Gemeentelijke regelgeving

Nota Advisering, Uitvoering (regulering en toezicht) en Handhaving 2025

Gemeente Lisse · geldt sinds 4 maart 2026

Hoofdstuk 2 Advisering

2.3 Milieuaspecten

2.3.1 Afval en afvalwater

De Omgevingswet bevat geen direct werkende regels voor het opruimen van zwerfafval. De regels voor het opruimen van zwerfafval moeten in het omgevingsplan opgenomen worden. De ODWH heeft kennis op dit gebied en biedt ondersteuning. Ook op het gebied van afvalwater heeft de ODWH expertise. Dit speelt een rol bij onder meer bedrijven, horeca en bodemenergiesystemen. Een voorbeeld is het lozen van industrieel afvalwater in een openbaar vuilwaterriool.

2.3.2 Archeologie

De ODWH beoordeelt archeologische onderzoeksrapporten en adviseert over beleid en regelgeving.

•Verplichtingen

Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Daarnaast zijn gemeenten verplicht om in een omgevingsplan in ieder geval regels te stellen ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed. Daarbij moet ten eerste rekening worden gehouden met het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten. Ten tweede moet rekening worden gehouden met het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in ‘situ’.

•Mogelijkheden

Naast deze verplichtingen zijn er ook mogelijkheden voor het omgevingsplan. Ten eerste kunnen voor de archeologische monumentenzorg regels worden gesteld over; eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie, aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

Ten tweede kunnen gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking.

Als in een omgevingsplan regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek, dan gelden die regels niet voor activiteiten met een oppervlakte van minder dan 100 m2. De gemeente kan in het omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. Daarom zal een gemeente de vrijstelling ook met archeologisch-inhoudelijke redenen moeten onderbouwen. Hierbij kan zeer goed gebruik gemaakt worden van een eigen archeologische waarden- en verwachtingenkaart en beleidskaart.

2.3.3 Activiteiten en milieuzonering

De ODWH wordt door alle gemeenten betrokken bij ruimtelijke adviezen omtrent activiteiten en milieuzonering. Uitgangspunt daarbij is een evenwichtige toewijzing van functies aan locaties, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Zo worden de rechten van bedrijven geborgd en wordt ook gezorgd voor een gezonde en veilige leefomgeving waarin wordt voldaan aan de geldende milieunormen. Hierbij houdt de ODWH ook rekening met de ambities van de gemeente voor een bepaald gebied.

2.3.4 Bodem en water

Door klimaatverandering wordt het echter steeds moeilijker om Nederland te beschermen tegen zowel wateroverlast als droogte. Ook staat de waterkwaliteit onder druk. Door water en bodem leidend te maken in de ruimtelijke ordening en inrichting kunnen we onze leefomgeving hierop aanpassen. Zodat we nu en in de toekomst met elkaar kunnen wonen, werken en recreëren in een veilig Nederland. In 2022 is een landelijke transitie gestart om water en bodem leidend te maken in ruimtelijke keuzes.

Verschillende Zuid-Hollandse omgevingsdiensten zijn al een aantal jaar bezig met het geven van 4D-advies op het thema ‘water en bodem’. De ODWH is dit ook opgestart en zal het de komende jaren verder doorontwikkelen. Het advies is integraal vanuit RO, duurzaamheid en bodem. In het kader van duurzaamheid wordt er geadviseerd op de thema’s klimaatadaptatie, energie en circulaire economie. Vanuit bodem wordt er gekeken naar onderwerpen als bodemdaling, stabiliteit en draagkracht en chemische kwaliteit. Het advies kan verschillende verdiepingsgradaties hebben die aansluiten bij de fase waarin het advies wordt uitgevraagd (bijvoorbeeld voor de intaketafel of een omgevingsvergunning). De ODWH wil vanaf een vroeg stadium water en bodem laten leiden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Verder beoordeelt de ODWH ook bodemrapporten zoals bij vergunningen en andere ruimtelijke plannen.

2.3.5 Duurzaamheid en energie

Op het gebied van duurzaamheid ondersteunt de ODWH de deelnemers bij het realiseren van energiezuinige en milieuvriendelijke ontwikkelingen. Het adviesproces richt zich op zowel ruimtelijke plannen als bouwprojecten, waarbij wordt getoetst aan duurzaamheidscriteria zoals de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG), milieuprestatie-eisen (MPG) en de toepassing van zonnepanelen en laadpalen. Ook wordt gekeken naar isolatie en andere zaken die bijdragen aan een duurzame bouwpraktijk. Adviezen variëren van korte ‘Quickscans’, waarbij mogelijke belemmeringen en benodigde onderzoeken worden geïdentificeerd, tot uitgebreide beoordelingen van de goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving en technische bouwactiviteiten. Bij deze adviezen maakt de ODWH gebruik van diverse informatiebronnen zoals Street Smart, IPLO en gemeentelijk beleid. Daarnaast biedt de ODWH ondersteuning aan de deelnemers bij energiescans, het Energieloket en de Regionale Energie Strategie (RES). Het team Duurzaamheid van de ODWH maakt gebruik van de expertise van andere teams, evenals externe partijen indien nodig.

2.3.6 Ecologie

Op het gebied van ecologie biedt de ODWH advies over de bescherming van Natura 2000-gebieden, andere beschermde gebieden, flora en fauna, biodiversiteit en natuurinclusief bouwen. Dit speelt een rol bij zowel ruimtelijke plannen als vergunningverlening, waarbij wordt beoordeeld of een activiteit mogelijk is binnen de wettelijke kaders. Voor flora en fauna worden bepaalde protocollen en kennisdocumenten gecontroleerd, zoals de Kennisdocumenten Soortenbescherming van Bij12 en het vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus. De ODWH geeft ook algemene adviezen aan deelnemers naar aanleiding van onder andere uitspraken van de rechter en nieuwe stikstofwetgeving en informeert over de gevolgen voor lokale ontwikkelingen. Voor stikstofdepositie wordt gebruik gemaakt van de AERIUS Calculator en rapporten van het RIVM, TNO en andere gerenommeerde instanties. De ODWH werkt nauw samen met andere omgevingsdiensten, overheden en provinciale instanties om een allesomvattende aanpak te waarborgen. Overleg en kennisuitwisseling tussen verschillende partijen zorgen ervoor dat de adviezen niet alleen juridisch correct zijn, maar ook praktisch uitvoerbaar en afgestemd op de specifieke situatie.

2.3.7 Geluid

Binnen de ODWH kan vanuit verschillende invalshoeken advies worden geleverd over geluid en het voorkomen of beperken van geluidhinder. Dat kan dat op verzoek van de gemeente en/of provincie naar aanleiding van klachten of in behandeling zijnde vergunning of toezichtzaken. Of als vakdeskundige in het kader van een integraal door de ODWH te leveren advies. Bijvoorbeeld om te beoordelen of een bepaalde ontwikkeling mogelijk is vanuit het oogpunt van geluid en of de ruimtelijke onderbouwing voor het plan voldoet. Verder lost de ODWH ook historische "probleemgevallen” op in situaties waarbij geluid door autonome ontwikkelingen een te grote belasting is gaan vormen voor het welbevinden van burgers. Dit doet de ODWH door o.a. het uitvoeren van geluidsaneringen en het (laten) aanbrengen van isolerende maatregelen.

Daarnaast bestaat in de wet de mogelijkheid om onder voorwaarden een hogere geluidsbelasting op een woning toe te staan (tot 1 januari 2024 onder de Wet geluidhinder en sinds 1 januari 2024 in de Omgevingswet). Dit heet de ‘Hogere Waarde’. Het bevoegd gezag (de gemeente) moet altijd motiveren waarom ze een hogere geluidsbelasting toelaat. De ODWH kan voor deze motivering, geluid meten, berekeningen uitvoeren, rapportages toetsen en advies uitbrengen.

