeling of sprake is van eigen kracht maakt het college gebruik van de Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging. Zie bijlage bij deze beleidsregels.
Het college beoordeelt of de boven-gebruikelijke hulp qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht.
3.De mogelijkheden van ouders, draagkracht en belastbaarheid van de ouders
De mogelijkheden van ouders hebben allereerst betrekking op de capaciteiten en de beschikbaarheid.
Mogelijkheden ouders (capaciteiten)
Is vastgesteld dat ouders niet over de capaciteiten beschikken om de gebruikelijke hulp te bieden, dan geldt dat ook voor de boven-gebruikelijke hulp. Zie 3.4.2.1 van deze beleidsregels.
Mogelijkheden ouders (vaardigheden)
Onder capaciteiten kunnen ook vaardigheden worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan: het kunnen signaleren en analyseren en oplossingsgericht kunnen denken en handelen. Maar ook de vaardigheid voor het verrichten van zorghandelingen door het hebben van bijvoorbeeld een verpleegkundige achtergrond.
Mogelijkheden ouders (beschikbaarheid)
Het college beoordeelt of de ouder(s) beschikbaar is of zou kunnen zijn. Dit laatste omdat van hen verwacht mag worden dat daar een oplossing voor wordt gezocht. Dit bezien tegen de achtergrond dat ouders de regie hebben en houden en dat wordt verwacht dat zij die ook nemen. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen. Zie 3.2 van deze beleidsregels.
Mogelijkheden ouders algemeen
Het college stelt vast of ouders in staat zijn tot het bieden van de boven-gebruikelijke hulp in de zin van eigen kracht. Dat is bijvoorbeeld het geval als:
•de ouder(s) de boven-gebruikelijke hulp kan bieden en dat (desgevraagd) ook blijft ook doen, ook als geen indicatie voor een individuele voorziening wordt verleend, zonder dat daardoor problemen zullen ontstaan;
•op het moment van de hulpvraag zelf al maatregelen zijn getroffen om de boven-gebruikelijke hulp aan de jeugdige te kunnen bieden, zonder dat daardoor problemen zijn ontstaan. Bijvoorbeeld door het (deels) opzeggen van een baan, gedurende opgenomen zorgverlof of het anders organiseren van de beschikbare tijd en verdeling van taken.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
4.Draagkracht en belastbaarheid
Overbelasting of dreigende overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten bij ouders kunnen ontstaan. Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de boven-gebruikelijke hulp aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting. Overbelasting die voortkomt uit bijvoorbeeld (te veel) werk moet in beginsel door ouders zelf worden opgelost. Gaat het college over tot het verlenen van een individuele voorziening in de vorm van een pgb, dan mag dat pgb niet aan ouders zelf worden besteed. Zie 3.10.5 van deze beleidsregels.
Draagkracht
Het begrip draagkracht heeft betrekking op de belastbaarheid van ouders. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht:
•lichamelijke conditie;
•geestelijke conditie;
•wijze van omgaan met problemen (coping);
•hulp van het sociaal netwerk.
Draaglast
Het begrip draaglast heeft betrekking op de belasting van ouders. Factoren die van invloed zijn op de draaglast:
•de omvang en mate van (on)planbaarheid van de boven-gebruikelijke hulp;
•het inzicht van ouders in de problematiek van de jeugdige;
•de woonsituatie;
•bijkomende sociale, emotionele of relationele problemen.
Zie verder 3.10.4 van deze beleidsregels.
5De samenstelling van het gezin en de woonsituatie
Een kind met een behoefte aan jeugdhulp kan een zware wissel trekken op het gezin. Denk in dit verband ook aan gezinnen met minderjarige kinderen die geen behoefte aan jeugdhulp hebben en/of meerderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het gezin. Het college onderzoekt:
•Is er sprake van twee ouders of is één persoon verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van de jeugdige(n)?
•Kunnen er taken worden herverdeeld waardoor de ouder die de boven-gebruikelijke hulp biedt hierin wordt ontlast?
