Gemeentelijke regelgeving

Uitvoeringsprogramma Landschapsontwikkelingsplan Groene Driehoek gemeente Lopik, Montfoort en Oudewater

Gemeente Lopik · geldt sinds 25 februari 2022

Aanhef

De raad van de gemeente Lopik;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 mei 2005 om op hoofdlijnen in te stemmen met de voorliggende landschapsvisie (april 2005) en kennis te nemen van de verdere planning tot aan het vaststellen van visie en uitvoeringsprogramma in het 3e kwartaal 2005,

overwegende,

dat deze landschapsvisie, onderdeel van het intergemeentelijk Landschapsontwikkelingsplan, tot stand is gekomen in overleg met een klankbordgroep waarin belanghebbende groepen vertegenwoordigd zijn;

dat de bevolking regelmatig over de inhoud en voortgang is geïnformeerd;

dat er een aparte discussiebijeenkomst met de raadsleden van de drie gemeenten plaatsgevonden heeft en dat de hoofddoelstellingen en deelvisies op hoofdlijnen onderschreven werden maar dat er wel een aantal opmerkingen zijn gemaakt;

dat deze opmerkingen tot aanpassing van de visie hebben geleid;

dat dit heeft geleid tot een breed gedragen visie op het behoud en de ontwikkeling van het landschap van de drie gemeenten;

b e s l u i t :

1op hoofdlijnen in te stemmen met achterliggende Landschapsvisie (hoofdstuk 6 van het Landschapsontwikkelingsplan Groene Driehoek);

2bij punt 1 van de op blz. 74 en 75 genoemde algemene doelstellingen het woord "versterking" te schrappen;

3bij meerderheid achterliggend door de SGP-fractie ingediend amendement over te nemen en derhalve in het Landschapsontwikkelingsplan Groene Driehoek te verwerken;

4kennis te nemen van de verdere planning.

3 Projecten Groene Driehoek

3.10 Aanbevelingen beleid

3.10.1 Aanbevelingen gemeentelijk beleid

1Nadere studie verkeerseffecten Lekdijk, gemeente Lopik

Het is wenselijk de verkeersveiligheid voor langzaam verkeer (fietsen, wandelen, skeeleren) op de Lekdijk te verbeteren. Hiervoor dient een nadere verkeersstudie te worden verricht, waarbij ook de effecten op de achterliggende wegen worden betrokken. In de studie kunnen maatregelen worden bepaald, welke de veiligheid voor langzaam verkeer bevorderen. Het idee van het realiseren van ‘uitkijkbalkons’, waar een mooi uitzicht bestaat op de uiterwaarden en eventueel een struinroute start dient hierin te worden betrokken.

2Hollandse IJssel, gemeenten Oudewater en Montfoort

Voor de Hollandse IJssel is een integraal ontwikkelingsperspectief opgesteld genoemd ’Hollandse IJssel, meer dan water’. Het perspectief streeft zowel naar de verbetering van de vaarweg, de bodem- en waterkwaliteit als naar een duidelijke landschappelijke herkenbaarheid zonder storende bedrijven, een ecologische verbinding en een recreatieve ontsluiting via het jaagpad. Nieuwe landgoederen worden plaatselijk als middel gezien om natuur- en landschapsdoelen te bereiken.

Er zijn acht gebieden aangewezen als ontwikkelingsgebied, waarvan vier (deels) binnen het plangebied van het LOP. De streefbeelden van deze vier deelgebieden zijn in de landschapsvisie opgenomen. Deze streefbeelden dienen bij nieuwe ontwikkelingen in de zone langs de Hollandse IJssel als toetsingskader te worden gebruikt.

3Actualiseren monumentale bomenlijst gemeente Oudewater

De gemeente Oudewater beschikt over een gemeentelijk monumentale bomenlijst. Deze lijst dient één keer in de 10 jaar geactualiseerd te worden.

3.10.2 Aanbevelingen provinciaal beleid

1Opnemen waardedaling grond bij realisatie kleine landschapselementen in SN / SAN

Om de aanleg van kleine landschapselementen door particulieren te stimuleren is het van belang dat de waardedaling van de grond vergoed wordt. Het instellen van een nieuwe provinciale subsidieregeling met waardedalingscomponent voor kleine landschapselementen op landbouwgrond is hiervoor gewenst (in voorbereiding door provincie Utrecht).

2Uitbreiden pakket zwaar weidevogelbeheer Natuurgebiedsplan

Net als in de rest van Nederland kan het in de Lopikerwaard beter met de weidevogels. De beheersvergoeding is een middel om deze trend te keren. De hoeveelheid en de verdeling van de weidevogelpakketten, t.w. 480 ha licht weidevogelbeheer in het oostelijk deel en 440 ha zwaar en licht weidevogelbeheer in het westelijk deel van Zuidwest Utrecht (> 20.000 ha landbouwgrond) sluiten niet aan bij de actuele weidevogelstand (overal ongeveer gelijke kwaliteit) en de wensen van de agrariërs. Deze willen ruimer gebruik kunnen maken van de SAN (meer hectares en overal ook de mogelijkheid voor een zwaar pakket). Een aanpassing van het natuurgebiedplan van de provincie Utrecht is op dit punt wenselijk.

6 Beleidsinstrumenten

6.1 Bestaand instrumentarium

6.1.1 Bestemmingsplan buitengebied

Het bestemmingsplan is een belangrijk hulpmiddel voor het garanderen en verbeteren van de kwaliteit van het landschap. Met het bestemmingsplan kan de gemeente het toetsingskader geven voor het gebruik van gronden, voor bouw- en aanlegplannen (toelatingsplanologie) en sturing geven aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (ontwikkelingsgericht). Tussen de ontwikkelingsgerichte kant van het bestemmingsplan en het toetsingskader kan een zekere spanning zitten. Belangrijk is dat het bestemmingsplan, als enig ruimtelijk plan, juridisch bindend is voor iedereen, dus voor burgers, bedrijven, instellingen en overheden.

Het bestemmingsplan kan worden gebruikt:

-als basis voor de handhaving van de beschermde waarden

-als toetsingskader om ingrepen van anderen te toetsen (vooral bij het verlenen van bouw- en aanlegvergunningen)

-als richtinggevend kader bij ingrijpende ontwikkelingen

-om andere plannen in door te laten werken, bijvoorbeeld het landschapsontwikkelingsplan

Het bestemmingsplan is hét instrument om landschappelijke waarden te behouden, te beschermen en te ontwikkelen. Door toetsing van nieuwe functieveranderingen aan het bestemmingsplan, kan de gemeente voorwaarden stellen aan de inrichting van het gebied. Om profijt te hebben van het bestemmingsplan is het nodig de doorwerking stevig te organiseren. Zorg voor breed samengestelde toetsingsteams en maak menskracht vrij voor een toereikende handhaving.

6.1.2 Aanlegvergunning

Juridische achtergrond

De basis voor vergunningverlening wordt gelegd in het gemeentelijke beleid. De gemeente verschaft hierin inzicht in de voorwaarden waaronder een vergunning wordt verleend. Aandacht voor Ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie (OLS) moet dus in dat beleid worden vastgelegd.

Een bestemmingsplan kan een aanlegvergunningenstelsel bevatten op grond van artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Artikel 21, derde lid WRO biedt de basis om een aanlegvergunningenstelsel op te nemen in een voorbereidingsbesluit. Het voorbereiden of herzien van een bestemmingsplan vergt veel tijd. In die periode geldt meestal een voorbereidingsbesluit.

Een aanlegvergunningstelsel is bedoeld voor het aanleggen van werken (geen bouwwerken) en het verrichten van andere werkzaamheden dan bouwwerkzaamheden. Voorbeelden zijn; het aanleggen van een weg, het ophogen, afgraven of egaliseren van grond, het scheuren van grasland, het graven of dempen van sloten, het planten of rooien van bomen of ander gewas. Veel van dit soort activiteiten bepalen mede het beeld en de aardkundige en cultuurhistorische waarden in een landschap. Een aanlegvergunningenstelsel kan een bepaalde bestemming of gebied beschermen tegen ongewenste ontwikkelingen, bijvoorbeeld landschappelijk of cultuurhistorisch gevoelige gebieden zoals bos, natuur, uiterwaarden en aardkundige waarden.

Op basis van jurisprudentie is geen aanlegvergunning nodig voor:

-verrichten van normaal onderhoud en beheer,

-werkzaamheden waarmee is of mag worden begonnen op het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden,

-werkzaamheden op het eigen erf, zoals in het bestemmingsplan aangeduid,

-aanleggen van kavelpaden en verhardingen ten behoeve van in- en uitritten, tot een oppervlakte van 100 m2,

-het verlagen van de bodem of het afgraven van stukken grond, voorzover daarvoor een vergunning nodig is in het kader van de Ontgrondingwet,

-vellen of rooien van fruitbomen,

-werkzaamheden waarvoor een vergunning nodig is als bedoeld in artikel 40 en 45 van de Woningwet: de bouwvergunning.