Het onderliggende doel van deze advisering is het voorkomen van geluidsoverlast en het realiseren van een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving. Dit wordt bereikt door een evenwichtige toekenning van functies aan locaties. Om te kunnen beoordelen of een ontwikkeling hieraan kan voldoen raadpleegt de ODWH de wet- en regelgeving voor geluid. Hieronder vallen de planregels uit het omgevingsplan, de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de voorschriften uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

De initiatiefnemer levert noodzakelijke documenten aan, zoals een akoestisch onderzoek of een goede onderbouwing van de ontwikkeling. Aan de hand van deze documenten wordt beoordeeld of de ontwikkeling, onder bepaalde voorwaarden, mogelijk is. Als het nodig is wordt er overlegd met de behandelend ambtenaar, de initiatiefnemer of het bevoegd gezag. Er is ook veelvuldig overleg met collega’s die gespecialiseerd zijn in geluid. Het advies van de ODWH heeft als doel om ervoor te zorgen dat een ontwikkeling voldoet aan de relevante regelgeving en bijdraagt aan een evenwichtige toekenning van functies aan locaties.

2.3.8 Gezondheid

Bij de (beleving van de) kwaliteit van de leefomgeving speelt ook gezondheid een rol. Gemeenten kunnen eigen ambities op het gebied van gezondheid vastleggen en uitwerken. Dit is vastgelegd in artikel 1.3 van de Omgevingswet. Een van de doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toekenning van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.

De ODWH heeft nauw overleg met de GGD om gezondheid een plek te geven in de advisering. Waar mogelijk neemt de ODWH gezondheid mee in de advisering (bijv. bij luchtkwaliteit, drift van gewasbeschermingsmiddelen). Bij grotere projecten of projecten op een hoog belaste locatie wordt advies ingewonnen bij de GGD. Dit advies wordt, voor zover mogelijk, tegelijk met het integraal advies van de ODWH aan de gemeente verzonden. Ook sluit de GGD wanneer bij bepaalde plannen aanleiding voor is, aan bij de intaketafel en/of omgevingstafel.

2.3.9 Licht

Lichthinder kan leiden tot slaapverstoring en daarom van invloed zijn op het welbevinden van de mensen. De ODWH adviseert over lichthinder zowel bij ruimtelijke ontwikkelingen maar ook bij vergunningverlening of bij het behandelen van klachten. Daarbij maakt de ODWH onder andere gebruik van de landelijke Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (RLNSV).

2.3.10 Lucht en geur

De advisering over lucht en geur is gericht op het handhaven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en het voorkomen van hinder en gezondheidsrisico’s. Bij de beoordeling van aanvragen voor milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven die geur of schadelijke stoffen uitstoten, wordt getoetst aan de geldende regelgeving. Dit omvat emissies van geur, stof, vluchtige organische stoffen (VOS) en zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). De ODWH adviseert ook bij ruimtelijke plannen (wijziging omgevingsplan, BOPA). De ODWH gebruikt hulpmiddelen zoals het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit en specifieke rekentools voor geurverspreiding. Op dit moment heeft de ODWH nog veel te maken met de BOPA en tijdelijke alternatieve maatregelen via het informatiemodel ruimtelijke ordening (TAM-IMRO). Hierbij adviseert de ODWH de gemeente over het invulling geven aan de bestuurlijke afwegingsruimte en het voldoen aan de regels uit het Bkl en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV). In de toekomst zal meer gebruik worden gemaakt van data uit de omgevingsvisie, het omgevingsplan en andere beleidsdocumenten. De samenwerking met milieuspecialisten en externe deskundigen zorgt ervoor dat de adviezen gebaseerd zijn op actuele gegevens, wat essentieel is voor het waarborgen van de luchtkwaliteit en het beperken van geurhinder. Op dit moment wordt gebruik gemaakt van het geurbeleid van de provincie. Wanneer een gemeente behoefte heeft aan een eigen specifiek geurbeleid dan zou de ODWH het voorstel van dit beleid kunnen uitwerken om op te nemen in het omgevingsplan.

2.3.11 Klimaatadaptie

In het kader van de nieuwe cyclus Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie (DPRA) worden er in 2025 stresstesten uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze testen worden er gesprekken gestart met de gemeenten en de verschillende regiopartners (risicodialogen). Aan de hand van deze gesprekken en de stresstesten worden er klimaatadaptatiestrategiën opgesteld. Bij het coördineren en organiseren van de risicodialogen maakt de ODWH gebruik van de expertise van andere omgevingsdiensten. Zij waren in de vorige DPRA-cyclus ook betrokken bij het uitvoeren van de stresstesten en de risicodialogen. Op de deze manier bouwt de ODWH eigen vakkennis op en houdt deze in de regio in plaats van dat de expertise bij adviesbureaus blijft liggen. Dit jaar pakt de ODWH dit bij de eerste gemeente op en is het plan meerdere deelnemers in deze taak te ontlasten.

2.3.12 Milieueffectrapportage (MER)

Een Milieueffectrapportage (MER) levert informatie op die nodig is om het milieubelang mee te wegen bij besluiten over plannen en projecten met grote milieugevolgen. In een MER worden de milieugevolgen en de mogelijke alternatieven onderzocht. Bij het opstellen van een omgevingsvisie en omgevingsplan is het opstellen van een MER verplicht. Deze verplichting komt omdat de omgevingsvisie en –plan kaderstellend is voor MER‐(beoordelings)‐plichtige besluiten. De adviserende rol van de commissie Milieueffectrapportage blijft dus ongewijzigd. De ODWH adviseert over de Milieueffectrapportage en kan de gemeente bijstaan bij overleg met de Commissie MER.

Het is belangrijk om de processen van de Omgevingsvisie of omgevingsplan, participatie en het MER op elkaar af te stemmen of te integreren in één proces. Op deze manier kan de besluitvorming optimaal profiteren van de informatie die het milieueffectrapport aanreikt.

2.3.13 Externe veiligheid

Een ander belangrijk aandachtsgebied is externe veiligheid. De ODWH adviseert over risico’s die voortvloeien uit bijvoorbeeld de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Dit speelt een rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, vergunningverlening en toezicht. De advisering heeft als doel risico’s voor de omgeving te voorkomen en te beheersen. Bij het beoordelen van plannen worden relevante wet- en regelgeving geraadpleegd, zoals het Bkl, het Bal en de richtlijnen van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (hierna: PGS-richtlijnen). Voor complexe vraagstukken, zoals kwantitatieve risicoberekeningen (hierna: QRA’s), werkt de ODWH samen met gespecialiseerde partners zoals de DCMR. Ook wordt samengewerkt met de Veiligheidsregio Hollands-Midden, bijvoorbeeld bij het analyseren van aspecten zoals bereikbaarheid en bestrijdbaarheid bij calamiteiten. Door deze multidisciplinaire aanpak levert de ODWH een waardevolle bijdrage aan het waarborgen van de veiligheid binnen de regio.

Hoofdstuk 3 Uitvoering

3.2 Toezicht

3.2.1 Landelijk kwaliteitsniveau

Het landelijk kwaliteitsniveau wordt bepaald door de eisen die zijn vastgelegd in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit over de organisatie van toezicht en handhaving. Een centrale focus ligt hierbij op de eis van programmatisch toezicht. De Wet vergunningverlening, toezicht en handhaving (Wet VTH), die is opgegaan in de Omgevingswet, bevat de uitgangspunten die het lokale bevoegd gezag moet hanteren bij het bepalen van de gewenste kwaliteit van uitvoering. De Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) biedt een uniform kader op landelijk niveau voor interventies bij vergelijkbare overtredingen. De LHSO is als bijlage 4 toegevoegd.

Door te voldoen aan de eisen van programmatische handhaving en risicogestuurd toezicht, creëren we een gelijk speelveld voor burgers en bedrijven. Daarnaast ontwikkelen we ons verder om uiterlijk april 2026 te voldoen aan Kwaliteitscriteria 3.0 en de implementatie van de LHSO. Dit bevordert uniformiteit en transparantie, waarbij rechtsgelijkheid wordt gewaarborgd en de uitvoering van toezicht en handhaving controleerbaar en transparant wordt.

