2. Activeren
2.1 Soorten Activa
2.1.1. Immateriële vaste activa
In overeenstemming met het BBV (artikel 34) worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
•kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;
•kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief;
•bijdragen aan activa in eigendom van derden
Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio
In artikel 63 lid 7 van het BBV is bepaald dat alle passiva – waaronder dus schulden – tegen nominale waarden moeten worden gewaardeerd. Dat houdt in dat de lening voor het totaalbedrag van de aangegane schuld moet worden opgenomen. Het verschil tussen het schuldbedrag en het uitgekeerde bedrag, het (dis)agio, kan naar keuze al dan niet worden geactiveerd.
Uitgangspunt 1:
De kosten van het sluiten van geldleningen niet activeren.
Beleidsvrijheid
Uitgangspunt 2:
Het saldo van agio en disagio af te schrijven gedurende de looptijd van de waardepapieren.
Wettelijke plicht
De kosten van onderzoek en ontwikkeling
De kosten van onderzoek en ontwikkeling mogen worden geactiveerd indien (art. 60 BBV) aan enkele voorwaarden is voldaan:
•het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
•de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
•het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en;
•de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
De kosten van onderzoek en ontwikkeling te activeren als deze voldoen aan de voorwaarden als genoemd in artikel 60 BBV. Tot op heden worden deze kosten ten laste gebracht van de algemene reserve.
Uitgangspunt 3:
De kosten voor onderzoek en ontwikkeling te activeren indien wordt voldaan aan artikel 60 BBV. Indien niet wordt voldaan aan artikel 60 BBV worden de kosten voor onderzoek en ontwikkeling in één keer ten laste van de exploitatie gebracht.
Beleidsvrijheid
Bijdragen aan activa in eigendom van derden
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd indien aan de volgende voorwaarden van het BBV (artikel 61) zijn voldaan;
•er is sprake van een investering door een derde;
•de investering bijdraagt aan de publieke taak;
•de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en;
•de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Als vast staat dat aan alle voorwaarden wordt voldaan mag de gemeente de bijdrage behandelen als was het actief in kwestie in bezit van de gemeente.
Uitgangspunt 4:
Bijdragen aan activa in eigendom van derden, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 61 BBV, activeren.
Wettelijke plicht
2.1.2 Materiële vaste activa
Het BBV (artikel 35) kent drie soorten materiële vaste activa, te weten:
•Investeringen met een economisch nut;
•Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;
•Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
In artikel 59 van het BBV is opgenomen dat:
1Alle investeringen worden geactiveerd;
2In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd.
Uitgangspunt 5:
Alle investeringen worden geactiveerd.
2.1.3 Financiële vaste activa
Onder Financiële vaste activa worden volgens het BBV (artikel 36) verstaan:
•Kapitaalverstrekkingen aan:
° deelnemingen;
° gemeenschappelijke regelingen;
° overige verbonden partijen;
•Leningen aan:
° woningbouwcorporaties;
° deelnemingen;
° overige verbonden partijen;
•Overige langlopende leningen;
•uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
•uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
•Overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
4. Kapitaallasten
4.2 Afschrijven
4.2.1 Afschrijvingstermijnen
Het BBV kent géén regels voor een sluitend systeem waaraan afschrijvingen moeten voldoen, wel zijn kaders gesteld. De belangrijkste zijn:
•In de toelichting op de balans wordt aangegeven volgens welke methoden de afschrijvingen worden berekend (artikel 51);
•Afschrijvingen vinden plaats onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar (artikel 64 lid 1);
•Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur (artikel 64 lid 3);
•In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening.
•In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar.
•Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.
De afschrijvingstermijn van een actief is afhankelijk van de gebruiksduur en wordt bepaald door de economische en technische levensduur. Omdat de economische levensduur gebaseerd is op een schatting zullen hiervoor richtlijnen moeten worden opgesteld voor de diverse activa. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen waarin per activasoort de levensduur wordt weergegeven waarover wordt afgeschreven.