Landschappelijke kwaliteit als toetsingskader

Om landschappelijke kwaliteit te kunnen gebruiken als toetsingscriterium bij aanlegvergunningen, moet de landschappelijke kwaliteit in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Uit de beschrijving in hoofdlijnen of de plantoelichting in het bestemmingsplan moet duidelijk blijken welke waarden moeten worden beschermd. Dit kan door in het bestemmingsplan te verwijzen naar een landschaps-ontwikkelingsplan (LOP), een beschrijving van de landschapskwaliteit, een beeldkwaliteitplan, of de welstandsnota. De aanwezige of te ontwikkelen kernkwaliteiten van het landschap bepalen dan mede de randvoorwaarden voor het wel of niet verlenen van een aanlegvergunning en de wijze waarop werkzaamheden worden uitgevoerd. Hierdoor is inzichtelijk welke invloed een ruimtelijke ingreep heeft op de landschapskwaliteit en hoe ontwikkelruimte wordt gecreëerd.

Weigeringsgronden

Als werkzaamheden aanlegvergunningplichtig zijn, wordt uitsluitend getoetst aan 2 dwingende weigeringsgronden. De aanlegvergunning wordt geweigerd als de werkzaamheden vallen binnen één van deze weigeringsgronden. Deze zijn vastgesteld op basis van jurisprudentie. Dit wordt het limitatieve- imperatieve stelsel genoemd. De twee weigeringsgronden zijn;

-Bestemmingsplan: zijn de werkzaamheden in strijd met het bestemmingsplan?

-Monumentenvergunning: is de Monumentenvergunning vereist en geweigerd (indien van toepassing)?

Voor de toepassing van gewenste kwalitatieve landschapsontwikkeling is het bestemmingsplan het belangrijkst.

Procedure aanlegvergunning

De initiatieffase is hét moment in het proces van vergunningverlening om aandacht te besteden aan ontwikkelen met landschapskwaliteit. De procedure start zodra een initiatiefnemer zich meldt bij de gemeente. De initiatiefnemer vraagt om informatie en/of overleg. Ook is het mogelijk dat de initiatiefnemer het plan direct indient. De gemeente geeft informatie over de procedure en het gemeentelijke beleid waaraan de voorgenomen werkzaamheden worden getoetst. De initiatiefnemer kan bij het inzien van het bestemmingsplan (of door navraag bij de gemeente) bepalen of een aanlegvergunningenstelsel van kracht is voor de locatie waar hij werkzaamheden wil verrichten. In het bestemmingsplan staat ook onder welke voorwaarden de vergunning wordt afgegeven. Er kan in het bestemmingsplan een overzichtelijke tabel worden opgenomen. Zo krijgen aanvragers een helder overzicht van ingrepen waarvoor een aanlegvergunning nodig is, en van de toetsingscriteria. In deze criteria zijn weer mogelijkheden voor OLS- toepassing. Informeer een initiatiefnemer vroeg over de kwaliteiten van het landschap en het gemeentelijk beleid ten aanzien van het landschap. De hieruit volgende landschappelijke randvoorwaarden kunnen een stimulans zijn voor het opstellen van een kwaliteitsverhogend plan voor het landschap. U kunt hierbij het landschapsontwikkelingsplan en het beeldkwaliteitplan van de gemeente betrekken. In het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) zijn dit facultatieve beleidsstukken.

-Maak een informatiepakket over gemeentelijk beleid waarmee een initiatiefnemer rekening moet houden bij de aanvraag van een aanlegvergunning. Gebruik het bestemmingsplan en mogelijk de monumentenvergunning. Vermeld ook convenanten, voorzover van toepassing. Lokale voorbeelden werken stimulerend. Geef bij het eerste contact met een initiatiefnemer een voorbeeldenset mee.

-Voer een helder en inspirerend beleid ten aanzien van landschap en draag dit uit. Het stimuleert mensen om nieuwe initiatieven af te stemmen op de omgeving.

B&W publiceert de aanvraag voor een aanlegvergunning. De gemeentelijke dienst beoordeelt namens B&W of de werken/werkzaamheden van de initiatiefnemer passen binnen de randvoorwaarden van het aanlegvergunningenstelsel zoals geformuleerd in het bestemmingsplan en/of van nota’s die zijn gekoppeld aan het bestemmingsplan, bijvoorbeeld het landschapsontwikkelingsplan of het beeldkwaliteitplan. Daarnaast wordt nagegaan of voor de werken/werkzaamheden een vergunning is vereist en verleend ingevolge de Monumentenwet. Een aanlegvergunning mag en moet alleen worden geweigerd indien de voorgenomen werkzaamheden vallen onder deze weigeringsgronden. De doelstelling van een aanlegvergunningenstelsel wordt alleen behaald als het vergunningenstelsel wordt gehandhaafd. Dit vergt veel inzet. Streef daarom naar een eenvoudig stelsel van aanlegvergunningen met heldere beoordelingscriteria.

6.1.3 Bouwvergunning

Juridische achtergrond

De basis voor de vergunningverlening ligt in het gemeentelijke beleid. In het bestemmingsplan of gemeentelijke nota's moet het beleid over het ontwikkelen met landschapskwaliteit duidelijk zijn geformuleerd. Het bouwvergunningenstelsel is vooral gericht op het kunnen beheren van de planologische inrichting, de welstand en de technische kwaliteit van bouwwerken. Kernbegrippen uit het Bouwbesluit zijn: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. In artikel 40 van de Woningwet is bepaald dat het verboden is om te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning van B&W. Uitzondering hierop zijn bouwvergunningvrije bouwwerken. Preventief toezicht hierop vindt niet plaats.

Sinds de nieuwe Woningwet van 2003 is er niet alleen een reguliere bouwvergunningplicht (procedure van 12 weken) maar ook een lichte bouwvergunningplicht (procedure van 6 weken). Deze nieuwe wet bevat ook landelijke regels voor het indienen van een aanvraag. Een reguliere bouwvergunning kan gefaseerd worden aangevraagd. In de eerste fase wordt bekeken of er ruimtelijke en welstand-technische bezwaren zijn. In de tweede fase wordt getoetst op de bouwtechnische aspecten van het bouwwerk. Zo worden geen onnodige kosten gemaakt als blijkt dat het bouwplan ruimtelijk niet past.

Woningwet en bouwvergunning

Art. 56 Woningwet: “Burgemeester en wethouders mogen aan de bouwvergunning slechts voorwaarden verbinden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.” Kort gezegd is dit goed en veilig bouwen plus de welstandseisen voor het uiterlijk van een bouwwerk. Slechts in beperkte mate en voor enkele onderwerpen is een ontheffingenbeleid mogelijk. In de bouwverordening staan stedenbouwkundige eisen, die van betekenis zijn als er geen bestemmingsplan geldt voor een gebied of een (oud) bestemmingsplan met niet geregelde onderwerpen. De stedenbouwkundige bepalingen werken als een vangnet (zie art. 9 Woningwet). De bouwvergunning verschilt op een essentieel punt van andere vergunningen. De bouwvergunning hanteert fatale termijnen. Dit betekent dat bij overschrijding van de behandelingstermijn door de overheid (na 6 weken bij een lichte bouwvergunning of eerste fase van de reguliere bouwvergunning; na 12 weken bij een reguliere bouwvergunning) van rechtswege een bouwvergunning ontstaat. Deze is dan zonder voorwaarden en conform de aanvraag.

Landschappelijke kwaliteit als toetsingscriterium

Om landschappelijke kwaliteit te kunnen gebruiken als toetsingscriterium voor bouwaanvragen, moet de landschappelijke kwaliteit in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Door in het bestemmingsplan en de welstandsnota aan te geven onder welke voorwaarden ingrepen in het landschap zijn toegestaan, wordt ontwikkelruimte gecreëerd en worden landschappelijke waarden beschermd. Want aandacht voor landschap betekent niet automatisch dat het gebied op slot gaat. De actuele en gewenste landschappelijke waarden zijn vastgelegd in dit landschapsontwikkelingsplan (LOP). Het bestemmingsplan, beeldkwaliteitplan of de welstandsnota kunnen hiernaar verwijzen. Zo wordt inzichtelijk welke invloed een ruimtelijke ingreep heeft op de landschapskwaliteit en op welke manier deze beter inpasbaar is. Hierbij kan de gemeente richtlijnen opnemen. Met een LOP beschikt de gemeente ook over praktische handreikingen over het landschap en de manier waarop met initiatieven kan worden omgegaan (bijvoorbeeld het verplicht stellen van een erfbeplantingsplan bij bouwaanvragen).

Met de gewijzigde Woningwet is de gemeenteraad verplicht om een Welstandsnota vast te stellen voor het gemeentelijk grondgebied als de gemeente welstandsbeleid wil voeren. In deze welstandsnota werkt de gemeente haar welstandbeleid uit in criteria voor de beoordeling van onder andere bouwaanvragen. Voor deze beoordeling raadpleegt B&W de Welstandscommissie. De ontwikkelingsgerichte landschapstrategie kan worden toegepast door in de welstandsnota ook in te gaan op kwaliteitsverbetering met betrekking tot het landschap. Landschaps- en beeldkwaliteitplan blijven echter facultatieve beleidsdocumenten bij de toetsing van een bouwvergunning, tenzij het bestemmingsplan hier uitdrukkelijk naar verwijst.