Bij toezicht en handhaving op milieuregelgeving (inclusief asbestsloop bij en door bedrijven, duurzaamheid en bodem) moeten keuzes worden gemaakt. Niet elk bedrijf, (potentieel) risico of aspect kan met dezelfde intensiteit worden aangepakt. Daarom is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de diverse risico's. Prioritering vindt plaats op basis van een risicoanalyse. Daarbij is het naleefgedrag van bedrijven eveneens van belang. Bij de volgende programma's vindt toezicht plaats: milieu, energie, bodem en (sloop)asbest.

De werkprocessen van deze programma's verschillen zodanig dat het uitvoeringsbeleid daarvoor net verschillend is. In de volgende paragrafen wordt beleidsmatig beschreven hoe hier het risicogerichte toezicht wordt uitgevoerd.

Bij het beschrijven van handhavingsdoelen en prioriteiten wordt een risicogestuurde benadering toegepast: toezicht en handhaving zijn gericht op situaties met de grootste risico's. Bij het bepalen van deze risico's en de prioritering wordt gekeken naar de omvang van de mogelijke gevolgen voor de leefomgeving en de veiligheid. Hierbij wordt zowel de kans op het niet naleven van wet- en regelgeving als de gevolgen van dit niet naleven in overweging genomen.

3.2.2 Toezicht milieu

Vanuit het Interbestuurlijk programma (IBP) is een voorbeeld van een risicomodel Toezicht Milieu gepresenteerd. Deze systematiek staat model voor het risicogerichte toezicht. Landelijk is afgesproken dat dit model de basis voor implementatie binnen alle Omgevingsdiensten. Deze implementatie gaat in gecontroleerde stappen. Dit risicomodel wordt binnen de ODWH de komende periode uitgewerkt. Door middel van ambtelijke sessies zullen de vertegenwoordigers van de gemeenten en de provincie worden uitgenodigd om richting te geven aan dit risicomodel. De beleidsmatige uitvoering van toezicht milieu zal vanaf 2027 worden uitgevoerd.

Het risicomodel wordt als volgt opgebouwd.

Het model bestaat uit vijf samenhangende onderdelen:

1Prioriteiten algoritme

a.Geeft real-time prioriteitsscores aan controles.

b.Gebruikt de formule: milieurisico = naleefgedrag x milieurelevantie x tijd sinds laatste controle.

c.Analyseert meer dan 100 variabelen uit diverse databronnen.

2Dynamisch normtijden algoritme

a.Berekent indicatieve controletijd per locatie.

b.Helpt bij planning, output sturing en eerlijke werkverdeling.

c.Vertaalt berekende tijd naar handige indicatoren (S, M, L, XL, XXL).

3Data dashboard

a.Biedt toezichthouders directe toegang tot vele databronnen.

b.Geen tijdrovend inloggen op externe portals meer nodig.

4Gebruiksvriendelijke interface

a.Rangschikt bedrijfslocaties op basis van prioriteit.

b.Geeft met één druk op de knop alle relevante informatie per locatie.

5ViCo: Virtuele Collega (in ontwikkeling)

a.Gaat een stap verder dan het data dashboard.

b.Analyseert data per bedrijfslocatie en spoort opvallende zaken op.

c.Signaleert bijvoorbeeld verlopen keuringen of onverwachte afvalpatronen.

Dit risicomodel staat als basis voor het uitvoeren van planmatig toezicht. Onderdeel van het model is bonus malus; bij bedrijven met goed naleefgedrag kan minder toezicht worden uitgevoerd en bij bedrijven die de zaken niet op orde hebben wordt meer toezicht uitgevoerd.

Toezichtsmodel 2026

Zoals hierboven gesteld zal het nieuwe risicomodel in 2027 live gaan. Om de overgangsperiode beleidsmatig te dekken wordt het huidige risicomodel in 2026 nog gebruikt. Risicogericht toezicht is een belangrijke aanpak die de ODWH zal gebruiken. Dit is belangrijk voor ons werk, omdat het ons helpt middelen goed te gebruiken en de meest dringende situaties voorrang te geven. Bij risicogericht toezicht kijken we niet alleen naar de naleving van regels, maar ook naar de mogelijke gevolgen van overtredingen voor mens en milieu. Dit betekent dat we ons richten op die activiteiten en bedrijven waar de grootste risico's bestaan.

Hieronder volgt de standaardcategorisering van bedrijven en de mate waarin in 2026 toezicht wordt gehouden.

Categorie bedrijven

Milieucategorie

Relevantie milieuaspecten

Controle frequentie inzet toezicht

4, 5 en 6

Complex (D)

Essentieel

Jaarlijks

3

Standaard (C)

Relevant

1xper 3 jaar

2

Eenvoudig (B)

Op thema's relevant

themacontroles

1

Minimum (A)

Weinig relevant

signaaltoezicht

Tabel x. Statische risicoanalyse.

Toezicht vanaf 2027

Vanaf 2027 zal een andere planningsmethodiek worden ingezet, gebaseerd op het risicomodel en/of branches met bepaalde Milieubelastende Activiteiten (MBA’s). Hierdoor wordt een verfijning van de controlefrequentie gerealiseerd, dat meer recht doet aan risicogericht toezicht. Kort gezegd worden risicovollere bedrijven in de regel frequenter gecontroleerd dan bedrijven met een lager risicoprofiel.

Hierbij zullen brancheplannen richtinggevend zijn voor de te controleren milieuaspecten. Ook worden hierbij de voorschriften uit het Omgevingsplan meegenomen. In de afgelopen jaren zijn de metadata aangevuld met MBA’s en hier wordt voorlopig mee doorgegaan totdat het gehele bedrijfsbestand met MBA’s is gevuld.

Uitvoering toezicht

De ODWH houdt in de regel aangekondigd toezicht. De reden is dat ondernemers niet altijd in de gelegenheid zijn om tijdens de controle aanwezig te zijn. Op deze wijze verloopt voor zowel de toezichthouder als voor de ondernemer de controle efficiënter dan wanneer die onaangekondigd plaatsvindt. Dit neemt echter niet weg dat wij op grond van het naleefgedrag, de voorgeschiedenis of de aard van de MBA (bijv. handling gevaarlijke stoffen) of branche te allen tijde onaangekondigde controles kunnen uitvoeren. Als specifieke personen binnen een bedrijf nodig zijn voor de uitvoering van een controle, wordt een vervolgafspraak gemaakt.

Voor het uitvoeren van een milieucontrole is een apart werkproces opgesteld, wat gaat over de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van de controle. Dit werkproces sluit aan bij het werkproces zoals dat in het zaaksysteem is ingeregeld. Bij complexe dossiers wordt een meerjarig toezichtsplan opgesteld, waarbij de verschillende milieuhygiënische aspecten conform de planning worden gecontroleerd. Of een toezichtplan aan de orde is, wordt aan de hand van een aantal parameters bepaald. Dit gebeurt na interne afstemming.

Om de toezichtkwaliteit te bevorderen worden locatiedossiers periodiek van toezichthouder gewisseld. Dit is onder andere nodig om “blinde vlekken” bij een toezichthouder te voorkomen en om ervoor te zorgen dat de kans op het ontstaan van een vertrouwensrelatie met de ondernemer zo klein mogelijk is. Toezichthouden dient immers op een professionele zakelijke wijze plaats te vinden.

Ongewone voorvallen en klachten

Bedrijven zijn conform het Bal verplicht om het bevoegd gezag te informeren en gegevens te verstrekken wanneer er een ongewoon voorval heeft plaatsgevonden. Bedrijven dienen dit zo spoedig mogelijk te doen; dit kan digitaal of via een melding bij de meldkamer van de DCMR (die vervolgens de klacht naar de ODWH doorzet).