•Wat kan van andere kinderen binnen het gezin worden verwacht. Dit is afhankelijk van de leeftijd en het individu. Het ene kind is het andere niet.
•Of een kind vanwege de zorg voor een ander gezinslid of het verrichten van taken in het huishouden, wordt belemmerd in zijn ontwikkeling. Dat moet worden voorkomen.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
6Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen
Het gaat om situaties waarin ouders de beoogde individuele voorziening in de vorm van een pgb wensen te ontvangen om zichzelf daarmee uit te betalen. Het college mag niet beoordelen of ouders over een toereikend inkomen beschikken en om die reden niet zijn aangewezen op een pgb (CRVB:2021:1327). Het college mag (moet) wel beoordelen of ouders een belang hebben om te voorzien in een inkomen in de vorm van een pgb. Dat heeft te maken met een gedwongen keuze.
Gedwongen keuze
Het college beoordeelt of de ouder een gedwongen keuze moet maken tussen de zorg voor de jeugdige en het verwerven van een (extra) inkomen om te kunnen voorzien in het levensonderhoud. Het ervaren van financiële druk is onvoldoende om een gedwongen keuze aan te nemen. Het college mag de omstandigheid meewegen dat een ouder nooit werkzaamheden heeft verricht ter aanvulling van het gezinsinkomen. Zijn ouders in staat om, al dan niet naast hun werk, te zorgen voor hun kind is dat geen aanleiding om een individuele voorziening te verlenen, al dan niet in de vorm van een pgb. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen.
3.5.2 Beoordelen eigen kracht
Het college beoordeelt of de boven-gebruikelijke hulp qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht. Er kan ook aanleiding zijn om naast (gedeeltelijke) eigen kracht een individuele voorziening te verlenen.
3.5.3 Versterken eigen kracht en jeugdhulp
Omdat de wet mede is gericht op het herstellen dan wel versterken van de eigen kracht prevaleert in beginsel het verlenen van een individuele voorziening die daar op is gericht. Het college kan een individuele voorziening verlenen ter ondersteuning of om het gezin te ontlasten. Bijvoorbeeld met gezinsondersteuning of dagbesteding buiten het gezin.
3.6 Vervoer locatie jeugdhulp
3.6.1 Afwegingsfactoren jeugdhulpvervoer
Het college beoordeelt de afwegingsfactoren, al dan niet, in onderlinge samenhang.
1Eigen mogelijkheden jeugdige
Het college onderzoekt of de jeugdige in staat is om veilig zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.
2Auto of openbaar vervoer
Het gaat hier om de feitelijke mogelijkheid om de jeugdige het vervoer te bieden of te begeleiden tijdens het openbaar vervoer van en naar de jeugdhulplocatie.
3Afstand en gemoeide tijd
De tijd die gemoeid is om de jeugdige te brengen en te halen speelt vanzelfsprekend ook een rol. Zijn ouders beschikbaar dan kan nog steeds sprake zijn van eigen kracht. Het college kan ook onderzoeken of een andere passende jeugdhulpaanbieder beschikbaar is waardoor de reisafstand en de daarmee gemoeide tijd wordt ingekort.
4Tijdstippen van het vervoer
De tijdstippen van het vervoer heeft met name betrekking op de beschikbaarheid van ouders. Van ouders mag worden verwacht dat eerst zelf een oplossing wordt gezocht in het kader van de eigen kracht. Denk aan overleg met de werkgever over aanpassen van werktijden, overleg met de basisschool om de (eventuele) andere kinderen eerder of later te mogen brengen, hulp vragen aan het netwerk of buren, etc.
5Frequentie
De frequentie van het vervoer heeft betrekking op de omvang van de indicatie.