Weigeringsgronden

Als een bouwwerk vergunningplichtig is, wordt uitsluitend getoetst aan 6 dwingende weigeringsgronden. De bouwvergunning moet worden geweigerd als het bouwwerk valt binnen één van deze weigeringsgronden. Dit wordt het limitatieve-imperatieve stelsel genoemd. Een landschapstoets kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen worden betrokken door in de weigeringsgronden voor een bouwvergunning naar gemeentelijke beleidsdocumenten met betrekking tot landschapsontwikkeling te verwijzen, bijvoorbeeld een landschapsontwikkelingsplan of beeldkwaliteitplan. De weigeringsgronden zijn:

-Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan? En kan deze strijdigheid worden opgeheven door een planologische vrijstelling Wet Ruimtelijke Ordening? (Art. 46, derde lid Woningwet bepaalt dat een aanvraag om bouwvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan, moet worden opgevat als een verzoek om vrijstelling.)

-Is het bouwplan in strijd met het bouwbesluit?

-Voldoet het bouwplan aan de gemeentelijke bouwverordening?

-Voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van Welstand?

-Is er een monumentenvergunning vereist en geweigerd?

-Is het bouwplan in strijd met de leefmilieuverordening (art. 17 lid 1 Wet op de stads- en dorpsvernieuwing)?

-Vanaf juli 2004 geldt mogelijk artikel 44a Woningwet: weigeren van de bouwvergunning wegens overtreding van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen openbaar bestuur (Wet BIBOB).

Procedure bouwvergunning

De initiatieffase is hét moment in het proces van verlenen van een bouwvergunning om aandacht te besteden aan ontwikkelen met landschapskwaliteit. De procedure voor verlenen van een bouwvergunning start met een bouwaanvraag: de initiatiefnemer vraagt om informatie en / of overleg of dient het plan direct in. Als de aanvraag is ingediend begint de fatale termijn te lopen. De gemeente verschaft informatie over de procedure (lichte, reguliere bouwvergunning, al dan niet gefaseerd) en ver het gemeentelijke beleid waaraan het bouwplan wordt getoetst.

Informeer een initiatiefnemer vroeg over de voorwaarden ten aanzien van landschap. Bijvoorbeeld de voorwaarden die vanuit het bestemmingsplan en de welstandsnota worden gesteld en de mogelijkheden die het landschapsontwikkelingsplan (LOP) aangeeft om een kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen. Hierbij kan de gemeente ook handvatten geven. Bijvoorbeeld met een voorbeeldenboek. Zo kan de initiatiefnemer beoordelen of zijn bouwplan past binnen de randvoorwaarden.

Volg de gefaseerde procedure als de bouwplannen sterke invloed hebben op de landschappelijke kwaliteit.

Dan wordt dan in eerste instantie alleen gekeken naar de invloed van het plan op de ruimtelijke kwaliteit. Dit voorkomt dat een initiatiefnemer hoge kosten maakt voor een project dat ruimtelijk gezien niet kan of anders moet. Bovendien kan het de initiatiefnemer inspireren om met zijn plan bij te dragen aan de landschapskwaliteit.

Beoordelen aanvraag bouwvergunning

Bij de beoordeling van een bouwplan toetst de gemeente op de dwingende weigeringsgronden. De belangrijkste weigeringsgronden zijn het bestemmingsplan en de welstandsnota. De gemeentelijke dienst beoordeelt in het informatieve vooroverleg namens B&W of een bouwplan vergunningplichtig is. Ook stelt zij vast of de lichte of de reguliere vergunningplicht van toepassing is. I het bouwplan vergunningplichtig, dan wordt het getoetst aan de bovenstaande weigeringsgronden. Bij licht vergunningplichtige bouwwerken mag B&W advies vragen aan de Welstandscommissie. Bij regulier vergunningplichtige bouwwerken is dit verplicht.

6.1.4 Kapvergunning

In principe moet voor het vellen (het rooien dan wel verrichten van handelingen, welke ernstige beschadiging van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben) een kapvergunning worden verleend. Voor dunning is vaak geen vergunning nodig. Bij dunning is sprake van een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand. Er zijn twee soorten regelgeving aangaande het vellen van houtopstanden. De Gemeentelijke Bomenverordening (Algemene Plaatselijke Verordening) en de Boswet.

Boswet

De Boswet verplicht tot een kapmelding (tenminste 30 dagen voor aanvang bij LASER) en een herplantplicht. De herplantplicht houdt in dat de grond binnen drie jaar opnieuw ingeplant dient te worden. Bij elke kapmelding wordt bekeken of de voorgenomen velling aanvaardbaar is uit het oogpunt van natuur- en

landschapsschoon. In uitzonderlijke gevallen overweegt de provincie een kapverbod. Als de boswet niet van toepassing is geldt de Gemeentelijke Bomenverordening.

De Boswet is van toepassing op:

-bossen en houtsingels met een oppervlakte groter dan 10 are,

-rijbeplanting van meer dan 20 bomen.

De Boswet is niet van toepassing op:

-erven en tuinen,

-eenrijige geschoren meidoornhagen als deze als zodanig zijn aangelegd en beheerd,

-eenrijige beplantingen van populier of wilg, op of langs landbouwgronden en langs wegen,

-Italiaanse populier, linde, paardekastanje en treurwilg,

-vruchtbomen,

-windschermen langs boomgaarden,

-kerstsparren niet ouder dan twaalf jaar, geteeld op daarvoor bestemde terreinen,

-kweekgoed.

Gemeentelijke Bomenverordening

Voor elke velling in het buitengebied dient een kapvergunning aangevraagd te worden, tenzij sprake is van dunning. Er geldt altijd een meldingsplicht, ook bij dunning. In enkele gevallen kan een herplant- en instandhoudingplicht worden opgelegd. In de gemeente Oudewater is alleen een kapvergunning nodig voor bomen die op de gemeentelijke monumentale bomenlijst staan. Een kapvergunning kan geweigerd worden op grond van:

-natuur- en milieuwaarden,

-landschappelijke waarden,

-cultuurhistorische waarden,

-waarden van stads- en dorpsschoon,

-waarden van recreatie en leefbaarheid.

6.1.5 Monumentenvergunning

Voor iedere verandering aan een monument (verbouw, verbetering en groot onderhoud) dient u als eigenaar van het monument, bij de gemeente een vergunning aan te vragen. De kosten van de verandering kunnen veelal bij de belastingen worden afgetrokken en in sommige gevallen is een deel subsidiabel.

6.1.6 Convenanten

Convenanten vormen een privaatrechtelijke overeenkomst tussen diverse partijen. Binding en afdwingbaarheid van convenanten worden in de eerste plaats bepaald door wat de partijen daarover zelf afspreken. Ze kunnen expliciet in het convenant opnemen hoe ze de gemaakte afspraken zullen naleven en op welke manier dat kan worden afgedwongen. Dat is vooral belang bij afspraken over resultaatsverplichtingen, die afdwingbaar zijn tenzij partijen anders bepalen. Belangrijk is deze afspraken ook na te leven.

Een voordeel van de inzet van convenanten is onder meer dat de aanvaardbaarheid van het gevoerde beleid en de betrokkenheid van de burgers en de hen vertegenwoordigende organisaties worden vergroot. Het gevaar is echter niet denkbeeldig dat derden/belanghebbenden bij gebruik van convenanten buitenspel komen te staan. Dit zou wellicht minder zijn geweest indien de overheid zich beperkt had tot eenzijdige interventies in de vorm van bijvoorbeeld regelgeving. Bij afsluiting van een convenant zal zorgvuldigheid en correcte belangenafweging aan de basis liggen van het proces.

Vooruitlopende of overbruggende convenanten

Deze convenanten worden gesloten in afwachting van nieuwe regelgeving. Het kan daarbij gaan om invulling van een gat in bestaande regelgeving of om nieuw beleid dat snel geïmplementeerd moet worden.

Aanvullende of uitvoerende convenanten

Deze convenanten voorzien in een wettelijke regeling die een verdere uitwerking door een decentrale overheid aangeeft. Het gaat dan meestal om een aanscherping van de normen. Dit soort convenanten kan een min of meer permanent karakter hebben en is ook geschikt om langdurig onderhoud te regelen.

Convenanten als alternatief voor regelgeving

Deze convenanten worden ingezet bij een groot aantal verschillende (soorten) belangen, afspraken en partijen. Soms heeft zelfregulering door de particuliere sector in principe voorkeur boven overheidsregulering, maar soms ook mag een dwingende publiekrechterlijke regeling niet worden uitgesloten.

6.1.7 'Ruimte voor ruimte'-regeling

De 'Ruimte voor ruimte'-regeling geldt als een ontwikkelingsgerichte regeling binnen het streekplan van de provincie Utrecht. Door middel van nieuwe ontwikkelingen kunnen bredere doelstellingen als vitaliteit, ontstening en beeldkwaliteit van het landelijke gebied worden nagestreefd. Een bijzonder onderdeel bestaat uit het realiseren van een woningprogramma aan de rand van een kern, buiten de contour, waarbij financiële middelen worden gegenereerd voor de sloopvergoeding van ongewenste bebouwing in het buitengebied.

Provincie Utrecht

Het beleid voor vrijkomende bebouwing is primair gericht op kwaliteitswinst door ontstening van het landelijke gebied via (gedeeltelijke) sloop van voormalige bedrijfsbebouwing, in combinatie met vervangende woningbouw (ruimte voor ruimte) of vestiging van niet-agrarische bedrijfsvormen.

Daarbij worden de volgende voorwaarden gehanteerd:

-omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd,

-eventueel bijbehorende gronden blijven of komen beschikbaar voor de grondgebonden functies landbouw, natuur of recreatie, overeenkomstig de functie van het gebied,

-er wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bedrijfsbebouwing gesloopt,

-een zorgvuldige landschappelijke inpassing is vereist, waarbij een beeldkwaliteitplan een nuttig hulpmiddel kan zijn.