Ook klachten worden in de regel op deze wijze bij de ODWH ingediend. Het betreft meestal klachten die te maken met geluid-, licht- of geurhinder. Andersoortige klachten, zoals bijvoorbeeld lozingen of bodemverontreinigingen komen minder vaak voor. Er is een continue bewaking van de nieuw ingediende klachten, die snel intern worden uitgezet en zo spoedig mogelijk opgepakt en behandeld. De melder wordt zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 3 werkdagen na de klachtmelding, op de hoogte gesteld van de te nemen of reeds ondernomen acties. Na afloop van een klachtmelding wordt de klager over het resultaat ingelicht.

Afhankelijk van de aard van de klachtmelding, kunnen vervolgacties nog weleens complex en langdurig zijn. Zaak is dan om de klager periodiek te informeren over de ontwikkelingen op een klachtdossier.

3.2.3 Toezicht energie

In 2016 heeft de Europese Unie mede namens Nederland het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Doel van het akkoord is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Om de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs te halen zijn afspraken in Europa gemaakt. De EU-lidstaten hebben met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55% minder moet uitstoten ten opzichte van 1990. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten.

Wettelijke eisen bedrijven

Om de klimaatdoelen te halen zijn er wettelijke eisen opgenomen in de Omgevingswet op het gebied van energiebesparing bij bedrijven. Bedrijven en instellingen die per jaar meer dan 50.000 kWh elektriciteit en/of meer dan 25.000 m³ aardgas of een equivalent daarvan verbruiken hebben een informatieplicht en een energiebesparingsplicht. Zij moesten hier uiterlijk 1 december 2023 over rapporteren (informatieplicht). Zeer grote bedrijven hebben tevens een onderzoeksplicht. De ODWH controleert of bedrijven aan deze verplichting voldoen. 1 keer in de 4 jaar worden de wettelijke eisen op het gebied van de energiebesparingsplicht geactualiseerd. De ODWH heeft als doel om binnen deze vier jaar de bedrijven met deze wettelijke plicht te controleren.

Doelstelling van de ODWH is:

•Energiebesparing van gemiddeld tussen de 10% t.o.v. 2023 voor de bedrijven die we controleren. Landelijk wordt er een tool ontwikkeld om de besparing te kunnen berekenen.

•Energiebesparing van 20% gemiddeld voor projecten en portefeuille aanpak locaties

•70%-80% van de bedrijven voldoet aan de energiebesparingsplicht binnen 3 jaar (2026);

•100% voldoet aan de informatieplicht.

Het uitvoeringsbeleid voor de periode 2024-2027 houdt in dat in vier jaar alle controles energiebesparingsplicht en hercontroles worden uitgevoerd, handhavingstrajecten kunnen langer doorlopen dan de vier jaar:

•In het eerste jaar wordt gecontroleerd of alle meldingen bij het RVO zijn ingediend.

Er wordt geïnventariseerd welke bedrijven onder de onderzoeksplicht vallen en ingediende onderzoeken worden beoordeeld.

•In het tweede en derde jaar worden, op basis van de ingediende meldingen, het totale energieverbruik van bedrijven en de achterblijvende bedrijven gecontroleerd. Dit wordt programmatisch uitgevoerd. Daarnaast wordt bij de onderzoeksplichtige bedrijven gecontroleerd of dat conform het onderzoek alle maatregelen getroffen zijn.

•Het vierde jaar staat in het teken van hercontroles en handhaving.

3.2.4 Toezicht bodem

In de regio van de ODWH is sprake van een gevarieerd bodemlandschap en een breed scala aan bedrijvigheid. Dit zorgt voor een complexe situatie rondom bodembescherming. Tot voor kort was de ODWH verantwoordelijk voor het uitvoeren van bodembeheer volgens de Wet bodembescherming (Wbb) voor zowel de provincie Zuid-Holland als de gemeente Leiden. Met de komst van de Omgevingswet zijn de meeste bevoegdheden voor bodemtaken overgegaan naar de gemeenten, die de uitvoering grotendeels hebben gemandateerd aan de ODWH.

Bijzondere aandacht is er voor de zogenaamde ernst- en spoedlocaties. Op deze locaties bestaat het risico van verdere verspreiding van bodemverontreiniging, wat mogelijk nadelige gevolgen kan hebben voor mens, plant en dier. Deze locaties vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet, waardoor de regels van de Wbb hier nog steeds van kracht zijn en het bevoegd gezag bij de provincie of gemeente Leiden blijft. In de regio West-Holland zijn er ongeveer dertig van deze ernst- en spoedlocaties. Om deze risico’s effectief aan te pakken, is het programma Spoed en Nazorg opgezet, dat zich richt op het beheersen en saneren van de verontreiniging.

In Leiden en de stedelijke agglomeratie rondom Leiden is het Leids Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond 2023-2030 (LUBO) van kracht, dat specifiek gericht is op de aanpak van bodemverontreiniging binnen deze dichtbevolkte gebieden. Daarnaast vindt er in het plassengebied en veenweidegebied veel grondverzet plaats. Toezicht op deze werkzaamheden wordt uitgevoerd op basis van de eisen voor milieubelastende activiteiten, zoals vastgelegd in het Bal en het Aanvullingsbesluit bodem. Deze regelgeving dekt onder andere activiteiten als graven, saneren, toepassen van grond of baggerspecie en het gebruik van bouwstoffen.

Om toezicht en handhaving te verbeteren, is het risicomodel RUN-Bodem ontwikkeld. Het RUN biedt een regionale methode die in samenwerking met de vier andere Omgevingsdiensten in Zuid-Holland en de provincie is opgesteld. Deze methode dient als basis om regionaal en risicogericht te bepalen waar en wanneer periodiek, steekproefsgewijs of projectmatig toezicht nodig is in het bodemwerkveld. Zo kan op efficiënte en effectieve wijze worden toegezien op activiteiten die mogelijk belastend zijn voor het milieu.

De RUN-Bodem beschrijft het kader voor toezicht en handhaving van bodemtaken onder de Omgevingswet en het Overgangsrecht van de Wbb. Het doel is om milieu-, veiligheids- en gezondheidsrisico’s op een aanvaardbaar niveau te houden binnen de regio West-Holland. Door de programmatische aanpak van de ODWH wordt een specifieke risicomethodiek toegepast voor bodemtoezicht, die is toegespitst op de risico’s die de grootste impact op het leefmilieu hebben. Voor andere thema’s en programma’s worden andere methodieken gehanteerd die beter bij die specifieke vraagstukken aansluiten.

De gekozen risicomethodiek binnen het RUN biedt de mogelijkheid om op basis van objectieve eisen te bepalen bij welke initiatieven toezicht gehouden moet worden en hoe dit toezicht uitgevoerd dient te worden. Hierdoor draagt de ODWH bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, het voorkomen van milieuschade en het aanpakken van relevante milieuproblemen.

Het RUN is ontworpen om een efficiënt en doelgericht toezicht mogelijk te maken, waarbij prioriteit wordt gegeven aan risico’s die het leefmilieu in aanzienlijke mate kunnen beïnvloeden. Het risicomodel maakt het mogelijk om aan de hand van objectieve criteria en gestandaardiseerde methoden te bepalen welke initiatieven grondig worden gecontroleerd en welke wijze van controle het meest geschikt is voor elk geval.

In bijlage 3 - RUN-Bodem model is schematisch weergegeven hoe het toezicht binnen het Bodemwerkveld risicogericht wordt uitgevoerd. Daarnaast vinden ook periodiek zogenaamde veldcontroles plaats. Dit om ervoor te zorgen dat ook niet gemelde MBA’s bodem kunnen worden ontdekt.

3.2.5 Toezicht (sloop)asbest

De controlefrequentie van toezicht op asbestsanering en sloopwerkzaamheden is afgestemd op het risico. De hoogste prioriteit ligt bij sloopwerkzaamheden waarbij asbestverwijdering en bouwkundige sloop gecombineerd worden. Toezicht op deze sloopplannen krijgt daarom voorrang. Ook asbestsaneringsplannen zonder bouwkundige sloop krijgen aandacht, zij het met een lagere prioriteit. De laagste controlefrequentie geldt voor asbestverwijdering in het kader van regulier onderhoud, zoals mutatieonderhoud in de sociale woningbouw. De specifieke invulling van deze toezichtstrategie wordt uitgewerkt in de jaarlijkse programma’s per opdrachtgever.