6Draaglast en draagkracht
Voor de beoordeling van de draaglast en draagkracht wordt verwezen naar 3.12.5 van deze beleidsregels
3.6.2 Tegemoetkoming kosten vervoer
Artikel 5.7 verordening
Het college kan ouders een tegemoetkoming in de kosten verstrekken voor het vervoer tussen de woning van de jeugdige of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het is toegestaan de tegemoetkoming te besteden aan personen uit het sociaal netwerk of andere personen die niet als professional worden aangemerkt. De hoogte van de tegemoetkoming is gebaseerd op het belastingvrije bedrag per kilometer of de kosten van het openbaar vervoer en wordt op declaratie uitbetaald.
3.10 Nadere uitleg en voorbeelden
3.10.1 Gebruikelijke hulp en boven-gebruikelijke hulp bij zorghandelingen
Zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Het gaat om situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind.
Handelingen die gebruikelijke zorghandelingen vervangen
•het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen;
•bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Voorbeelden boven-gebruikelijke hulp persoonlijke verzorging
•Het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar is gebruikelijke hulp, ook als het om sondevoeding gaat. Als het voeden van dit kind via de sonde meer tijd kost, of vaker moet gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten.
•Voor zover de persoonlijke verzorging van niet-uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van het kind.
•Bij zorghandelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs niet plegen te bieden zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Bij een baby met ernstige slikproblemen kost het extra tijd om een flesje te geven. Het geven van (aangewezen) sondevoeding valt niet onder zorg zoals instanties voor kinderopvang die bieden.
•Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen gebruikelijke hulp van ouders verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan jeugdigen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat hun lichamelijke integriteit aangaat.
•Voor zover de jeugdige zich in de terminale levensfase bevindt.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
3.10.2 Toezicht en begeleiding (opvoeding)
Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt onder de zorgplicht van ouder(s). De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel (zie Richtlijn gebruikelijke hulp). Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.
Werkende ouders en begeleiding
Wanneer ouders werken, zijn zij verantwoordelijk voor de opvang dan wel verzorging van hun kinderen. Voor de begeleiding die als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken niet als individuele voorziening worden verleend. Wanneer sprake is van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van begeleiding, wordt deze vastgesteld over een volledig etmaal. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken. Onder werken kan ook het volgen van onderwijs worden verstaan.
Voortdurend toezicht
Bij voortdurend toezicht moeten ouders continue in de nabijheid zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) problemen van het kind in de zin van de wet.
Permanent toezicht
Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal (24/7), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan (vergelijk CRVB:2017:3709). Permanent toezicht valt niet binnen de eigen kracht van ouders.
3.10.3 Situatie van ouders
Opvoedingsproblemen
Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen van ouders bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Lukt dat niet, dan kan een vorm van opvoedondersteuning zijn aangewezen.
Opvangvraagstuk
Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de gebruikelijke hulp voor hun kinderen. Zie ook hiervoor onder het kopje werkende ouders en begeleiding. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd. Ouders die geen gebruik kunnen maken van de reguliere opvang kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente.
Afbakening Wmo 2015 en Jeugd
Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding. Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de Jeugdwet, dan hoeft het college geen jeugdhulp te verlenen. Het gaat om situaties waarin alleen de ouder(s) een probleem heeft. In zulke gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo 2015.
3.10.4 Overbelasting of dreigende overbelasting
Een beroep op (dreigende) overbelasting moet door de ouder(s) aannemelijk worden gemaakt en zo nodig nader worden onderbouwd. Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de boven-gebruikelijke hulp zorg aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting (zie 3.5.1 van deze beleidsregels). Is dat het geval, dan rust de plicht op het college daar onderzoek naar te doen en te bepalen wat de gevolgen zijn van de uitkomsten daarvan.
Omvang planbare en onplanbare zorg
Soms is het duidelijk dat de ouder overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van planbare zorg, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare zorg te bieden kan van invloed zijn op de belastbaarheid van degene die geacht wordt boven-gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt boven-gebruikelijke hulp te verlenen.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.