6.1.8 Compensatiebeginsel

Het compensatiebeginsel is opgenomen in het streekplan van de provincie Utrecht. Het compensatiebeginsel wordt toegepast in de gebieden die zijn aangewezen als:

-Europese Vogel- en Habitatrichtlijngebied,

-Ecologische Hoofdstructuur,

-Natuurbeschermingswetgebieden,

-gebieden waarvoor de boswet geldt.

Door toepassing van het 'nee, tenzij'-regime in deze gebieden worden de wezenlijke kenmerken en waarden beschermd. Ingrepen die de te beschermen wezenlijke kenmerken en waarden aantasten worden alleen toegestaan als deze onontkoombaar zijn. Dit houdt in dat er '(dwingende) redenen van groot openbaar belang' met de ingreep zijn gemoeid en is aangetoond en dat uit onderzoek blijkt dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn. Bij een ingreep geldt het compensatiebeginsel op basis van het 'stand-still'-beginsel. Er mag in principe geen nettoverlies aan wezenlijke kenmerken en waarden (in areaal, kwaliteit en samenhang) optreden. Compensatie moet in beginsel in natura, in de nabijheid en gelijktijdig plaatsvinden.

Tevens dient de compensatie additioneel te zijn (buiten de reeds aangewezen ontwikkelingen uit de beleidskaders).

6.1.9 Rood voor groen: nieuwe landgoederen

Ook de 'Rood-voor-groen'-regeling is opgenomen in het streekplan van de provincie Utrecht en vormt een ontwikkelingsgericht instrument. Dit instrument staat stedelijke bebouwing (doorgaans luxueuze woning) toe in ruil voor de ontwikkeling van natuur- en landschapskwaliteit, mits het initiatief leidt tot een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij dient de hoeveelheid toe te voegen bebouwing in verhouding te staan tot de hoeveelheid extra groen en de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden gehinderd.

De volgende randvoorwaarden worden gesteld:

-minimale omvang 10 hectare,

-nieuwe landgoederen sluiten aan op kernmerken gebied,

-aard en omvang gebouwen gerelateerd aan ontwikkelingskosten,

-gebiedskwaliteiten respecteren en zo mogelijk versterken,

-openbaar toegankelijk,

-voorkeur NSW-rangschikking.

6.2 Nieuw / te ontwikkelen instrumentarium

6.2.1 Advies Raad Landelijk Gebied

De Raad voor het Landelijk Gebied adviseert om voor het landschap een wervend beleid te voeren. Dat betekent dus niet alleen regels stellen aan de omgang met het landschap, maar vooral inspireren en kansen bieden om nieuwe ontwikkelingen op een harmonische wijze in verband te brengen met het verleden. Dit geldt in het bijzonder voor de Nationale Landschappen, waaronder het groene Hart ook behoort. Een Nationaal Landschap moet worden gekenmerkt door wat men wil bereiken en een aantal specifieke voordelen, niet door wat er niet mag.

Nieuw instrumentarium zal vooral gebaseerd moeten zijn op voordelen: financieel, fiscaal en in stimulansen voor ontwikkeling, de introductie en de afzet van nieuwe producten en diensten. Mogelijkheden voor private financieringsbronnen liggen onder meer in toepassing van het profijtbeginsel, sponsoring en groen beleggen.

De raad doet de volgende suggesties voor nieuw instrumentarium voor Nationale Landschappen, maar deze zijn deels ook interessant voor het overige landelijke gebied:

-fiscale faciliteiten op het gebied van vermogen, investeren, beleggen en inkomen ten bate van ondermeer lage administratieve lasten en lage uitvoeringskosten, zoals investeringsaftrek,

-grondbank als instrument ten bate van grondruil binnen de landbouw, grondruil gericht op functiewisseling en grondaankoop om die in erfpacht uit te geven om rendabele beheerlandbouw mogelijk te maken,

-communicatieprogramma met ondernemers, bewoners in en om het gebied en bezoekers over waarde gebied en de voordelen voor hen en vervolgens aanspreken op het leveren van een (financiële) tegenprestatie,

-monitoring om kwaliteit en effectiviteit van het beleid zichtbaar te maken met een eenvoudige methodiek,

-expliciete 'branding' van bijvoorbeeld het Nationaal Landschap, onder andere via erkenning streekproducten en de 'branding' te gebruiken voor en bij het toeristisch-recreatieve aanbod.

6.2.2 Wet Inrichting Landelijk Gebied

De nieuwe Wet inrichting landelijk gebied (WILG) vervangt de Landinrichtingswet 1985. De WILG is van groot belang voor het landelijk gebied. Het WILG bundelt en verankert het sturingsmodel, planvorming, programmering en uitvoering van het rijksbeleid voor het landelijk gebied. Tot slot wordt in de wet het Investeringsbudget Landelijk gebied (ILG) opgenomen, voor zover dit een wettelijke verankering behoeft.

Voor de landelijke gebieden is een ingrijpende financiële stelselwijziging in voorbereiding, die ook zal voldoen aan de eisen van bundeling, ontschotting, meerjarige financiële zekerheid en beperking tot gespecificeerde rijksdoelen. Het te ontwikkelen ILG moet gaan voorzien in bundeling van een groot aantal afzonderlijke regelingen en financieringsarrangementen. Binnen de prestatieafspraken over rijksdoelen, wordt de regio de mogelijkheid geboden in het gebiedsgerichte beleid tot maatwerk en combinaties van activiteiten te komen, en de fasering van werkzaamheden aan te laten sluiten op de mogelijkheden binnen het gebied. Het rijk is voornemens om met het ILG in 2005 en 2006 proef te draaien, opdat in 2007 kan worden begonnen met de daadwerkelijke invoering.

6.2.3 WGR-plus

De WGR-plus moet gemeenten in staat stellen specifieke afstemmingsproblemen op het ruimtelijke vlak effectiever en efficiënter op te pakken.

7 Financiering

7.1 Bestaande financieringsmogelijkheden (subsidies)

7.1.1 Subsidieregeling Natuurbeheer (SN 2000)

De subsidieregeling Natuurbeheer vormt een onderdeel van het Programma Beheer (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) en wordt uitgevoerd door LASER.

Doelgroep

Het belangrijkste voor deelname aan de regeling is, dat degene die aanvraagt beheerder is. Dat wil zeggen dat deze eigenaar of erfpachter (met een erfpachtcontract voor tenminste 25 jaar) is van het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Als gemeente, of samenwerkingsverband met in de meerderheid gemeenten (volgens de Wet gemeenschappelijke regelingen), kan deelgenomen worden aan de SN, indien het terrein waarvoor de subsidie aangevraagd wordt in het bestemmingsplan als ‘bos- of natuurterrein’ is gedefinieerd. Daarnaast wordt verplicht dat bij overdracht (verkoop, verpachting) het eigendomsrecht van het terrein het eerst aangeboden wordt aan het Bureau beheer landbouwgronden. Als gemeente, of samenwerkingsverband met in de meerderheid gemeenten kan alleen beheersubsidie en inrichtingssubsidie aangevraagd worden.

Subsidie wordt niet verstrekt aan:

-publiekrechtelijke rechtspersonen (uitgezonderd gemeenten),

-waterwinbedrijven of beheerders van een terrein dat eigendom is van een waterwinbedrijf, behalve wanneer de beheerder erfpachter is van het terrein, met een duur van de overeenkomst van tenminste 25 jaar,

-Staatsbosbeheer, behalve wanneer de beheerder erfpachter is van het terrein, met een duur van de overeenkomst van ten minste 25 jaar,

-Beheerders van terreinen met de volgende gebruikstitels komen niet in aanmerking voor subsidie:

•kort durende, eenmalige en teeltpacht;

•grondgebruikverklaring (wordt afgegeven door Bureau Heffingen);

•Tijdelijk gebruik in het kader van de Landinrichtingswet,

•pacht los land, kleiner dan één hectare.

Subsidiemogelijkheden

Bij een aantal subsidievormen is het gebiedsplan dat door Gedeputeerde Staten van een provincie is vastgesteld van belang voor de bepaling of u voor subsidie in aanmerking komt. Er zijn drie soorten gebiedsplannen: het natuurgebiedsplan, het landschapsgebiedsplan en het beheergebiedsplan. De provincie integreert deze drie vormen overigens soms samen in één document; een integraal gebiedsplan. Het beheergebiedsplan is specifiek voor het agrarisch natuurbeheer. Het natuurgebiedsplan en landschaps- gebiedsplan zijn van belang voor de SN. In het gebiedsplan is onder meer beschreven welke natuur ontwikkeld mag worden in bepaalde gebieden en waar subsidie voor de in standhouding van landschaps- elementen gegeven kan worden. Subsidie functieverandering kan worden verstrekt ten behoeve van terreinen die begrensd zijn in een Natuurgebiedsplan (NGP). Het pakket dat u wilt ontwikkelen dient te zijn opgenomen in het betreffende NGP.

De Subsidieregeling natuurbeheer 2000 (SN) kent vijf subsidievormen:

1Beheersubsidie,

2Recreatiesubsidie,

3Landschapssubsidie,

4Inrichtingssubsidie,

5Subsidie functieverandering.

