Gemeentelijke regelgeving

Beleidskader kleine windturbines

Gemeente Lingewaard · geldt sinds 18 juni 2020

4 Bestaande kaders

4.1 Bestaande wet en regelgeving

4.1.1 Veiligheid en technische eisen

Kleine windturbines moeten voldoen aan een aantal internationale en nationale normen en richtlijnen. Deze worden regelmatig vernieuwd. Op dit moment worden de volgende normen gehanteerd:

✓ Het ontwerp van kleine windturbines moet voldoen aan de NEN-EN- IEC norm 61400-Deel 2, Ontwerp eisen van kleine windturbines;

✓ De draagconstructie wordt ontworpen volgens de NEN-normen en Eurocode, aan de hand van de door de leverancier aantoonbaar opgegeven rotorbelasting. De geldende normen zijn: NEN-EN 1991-1-4+A1+C2:2011 nl en Eurocode 1: Belastingen op constructies - Deel 1-4: Algemene belastingen – Windbelasting;

✓ Een fundering voldoet aan het bouwbesluit en wordt verder ontworpen om aantoonbaar voldoende sterkte te geven aan de draagconstructie;

✓ Kleine windturbines dienen een minimale afstand tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen aan te houden. Deze minimale afstand bedraagt de werpafstand bij 2x het nominale toerental van de kleine windturbines.

4.1.2 Slagschaduw en geluid

De sterkte van het brongeluid van de windturbines moet zijn vastgesteld volgens de methode als opgenomen in de richtlijn voor Generatorsystemen voor windturbines - Deel 11: Meettechnieken voor akoestisch geluid (IEC 61400-11).

De normen voor geluid en slagschaduw zijn identiek voor alle soorten windturbines en staan benoemd in het Activiteitenbesluit (paragraaf 3.2.3).

Kleine windturbines met een dichte rotor (voor voorbeeld zie Figuur 4) veroorzaken geen slagschaduw.

4.2 Bestaand beleid

4.2.1 Provinciaal beleid

In gebieden waar geen grote windturbines gerealiseerd kunnen worden vanwege wettelijke beperkingen of provinciaal beleid (laagvliegroutes, luchthavens en antenneparken) kunnen ook geen kleine windturbines gerealiseerd worden.

In het provinciaal ruimtelijk beleid onderscheiden we het Gelders Natuurnetwerk (GNN), Groene Ontwikkelingszone (GO) en Natura 2000. Van deze gebieden zijn wezenlijke kenmerken of waarden vastgesteld.

Gelders Natuur Netwerk (GNN)

Voor het GNN geldt de 'nee tenzij-benadering’. Dit betekent dat geen nieuwe functies mogelijk zijn, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er een groot openbaar belang is (de zogenaamde ADC-toets). In dat geval zijn maatregelen nodig die ervoor zorgen dat:

•negatieve effecten zo veel mogelijk worden voorkomen (mitigatie);

•als er toch natuur verloren gaat, dit gecompenseerd wordt door het aanleggen van nieuwe natuur.

Voor enkele delen van GNN geldt dat windturbines onder voorwaarden toegestaan zijn.

Groene Ontwikkelingszone (GO)

Kleinschalige nieuwe ontwikkelingen in de GO zijn alleen mogelijk als ze de kernkwaliteiten van het gebied substantieel versterken. Voor nieuwe grootschalige ontwikkelingen gelden dezelfde eisen als in het GNN. Van een grootschalige ontwikkeling is sprake, als de nieuwe ontwikkeling van een zodanig aard en schaal is danwel qua effecten zodanig is, dat het karakter van het betreffende gebied verandert.

Natura 2000

De Wet natuurbescherming beschermt Natura 2000-gebieden tegen ontwikkelingen die de instand– houdingsdoelstellingen kunnen aantasten. Om te beoordelen of windturbines toegestaan zijn, moeten de effecten op de aangewezen habitattypen, soorten en natuurlijke kenmerken in beeld worden gebracht. Wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, is een passende beoordeling verplicht. De passende beoordeling maakt inzichtelijk of de activiteit haalbaar is vanuit de Wet natuurbescherming.