3.10.5 Persoonsgebonden budget
Artikel 7.3 verordening (besteding)
Het pgb mag niet worden besteed:
•voor activiteiten die onder de eigen kracht vallen;
•aan ouders of personen uit het sociaal netwerk als blijkt dat zij overbelast zijn of dreigen te geraken.
Artikel 8.1.1 Jeugdwet Hoofdstuk 7 van de verordening Financieel Besluit
5. Persoonsgebonden budget
5.8 Pgb-bekwaamheid
5.8.1 Belangenverstrengeling
Er kunnen zich bij het beoordelen van de pgb-bekwaamheid conflicterende belangen voordoen. Dat is het geval als degene die de pgb-bekwaamheid van de jeugdige of ouders overneemt ook degene is aan wie het pgb zal worden besteed. In dat geval weigert het college het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Immers kan niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (vergelijk CRVB:2019:3761, CRVB:2019:2803). Het kan gaan om een derde aan wie het pgb wordt besteed maar ook om een vertegenwoordiger die een daaraan gelieerde persoon is. Daaronder wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze derde in dienst is of er op een andere manier verwevenheid bestaat. Het college hanteert de volgende uitgangspunten.
Pgb besteden aan een niet-professional
De niet-professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger zijn, tenzij vast is komen te staan dat deze persoon als enige geschikt is om de aangewezen jeugdhulp te bieden én er geen mogelijkheid is een andere pgb-vertegenwoordiger te machtigen.
Pgb besteden aan professionals
De professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger zijn. Dit geldt ook voor iedere aan die ondersteuner gelieerde derde in of buiten de professionele organisatie. Het college maakt hierop geen uitzondering.
5.8.2 Overig
Ouders onderdeel van het gezinssysteem
Het kan voorkomen dat tijdens het onderzoek blijkt dat de ouder(s) bijdragen aan het standhouden van de problemen omdat zij er een (wezenlijk) onderdeel van uitmaken. Het pgb mag in die gevallen niet aan de ouder(s) mag worden besteed.
Jeugdige budgethouder
Is de jeugdige budgethouder dan wil hij het pgb mogelijk besteden aan zijn ouder(s). Bij een kind-ouderrelatie is het tegennatuurlijk om ouders aan te sturen bij de verlening van jeugdhulp. Daarnaast ligt een loyaliteitsconflict voor de hand omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s). In die gevallen wordt geen pgb verstrekt.
Bevorderen autonomie jeugdige
De wettelijke jeugdhulpdoelen zijn onder meer gericht op het groeien naar zelfstandigheid. In het algemeen is het zo dat jeugdigen daarvoor ook ‘los’ moeten komen van hun ouder(s). Afhankelijk van de leeftijd en ontwikkelingsniveau kan daarvoor professionele deskundigheid nodig zijn. Dit om bijvoorbeeld de autonomie te bevorderen. Het college beoordeelt daarom of besteding van het pgb aan de ouder(s) in de weg staat (kan staan) aan het groeien naar zelfstandigheid. Een dergelijke beoordeling kan ook nodig zijn als het om het sociaal netwerk gaat.
Behandeling of specialistische jeugdhulp
Artikel 6.3 lid 3 verordening
Gaat het om behandeling of specialistische jeugdhulp, dan is het niet toegestaan het pgb te besteden aan iemand uit het sociaal netwerk, waaronder ook de ouders. Ook als zij daartoe wel gekwalificeerd zijn. Bij deze vormen van jeugdhulp is professioneel te handelen aangewezen. Daar hoort ook professionele distantie bij. Verondersteld wordt dat ouders en personen uit het sociaal netwerk gelet op de relatie met de jeugdige dat niet hebben.
5.10 Kwaliteit
5.10.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp
Artikel 7.2 verordening
De kwaliteitseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde aanbieders zijn, voor wat betreft de vakbekwaamheid, ook van toepassing op de met een pgb in te kopen jeugdhulp.
Kwaliteitseisen
Voor professionals geldt:
•De vakbekwaamheidseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn ook van toepassing als het pgb aan een professional wordt besteed.