Uitgangspunt 11:
De afschrijvingstermijnen hanteren zoals beschreven in bijlage 1. Indien de te activeren investering niet wordt genoemd in bijlage, neemt de raad een specifieke besluit over de afschrijvingstermijn. De te activeren investering inclusief de afschrijvingstermijn worden conform het raadsbesluit opgenomen in bijlage 1.
Beleidsvrijheid (moet wel een consistente beleidslijn zijn)
4.2.2 Afschrijving op gronden
Het afschrijven op gronden neemt een bijzondere plaats in omdat gronden duurzame goederen zijn die niet aan slijtage onderhevig zijn, er vindt geen duurzame waardevermindering plaats. Er bestaat dan ook geen noodzaak tot afschrijven.
Uitgangspunt 12:
Op gronden niet afschrijven.
Wettelijke plicht
4.2.3 Methoden van afschrijving
Er zijn verschillende methoden om op basis van de afschrijvingsduur te komen tot de afschrijving per periode waarvan de lasten worden toegerekend. De belangrijkste methoden zijn:
•vast percentage van de aanschafwaarde (lineaire afschrijvingsmethode);
•vast percentage van de boekwaarde (degressief afschrijven, niet gebruikelijk bij de overheid);
•jaarlijks gelijkblijvende kapitaallasten (annuïtaire afschrijvingsmethode).
In de praktijk van de gemeente Lopik wordt alleen de lineaire afschrijvingsmethode gebruikt.
Uitgangspunt 13:
Uitsluitend de lineaire afschrijvingsmethode toepassen voor de afschrijvingen van activa.
Beleidsvrijheid
4.2.4 Wijziging van methode van afschrijving
In het BBV is artikel 64 lid 2 gewijd aan de wijziging van de afschrijvingsmethode. Hierin staat dat slechts om gegronde redenen de afschrijvingswijze mag gewijzigd worden. De reden en de financiële consequenties van de verandering worden in de toelichting op de balans uiteengezet. Ook wordt inzicht gegeven in de consequenties hiervan voor de financiële positie en voor de baten en lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of het voorafgaande begrotingsjaar (artikel 64, lid 2).
4.2.5 Extra afschrijven
Extra afschrijven is alleen toegestaan (en zelfs verplicht) als de boekwaarde van het actief hoger is dan het verwachte toekomstige economische nut. Zie hiervoor hoofdstuk 3.4 Afwaarderen activa.
4.2.6 Restwaarde
De restwaarde van de meeste investeringen is van tevoren veelal moeilijk in te schatten. Op grond van het voorzichtigheidsprincipe wordt er dan ook vanuit gegaan dat de restwaarde nihil is. Indien bij inruil van een productiemiddel sprake is van een restwaarde levert dit in de regel een boekwinst op. In overeenstemming met de wetgeving wordt de boekwinst ten gunste van de exploitatie gebracht. Hierdoor wordt een inzichtelijk beeld verschaft in de waardering van de vervangende investering.
Uitgangspunt 14:
Bij het bepalen van de jaarlijkse afschrijving wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.