Voor de uitvoering van toezicht op de sloopfase vindt afstemming plaats met de gemeenten met betrekking tot monumenten, beschermd stadsgezicht en ruimtelijke ordening. Toezicht op asbestverwijdering wordt uitgevoerd volgens de landelijke richtlijnen en de ketenaanpak, zoals vastgelegd in het Handboek ketentoezicht asbest en bouw- en sloopafval.

De controle wordt ingepland op basis van de ISZW-startmelding. Bij risicogestuurd toezicht worden niet alle asbestverwijderingen bezocht; in plaats daarvan wordt een steekproef genomen op basis van een aantal risicofactoren. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

•Risicoklasse 1: In 10% van de saneringen wordt toezicht gehouden, met nadruk op bedrijven waarbij twijfel bestaat over de juiste risicoklasse.

•Risicoklasse 2: In 25% van de saneringen wordt toezicht gehouden. Indien de sanering wordt uitgevoerd door een bedrijf dat voorkomt op de lijst van aandachtbedrijven van Inspectie Asbest Alert (IAA), vindt altijd controle plaats.

•Risicoklasse 2a: Alle saneringen in deze klasse worden gecontroleerd.

Op basis van deze risicoweging wordt ongeveer 25% van de asbestverwijderingen gecontroleerd, in lijn met andere omgevingsdiensten in de regio.

Hoofdstuk 4 Handhaving

4.1 Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht

4.2 Sanctie-instrumentarium

Op basis van de positie in de interventiematrix valt een overtreding in het lichte, midden- of zware segment. Hiermee kan de ODWH bepalen of zij bestuursrechtelijk en/of strafrechtelijk optreedt. Vanuit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Omgevingswet heeft de ODWH de mogelijkheid gebruik te maken van een aantal bestuurlijke en strafrechtelijke sanctiemiddelen:

•de last onder bestuursdwang

•de last onder dwangsom

•het intrekken van een vergunning

•de bestuurlijke strafbeschikking milieu.

Daarnaast volgt de ODWH de landelijke en Europese ontwikkelingen met betrekking tot de inzet van het strafrecht en privaatrecht.

Bijlage 1: Tabel overzicht expertises Omgevingsdienst West-Holland

Aspect

Voorbeeld(en)

Afval en afvalwater

▪ Zwerfafval

▪ Bedrijven

▪ Bodemenergiesystemen

▪ Horeca

Archeologie

▪ Archeologische waarden

▪ Archeologisch erfgoed

Asbest

▪ In bodem

▪ Bij sloop

Activiteiten en milieuzonering

▪ Emissies

▪ Klachten

▪ Energiebesparing

▪ Bodembescherming

Bodem en ondergrond

▪ Bodemgebruik

▪ Bodemkwaliteit

▪ Bodemverontreiniging

▪ Bodemdaling

▪ Bodemenergiesystemen

▪ Ontplofbare oorlogsresten

Duurzaamheid en energie

▪ Energieprestatie

▪ Milieuprestatie

▪ Energieopwekking

▪ Energieopslag

▪ Energiescans

▪ RES

▪ Energiebesparing

▪ Warmtenetwerken

▪ Erkende maatregelen bedrijven

▪ Energieloket

Ecologie

▪ Gebiedsbescherming

▪ Soortenbescherming

▪ Voortoets Natuurbescherming

▪ Algemene advisering n.a.v. uitspraken rechter en nieuwe stikstofwetgeving

▪ Flora-en Fauna

▪ Biodiversiteit

▪ Soortenmanagementplan

▪ Informeren deelnemers over gevolgen voor lokale ontwikkelingen

Geluid

▪ Wegverkeer

▪ Railverkeer

▪ Luchtvaartverkeer

▪ Industrie

▪ Horeca

▪ Warmtepompen

▪ Evenementen

▪ Bedrijven

▪ Installaties

Klimaatadaptatie

▪ Waterberging

▪ Hittestress

Lichthinder

▪ Sportvelden

▪ Reclameverlichting

▪ Glastuinbouw

▪ Bouwterreinen

Luchtkwaliteit, geurhinder (agrarisch en niet-agrarisch) en stikstof

▪ Wegverkeer

▪ Bedrijven

▪ Veehouderijen

▪ Afvalverwerkende industrie

▪ Horeca

▪ Voedingsmiddelenbedrijven

Milieueffectrapportage

▪ Brede adviesrol en ondersteuning

Schiphol

▪ Geluidhinder

▪ Luchtkwaliteit

Veiligheid

▪ Risicovolle bedrijven

▪ Transport over de weg en water

▪ Transportleidingen

▪ Windmolens

▪ Zonnepanelen/-velden

▪ Laadpalen

▪ Opslag gevaarlijke stoffen

Woon- en leefkwaliteit

▪ Gezondheid

▪ Duurzaamheid

▪ Asbest

▪ Gewasbeschermings-middelen

Bijlage 2: Overzicht procedures en besluitvorming (regulering)

1.Omgevingstafel/intaketafel

Bij vergunningaanvragen waarbij meerdere overheidsinstanties regels hebben opgesteld, wordt één bevoegd gezag aangewezen als coördinator van het afhandelingsproces, meestal het college van burgemeester en wethouders.

De vergunningenprocedure is voor veel activiteiten korter dan onder de Wabo. Het uitgangspunt is de reguliere procedure. Om de vergunningverlening vlot doch zorgvuldig te laten verlopen, is afstemming vooraf (in de vorm van vooroverleg) belangrijk. Initiatiefnemers hebben behoefte aan duidelijkheid over de haalbaarheid van hun voorgenomen activiteit. Daarom worden omgevingstafels en intaketafels georganiseerd, waaraan de ODWH deelneemt, samen met de initiatiefnemer en andere betrokken of belanghebbende partijen. Eventuele afspraken die tijdens deze overlegvormen worden gemaakt, kunnen vervolgens worden verwerkt in de vergunning.

2.Participatie

Volgens de Omgevingswet moet een initiatiefnemer aangeven of er participatie heeft plaatsgevonden, waarbij de omgeving betrokken is geweest bij de planvorming van het project. De ODWH zal initiatiefnemers aanmoedigen om de omgeving te betrekken, waarbij deze omgeving kan bestaan uit omwonenden, andere burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen. Door omwonenden en anderen vroegtijdig te informeren en bij initiatieven te betrekken, kunnen bezwaarprocedures mogelijk worden voorkomen.

Hoewel participatie voor initiatiefnemers niet altijd verplicht is, kan de gemeenteraad in het Omgevingsplan vastleggen in welke gevallen participatie wel verplicht is. Dit kan bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. De ODWH zal aanvragen die zijn ingediend zonder dat er sprake is geweest van participatie dus niet zonder meer buiten behandeling kunnen stellen of de gevraagde vergunning kunnen weigeren. Indien een gemeente een participatiekader of -leidraad heeft vastgesteld, sluit de ODWH daarop aan.

3.Vergunningprocedure

Het vergunningsproces verloopt volgens de wettelijke bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Omgevingswet. De reguliere procedure vormt het uitgangspunt in de Omgevingswet, ook in gevallen waarin de gemeenteraad adviesrecht heeft voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De beslistermijn voor de reguliere procedure bedraagt 8 weken, of 12 weken indien instemming van een ander extern bestuursorgaan nodig is. Een verlenging van zes weken is mogelijk indien de complexiteit of omvang van de zaak dit vereist. Het niet voeren van een vooroverleg door de initiatiefnemer kan ook een reden zijn om van deze verlengingsmogelijkheid gebruik te maken. De ODWH zal daarom altijd sterk adviseren dat de initiatiefnemer een vooroverleg voert.