•Daaronder valt een afgeronde zorggerelateerde opleiding of een gelijkwaardig EVC-certificaat verkregen volgens de procedure van het Nationaal Kenniscentrum EVC op minimaal Mbo4 niveau.
•Ook moeten zij beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
•Verder wordt gewerkt met en volgens bewezen effectieve jeugdinterventies.
•De jeugdhulp sluit aan bij de beperkingen die de jeugdige en/of ouder ondervindt.
•De jeugdhulp sluit aan op het ondersteuningsplan en pgb-plan.
Niet-professional
Als niet-professionals worden beschouwd: de ouder(s), personen uit het sociaal netwerk en andere die niet voldoen aan de eisen van een professional. Als een jeugdige of zijn ouders het pgb wil inzetten voor een niet-professional dan moet dit in het pgb-plan worden onderbouwd. Het is belangrijk dat de niet-professional geen druk op de jeugdige of zijn ouders heeft uitgeoefend bij de besluitvorming.
Voor niet-professionals geldt
•de ondersteuner moet in het bezit te zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) die bij aanvang van de ondersteuning niet ouder is dan 3 maanden. Uitgezonderd hiervan zijn ouders in de zin van de wet van de budgethouder. Het moet gaan om een VOG Natuurlijke Personen met algemeen screeningsprofiel. Ook voor formele pleegouders geldt dat zij geen VOG hoeven te overleggen, zij moeten voor het uitoefenen van hun werkzaamheden al een VOG aanleveren;
•de ondersteuner raakt door het bieden van de ondersteuning niet overbelast.
Professionele distantie
Het college beoordeelt of er sprake is van voldoende professionele distantie tussen de niet-professionele hulpverlener en de jeugdige. Afhankelijk van de mate van de beperkingen van de jeugdige kan deze professionele distantie een belangrijke rol spelen bij het behalen van het resultaat dat met de jeugdhulp moet worden bereikt. Zo kan te veel emotionele betrokkenheid van de ondersteuner een negatief effect hebben op de relatie tussen jeugdige en ondersteuner. De jeugdige kan ook (te) afhankelijk worden van de ondersteuner. Ook kan het voorkomen dat de beoogde ondersteuner al (te) lang betrokken is bij de jeugdige, zijn gezin en/of personen uit het sociaal netwerk. Dat kan de professionele kijk op de jeugdige of zijn ouders vertroebelen.
Doeltreffendheid pgb
Bij het beoordelen van de kwaliteit van de via een pgb in te kopen jeugdhulp speelt ook een rol of de in te kopen individuele voorziening doeltreffend wordt verstrekt. Onder doeltreffend wordt verstaan ‘waarmee het doel wordt bereikt’. Hieruit volgt ook dat de met het pgb in te kopen ondersteuning effectief moet zijn om dat doel te bereiken. De vraag is of een persoon uit het sociaal netwerk in staat is, gelet op de directe relatie, om de zelfredzaamheid van de jeugdige te versterken door hem iets aan te leren. Het kan aannemelijk zijn dat het aanleren van activiteiten meer kans van slagen heeft als de ondersteuning wordt geboden door een professionele ondersteuner die juist niet in directe relatie met de jeugdige staat.
Artikel 8.1.3 en 8.1.4 Jeugdwet Hoofstuk 9 van de verordening
Bijlage Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging
Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ Indicatiewijzer (toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, versie 7.1, juli 2014) en is bedoeld als richtlijn ter beoordeling of de boven-gebruikelijke hulp in het kader van de eigen kracht door ouders geboden kan worden. De gemiddelde tijden en frequenties van de richtlijn zijn niet leeftijdsafhankelijk.
Activiteiten persoonlijke verzorging
Overzicht handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit
Richtlijn gemiddelde tijd per keer in minuten
Richtlijn maximale frequentie per dag
1.1
Zich wassen
Delen van het lichaam
10
1x
Gehele lichaam
20
1x
1.2
Zich aankleden
Volledig aankleden/uitkleden
2Hier wordt bedoeld aan- en uitkleden bij het opstaan en het ’s avonds naar het bed gaan.