1Beheersubsidie

Beheersubsidie wordt verleend voor de in standhouding van een zogenaamd beheerpakket. Elk beheerpakket beschrijft welke plant- en/of diersoorten in het terrein voorkomen en welke terreinkenmerken op het terrein van toepassing zijn. De beheerpakketten beschrijven ook de verplichte beheermaatregelen.

-Binnen de beheerpakketten wordt onderscheid gemaakt tussen basis- en pluspakketten.

-Voor pluspakketten is een extra natuurkwaliteit vereist. Hierbij worden meer beheerinspanningen gevraagd. Voorbeelden van basispakketten zijn: ‘bos’, ‘heide’ en ‘hoogveen’. Daaraan gekoppelde pluspakketten zijn bijvoorbeeld: ‘natuurbos’, ‘soortenrijke heide’ en ‘levend hoogveen’.

-Beheersubsidie wordt verleend voor zes jaar (één tijdvak).

-Beheersubsidie wordt over het algemeen niet getoetst aan een provinciaal gebiedsplan.

-Het terrein moet kosteloos opengesteld worden voor het publiek en dit moet door middel van borden kenbaar gemaakt worden.

-Soms geldt een beperking in veebezetting.

-Het minimaal aan te vragen subsidiebedrag voor de voor de SN bedraagt 170 euro per jaar. Voor een uitbreidingsaanvraag geldt een minimaal aanvraagbedrag van 50 euro per jaar. Het subsidiebedrag wordt per hectare vastgesteld.

2Recreatiesubsidie

Recreatiesubsidie wordt verleend voor het in stand houden van de recreatieve functie van het terrein.

-De hoogte van de recreatiesubsidie is een vast bedrag per hectare per jaar.

-Recreatiesubsidie wordt verleend voor dezelfde periode als de beheerssubsidie (combinatie).

3Landschapssubsidie

Landschapssubsidie wordt verleend voor de in standhouding van landschapselementen die liggen in terreinen met de hoofdfunctie natuur. De subsidiëring vindt plaats met een zogenaamd landschapspakket. Voorbeelden van landschapspakketten zijn poelen, singels en houtwallen.

-Landschapssubsidie wordt verleend voor zes jaar (één tijdvak). Landschapssubsidie is mogelijk indien:

○ Het landschapselement in een begrensd gebied ligt en subsidiëring is toegestaan door het gebiedsplan of,

○ Het landschapselement in een bestaand bos- of natuurterrein ligt, dat niet is begrensd.

-Op een zelfde oppervlakte kunt u niet voor meerdere landschapspakketten subsidie ontvangen. De combinatie beheerspakket met landschapspakket op dezelfde oppervlakte is voor enkele pakketten toegestaan.

-Om in aanmerking te komen voor landschapssubsidie moet u gedurende het gehele tijdvak voldoen aan een aantal voorwaarden en verplichtingen, zoals:

a Het element in stand houden conform de omschrijving in het pakket;

b De beheersmaatregelen van het pakket uitvoeren;

c Voldoen aan de oppervlakte eisen van het pakket.

-Publiekrechtelijke rechtspersonen zoals gemeenten, komen niet in aanmerking voor landschapssubsidie.

-Landschapselementen op erfpercelen en in tuinen komen niet in aanmerking voor subsidie.

-De hoogte van de subsidie wordt op dezelfde wijze berekend als de beheerssubsidie. U wordt, afhankelijk van het pakket, betaald per hectare, het aantal strekkende meters of het aantal stuks.

4Inrichtingssubsidie

Inrichtingssubsidie wordt verleend voor de aanleg van bos, de inrichting van een natuurterrein

of de aanleg van landschapselementen. Inrichtingssubsidie is bedoeld voor het financieren van eenmalige maatregelen die de fysieke conditie van het terrein of de terreinkenmerken wijzigen of voor beheersmaatregelen, die ervoor zorgen dat het gewenste beheer- of landschapspakket gerealiseerd kan worden. Dit kan uiteraard ook een combinatie van pakketten zijn.

-Inrichtingssubsidie kunt u aanvragen als de terreinen liggen binnen de begrenzing van een gebiedsplan en indien dit plan de omvorming of ontwikkeling van het aangevraagde beheerspakket of landschapspakket toestaat.

-Na de inrichting van het terrein, moet voor minstens vijf jaar het beheer- of landschapspakket in stand gehouden worden.

-Inrichtingssubsidie ten behoeve van de ontwikkeling van een beheer- of landschapspakket wordt verstrekt voor maximaal een tijdvak (zes jaar).

-De terreinen die ingericht worden, komen gedurende de inrichtingsperiode overigens niet in aanmerking voor recreatiesubsidie.

5Subsidie functieverandering

Als u landbouwgrond blijvend omvormt tot natuur of bos, heeft dit veelal een waardedaling van de grond tot gevolg. De subsidie functieverandering beoogt dit verschil te compenseren.

-De waardevermindering wordt bepaald op basis van een taxatie per perceel. De taxatie wordt verricht door DLG. De getaxeerde waardedaling wordt uitbetaald door de stichting Nationaal Groenfonds, nadat de kwalitatieve verplichting en een financieringsovereenkomst zijn ondertekend.

-Subsidie functieverandering wordt verstrekt ten behoeve van de ontwikkeling van een beheerspakket.

-Indien u subsidie functieverandering aanvraagt, kunt u ook tegelijkertijd inrichtingssubsidie aanvragen. Indien u de landbouwgrond omvormt, zullen inrichtingsmaatregelen immers vaak noodzakelijk zijn. De oppervlakte van het terrein moet overeenkomen met de eisen uit het beheerspakket.

-Als er subsidie functieverandering wordt verleend, wordt het terrein bos en/of natuur, mag u het terrein nooit meer gebruiken voor de uitoefening van de landbouw en mag u geen activiteiten verrichten die de ontwikkeling of in standhouding van het beheerspakket in gevaar brengen.

-Erfpachters met een erfpachtcontract van tenminste 25 jaar moeten voor het aangaan van functieverandering goedkeuring hebben van de eigenaar.

7.1.2 Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN 2000)

De subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer vormt eveneens een onderdeel van het Programma Beheer (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) en wordt ook uitgevoerd door LASER.

Doelgroep

De Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer is sinds 2000 de subsidieregeling voor het instandhouden en ontwikkelen van natuur op landbouwgronden in Nederland.

De SAN is ontwikkeld om de agrarische ondernemers actief te betrekken bij het instandhouden en ontwikkelen van de natuur en waardevolle landschappen. Een groot gedeelte van de Nederlandse gronden is namelijk in beheer bij agrarische ondernemers. De aanvrager is beheerder met een duurzaam gebruiksrecht.

Enkele organisaties zijn uitgesloten om de subsidie aan te vragen:

-Staatsbosbeheer,

-particulier terreinbeherende organisaties,

-publiekrechtelijke lichamen,

-landinrichtingscommissies.

Subsidiemogelijkheden

Subsidiëring is mede afhankelijk van het gebiedsplan. Iedere provincie stelt één of meerdere gebiedsplan(-nen) op voor de gronden binnen deze provincie. Er zijn drie soorten gebiedsplannen; het natuurgebiedsplan, het landschapsgebiedsplan en het beheergebiedsplan. In deze plannen geeft de Provincie aan in welke gebieden en voor welke typen natuur of landschappakketten subsidie kan worden verstrekt in het kader van de SAN. Voor een SAN-aanvraag is het heel belangrijk dat het aangevraagde pakket voor het perceel past binnen de doelstellingen van het gebiedsplan.

Er zijn drie subsidievormen:

-1 beheerssubsidie,

-2 landschapssubsidie,

-3 inrichtingssubsidie.

1Beheersubsidie

Beheersubsidie wordt verleend voor de instandhouding van een zogenaamd beheerspakket.

Elk beheerpakket beschrijft welke plant- en/of diersoorten in het terrein voorkomen en diverse terreinkenmerken. Beheersubsidie kan worden verleend voor de instandhouding of ontwikkeling van een zogenaamd beheerpakket. In een beheerpakket wordt voorgeschreven welke en hoeveel planten en/of diersoorten op het perceel moeten voorkomen. Wanneer het beheer zoals voorgeschreven wordt gevoerd,kan het perceel zich ontwikkelen of in stand gehouden worden als een gebied met hoge natuurwaarden. Op een zelfde oppervlakte worden over het algemeen niet meerdere beheerpakketten gesubsidieerd.

2Landschapssubsidie

Landschapssubsidie wordt verleend voor het instandhouden van landschapselementen, zoals houtwallen, hagen en singels. Op een zelfde oppervlakte mag u niet meerdere landschapspakketten beheren.

3Inrichtingssubsidie

Voor bepaalde pakketten is het mogelijk inrichtingssubsidie aan te vragen. Dit is een vergoeding voor aanpassingen aan het perceel zodat het beheer- of landschapspakket kan worden beheerd. Een aanvraag hiervoor kan alleen gelijktijdig worden ingediend met een aanvraag voor het na de inrichting beoogde beheer- of landschapspakket. U kunt inrichtingssubsidie aanvragen voor maximaal één jaar. Na dit jaar volgt de beheer- of landschapssubsidie (die u in combinatie met inrichtingssubsidie heeft aangevraagd) die voor een tijdvak (zes jaar) wordt verleend.

7.1.3 Regeling effectgerichte maatregelen bos en natuurterrein

Dit is een regeling van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, uitgevoerd door LASER.

Doelgroep

Eigenaren van bos- en natuurterreinen.