De vergunning van rechtswege is onder de Omgevingswet komen te vervallen: indien na 8 weken nog geen besluit is genomen is er geen sprake meer van een vergunning van rechtswege. Wel kan er beroep gedaan worden op de Wet dwangsom.

Bij het opstellen van de vergunning houdt de ODWH zich aan de volgende uitgangspunten:

•Aan de initiatiefnemer wordt zo snel mogelijk duidelijkheid verschaft over de volledigheid van de aanvraag;

•(wettelijke) adviseurs worden actief betrokken bij vergunningsaanvragen;

•vergunningen moeten voldoen aan de eisen van wet- en regelgeving;

•de voorschriften in de vergunning zijn helder, transparant en handhaafbaar.

4.Advies en instemming bij vergunningverlening

Volgens de Omgevingswet moet het bevoegd gezag in bepaalde gevallen advies inwinnen voordat het een vergunning of maatwerkvoorschrift verleent. Soms is ook instemming van dat adviesorgaan vereist voordat een besluit kan worden genomen. De wet beschrijft eveneens de procedures en termijnen.

Als voor een besluit instemming van een ander bestuursorgaan nodig is, wordt dit orgaan eerst om advies gevraagd. Dit advies wordt verwerkt in een conceptbesluit. Vervolgens geeft het andere bestuursorgaan aan of het instemt met het conceptbesluit. Omdat het meer tijd vergt om het advies op te vragen en te verwerken, en vervolgens het besluit ter instemming voor te leggen, geldt voor deze procedures een langere termijn van 12 weken. Deze beslistermijn kan eenmalig worden verlengd met zes weken, tot een totaal van 18 weken. De langere beslistermijn geldt alleen wanneer instemming vereist is, niet wanneer het andere bestuursorgaan slechts mag adviseren. De regels over advies en instemming gelden ook bij het wijzigen of intrekken van vergunningen.

5.Melding en informatieplicht

Niet alle voorgenomen activiteiten vereisen een vergunning. Voor veel MBA's, sloopactiviteiten en activiteiten met betrekking tot duurzaamheid gelden algemene regels en kan worden volstaan met een melding, of zelfs met het verstrekken van gegevens via de informatieplicht. De gegevens die bij een melding of informatieplicht moeten worden verstrekt, zijn vaak hetzelfde. Dit omvat de aanduiding van de activiteit, de naam en het adres van de uitvoerder, het adres van de locatie, en de start- en einddatum van de activiteit. Bij beide procedures geldt een termijn van vier weken vóór de aanvang van de activiteit voor het indienen van deze gegevens. Er bestaat echter een belangrijk verschil tussen meldings- en informatieplichten. Bij een meldingsplicht is het verboden om de activiteit, of bepaalde onderdelen daarvan, te starten zonder de vereiste melding te doen.

Dit stelt het bevoegd gezag in staat om ruim van tevoren op de hoogte te zijn van de gemelde activiteit en bijvoorbeeld maatwerkvoorschriften op te stellen of toezichtacties te plannen. Bij een informatieplicht geldt deze verplichting niet.

6.Uitgebreide procedure

In een beperkt aantal gevallen wordt een aanvraag afgehandeld via de uitgebreide procedure. Dit kan voorkomen bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: BOPA, artikel 16.65, lid 4 Omgevingswet). Ook bij bepaalde MBA's, zoals een IPPC-installatie, een Seveso-inrichting, een installatie voor het vergassen en vloeibaar maken van brandstof, een winningsafvalvoorziening en Natura 2000-activiteiten, kan de uitgebreide procedure van toepassing zijn (artikel 16.65, lid 1a Omgevingswet en artikel 10.24, Omgevingsbesluit).

De uitgebreide procedure wordt eveneens toegepast wanneer de initiatiefnemer heeft verzocht om of ingestemd met het gebruik van deze procedure (artikel 16.65, lid 1, onder a, Omgevingswet). In dit geval heeft het bevoegd gezag zes maanden de tijd om een besluit te nemen. Eerst wordt een ontwerpbesluit opgesteld, waarop omwonenden of andere belanghebbenden zienswijzen kunnen indienen. Na het nemen van het besluit is beroep bij de rechtbank mogelijk. Bij een uitgebreide procedure worden indieners van zienswijzen, indien nodig, benaderd om verduidelijking te krijgen over de aard van hun zienswijze.

7.Maatwerkregels in het Omgevingsplan

Het Bal en het Bbl bevatten onderwerpen waarvoor maatwerkregels kunnen worden opgesteld. Deze regels, opgenomen in het Omgevingsplan van de gemeente, gelden voor specifieke gebieden of categorieën van gevallen. Maatwerkregels moeten voldoen aan de principes van de Omgevingswet. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om de energieprestatie-eisen voor gebouwen aan te scherpen, maar niet om de meet- of rekenmethoden te wijzigen.

Gemeenten kunnen met maatwerkregels ook een vergunningplicht opnemen in het Omgevingsplan, bijvoorbeeld voor MBA's die niet in het Bal zijn geregeld. De ODWH adviseert de gemeenten om in geval van bepaalde MBA's alsnog op te nemen in het Omgevingsplan. Maatwerkregels worden door de ODWH conform de LHSO gehandhaafd.

8.Maatwerkvoorschriften

In uitzonderlijke gevallen kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften vaststellen, bijvoorbeeld wanneer de algemene regels niet redelijk zijn of niet praktisch uitvoerbaar blijken. Deze voorschriften worden vastgesteld via een apart maatwerkbesluit, waartegen bezwaar en beroep mogelijk is.

Bij het opstellen van maatwerkvoorschriften worden de algemene uitgangspunten van de Omgevingswet in acht genomen, zoals het waarborgen van veiligheid en het beschermen van gezondheid. Ook dienen de Beste Beschikbare Technieken (hierna: BBT) te worden toegepast en zijn de beoordelingsregels uit het Bkl en het Omgevingsbesluit van toepassing.

9.Gelijkwaardige maatregel

Wanneer algemene regels specifieke maatregelen voorschrijven, kan in bijna alle gevallen een 'gelijkwaardige maatregel' worden toegepast. De gelijkwaardige maatregel moet echter minstens hetzelfde resultaat bereiken als de voorgeschreven maatregel. Het bevoegd gezag kan bij de afweging ook rekening houden met de betrouwbaarheid van de voorgestelde maatregel, en deze mag niet in strijd zijn met andere wet- en regelgeving of een verslechtering op andere milieugebieden veroorzaken. Indien een gelijkwaardige maatregel wordt overwogen, moet voorafgaand aan de activiteit toestemming worden gevraagd aan het bevoegd gezag. De bewijslast voor het aantonen van de gelijkwaardigheid ligt bij de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag neemt hierover een besluit, waar bezwaar en beroep tegen mogelijk is. In sommige gevallen is het toepassen van een gelijkwaardige maatregel zonder voorafgaande toestemming mogelijk, zoals aangegeven in hoofdstuk 4 van het Bal. Echter, hierbij geldt vaak wel een meldingsplicht. Belangrijk om op te merken is dat gelijkwaardige maatregelen nooit zijn toegestaan bij activiteiten die betrekking hebben op asbest.

10.Overgangsregeling en de ‘Bruidsschat’

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden veel landelijke regels gedecentraliseerd, waardoor bepaalde rijksregels komen te vervallen. Om te voorkomen dat er een juridisch vacuüm ontstaat, heeft het Rijk de zogenoemde ‘Bruidsschat’ opgesteld. Deze bevat tijdelijke regels die automatisch deel uitmaken van het Omgevingsplan-van-rechtswege. Gemeenten moeten vervolgens beslissen of zij deze tijdelijke regels behouden, wijzigen of laten vervallen bij het opstellen van hun definitieve Omgevingsplan. De Bruidsschat omvat onder andere regels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 en het Besluit omgevingsrecht.

Er wordt vanuit effiëncy-oogpunt bij onze advisering gestreefd naar uniformiteit tussen de verschillende omgevingsplannen om inconsistente normen te voorkomen, maar de uiteindelijke beslissing wordt lokaal door het college van B&W/gemeenteraad genomen.