15
2x
Gedeeltelijk uitkleden
10
1x
Gedeeltelijk aankleden
10
1x
1.3
In en uit bed gaan
Hulp bij uit bed komen
3Hier wordt de hulp bedoeld bij het uit bed komen naar uiteindelijk bijvoorbeeld een stoel en vice versa.
10
1x
Hulp bij in bed gaan
10
1x
Hulp bij middagrust
10
1x
Hulp bij middagrust
10
1x
1.4
Zich verplaatsen in zit- of lighouding (hulp bij bewegen, houding)
-
20
Naar noodzaak
1.5
Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen
-
15
Naar noodzaak
1.6
Eten en drinken
Hulp bij broodmaaltijd excl. drinken
10
2x
Hulp bij warme maaltijd excl. drinken
15
1x
Hulp bij drinken
10
6x
1.7
Ondersteuning bij uitscheiding
Stomaverzorging bij lokaal intacte huid
20
Naar noodzaak
Stomazakje wisselen
10
Naar noodzaak
Katheterzaak legen /wisselen
10
Naar noodzaak
Uritip aanbrengen
15
Naar noodzaak
Klysma microlax
15
Naar noodzaak
1.8
Sondevoeding
Sondevoeding toedienen (inclusief aan-/en afkoppelen)
20
Naar noodzaak
Sondevoeding toedienen bij kinderen
40
Naar noodzaak
Sondevoeding via PEG
40
Naar noodzaak
1.9
Medicatie
Medicijnen aanreiken
4Inclusief uit de koelkast, weekdoos/baxter pakken, inschenken enzovoort.
5
Naar noodzaak
Medicijnen toedienen (oraal/via sonde)
5
5De inlooptijd van de medicatie kan in voorkomende gevallen in verband met bijvoorbeeld misselijkheid langer dan vijf minuten duren.
Naar noodzaak
Aanbrengen medicinale pleister
5
Naar noodzaak
Toedienen oog-, oor- of neusdruppels of oog- gel, medicatie toedienen (vaginaal of rectaal)
10
Naar noodzaak
Vernevelen
20
Naar noodzaak
2.1
Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid
Zorg voor tanden
5
2x
Zorg voor haren
5
1x
Zorg voor nagels
5
1x per week
Scheren
10
1x
Inspectie van de intacte huid op (dreigende) vervormingen, ontstekingen en/of infecties
10
Naar noodzaak
Zalven van de intacte huid
10
Naar noodzaak
Verzorging van smetplekken (roodheid en irritaties van de huid)
10
Naar noodzaak
Verzorging van de intacte huid rondom natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (zoals PEG-katheter, suprapubiskatheter, tracheastoma
6Bij het verwisselen van de tracheacanule (onderdeel VP) maakt de verzorging van de huid rondom de tracheastoma onderdeel uit van deze handeling. De verzorging wordt dan ook niet geïndiceerd bij het verwisselen van de tracheacanule.
, sonde)
10
Naar noodzaak
Mondverzorging in verband met risico op infecties bij cytostaticagebruik. Betreft spoelen van de mond, aanbrengen medicatie en het poetsen van de tanden
10(hiervan is de tijd voor het tandenpoetsen al vanaf getrokken)
6xper dag
2.2
Aanbrengen / verwijderen prothese
7Hiermee worden o.a. ledemaatprotheses en/of gehoorapparaten bedoeld.
Aanbrengen prothese/hulpmiddel
15
1x
Verwijderen prothese/hulpmiddel
15
1x
Aanbrengen D.P.S.
5
Naar noodzaak
Verwijderen D.P.S.
5
Naar noodzaak
Aanbrengen T.E.N.S.
5
Naar noodzaak
Verwijderen T.E.N.S.
5
Naar noodzaak