Subsidiemogelijkheden

Subsidie wordt verleend voor de kosten van de werkzaamheden in bossen of natuurterreinen, welke er op zijn gericht de effecten van verzuring en vermesting, en de effecten van verdroging in bestaande bossen of natuurterreinen te verminderen of ongedaan te maken.

7.1.4 Subsidie Particulier Natuurbeheer Bos- en Natuurterreinen

Uitvoering Provincie Utrecht

Doelgroep

Voor particuliere eigenaren of beheerders van bos- en natuurgebied (inclusief rechtspersonen maar met uitzondering van overheden en natuurbeschermingsorganisaties Het Utrechts Landschap, Vereniging van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer).

Subsidiemogelijkheden

Voor éénmalige maatregelen ter verhoging van de natuurwaarden in particuliere bossen en natuurgebieden in de Ecologische Hoofdstructuur (zoals vastgesteld in vigerende Streekplan), namelijk:

-herstel van hakhout en griend,

-bestrijding Amerikaanse vogelkers,

-herstel van vennen, omvorming van bos naar heide,

-schraal grasland of moeras (kappen bos, plaggen, begrazen),

-beheer van heide (plaggen),

-omvorming van uitheems bos naar inheems loofbos,

-inrichten van nieuwe natuur,

-uitvoeren van specifieke kleinschalige maatregelen in bos- en natuurterreinen,

-opstellen van beheerplannen.

De subsidie bedraagt een percentage van de werkelijk gemaakte kosten, behalve bij bestrijding van Amerikaanse vogelkers waar een vast bedrag per hectare wordt gehanteerd. De overige kosten komen voor rekening van de eigenaar. Eventuele andere overheidssubsidies worden van de provinciale subsidie afgetrokken tot het maximum te subsidiëren percentage bereikt is.

7.1.5 Bijdrageregeling Kleine Landschapselementen

Uitvoering Landschapsbeheer Utrecht

Doelgroep

Particuliere grondgebruikers en -eigenaren, buiten de bebouwde kom.

Subsidiemogelijkheden

-Kleine landschapselementen die niet aan de voorwaarden van het landschapspakket SAN voldoen.

-Kleine landschapselementen die niet als landschapspakket worden genoemd in de SAN.

-Tegemoetkoming in de kosten voor aanleg en herstel van kleine landschapselementen tot een maximumbedrag van 4537,- Euro

-Kleine landschapselementen hebben waarden voor landschap, cultuurhistorie of natuur of natuurlijke, landschappelijke of cultuurhistorische waarden van kleine landschapselementen worden na onderhoud, herstel of aanleg verkregen.

7.1.6 Regeling Draagvlak Natuur

Uitvoering LASER

Doelgroep

Om voor subsidie in aanmerking te komen moet uw organisatie in ieder geval voldoen aan de volgende vier voorwaarden:

-uw organisatie is een stichting, vereniging of samenwerkingsverband van stichtingen en/of verenigingen,

-het werkgebied van uw organisatie strekt zich uit over meer dan één provincie,

-uw organisatie verricht voornamelijk activiteiten op het gebied van de natuur en dit is statutair vastgelegd. Met natuur wordt bedoeld de beleidsterreinen natuur, bos en landschap,

-uw organisatie is voor minder dan negentig procent afhankelijk van rijksgelden.

Subsidiemogelijkheden

De Regeling draagvlak natuur (RDN) is gericht op het realiseren van maatschappelijk draagvlak voor de natuur. De regeling kent daartoe twee verschillende onderdelen.

Ten eerste stimuleert de RDN dat organisaties via projecten bekendheid geven aan de natuur in brede zin, de positie van de natuur in de samenleving en de belangen die daarbij een rol kunnen spelen.

Projecten zijn gericht op natuur- en milieueducatie, voorlichtingsactiviteiten, visievorming en samenwerking tussen organisaties. Projecten bestaan uit concrete producten en activiteiten die aan één of meer projectdoelstellingen van de regeling moeten voldoen. Daarnaast mogen ze een looptijd hebben van maximaal drie jaar en bedragen de subsidiabele kosten minimaal 11.344,51 euro.

Ten tweede stimuleert de RDN dat organisaties via programma’s de maatschappelijke betrokkenheid bij de natuur vergroten door middel van interactieve beleidsontwikkeling en door het verbreden en implementeren van de resultaten van eerder uitgevoerde projecten. Programma’s zijn vooral gericht op processen en het benutten van de rol van de uitvoerende organisatie(s) en moeten ook voldoen aan één of meer programma doelstellingen van de regeling. Programma’s hebben een looptijd van drie tot vijf jaar. De subsidiabele kosten bedragen minimaal 22.689,01 euro gemiddeld per jaar. Maximaal kunnen programma’s in aanmerking komen voor 56.722,53 euro subsidie gemiddeld per jaar.

7.1.7 Subsidie Herstel Historische Buitenplaatsen

Uitvoering LASER en Stichting PHB

Doelgroep

De subsidie is bedoeld voor eigenaren van beschermde historische buitenplaatsen, welke als complex historische buitenplaats zijn opgenomen in een register, als bedoeld in art. 6 van de Monumentenwet 1988:

-waar van oorsprong één of meer gebouwen een compositorisch geheel vormen met een tuin en/of een park van tenminste één hectare, en

-waarvan de aanleg dateert van vóór 1850 en deze aanleg nog herkenbaar aanwezig is.

Subsidiemogelijkheden

Subsidie kan worden aangevraagd voor werkzaamheden die het herstel van onderdelen van parken en tuinen van beschermde historische buitenplaatsen tot doel hebben. Deze onderdelen moeten van belang zijn vanwege hun cultuurhistorische of natuurwetenschappelijke waarde of uit het oogpunt van recreatie.

Als herstel kan bijvoorbeeld worden beschouwd het uitbaggeren van grachten, het vervangen van een bestaande beschoeiing, het aanbrengen van een geheel nieuwe beschoeiing als dit voor het behoud van de oeverlijn noodzakelijk is, het snoeien van laanbomen en monumentale solitaire bomen, het vervangen van laanbeplantingen en monumentale solitaire bomen, het herstel van paden (inclusief opsluiting), het herstel van eenvoudige houten bruggetjes die onderdeel zijn van een historische rondwandeling en voor de recreatieve waarden van belang zijn, het herstel van houten hekwerken en schuttingen. Onder monumentale bomen worden verstaan bomen ouder dan 80 jaar.

7.1.8 Netwerk landelijke wandelpaden

Dit is een regeling van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, uitgevoerd door Stichting Wandelplatform LAW en LASER.

Doelgroep

Natuurlijke en publiekrechtelijke rechtspersonen, op voorwaarde dat volgens de overzichtskaart van de Stichting Wandelplatform LAW over de betreffende gronden wandelpaden zijn gepland.

Subsidiemogelijkheden

Het doel van de subsidieregeling netwerk landelijke wandelpaden is het realiseren van een netwerk van lange afstand wandpaden, door landbouwgrond uit productie te nemen. In de beleidsnota "kiezen voor recreatie" is het net van landelijke wandelroutes vastgelegd. De Stichting Wandelplatform LAW voert dit uit.

Er zijn twee soorten subsidie;

1Subsidie voor de openstelling van landbouwgronden (1,00 euro per tien jaar per strekkende meter wandelpad).

2Subsidie voor de voorzieningen voor het wandelpad. Deze subsidie wordt aan de hand van normbedragen vastgesteld. Er geldt een maximum: 9.075,60 euro.

Voorwaarden:

-Gedurende 10 jaar tussen zonsopgang en zonsondergang onbelemmerd doorgang verlenen aan wandelaars op het wandeltraject.

-Het wandeltraject moet voldoende gemarkeerd zijn.

-Als u ook een subsidie ontvangt voor voorzieningen voor het wandelpad, dan bent u verplicht om die gerealiseerde voorziening gedurende de verplichtingenperiode te onderhouden!

7.1.9 Subsidie Voorziening toeristische ontwikkeling

Uitvoering Provincie

Doelgroep

Overheden en particuliere organisaties en personen

Subsidiemogelijkheden

Ontwikkeling van toeristisch-recreatieve voorzieningen:

a.haalbaarheidstudies en marktverkenningen ten behoeve van toeristisch-recreatieve projecten,

b.voorbereiding, opstelling en herziening van plannen voor zulke projecten en aanleg, inrichting, verbetering en uitbreiding van zulke projecten,

c.ontwikkeling van voorzieningen ten behoeve van de toeristisch-recreatieve infrastructuur,

d.voorbereiding en uitvoering van toeristisch-recreatieve evenementen en het verrichten van promotie daarvoor,

e.managementondersteuning en promotie ten behoeve van het toeristisch-recreatieve bedrijfsleven of segmenten daarvan,

f.ontwikkeling van toeristisch-recreatieve projecten die worden uitgevoerd in het kader van landinrichtingsplannen en raamplannen,

g.ontwikkeling van toeristisch-recreatieve fietspaden en verbetering van toeristisch- recreatieve vaarwegen overeenkomstig dienaangaande door het provinciaal bestuur vastgestelde plannen,

h.aanpassing van toeristisch-recreatieve objecten ten behoeve van mensen met een handicap.

-De projecten hebben een bovenlokaal belang, dragen bij aan de toeristisch-recreatieve uitstraling van de provincie en passen, waar dat relevant is, binnen de uitgangspunten van duurzame ontwikkeling en kwaliteit.