Beleidsvrijheid
BIJLAGE 1: afschrijvingstermijnen voor geactiveerde investeringen
Geactiveerde investeringen
Afschrijvingstermijn in jaren m.i.v. 2020
Gronden en terreinen
Gronden en terreinen
Niet afschrijven
Woonruimten
Woningen
40
Bedrijfsgebouwen
Gebouwen grotendeels van steen (nieuw)
40
Gebouwen grotendeels van hout (nieuw)
20
Levensduur verlengende renovatie gebouw grotendeels van steen
25
Tijdelijke gebouwen/ noodlokalen/ loodsen/ opslagplaatsen
15
Wegen
Aanleg en reconstructie wegen asfalt
40
Aanleg en reconstructie wegen elementen
40
Aanleg en reconstructie fiets- en voetpaden
40
Aanleg en reconstructie parkeerterrein
40
Aanleg en reconstructie halfverharding
20
Kunstwerken
Betonnen bruggen
80
Stalen bruggen
60
Houten bruggen
40
Kunststof bruggen
40
Metselwerk bruggen
60
Betonduikers
80
Geluidsschermen
80
Kademuur, stalen damwanden, tunnel
80
Levensverlengende maatregelen
maatwerk
Openbaar groen
Vervangingen regulier onderhoud
niet afschrijven
Vervangingen integraal project
termijn weg of riolering
Oevers en oeverconstructies
Hout onder water
75
Hout boven water
20
Beton
80
Staal
80
Openbare Verlichting
Lichtmasten
niet afschrijven
Speelvoorzieningen
Speelvoorzieningen
niet afschrijven
Sportvoorzieningen
Inrichting sportterreinen
30
Sportvoorzieningen
20
Kunstgrasvelden (toplaag)
10
Begraafplaats
(Uitbreiding) begraafplaats
40
Herinrichting begraafplaats
20
Afvalverwerking
Afvalcontainers
15
Riolering
Vrijverval riolering
60
Elektromechanische installatie gemalen en pompunits
15
Bouwkundige onderdelen gemalen en pompunits
60
Pers-, druk-, en vacuümleiding
60
Elektromechanische installatie randvoorzieningen
15
Bouwkundige onderdelen randvoorzieningen
60
Vervoermiddelen/Tractiemiddelen
Vrachtauto’s, bestauto’s, personenauto’s en aanhangwagens
8
Trekkers en shovels
8
Machines, apparaten en installaties
Installaties sportterreinen
15
Overige machines, apparaten en installaties
maximaal 20 jaar
ICT
Hardware
maximaal 7
Software
maximaal 7
Telefoons
5
Overig
Kosten onderzoek en ontwikkeling
Maximaal 5
Kantoorinventaris en meubilair
10
BIJLAGE 2: samenvatting van de uitgangspunten
Uitgangspunt 1
De kosten van het sluiten van geldleningen niet activeren.
Uitgangspunt 2
Het saldo van agio en disagio af te schrijven gedurende de looptijd van de waardepapieren.
Uitgangspunt 3
De kosten voor onderzoek en ontwikkeling te activeren indien wordt voldaan aan artikel 60 BBV.
Uitgangspunt 4
Bijdragen aan activa in eigendom van derden, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 61 BBV, activeren.
Uitgangspunt 5
Alle investeringen worden geactiveerd.
Uitgangspunt 6
Investeringen met een levensduur van twee jaar of minder en/of een aanschafwaarde lager dan € 10.000, niet te activeren maar ineens ten laste van de exploitatie te brengen.
Hiervoor geldt één uitzondering: gronden en terreinen, deze worden altijd geactiveerd.
Uitgangspunt 7
Onderhoudskosten worden niet geactiveerd, tenzij er sprake is van een levensduurverlengende investering.
Uitgangspunt 8
Op investeringen worden de bijdragen van derden die in directe relatie staan met de investering in mindering gebracht.
Uitgangspunt 9
Bij de vervaardigingsprijs van investeringen wordt geen rekening gehouden met een redelijk deel van de indirecte kosten en rente over het tijdvak dat aan vervaardiging van het actief kan worden toegerekend.
Uitgangspunt 10
Voor het activeren wordt gekozen voor één afschrijvingstermijn. Voor de kosten van toekomstig groot onderhoud worden onderhoudsvoorzieningen gevormd.
Uitgangspunt 11
De afschrijvingstermijnen hanteren zoals beschreven in bijlage 1. Indien de te activeren investering niet wordt genoemd in bijlage, neemt de raad een specifiek besluit over de afschrijvingstermijn. De te activeren investering inclusief de afschrijvingstermijn worden conform het raadsbesluit opgenomen in bijlage 1.
Uitgangspunt 12
Op gronden niet afschrijven.