Voor bedrijven die al maatwerkvoorschriften voor geluid of bodem hebben, geldt tijdens de overgangsperiode dat deze voorschriften prevaleren boven de regels in de Bruidsschat. Dit biedt hen continuïteit totdat gemeenten nieuwe eisen vaststellen in het Omgevingsplan.

(Wets)wijziging vergunningprocedure

11.Vergunningverlening bodem

Voor het aspect bodem geldt dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bevoegd gezag voor de bodemtaken grotendeels overgegaan is naar de gemeenten. Voor de ODWH heeft deze verandering de grootste impact. Zowel de Wet bodembescherming (Wbb; saneren) als het Besluit bodemkwaliteit (Bbk; toepassen) is opgegaan in de Omgevingswet. In 2023 is de nota Bodembeheer door het Algemeen Bestuur van de ODWH vastgesteld en hebben 11 gemeenten deze ook laten vaststellen door de gemeenteraad.

Bijzondere aandacht krijgen de zogenaamde ernst- en spoedlocaties. Dit zijn locaties met een risico van verdere verspreiding van bodemverontreiniging met mogelijke gevolgen voor de gezondheid van mens (humane risico’s), plant of dier (ecologische risico’s). Deze locaties vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet, dit betekent dat de regels van de Wbb van toepassing blijven en de provincie c.q. de gemeente Leiden het bevoegd gezag blijven voor deze locaties. Binnen het werkgebied van de ODWH zijn ongeveer dertig van deze locaties. Het programma Spoed en Nazorg is erop gericht de verspreidingsrisico’s door sanering of door beheersing teniet te doen. Lopende saneringen en locaties met gebruiksbeperkingen/ nazorg vallen ook onder het overgangsrecht van de Omgevingswet.

Voor het gebruik van diverse soorten secundaire grondstoffen geldt ofwel een meldingsplicht, ofwel een informatieplicht. Dit betekent dat binnen het bodemwerkveld een verschuiving van toetsing naar toezicht plaatsvindt. De afgelopen jaren is, op initiatief van de provincie, het project RUN-Bodem gestart (zie bijlage 6 voor meer informatie). Dit project biedt een regionale, risicogerichte basis om te bepalen bij welke werkzaamheden in het bodemwerkveld periodiek, steekproefsgewijs of projectmatig toezicht vereist is. Binnen de ODWH wordt deze tool de komende jaren verder geïmplementeerd en verankerd in de werkprocessen.

12.Vergunningverlening milieu

De opbouw van elke paragraaf van hoofdstuk 3 van het Bal volgt een vast patroon. Allereerst wordt de MBA (ook wel de kernactiviteit genoemd) aangewezen. Vervolgens wordt in een volgend artikel de IPPC-installatie aangewezen. Daarna worden vergunning-, meldings- en informatieplichtige MBA's aangewezen. Ten slotte wordt verwezen naar de algemene regels in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal, die voorschriften bevatten waaraan het bedrijf zich moet houden.

Naast het Bal kan ook het Omgevingsplan van de gemeente vergunningplichten, meldplichten of informatieplichten bevatten. Niet voor alle milieuaspecten zijn regels in het Bal opgenomen, zoals geluid en geur. In het omgevingsplan kan de gemeente regels stellen voor geluid, geur, externe veiligheid, luchtkwaliteit, etc. die zij verbindt aan activiteiten die gevolgen hebben, of kunnen hebben, voor de fysieke leefomgeving.

In hoofdstuk 4 van het Omgevingsbesluit staat beschreven wie voor welke besluiten het bevoegd gezag vormt. In de meeste gevallen is dat de gemeente voor het milieuaspect. Bij meervoudige aanvragen kan het voorkomen dat de gemeente ook bevoegd wordt voor een milieubelastende activiteit waar een hoger bevoegd gezag voor verantwoordelijk is. Bijvoorbeeld bij Geothermie. In dat geval is een advies met instemming van dat bevoegd gezag verplicht.

Actualisatie, behandeling en handhaving van milieu- en vergunningstaken

13.Behandeling melding milieubelastende activiteiten

Voor de grootste groep bedrijven (milieu) en locaties (bodem) geldt dat initiatiefnemers alleen moeten voldoen aan de regels uit het Bal en het Omgevingsplan van de gemeente. De meeste bedrijven die MBA's uitvoeren moeten zich uiterlijk vier weken voor de start melden. Het gaat om bedrijven uit vrijwel alle categorieën: van kantoren tot metaalbewerkers, van agrarische bedrijven tot zwembaden en meubelfabrieken. Een melding wordt gedaan via het digitaal stelsel omgevingswet. Bij de melding moet de initiatiefnemer/melder de informatie geven die nodig is om de activiteit te kunnen beoordelen. Als de activiteit locatiegebonden is, dient daarnaast minimaal een plattegrondtekening te worden ingeleverd. Ook kunnen bijvoorbeeld rapporten van akoestisch onderzoek of luchtonderzoek aan de orde zijn. In sommige gevallen zijn de voorschriften uit het Bal niet helemaal passend of voldoende. In dergelijke gevallen kan een maatwerkvoorschrift aan de orde zijn.

Bij de ODWH wordt de melding of informatie binnen vier weken beoordeeld door een milieutechnisch medewerker vergunningen of een plantoetser bodem. Voor meldingen met een kortere doorlooptijd streven we ernaar deze ook binnen de gestelde termijn te behandelen en erop te reageren. Bij de beoordeling maakt de ODWH gebruik van checklisten en onderzoeksrapporten worden voorgelegd aan de betreffende specialist. Wanneer een melding of informatie voortkomt uit een controle, wordt de toezichthouder direct betrokken. Als een melding of informatie incompleet is, wordt de initiatiefnemer eenmalig in de gelegenheid gesteld om deze binnen vier weken aan te vullen. Gedurende deze periode mag de initiatiefnemer echter niet starten met de activiteit. Bij meldingen met een korte termijn, zoals die over het toepassen van grond, wordt de toezichthouder eveneens onmiddellijk op de hoogte gesteld.

Onder de Omgevingswet mag de initiatiefnemer zelf kiezen wat er wanneer wordt aangevraagd, zolang alle vereiste toestemmingen maar zijn verkregen voordat gestart wordt met een activiteit. De initiatiefnemer heeft dus de keus om een meervoudige aanvraag te doen, of losse, enkelvoudige aanvragen. In het geval van enkelvoudige aanvragen wordt altijd met de gemeente afgestemd over eventuele andere vergunningplichten en over de inpassing in het Omgevingsplan.

14.Actualisatiebeleid

De ODWH streeft ernaar dat alle bedrijven een actuele vergunning of melding hebben. Voor actualisatie van vergunningen voor bedrijven met een IPPC-installatie geldt op grond van artikel 8.98 van het Bkl een termijn van 4 jaar na publicatie van nieuwe BBT-conclusies. Binnen deze termijn moet een toetsing plaatsvinden, moet de vergunning indien nodig worden aangepast en moet het bedrijf voldoen aan de nieuwe voorschriften.

De ODWH hanteert bij de actualisatie op basis van veranderde richtlijnen (zoals een PGS-richtlijn of het Landelijk afvalstoffenplan/Circulair Materialen Plan, hierna: LAP en CMP) de termijnen, zoals die zijn vastgelegd in de geldende wet- en regelgeving. Actualisatie van meerdere vergunningen op één thema zal vaak in de vorm van een project plaatsvinden waarbij standaard werkmethoden worden afgesproken om kwaliteit te waarborgen.

Naast deze actualisatie op basis van veranderde wet- en regelgeving beoordeelt de ODWH minimaal 10 jaar na afgifte van een oprichtings- of revisievergunning de vergunningssituatie opnieuw. Indien nodig wordt de vergunning geactualiseerd. Als actualisatie op dat moment niet nodig is, beoordeelt de ODWH de vergunning na 5 jaar opnieuw. Bij actualisatie van een vergunning is een bedrijf onder de Omgevingswet niet meer verplicht om een nieuwe aanvraag in te dienen. Uiteraard moet wel steeds een aanvraag worden ingediend bij nieuwe vergunningplichtige activiteiten of bij verandering daarvan.