-De projecten kunnen zonder subsidie niet of pas in een later stadium van de grond komen.

-De projecten worden niet gestart voor de beschikking op de subsidieaanvraag.

-De projecten worden binnen een jaar na de verlening van de subsidie in uitvoering genomen.

-De financiering van een project is, na de verlening van de subsidie, sluitend of zal dat op korte termijn zijn.

-Geen subsidie wordt verstrekt indien dat de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen. Uitzondering hierop is mogelijk voor toeristisch-recreatieve activiteiten met ook een maatschappelijk doel en vernieuwende toeristisch-recreatieve activiteiten die boven de normale bedrijfsvoering uitgaan.

-Met uitzondering van onderdeel g. bedraagt de subsidie maximaal vijftig procent van de totale kosten van het project, na aftrek van bijdragen van derden. Indien de subsidie minder zou zijn dan € 1.134,- wordt zij niet verstrekt. De subsidie voor activiteiten als bedoeld onder g. bedraagt maximaal 12,5 % van de totale kosten, na aftrek van bijdragen van derden.

7.1.10 Subsidie Gebiedsgericht Beleid (SGB)

Uitvoering Provincie Utrecht

Doelgroep

Particulieren, bedrijven, gemeenten, maatschappelijke organisaties, waterschappen en provincies

Subsidiemogelijkheden

Het is een instrument om projecten gericht op kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied integraal uit te voeren. Voor de diverse vormen van gebruik van het landelijk gebied zijn de volgende doelen geformuleerd:

-voor de kwetsbare functies natuur en drinkwaterwinning: het bestrijden van de verdroging en vermindering van de milieudruk door vermestende en verzurende stoffen en bestrijdingsmiddelen,

-voor de functie recreatie vermindering van verstoring door geluid, stank en licht,

-voor de kwetsbare functies bos, landschap en landbouw

De Subsidie Gebiedsgericht Beleid (SGB) biedt subsidiemogelijkheden voor:

-projecten geprogrammeerd in het Provinciaal Uitvoeringsprogramma landelijk gebied,

-projecten die passen binnen een van de thema's uit de Agenda Vitaal Platteland,

-projecten die passen binnen de regeling SGB (Lopikerwaard).

7.1.11 Plattelandsontwikkelingsprojecten (POP) / Leader+

Uitvoering Provincie

Doelgroep

De subsidieregeling is gericht op projecten die met overheidsgeld gefinancierd worden. Dit houdt in dat individuele bedrijven doorgaans niet in aanmerking komen voor subsidie. De regeling is wel van toepassing op: overheden (gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden), onderwijsinstellingen, landbouworganisaties, organisaties gericht op milieu, natuur en landschap, recreantenorganisaties, kamers van koophandel, cultuurhistorische verenigingen en samenwerkingsverbanden tussen verschillende organisaties.

Subsidiemogelijkheden

De subsidiemogelijkheden, die de EU-kaderverordening biedt, zijn primair bedoeld om de economische vitaliteit en de ecologische duurzaamheid van de landbouw en bosbouw te ondersteunen. Daarnaast biedt de verordening mogelijkheden om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de plattelandseconomie en de leefbaarheid van het platteland te bevorderen

Het soort projecten dat in de provincie Utrecht in het kader van het POP wordt gesubsidieerd zijn:

1Opleiding en kennisverspreiding m.b.t. duurzame landbouw,

2Dorpsvernieuwing en cultuurhistorie,

3Waterbeheer in de landbouw,

4Plattelandstoerisme,

5Milieu, natuur en landschap.

7.1.12 Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG)

Uitvoering Integraal

In het project Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) werken drie ministeries (LNV, VROM en V&W) en de koepels van provincies (IPO), gemeenten (VNG) en waterschappen (UvW) samen aan nieuwe bestuurlijke verhoudingen én een nieuw financieringssysteem. Doel is provincies, gemeenten en waterschappen in staat te stellen op effectieve wijze de rijksdoelen voor de fysieke inrichting van het landelijke gebied te realiseren als onderdeel van een integrale regionale gebiedsontwikkeling. De provincie wordt een belangrijke regisseur. Rijksbudgetten en geldstromen uit talrijke subsidieregelingen komen samen in één investeringsbudget.

Het Investeringsbudget Landelijk Gebied zal op 1 januari 2007 in werking treden, maar tot die tijd zal de ontwikkeling van het landelijke gebied zoveel mogelijk in de geest van het ILG worden ondersteund.

7.1.13 Projectsubsidies Belvedère

Uitvoering Stimuleringsfonds voor Architectuur

Sinds 2000 bestaat de subsidieregeling Belvedère. De regeling heeft sinds die tijd een aantal veranderingen ondergaan. Eind 2004 is een nieuw reglement vastgesteld voor de periode 2005-2008. Voor deze periode is per jaar ca. € 1,3 miljoen beschikbaar voor projecten. Private en publieke partijen kunnen een beroep doen op de regeling.

De subsidieregeling nodigt uit tot verdieping en verdere uitwerking van het Belvedèregedachtegoed in de lokale uitvoeringspraktijk. Het doel van de subsidieregeling Belvedère is: stimuleren en faciliteren dat cultuurhistorische aspecten integraal en in een vroegtijdig stadium in plan- en ontwerpprocessen worden meegewogen en richtinggevend zijn voor ruimtelijke transformatieopgaven. De subsidieregeling maakt onder andere nieuwe multidisciplinaire samenwerkingsverbanden mogelijk, stimuleert ontwerpende en andere vakdisciplines gebruik te maken van cultuurhistorie als inspiratiebron, nodigt uit tot experimenteren met het Belvedèregedachtegoed waaruit nieuwe strategieën voortvloeien en bevordert kennisontwikkeling en kennisoverdracht.

De uitvoering van de subsidieregeling vindt sinds 2002 plaats door het Stimuleringsfonds voor Architectuur. Een onafhankelijke adviescommissie beoordeelt de aanvragen. Het is mogelijk viermaal per jaar aanvragen in te dienen in twee subsidiecategorieën.

7.1.14 Ruimzicht

De Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) is een onafhankelijke, landelijk werkende stichting die experimenten op het gebied van wonen, leefomgeving en stedelijke vernieuwing ondersteunt.

Met het programma Ruimzicht richt SEV zich op experimentele en innovatieve projecten op het gebied van een leefbaar en aantrekkelijk platteland. Er wordt onder andere gestreefd naar behoud en versterking van

cultuurhistorie. De bijdrage van SEV kan bestaan uit een bijdrage in de kosten die een experiment met zich meebrengt, maar ook uit begeleiding, de uitvoering van een evaluatie en/of bij de kennisoverdracht.

7.1.15 Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK)

Met het Budget Investeringen Ruimtelijke Kwaliteit (BIRK) draagt het ministerie van VROM financieel bij aan ruimtelijke investeringsprojecten die passen binnen het nationaal ruimtelijk beleid. Projecten die anders niet van de grond komen of niet met de gewenste kwaliteit worden gerealiseerd. Met de extra bijdrage kunnen regionale en lokale overheden het project op een hoger niveau tillen.

VROM wil sterke steden en een vitaal platteland. Met BIRK zet VROM in op centrumontwikkeling in de nationale stedelijke netwerken en de ontwikkeling van de nationale landschappen, inclusief de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dat moet resulteren in een veiligere, mooiere en schonere leefomgeving.

7.1.16 Fondsen

Er zijn landelijk ook diverse particuliere en semi-publieke fondsen die initiatieven financieel steunen:

-VSB-fonds,

-Prins Bernhard Cultuurfonds,

-Mondriaanstichting,

-Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij,

-Stichting Triodosbank en –fonds,

-Stichting Cultuurfonds van de bank van Nederlandse gemeenten,

-Bouwfonds cultuurfonds,

-Stichting Kunst en Openbare Ruimte,

-Stimuleringsfonds voor Architectuur,

-Boscertificaten (verhandelbaar recht per hectare bos, naar soort).

7.1.17 Lokale subsidies

Uitvoering gemeenten

De meeste gemeenten subsidiëren activiteiten van instellingen of belangengroeperingen en andere initiatieven. De procedure van de aanvraag een voorwaarden zijn vastgelegd in de gemeentelijke subsidieverordeningen.

Er zijn verschillende categorieën subsidies:

-Waarderingssubsidie; wordt verstrekt als waardering voor het uitvoeren van activiteiten,

-uitvoeringssubsidie; wordt verstrekt als het uitvoeren van activiteiten van belang wordt geacht, zonder dat deze activiteiten naar aard en omvang door de gemeente worden beïnvloed,

-budgetsubsidie; wordt verstrekt ter uitvoering van activiteiten, die zodanig van belang worden geacht dat die naar aard en omvang kunnen worden beïnvloed,

-eenmalige subsidie; wordt verstrekt voor een activiteit met een eenmalig karakter,

-jubileumsubsidie; wordt verstrekt aan een instelling er gelegenheid van haar 25-jarig bestaan of een veelvoud daarvan.

7.2 Bestaande financieringsmogelijkheden overig

7.2.1 Rood voor groen/blauw

De 'Rood voor groen'-regeling (ook gebruikt voor 'blauwe' vraagstukken biedt ruimte aan rode functies in ruil voor een vereveningscomponent in de vorm van groen of blauw, bijvoorbeeld bos of moeras. Deze verevening dient aan te sluiten bij de doelstellingen van de overheid, zie ook paragraaf 2.1.9.