Uitgangspunt 13
Uitsluitend de lineaire afschrijvingsmethode toepassen voor de afschrijvingen van activa.
Uitgangspunt 14
Bij het bepalen van de jaarlijkse afschrijving wordt géén rekening gehouden met een restwaarde.
Uitgangspunt 15
De rente wordt toegerekend op basis van het in de begroting berekende percentage (het omslagpercentage).
Uitgangspunt 16
Het actief wordt afgeschreven met ingang van het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het gereed komt/verworven wordt.
Uitgangspunt 17
De rentetoerekening vindt plaats over de boekwaarde op 1-1 van het begrotingsjaar.
Uitgangspunt 18
Investeringskredieten worden alleen besteedt waarvoor het beschikbaar is gesteld. Overheveling van restantkredieten is alleen mogelijk middels een raadsbesluit.
Uitgangspunt 19
Investeringskredieten die ouder zijn dan twee jaren en niet zijn gestart, worden niet voor verdere uitvoering in het volgende begrotingsjaar in stand gehouden.
Uitgangspunt 20
Investeringskredieten hebben een maximale looptijd van 3 jaren, tenzij bij raadsbesluit hiervan wordt afgeweken. De termijn van 3 jaren gaat in op 1 januari volgend op de datum van het raadsbesluit. Het college heeft de mogelijkheid om termijn met één jaar te verlengen. Bij tussentijdse rapportages vindt verantwoording plaats.
BIJLAGE 3: overzicht begrippen
Activa
De bezittingen van de gemeente zijn ingedeeld in vaste en vlottende activa.
Activeren
Het opnemen van investeringen op de balans. De waarde van de activa is een onderdeel van het vermogen van de gemeente. De jaarlijkse lasten (de kapitaallasten) worden ten laste van de exploitatie gebracht.
Afschrijven
Een boekhoudkundige weergave van de waardevermindering van activa wegens technische slijtage en economische veroudering. Het af te schrijven bedrag hangt af van de levensduur van de investering. De afschrijvingen zijn een onderdeel van de kapitaallasten. De meest voorkomende methoden van afschrijving zijn de lineaire afschrijving en de annuïtaire afschrijving.
Agio/disagio
Agio is het verschil tussen het bedrag waarvoor een lening wordt aangegaan en het bedrag dat aan de geldnemer wordt uitgekeerd. Agio kan ook te maken hebben met aandelen. De prijs, of koers, van het aandeel is opgebouwd uit de nominale waarde plus het agio. Disagio is het tegenovergestelde van agio.
Afschrijvingsmethode
De afschrijvingsmethode bepaalt de wijze waarop waarde vermindering van de activa ten laste van de exploitatie worden gebracht.
-de annuïtaire methode is een methode waarbij de kapitaallasten jaarlijks gelijk zijn gedurende de gehele economische levensduur van de investering. In de beginjaren is de afschrijvingscomponent laag en de rentecomponent hoog. Aan het einde van de periode ligt deze verhouding andersom.
-de lineaire afschrijvingsmethode is methode waarbij de kapitaallasten jaarlijks dalen. De afschrijvingscomponent is jaarlijks gelijk. Als gevolg van de daling van de boekwaarde neemt de jaarlijkse rentelast af.
Balans
Het overzicht van bezittingen en schulden van de gemeente. De balans is opgenomen in de jaarrekening van de gemeente.
Boekwaarde
Waarde van de activa op de balans. De waarde bestaat uit de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingen.
Boekwinst
Als activa wordt verkocht tegen een prijs die hoger is dan de resterende boekwaarde op het moment van verkoop.
Economische levensduur
De economische levensduur wordt bepaald door rationeel en doelmatig gebruik rekening houdend met technologische ontwikkelingen.
Financiële vaste activa
Een groep van activa die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen, bijvoorbeeld deelnemingen of aandelen.