4.2.2 Gemeentelijk beleid

Er is momenteel geen beleid met betrekking tot kleine windturbines. Bij de vaststelling van het beleidskader windenergie heeft de gemeenteraad van Lingewaard gevraagd om een beleidskader voor kleine windturbines. In het duurzaamheidsbeleid 2016-2020 is bij amendement d.d. 17 december 2015 vastgelegd dat er geen mini-windturbines mogelijk zijn op de bedrijventerreinen. Dit beleidskader voor kleine windturbines overschrijft dit amendement.

Het beleidskader kleine windturbines zal integraal onderdeel worden van het nieuwe duurzaamheidsbeleid.

5 Lingewaardse kaders kleine windturbines

5.3 Locaties

Artikel 5.3.1 Bebouwde kom

Kleine windturbines binnen het stedelijk gebied leiden tot verrommeling. Door de dichtheid van de bebouwing zullen kleine windturbines een knellend effect geven, wat leidt tot een negatief effect op de leefbaarheid van de openbare ruimte en in de kernen. Kleine windturbines kunnen daarnaast overlast veroorzaken door geluidshinder en slagschaduw. We sluiten daarom kleine windturbines binnen de bebouwde kom uit.

Artikel 5.3.2 Buitengebied

Kleine windturbines binnen het stedelijk gebied leiden tot verrommeling. Door de dichtheid van de bebouwing zullen kleine windturbines een knellend effect geven, wat leidt tot een negatief effect op de leefbaarheid van de openbare ruimte en in de kernen. Kleine windturbines kunnen daarnaast overlast veroorzaken door geluidshinder en slagschaduw. We sluiten daarom kleine windturbines binnen de bebouwde kom uit.

In het buitengebied zijn kleine windmolens mogelijk, gekoppeld aan bebouwing van (agrarische) bedrijven en glastuinbouwbedrijven. De windturbines dienen geplaatst te worden op het erf, de bedrijfslocatie, of het gebouw zelf.

Kleine windturbines bij woonbestemmingen in het buitengebied sluiten we uit.

Artikel 5.3.3 Bedrijventerreinen

We sluiten grondopstellingen op bedrijventerreinen uit.

Artikel 5.3.4 Natuurgebieden (Natura2000, GNN en GO)

Volgens beleid zijn er een mogelijkheden tot het plaatsen van kleine windturbines in natuurgebieden. Hiervoor moeten procedures voor worden doorlopen, inclusief uitgebreide (ecologische) onderzoeken. We verwachten dat de kosten van dergelijk onderzoek niet opwegen tegen de baten van een kleine windturbine. We zien daarom geen kans voor een haalbaar en uitvoerbaar initiatief voor kleine windturbines in natuurgebied. We sluiten daarom initiatieven voor kleine windturbines in natuurgebieden uit.

Bijlage A: Technieken kleine windturbines

In deze bijlage zetten we kort en beknopt uiteen welke belangrijkste verschillende technieken er worden toegepast bij kleine windturbines. Het is niet bedoeld om allesomvattend te zijn, maar wel een helder beeld te geven over de verschillende technieken en de uiterlijke kenmerken. De techniek gaat hard en is aan verandering onderhevig. Technieken niet benoemd in deze bijlage worden niet bij voorbaat uitgesloten.

Horizontale as turbines

Horizontale as turbines (HAT types) maken gebruik van dezelfde techniek als grote windturbines. De as ligt evenwijdig aan de richting van de wind en de wieken staan loodrecht op de richting van de wind. Sommige HAT types maken gebruik van het zogenaamde venturi-effect. Door de toepassing van een ring rondom de rotor. Door de vernauwing in de ring ontstaat een verschil in luchtdruk en versnelt de luchtstroom door de ring waardoor de rotor sneller gaat draaien.

Figuur 2: Voorbeelden van horizontale as turbines

Verticale as turbines

Bij verticale as turbines (VAT types) staat de as loodrecht op de richting van de wind en de wieken of schoepen evenwijdig aan de as. VAT typen draaien niet met de windrichting mee en vangen de wind die loodrecht op de wieken komt. VAT types maken gebruik van een savonius rotor of een darrieus rotor. Soms worden VAT types ook horizontaal gemonteerd. Daardoor zijn er veel verschillende vormen van VAT types.

Savonius-rotor

VAT types met een Savonius rotor maken gebruik van “schoepen” die de lucht vangen en de as laten draaien. Het werkingsprincipe van een Savonius rotor staat schematisch afgebeeld in Figuur 3.

Figuur 3: Werkingsprincipe Savonius-rotor

Figuur 4: Voorbeelden van verticale as turbines met Savonius-rotor

Darrieus-rotor

VAT types met een Darrieus rotor maken gebruik van “vleugels” die door de wind gelift worden en de as laten draaien. Het werkingsprincipe van een Darrieus rotor staat schematisch afgebeeld in Figuur 5.

Figuur 5: Werkingsprincipe Darrieus-rotor

Figuur 6: Voorbeelden van verticale as turbines met Darrieus-rotor

Montage mogelijkheden

Kleine windturbines worden, met behulp van een sokkel of mast, gemonteerd op de grond of op een gebouw. Voor de montage met behulp van een mast zijn meerdere opties beschikbaar, welke in dit hoofdstuk worden toegelicht. In dit beleidskader zijn kaders opgenomen die betrekking hebben op de totale hoogte van de windturbine. Dit betreft bij alle types en in alle gevallen de afmeting gemeten vanaf de montagebasis (maaiveld of dakoppervlak) tot de bovenkant van de rotor.

Figuur 7: Maatvoering van HAT en VAT-type turbines

Grondopstelling met vakwerkmast

Vakwerkmasten kennen we met name van hoogspanningsmasten. Maar ook windturbines maken gebruik van deze techniek. Een voorbeeld is weergegeven in Figuur 8.

Figuur 8: Voorbeeld van een HAT met een grondopstelling met vakwerkmast

Grondopstelling met zelfdragende mast

Onder een zelfdragende mast wordt een buisvormige mast verstaan, welke zelfdragend en vrijstaand is. Een voorbeeld is weergegeven in Figuur 9.

Figuur 9: Voorbeeld van een HAT met een grondopstelling met zelfdragende mast

Grondopstelling met getuide mast

Ook een getuide mast maakt gebruik van een buisvormige mast. De mast is niet zelfdragend, maar is verstevigd door tui-kabels. Een voorbeeld is weergegeven in Figuur 10.

Figuur 10: Voorbeeld van een HAT met een grondopstelling met getuide mast

Dakopstelling

Kleine windturbines kunnen op bestaande gebouwen en bouwwerken worden geplaats. In sommige gevallen wordt hierbij gebruik gemaakt van een sokkel, kleine mast of andere vorm van montage. Voorbeelden zijn weergegeven in Figuur 11.

Figuur 11: Voorbeelden van kleine windturbines met een dakopstelling

Bijlage C: Beslisregels grondgebonden kleine windturbines

Ten behoeve van inpassing in het bestemmingsplan en de welstandsnota, zijn onderstaande beslisregels opgesteld.

Voor het toetsen van initiatieven voor grondgebonden kleine windturbines gelden de onderstaande beslisregels:

1) Kleine grondgebonden windturbines kunnen worden toegestaan in de gebieden die daarvoor op de kaart in Bijlage B zijn aangegeven;

2) De kleine windturbine is een facilitaire voorziening. Onder een facilitaire voorziening verstaan wij een voorziening die ten dienste is van één of meerdere (geschakelde) bedrijven en/of andere “elektriciteitsvragers”.

3) De jaarlijks opgewekte elektriciteit mag het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van de initiatiefnemer(s) met maximaal 25% overstijgen;

4) De kleine windturbine is maximaal 25m hoog (vanaf de grond gemeten). Dit betreft bij alle types en in alle gevallen de afmeting gemeten vanaf de montagebasis (maaiveld) tot de bovenkant van de rotor.;

5) Er geen woning van derden binnen een straal van 80 meter bestemd is;

6) De kleine windturbine niet gekoppeld is aan een woonbestemming;

7) Aangetoond is dat de externe effecten binnen we gestelde normen van het Activiteitenbesluit blijven;

8) Aangetoond is dat de omgeving op de hoogte is gesteld van het initiatief;

9) De kleine windturbine op een erf of bedrijfslocatie wordt geplaatst;

10) De exacte locatie van de kleine windturbine gelegen is binnen bestemmingsplan bedrijventerrein, binnen het bestemmingsvlak;

11) Er bij het de kleine windturbine in kwestie geen gebruik wordt gemaakt van reflecterende materialen;

12) Er een ruimtelijke koppeling is tussen de kleine windturbine en de gebruiker van de geproduceerde elektriciteit;

13) De kleine windturbine zo goed mogelijk wordt ingepast;

14) De kleine windturbines moeten gekoppeld zijn aan het erf, passend bij de landschappelijke structuur;

15) Het initiatief voldoet aan alle relevante wet- en regelgeving;

16) De exacte locatie van de kleine windturbine bevindt zich op minimaal de werpafstand bij 2x het nominale toerental van bovengrondse hoogspanningsverbindingen.

Bijlage D: Beslisregels dakgebonden kleine windturbines

Ten behoeve van inpassing in het bestemmingsplan en de welstandsnota, zijn onderstaande beslisregels opgesteld.

Voor het toetsen van initiatieven voor grondgebonden kleine windturbines gelden de onderstaande beslisregels:

1) Kleine dakgebonden windturbines kunnen worden toegestaan in de gebieden die daarvoor op de kaart in Bijlage B zijn aangegeven ;

2) De kleine windturbine is een facilitaire voorziening. Onder een facilitaire voorziening verstaan wij een voorziening die ten dienste is van één of meerdere (geschakelde) bedrijven en/of andere “elektriciteitsvragers”.

3) De jaarlijks opgewekte elektriciteit mag het jaarlijkse elektriciteitsverbruik van de initiatiefnemer(s) met maximaal 25% overstijgen;

4) De kleine windturbine is maximaal 3m hoog (vanaf bovenkant bouwwerk gemeten). Dit betreft bij alle types en in alle gevallen de afmeting gemeten vanaf de montagebasis (dakoppervlak) tot de bovenkant van de rotor.;

5) Er geen woning van derden binnen een straal van 80 meter bestemd is;

6) De kleine windturbine niet gekoppeld is aan een woonbestemming;

7) Aangetoond is dat de externe effecten binnen we gestelde normen van het Activiteitenbesluit blijven;

8) Aangetoond is dat de omgeving op de hoogte is gesteld van het initiatief;

9) De kleine windturbine op een erf of bedrijfslocatie wordt geplaatst;

10) De exacte locatie van de kleine windturbine gelegen is binnen bestemmingsplan bedrijventerrein, binnen het bestemmingsvlak;

11) Bij plaatsing op een bedrijventerrein gebruik wordt gemaakt van een dakmontage;

12) Er bij het de kleine windturbine in kwestie geen gebruik wordt gemaakt van reflecterende materialen;

13) Er een ruimtelijke koppeling is tussen de kleine windturbine en de gebruiker van de geproduceerde elektriciteit;

14) De kleine windturbine zo goed mogelijk wordt ingepast;

15) Het initiatief voldoet aan alle relevante wet- en regelgeving;

16) De exacte locatie van de kleine windturbine bevindt zich op minimaal de werpafstand van 2x het nominale toerental van bovengrondse hoogspanningsverbindingen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.