7.2.2 'Ruimte voor ruimte'-regeling

De 'Ruimte voor 'ruimte'-regeling is een instrument dat ook een financieringsmogelijkheid biedt. Enerzijds financiert de regeling intrinsiek de ontstening van het landschap, maar daarnaast vereist de regeling ook landschappelijk inpassing. De nieuwe 'rode functie' wordt dan de financiële motor voor de aanleg en instandhouding voor een deel van het landschap en heeft daar zelf ook baat bij (omgevingskwaliteit). Zie ook paragraaf 7.1.7.

7.2.3 Toeristenbelasting

De huidige toeristenbelasting is in het leven geroepen om de investeringen die een gemeente moet doen om het toerisme te faciliteren te compenseren. In feite horen hier ook de 'groene diensten' onder om het landschap aantrekkelijk te houden voor de recreant.

7.3 Nieuwe financieringsmogelijkheden

7.3.1 Basis

Op dit moment is het landelijk gebied in Nederland grofweg in te delen in twee gebieden:

-gebieden van Nationaal belang waarvoor de Rijksoverheid subsidies heeft voor aankoop en beheer van (agrarische) natuur

-gebieden waarvoor weinig of geen rijkssubsidies voorhanden zijn en van lokaal belang kunnen zijn voor natuur, landschap en recreatie ('witte gebieden')

De komende jaren worden vooral in de laatste gebieden (de 'witte gebieden') een grote verandering van het landelijke gebied verwacht. Deze veranderingen bieden kansen mits juist zij juist worden aangegrepen.

Verandering die aangegrepen kunnen worden zijn:

-toename niet-agrarische activiteiten,

-toename grondmobiliteit,

-uitbreidingen stedelijk gebied.

Daarnaast zijn subsidies geen duurzame bron van inkomsten. Hierdoor kan de instandhouding op de langere termijn niet volledig gegarandeerd worden. Vaak zijn de subsidies ook niet toereikend, waardoor de beheerder gedupeerd dreigt te raken.

7.3.2 Uitwerking landschapsfonds

“Een landschapsfonds is een bundeling van private middelen (van bedrijven, burgers) en publieke middelen (van gemeenten, provincies, waterschappen). Het is nadrukkelijk de bedoeling dat de verworven middelen ingezet worden voor aanleg óf beheer van natuur, landschap of recreatie, daar waar rijksmiddelen niet bestaan of niet toereikend zijn. Het landschapsfonds heeft een bestuur dat bestaat uit verschillende partijen, zoals agrariërs, natuurbeschermers, (recreatie) bedrijven en gemeenten. Een landschapsfonds is dus meer dan een pot met geld…"

De exacte vorm en werking van het landschapsfonds zal in het komende jaar door de op te richten werkgroep verder moeten worden uitgewerkt in een werkbaar en vooral daadkrachtig plan. Door een strategische combinatie kan een duurzame financiering worden bewerkstelligd die de kwaliteit en veelvormigheid van het landschap op de lange termijn kan garanderen door ondersteuning van aanleg en beheer. Met duurzaam bedoelen we zowel sociale, ecologische als economische duurzaamheid! Een belangrijke vraag in de

uitwerking ligt in de wijze van verdeling van gelden onder de twee doelen: aanleg en duurzaam beheer (bron: www.nederlandmooi.nl).

De basis voor een duurzame financiering ligt in de veelzijdigheid van de bronnen. Er bestaan verschillende, uiteenlopende mogelijkheden om gelden te genereren. Deze worden hieronder behandeld.

1Sponsoring

Sponsoring is een bijdrage van bedrijven aan een landschapsfonds of aan organisaties voor natuur- en landschapsbeheer waarbij eisen worden gesteld aan de prestatie (wat de ontvanger met de bijdrage geacht wordt te doen). Deze bijdrage kan worden geleverd in financiële zin, maar ook in natura. De sponsor krijgt ook een tegenprestatie, zoals publiciteit,ontvangst van bedrijfsrelaties, gratis lidmaatschap etc. etc.. Omdat bij sponsoring een tegenprestatie wordt geleverd, kan de sponsor dit rekenen tot fiscaal aftrekbare posten.

Voordelen:

-nieuwe inkomstenbron,

-vulling van het landschapsfonds,

-multiplier voor meer privaat geld en ook publiek geld,

-vermindering van afhankelijkheid van subsidies,

-genereren van meer geld of leden door naamsbekendheid van de sponsor.

2Adoptie

Adoptie is een bijdrage van burgers of organisaties aan een activiteit of object waarbij zij een langdurige en nauwe relatie met de organisator aangaan. Dit kan bijvoorbeeld het onderhoud van een knotwilg of een houtwal zijn, of het behoud van weidevogels. De adoptant (burger) sluit een overeenkomst af met de ontvanger (meestal een organisatie) waarin wordt bepaald (1) wat de adoptant zal bijdragen, (2) wat de ontvanger hiervoor zal doen, de ‘prestatie’ en (3) wat de adoptant als geste terugkrijgt, de ‘tegenprestatie’ (informatie, product, anderszins). Het uitvoeren van een adoptieproject kan verschillende voordelen hebben zoals:

-nieuwe inkomstenbron,

-verminderen van afhankelijkheid van subsidies,

-direct contact met burgers en consumenten en vergroting wederzijds begrip,

-meer betrokkenheid van burgers bij natuur en landschap.

3Rood voor groen (nieuw)

Rood voor groen is een vorm van (groene) PPS (Publiek-Private Samenwerking) die intensieve samenwerking vraagt tussen bedrijven en de overheid in een specifiek project. Net zoals bij iedere PPS- constructie, wordt gezocht naar een gunstige verevening van kosten (sterke functie betalen zwakke functies). Bij gewone PPS-constructies kan men aannemen dat bedrijven en financiers uit zijn op maximaal voordeel. Bij groene PPS is het voldoende als het normrendement (de financiële doelen) wordt gehaald en de continuïteit van het bedrijf niet op het spel staat. Wat telt zijn lange termijn overwegingen, zoals een betere marktpositie en versterking van de eigen commerciële en maatschappelijke doelen. Samenwerking met de overheid is aantrekkelijk (zoals in iedere PPS-constructie) omdat de financiële risico's beter kunnen worden gespreid en de investeerder medezeggenschap heeft bij de bestedingen (lees: gebiedsontwikkeling zonder knellende regels). Bovendien kan de overheid vroegtijdig grond verwerven, d.w.z. voordat met de grond gespeculeerd gaat worden. Ook in de exploitatiefase zijn wellicht geïnteresseerde financiers te vinden, die belang hebben bij verdere uitbouw van hun exploitatieportefeuille.

4Ontwikkelingstax / belasting

Bedrijven, projectontwikkelaars, huizenbezitters en andere grondgebruikers dragen een deel van de winst die zij maken met de grond af voor natuur en landschap. Voorbeelden:

-groeifonds Groen Zuidas Amsterdam,

-heffing op bouwgrond voor particulieren bij Gemert Bakel,

-nieuwbouw Poelgeest te Oegstgeest,

-Leidsche Rijn (RLG, 1999).

5Overheidsgelden (subsidies)

'De' overheid bestaat uit gemeenten, semi-overheden zoals water- en recreatieschappen, provincies, rijk en EU. Elke overheidslaag heeft middelen (gedeeltelijk doorgeschoven van hoog naar laag) om natuur- en landschapsbeheer te financieren. Deze gelden kunnen ook centraal 'gestuurd' worden voor een gebied. Hieronder volgt een kort overzicht:

-gemeenten: rijksgelden en eigen middelen uit heffingen en belastingen,

-semi-overheden zoals water- en recreatieschappen: eigen middelen uit heffingen en belastingen,

-provincies: EU-, maar vooral rijksgelden (in te zetten via subsidieregelingen en aankoop),

-rijk: EU-gelden en middelen uit belastingen en andere rijksinkomsten (veelal ingezet via Programma Beheer maar ook via andere wetten en regelingen),

-EU: middelen uit afdrachten van aangesloten landen (o.a. via regelingen zoals Leader+).

6Streekproducten en arrangementen

Opslag op streekproducten en arrangementen. Bij gecertificeerde streekproducten is er al sprake van een landschapsverplichting. Afnemers investeren zo dus direct in de omgeving.

7Publieksacties

Activiteiten die zich richten op het werven van middelen bij het grote publiek in de regio, zoals collectes, direct mailings, loterijen en radio en Tv-acties.

8Giften en legaten

Een gift van een burger zonder dat er een tegenprestatie wordt verlangd. Eenmalige giften zijn beperkt fiscaal aftrekbaar. Meerjarige giften zijn geheel aftrekbaar (mits notarieel vastgelegd).

9Gemeentelijk grondbedrijf

Een deel van overblijvende middelen uit grote projecten kan structureel bestemd worden.

10Grijs voor groen

Een deel van de gelden voor wegenaanleg kan ter compensatie worden gestort in het landschapsfonds.

Bronnen:

website Nederland Mooi, BMB, CLM & Landschapsbeheer Nederland, 2004

website OLS, Ministerie van LNV, 2005

Bestuursakkoord nieuwe stijl, Ministerie van BiZa, 2001

website Provincie Utrecht, Provincie Utrecht, 2004

website Gebiedsgericht Beleid, Ministerie van LNV, 2005

Nationale landschappen: vaste koers en lange adem, RLG, 2005

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.