Financieringsmiddelen
De wijze waarop (geld)middelen worden ingezet om activa aan te schaffen. Financiering kan met eigen financieringsmiddelen (reserves en voorzieningen) gescheiden dan wel met externe financieringsmiddelen (langlopende geldleningen).
Immateriële vaste activa
Investeringsuitgaven waar geen gemeentelijk bezit tegenover staan. Dit zijn activa zoals goodwill, de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen, het saldo van agio en disagio en de kosten van onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van een bepaald actief.
Investeren
Het aanschaffen of het zelf produceren van activa. Hierbij is het de bedoeling de activa meerdere jaren te gebruiken.
Investering
Een uitgave van enige omvang, waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Onderscheid wordt gemaakt tussen investering met een economisch nut en investeringen met een maatschappelijk nut.
Investering met een economisch nut
Activa die kunnen bijdragen aan het genereren van middelen, bijvoorbeeld door het vragen van gebruiksrechten, heffingen, leges of huren, of activa die verhandelbaar zijn. Bijvoorbeeld gebouwen. Deze investeringen moeten volgens de BBV worden geactiveerd.
Investering met een maatschappelijk nut
Activa die geen mogelijkheid hebben middelen te genereren maar wel duidelijk een publieke taak vervullen zoals wegen, groenvoorziening, bruggen e.d.
Investeringskrediet
Het bedrag dat de gemeenteraad beschikbaar stelt voor het doen van een investering. Bij het beschikbaar stellen van het krediet is informatie beschikbaar over de wijze waarop de investering wordt geactiveerd en ten laste wordt gebracht van de exploitatie.
Kapitaallasten
Dit zijn de jaarlijks terugkerende lasten die samenhangen met de investeringen. De kapitaallasten bestaan uit afschrijvingen en rente.
Levensduurverlengende investeringen
Dit zijn investeringen die worden gedaan om een bestaand actief te verbeteren en leiden tot een substantieel langere levensduur van het betreffende actief.
Liquide middelen
Zijn geldmiddelen waarover de gemeente direct kan beschikken, zoals een kas of een spaarrekening bij de bank.
Materiële vaste activa
Dit zijn investeringsuitgaven waar (tastbare) bezittingen tegenover staan, die meerdere jaren zijn te gebruiken.
Nieuwe of Uitbreidingsinvesteringen
Dit zijn investeringen ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe activiteiten of uitbreiding van de huidige activiteiten.
Rente
Er zijn meerdere betekenissen van het begrip rente. In de context van activa en afschrijvingen is het begrip rente te omschrijven als een vergoeding voor het beslag dat de boekwaarde legt op de financieringsmiddelen van de gemeenten. De rente is een onderdeel van de kapitaallasten.
Restwaarde
De restwaarde is een schatting van de opbrengstwaarde van het actief aan het einde van de levensduur tegen het huidige prijspeil verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van het actief.
Technische levensuur
Het aantal jaren dat een actief daadwerkelijk meegaat, voordat het technisch versleten is.
Vaste activa
De bezittingen van de gemeente waarvan het daarvoor benodigde vermogen voor een periode langer dan een jaar is vastgelegd. Voorbeelden zijn gronden, gebouwen en inventaris. De vaste activa worden onderverdeeld in: immateriële vaste activa, materiële vaste activa en financiële vaste activa.
Verkrijgingsprijs
Het geldbedrag dat is betaald om activa aan te schaffen (inkoopprijs en de bijkomende kosten).
Vervaardigingsprijs
De kosten die gemaakt zijn ten behoeve van het intern vervaardigen van een actief.
Vervangingsinvesteringen
Het vervangen van een actief waarvan de technische of economisch levensduur is verstreken.
Vlottende activa
De bezittingen van de gemeente waarvan het daarvoor benodigde financiële vermogen voor een periode korter dan één jaar is vastgelegd. Binnen een jaar moeten de vlottende activa zijn omgezet in geldmiddelen. Voorbeelden zijn, voorraden, debiteuren en liquide middelen.