15.Intrekking van vergunningen

De ODWH streeft ernaar de vergunningen van bedrijven die hun activiteiten hebben gestaakt, in te trekken. Actieve intrekking van vergunningen draagt bij aan een actueel vergunningenbestand. Als een bedrijf na beëindiging van zijn activiteiten geen verzoek tot intrekking indient, wordt de vergunning automatisch een jaar na beëindiging ingetrokken (artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet). Een vergunning wordt ook ingetrokken als de activiteiten van een bedrijf in strijd zijn met de beoordelingsregels zoals vastgesteld in paragraaf 8.5.1.1 van het Bkl en aanpassing van de vergunningvoorschriften geen oplossing biedt. Bovendien wordt de omgevingsvergunning ingetrokken als het bedrijf niet langer de BBT toepast en actualisering van de vergunning geen verbetering oplevert (artikel 8.100, onder a, van het Bkl).

16.Kwaliteit

De ODWH waarborgt de inhoudelijke kwaliteit van vergunningen door te werken met een basistekst en verder door gebruik te maken van teksten van de Landelijke redactie standaardvoorschriften (Lrs). Indien nodig worden eigen teksten opgesteld. Alle vergunningen worden onderworpen aan een collegiale toetsing, waarbij ook een handhaafbaarheidstoets wordt uitgevoerd en vervolgens wordt de vergunning juridisch getoetst. De doorloop van de vergunningprocedure wordt geborgd in het zaaksysteem. De gedetailleerde werkbeschrijving is als hulpmiddel beschikbaar.

Alle medewerkers zijn opgeleid in overeenstemming met de meest actuele eisen van de landelijke Kwaliteitscriteria. Medewerkers die nog niet volledig voldoen worden begeleid door collega’s die wel voldoen.

Indien nodig worden specialisten betrokken bij vergunningverlening. De beoordeling van geluidrapporten, luchtrapporten, de veiligheidssituatie of bodemrapporten vindt altijd plaats door een specialist op het betreffende vakgebied. De ODWH heeft voor enkele specifieke aandachtgebieden (interne) kennisteams opgericht. Binnen deze kennisteams zitten vergunningverleners, toezichthouders, juristen en specialisten aan tafel en soms ook externe specialisten. De teams beheren de kennis op het vakgebied en treden op als specialist binnen hun vakgebied (vergunningen of toezicht). Er is een kennisteam voor de onderwerpen energie, vernieuwend (administratief) toezicht en afval, agrarisch, ggo, zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en lozingen. Medewerkers uit het team vergunningen nemen deel aan overleggen op provinciaal en nationaal niveau.

17.Aansluiting bij regionaal of lokaal beleid

Voor vergunningverlening sluit de ODWH aan bij Europees en landelijk beleid, zoals vastgelegd in bijvoorbeeld het Bal. Wanneer er regionaal of lokaal beleid bestaat, zoals geluidzones, geurzones, of bodemkwaliteitskaarten (die deel uitmaken van het Omgevingsplan), wordt dit meegenomen bij de toetsing van een melding of de beoordeling van een aanvraag. Altijd wordt bij vergunningverlening getoetst aan het Omgevingsplan. Voor meldingen wordt hierover afgestemd met de gemeente. Als een initiatiefnemer een activiteit onderneemt die volgens het Omgevingsplan niet is toegestaan, moet de gemeente handhaven of het plan (op verzoek van de initiatiefnemer) wijzigen. Onder bepaalde voorwaarden kan medewerking worden verleend op basis van een binnenplanse of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA resp. BOPA).

Voor bepaalde specifieke bedrijfscategorieën kan een toetsing in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) plaatsvinden tijdens de vergunningprocedure. De Omgevingsdienst volgt hierbij het beleid van de gemeenten.

18.Prioriteit

Meldingen en informatie dienen in de meeste gevallen te worden beoordeeld binnen 4 weken na ontvangst. Voor sommige meldingen of informatie geldt een kortere periode. Na die periode kan de initiatiefnemer met de activiteit starten. Binnen de werkvoorraad van het team vergunningen wordt voorrang gegeven aan vergunningen op aanvraag en aan wettelijk verplichte actualisaties. Dit laatste is aan de orde als voor een IPPC-activiteit nieuwe BBT-conclusies worden gepubliceerd of als uit andere regelgeving een verplichte actualisatie volgt. Dit betekent dat bij te hoge werkdruk actualisaties die niet volgen uit wettelijke verplichtingen en ambtshalve wijzigingen naar achteren worden geschoven. Indien aanpassen van een vergunning nodig is vanwege bestuurlijke prioriteit, bijv. om woningbouwontwikkeling mogelijk te maken, dan is het gewenst/nodig om ook die vergunningen/maatwerk of ambtshalve wijzigingen prioriteit te geven.

19.Samenwerking

De ODWH werkt samen met verschillende externe partijen in het kader van vergunningverlening, soms vanwege wettelijke verplichtingen. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste samenwerkingspartners:

•de gemeente waarbinnen het bedrijf gevestigd is;

•de veiligheidsregio, met name de brandweer;

•de waterkwaliteitsbeheerder, meestal het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR);

•de Omgevingsdiensten Haaglanden (ODH) en Zuid-Holland Zuid (OZHZ), die namens de provincie Zuid-Holland taken uitvoert zoals de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van gebieden (stikstofdepositie);

•de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH), o.a. wat betreft gemeentegrens-/regiogrensoverschrijdende bodemactiviteiten in het buitengebied;

•het Bureau GGO in het geval van activiteiten met genetisch gemodificeerde organismen (ggo's);

•HECHT (GGD/GHOR), waarmee een convenant is afgesloten;

•de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).;

•De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), wat betreft agrarische zaken

Initiële samenwerking vindt plaats met de gemeente waar de activiteit plaatsvindt, waarbij vaak een toetsing op het omgevingsplan wordt uitgevoerd. Bij meervoudige aanvragen wordt intensiever samengewerkt, waarbij de ODWH als milieuadviseur optreedt. De afhandeling van meervoudige aanvragen gebeurt in overeenstemming met de afspraken met de gemeente.

20.Bijzondere taken

De ODWH heeft ook een aantal bijzondere taken op het gebied van milieuwetgeving. Een van deze taken is het beheer van geluidszones voor bepaalde gemeenten. Geluidszones zijn gebieden waarbinnen specifieke geluidsnormen gelden om geluidsoverlast te beperken en de leefkwaliteit te waarborgen. Deze zones worden vaak vastgesteld rondom bronnen van geluidsoverlast, zoals snelwegen, spoorwegen en industrieterreinen. De ODWH zorgt ervoor dat deze geluidsnormen worden nageleefd. Daarnaast worden de technische medewerkers vergunningen door vrijwel alle gemeenten betrokken bij ruimtelijke adviezen over bedrijvigheid. Het uitgangspunt hierbij is een evenwichtige toewijzing van functies aan locaties, met bijzondere aandacht voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Zo worden de belangen van bedrijven gewaarborgd en wordt er ook gezorgd voor een gezonde en veilige leefomgeving die voldoet aan de geldende milieunormen.

Bijlage 4: LHSO

https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/vergunningverlening-toezicht-handhaving/landelijke-handhavingsstrategie-omgevingsrecht/

Bijlage 5: Handelingskader bodemonderzoek niet genormeerde gewasbeschermingsmiddelen

[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]

Bijlage 6: Convenant VRHM – Politie – HECHT – ODMH - ODWH

[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]

Bijlage 7: Samenwerkingsafspraken GGD - ODWH - ODMH

[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]

Bijlage 8: Samenwerkingsconvenant uitvoering strafrechtelijke taken

[Deze bijlage is te raadplegen via de externe bijlage.]

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.