Voorbereidingskrediet
Het beschikbaar stellen van een krediet waarvan het nog niet zeker is dat “de investering” leidt tot een actief. Voorbereidingskredieten worden slechts geactiveerd indien het heeft geleid tot een te activeren investering met meerjarig nut.
Voorraden
Dit zijn goederen die in bewaring worden gehouden. De BBV kent het volgende onderscheid: grond- en hulpstoffen (onderverdeeld in niet in exploitatie genomen bouwgronden en overige grond- en hulpstoffen), onderhanden werk waaronder bouwgronden in exploitatie, gereed product en handelsgoederen.
BIJLAGE 4: wettelijke voorschriften/artikelen BBV
Balans indeling
Artikel 33
Onder de vaste activa worden afzonderlijk opgenomen de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa.
Artikel 34
In de balans worden onder de immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio;
b.kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.
c.bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Artikel 35
1In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.investeringen met een economisch nut;
b.investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven;
c.investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
2Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven.
Artikel 36
In de balans worden onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.kapitaalverstrekkingen aan:
1deelnemingen;
2gemeenschappelijke regelingen;
3overige verbonden partijen;
b.leningen aan:
1openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering
2woningbouwcorporaties;
3deelnemingen;
4overige verbonden partijen;
c.overige langlopende leningen;
d.uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
e.uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
f.overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer;
Balanstoelichting
Artikel 51
In de toelichting op de balans wordt aangegeven volgens welke methoden de afschrijvingen worden berekend.
Artikel 52
1In de toelichting op de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen:
a.gronden en terreinen;
b.woonruimten;
c.bedrijfsgebouwen;
d.grond-, weg- en waterbouwkundige werken;
e.vervoermiddelen;
f.machines, apparaten en installaties;
g.overige materiële vaste activa.
2In de toelichting op de balans wordt het verloop van de activa, als bedoeld in het eerste lid, gedurende het begrotingsjaar, in een sluitend overzicht weergegeven. Daaruit blijken, voor zover van toepassing:
a.de boekwaarde aan het begin van het begrotingsjaar;
b.de investeringen of desinvesteringen;
c.de afschrijvingen;
d.bijdragen van derden direct gerelateerd aan een actief;
e.afwaarderingen wegens duurzame waardeverminderingen;
f.de boekwaarde aan het einde van het begrotingsjaar.
Artikel 59
1Alle investeringen worden geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd.
Artikel 60
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd indien:
a.het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen;
b.de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat;
c.het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en;
d.de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld.
Artikel 61
Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien:
er sprake is van een investering door een derde;
a.er sprake is van een investering door een derde;
b.de investering bijdraagt aan de publieke taak;
c.de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en;
d.de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering.
Artikel 62
1Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd.
2In afwijking van het eerste lid worden bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief op de waardering daarvan in mindering worden gebracht.
3In afwijking van het eerste lid moeten de voorzieningen, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, in mindering gebracht worden op de investeringen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.
Artikel 63
1Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
2De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten.
3De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd.
4Voor in erfpacht uitgegeven gronden geldt de uitgifteprijs van eerste uitgifte als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde.
5Van activa waarvan de bestemming verandert, wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming in de toelichting op de balans opgenomen.
6In afwijking van het eerste lid is waardering tegen actuele waarde toegestaan voor de activa van de Nazorgfondsen bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer.
7Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd.
8Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend.
Artikel 64
1De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.
2Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande begrotingsjaar.
3Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
4In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk aan de looptijd van de lening.
5In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste vijf jaar.
6Voor bijdragen aan de activa in eigendom van derden, bedoeld in artikel 34, onderdeel c, is de afschrijvingsduur maximaal gelijk aan die van de activa waarvoor de bijdrage aan derden wordt verstrekt.
Artikel 65
1Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen.
2Voorraden en deelnemingen worden tegen de marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
3Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde.