Gemeentelijke regelgeving

Beleidsnota archeologie

Gemeente Leusden · geldt sinds 7 juli 2023

In de komende paragraaf wordt een beknopte bewoningsgeschiedenis gegeven van Leusden. 2Beumer 2017.

I-3 Archeologiebeleid: verleden, heden en toekomst

3.2 Een nieuw nationaal archeologiebeleid

3.2.1 Kernpunten uit de Wamz

Middels de invoering van de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta voor Nederland nader uitgewerkt. De drie meest ingrijpende punten uit dit verdrag worden hieronder kort uiteengezet:

4In deel II van deze nota worden deze punten verder uitgewerkt.

•Het streven naar in-situ behoud en bescherming van archeologische waarden.

Voordat een bodemverstoring plaatsvindt, dient aangetoond te worden dat de archeologische resten in de bodem niet (onevenredig) worden geschaad. Blijkt uit de resultaten van een (bureau)onderzoek, dat waardevolle sporen in de bodem aanwezig zijn, dan moet de gemeente een belangenafweging maken. Een initiatiefnemer kan, gelet op het groot wetenschappelijk belang van de aanwezige archeologische resten, door de gemeente gevraagd worden om zijn bouwplannen aan te passen (in-situ behoud). Meestal zullen de archeologische resten echter door middel van een archeologische opgraving veilig gesteld moeten worden (ex-situ behoud).

•De kosten van archeologische werkzaamheden komen in principe voor rekening van de initiatiefnemer van bodemverstorende activiteiten (‘veroorzakerprincipe’).

Indien behoud in-situ niet mogelijk is, dan moeten de archeologische waarden veiliggesteld worden middels een opgraving. De Wamz kent het veroorzakersprincipe: ‘de verstoorder betaalt’. Dit betekent, dat een initiatiefnemer (vergunningaanvrager) de kosten dient te dragen van de aanpassing van zijn plannen of van het archeologisch (voor)onderzoek.

•De archeologische monumentenzorg wordt een geïntegreerd onderdeel van het ruimtelijke ordeningsproces.

De Wamz is een wijzigingswet waarmee niet alleen de Monumentenwet uit 1988 is aangepast, maar ook de Ontgrondingwet, de Wet milieubeheer, de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening. De wet gaat ervan uit dat bij het maken van plannen rekening gehouden wordt met aanwezige danwel te verwachten archeologische monumenten.

5Het begrip monument slaat hierbij niet op een wettelijk beschermd monument, maar op alle onroerende zaken die deel uitmaken van cultureel erfgoed (Erfgoedwet artikel 1.1)

Daarom is voorgeschreven dat bij het maken van een bestemmingsplan de archeologische belangen worden afgewogen. Het gaat dus niet alleen maar om documentatie op het moment dat er iets wordt verstoord, maar om de afweging vooraf. Aan elk bestemmingsplan moet daarom een paragraaf worden toegevoegd waar in staat op welke plaatsen sprake is van (verwachte) archeologische waarden en hoe daarmee omgegaan dient te worden.

6MW art. 38a via Erfgoedwet artikel 9 stelt namelijk: ‘De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening […] en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten’.

In navolging hierop kan de gemeente een goedgekeurd archeologisch onderzoeksrapport verlangen als voorwaarde tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Deze koppeling is logisch, omdat in het proces van de ruimtelijke ordening immers besluiten worden voorbereid, die verstrekkende gevolgen hebben voor het archeologische bodemarchief: bijvoorbeeld de bouw van woningen of bedrijfsgebouwen, de aanleg van infrastructuur of de inrichting van natuurgebieden.

Een voorbeeld

Wanneer in een bepaald gebied belangrijke archeologische resten worden vermoed, kan in een bestemmingsplan geregeld worden dat eerst een (verkennend) archeologisch onderzoek moet worden gedaan. Dit met als doel om vast te stellen of er ook daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, wat de waarde daarvan is. De kosten van dat onderzoek komen ten laste van de initiatiefnemer (aanvrager van de vergunning). Blijken er dan inderdaad belangrijke resten aanwezig te zijn dan dient geprobeerd te worden de plannen zodanig aan te passen dat de resten in-situ behouden kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld, omdat er een kelder moet komen, dan is de initiatiefnemer verplicht de kosten van archeologisch onderzoek te betalen.

Het is de nadrukkelijke bedoeling van de wetgever dat de initiatiefnemer op deze wijze de kosten van het onderzoek afweegt tegen zijn belang om een kelder te maken. Uit het verkennend onderzoek kan natuurlijk ook blijken dat de archeologische resten zo belangrijk zijn dat ze moeten blijven zitten. In dat geval kan geen kelder worden gebouwd. Dit soort zaken werd tot voor kort niet in bestemmingsplannen geregeld en is dus nieuw. De gemeente streeft ernaar om het verstoorders principe zodanig toe te passen dat geen onnodige verplichtingen worden opgelegd, maar dat wel het doel van de wetgeving voor ogen wordt gehouden.

3.2.2 Wettelijke onderzoeksplicht

De wettelijke ondergrens voor het in een bestemmingsplan, beheersverordening of omgevingsvergunning verplicht stellen van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen bedraagt 100 m2.

7MW art. 41a via Erfgoedwet artikel 9.

Zie verder 3.3.2 en 4.3.1

3.2.3 Gemeentelijke taken

In Nederland worden de meeste beslissingen over de ruimtelijke inrichting genomen op gemeentelijk niveau. Begrijpelijk is dan ook dat in het nieuwe bestel (Wamz, Wro) de meeste taken en bevoegdheden zijn verschoven naar dat gemeentelijke niveau. De gemeenten krijgen de rol van bevoegd gezag. De gemeentelijke zorg voor het bodemarchief is niet meer vrijblijvend, maar een (verplichte) verantwoordelijkheid. De gemeente zal bij ruimtelijke plannen ervoor moeten zorgen dat de archeologische belangen bekend zijn en dat deze zorgvuldig worden meegewogen in een afwegingsproces met andere (maatschappelijke, sociale, economische, ecologische) belangen.

In hoofdlijnen betekent dit het volgende voor iedere gemeente:

•De omgang met de archeologie binnen de gemeentegrenzen is primair een verantwoordelijkheid van de gemeente;

•De gemeente dient gebieden met (te verwachten) archeologische waarden op te nemen in bestemmingsplannen;

•De gemeente stelt zelf voorwaarden of verleent ontheffingen bij het verlenen van omgevings-vergunningen;

•De gemeente is verantwoordelijk voor (en aanspreekbaar op) haar beslissingen aangaande haar omgang met archeologische waarden.

3.3 Realisatie van het gemeentelijk archeologiebeleid van Leusden

3.3.1 Samenwerking met buurgemeenten

De gemeente Leusden ligt in een landschappelijk regio die de gemeentegrenzen overschrijdt. De stuwwal en zandgronden zijn niet alleen kenmerkend voor Leusden, maar (deels) ook voor Amersfoort, Bunschoten en Soest. Deze gemeenten hebben daardoor een hoge mate van overeenkomstigheid van archeologische waarden en verwachtingen. Dit is een belangrijke basis voor samenwerking en kennisdeling, en ook bij het opstellen van een archeologiebeleid.

3.3.2 Startnotitie archeologie

In de raadsvergadering van 31 maart 2011 is ingestemd met het beleid dat de gemeente Leusden streeft naar een zekere autonomie, zowel bij het selecteren van archeologische waarden, die beschermende maatregelen behoeven, als bij de daaruit voortvloeiende acties. Op grond van een eigen Archeologische verwachtings- en beleidskaart is de gemeente Leusden door middel van een Beleidsnota en Archeologie-verordening in staat onderbouwd en maatschappelijk verantwoord eigen ondergrenzen vast te stellen (afwijkend van de wettelijke 100m2-grens) voor het verplicht stellen van archeologisch onderzoek.

Kleinschalige ingrepen kunnen zo in bepaalde zones worden vrijgesteld van de verplichtingen van ‘Malta’. Wat verantwoord kan worden vrijgesteld is afhankelijk van de archeologische waarde of verwachting, en verschilt dus per gebied. Op basis van de kennis over de spreiding en intensiteit van vondsten wordt in Leusden voor sommige gebieden een strengere norm voorgesteld dan de wet als richtlijn (100m2) stelt. In andere gebieden wordt een minder strenge norm voorgesteld. Zie hiervoor paragraaf 4.3.1.

3.3.3 Beleidsinstrumenten

De gemeente Leusden heeft, uitgaande van het bovengenoemde, voor een verantwoord archeologiebeleid een aantal beleidsinstrumenten nodig. Deze stellen de gemeente in staat de vanuit de wetgeving opgedragen taken, maar ook de eigen gemaakte keuzes zo efficiënt mogelijk uit te voeren. Daarnaast, maar zeker niet minder belangrijk, is het voorgenomen beleid erop gericht de cultuurhistorische identiteit van Leusden te beschermen en versterken. De benodigde beleidsinstrumenten zijn:

1Beleidsnota Archeologie, die dient om het voorgestelde beleid te verantwoorden en te onderbouwen;

2Gemeentelijke archeologische beleidskaart met voorschriften ten behoeve van de archeologische monumentenzorg;

3Archeologische waarden en verwachtingen verankeren in bestemmingsplannen (regels, toelichting en verbeelding), en in vergunningsvoorwaarden voor de omgevingsvergunning;

4Gemeentelijke Erfgoedverordening

8Van kracht tot de invoering van de Omgevingswet

als instrument om niet-geactualiseerde bestemmingsplannen ‘archeologie-vriendelijk’ te maken.

5Gemeentelijke richtlijnen voor bureau- en veldonderzoek, en rapportage;

6Lokale Onderzoeksagenda archeologie (LOA)

De beleidsinstrumenten 2 t/m 5 worden in deel II van deze beleidsnota nader uitgewerkt;

Gezien de serieuze financiële en maatschappelijke belangen is het een gemeentebestuur er vanzelfsprekend alles aan gelegen om over een goed beleidsinstrumentarium te beschikken. Hieruit dient te blijken dat alle belangen zijn gezien en gewogen. Uitgangspunt is dat er op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologische erfgoed. Daarnaast biedt het beleid de kans om bij de inwoners van Leusden het cultuurhistorisch besef te bevorderen en iets wezenlijks toe te voegen aan de historische identiteit van Leusden. Het is aan de gemeente zelf om in het ruimtelijke beleid een juiste balans te vinden tussen een goede zorg voor het archeologische erfgoed en de andere maatschappelijke afwegingen die hierbij moeten worden gemaakt.

II-4 Archeologische verwachtings- en beleidskaart

4.2 Totstandkoming Archeologische beleidskaart gemeente Leusden

4.2.1 Archeologische beleidskaart gemeente Leusden

Met het goedkeuren van de beleidskaart, krijgt deze de titel Archeologische beleidskaart gemeente Leusden.

Afbeelding 2: De Archeologische beleidskaart van de gemeente Leusden (versie 2017)

Het doel van de archeologische beleidskaart is het bieden van een beslissingskader bij de verlening van omgevingsvergunningen. Daartoe dienen de archeologische waarden- en verwachtingszones opgenomen te worden in de nieuwe bestemmingsplannen van de gemeente Leusden.

Aangezien de archeologische beleidskaart hét basisinstrument vormt voor het gemeentelijk archeologiebeleid, zal de gemeente deze kaart en toelichting daarop actualiseren indien daartoe op grond van archeologisch onderzoek aanleiding bestaat. Dit is ook van belang in verband met de verplichte openbaarheid van de beperkingen die het archeologisch beleid voor derden met zich meebrengt. Actualisatie zal tenminste één maal in de vijf jaar plaatsvinden.

Bodemingrepen die de beide ondergrenzen (diepte en oppervlakte) niet overschrijden worden direct vrijgegeven van een archeologische onderzoeksplicht. Bij bodemingrepen die de beide ondergrenzen (diepte en oppervlakte) wel overschrijden geldt een onderzoeksplicht. De archeologische onderzoeksplicht bestaat uit plantoetsing door een archeologisch deskundige. Deze toetsing kan leiden tot archeologisch (voor)onderzoek in het plangebied.

4.2.2 Legenda Archeologische beleidskaart (ondergrenzen)

In de legenda van de beleidskaart staat per categorie aangegeven vanaf welke diepte- en oppervlakte-ondergrenzen bij bodemingrepen een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

In tabel 1 is de legenda vertaald naar ‘situatie’ en ‘te ondernemen actie’.

Tabel 1: Categorieën en ondergrenzen voor onderzoeksplicht.

Bij wettelijk beschermde monumenten dient altijd een vergunning te worden aangevraagd als er bodemverstoring gaat plaatsvinden. Bij de overige categorieën geldt de onderzoeksplicht pas bij bodemingrepen dieper dan 30cm én een verstoringsoppervlak van respectievelijk 0, 100, 500 en 10.000 m2.

Bodemingrepen die de beide ondergrenzen (diepte en oppervlakte) niet overschrijden worden direct vrijgegeven van een archeologische onderzoeksplicht. Bij bodemingrepen die de beide ondergrenzen (diepte en oppervlakte) wel overschrijden geldt een onderzoeksplicht. De archeologische onderzoeksplicht bestaat uit plantoetsing door een archeologisch deskundige. Deze toetsing kan leiden tot archeologisch (voor)onderzoek in het plangebied.

4.3 Ondergrenzen en onderzoeksplicht

4.3.1 Oppervlakte-ondergrenzen

De basis voor de voorgestelde oppervlakte-ondergrenzen vormt de wettelijke 100m2-ondergrens (Monumentenwet, art. 41a via overgangsrecht Erfgoedwet artikel 9). Uitzondering hierop vormen de vergunningaanvragen ter plekke van beschermde archeologische rijksmonumenten, die altijd door de RCE beoordeeld dienen te worden. De wettelijke 100m2-grens voor een archeologische onderzoeksplicht mag door een gemeenteraad beargumenteerd naar boven of beneden bijgesteld worden.

Voor de wettelijk beschermde archeologische rijksmonumenten geldt, dat te allen tijde een Monumentenvergunning dient te worden aangevraagd bij de RCE.

Voor de gebieden met hoge archeologische waarde (bekende grafheuvels, Steentijd vindplaatsen, de Heiligenberg, Bavoort en Kamp Amersfoort) is ter bescherming van de aanwezige archeologische resten in de bodem een strengere ondergrens dan de wettelijke 100m2 nodig. Aangezien zelfs kleine bodemingrepen hier archeologische resten kunnen vernietigen is bij alle plangebieden binnen deze zone waar bodemingrepen dieper dan 30cm onder maaiveld plaatsvinden, voorafgaand archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Voor de Archeologisch Verwachtingsgebieden vindt de gemeente het niet nodig een strengere ondergrens op te stellen dan de wettelijke ondergrens van 100m2. Waar de gemeente het mogelijk acht, zal de ondergrens verruimd worden.

Voor de gebieden met een hoge archeologische verwachting, kiest de gemeente in haar ondergrensbeleid voor aansluiting bij de wettelijke 100m2-grens.

Voor de gebieden met een middelhoge archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 500m2. In deze gebieden zijn veelvoorkomende bodemingrepen, bijvoorbeeld de bouw van een woning, kleiner dan 500m2 vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht.

Voor de gebieden met een lage archeologische verwachting, verruimt de gemeente de ondergrens naar 10.000m2. In deze gebieden zijn bodemingrepen toegestaan, tenzij sprake is van grootschalige ontwikkelingen waarbij bodemverstoring groter dan 10.000m2 optreedt.

Terreinen zonder archeologische verwachting

Archeologisch reeds onderzochte terreinen zijn altijd onderzocht naar aanleiding van de specifieke vergunningsaanvraag. Hierbij speelde de verwachte verstoring (soort, diepte, omvang e.d.) een rol bij de keuze voor het soort onderzoek. Een nieuwe vergunningsaanvraag binnen hetzelfde plangebied zal daarom in principe altijd opnieuw aan een archeologische toets moeten worden onderworpen. Uiteraard zijn er daarnaast ook gebieden waarvan op basis van uitgevoerd archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat de archeologische verwachting dermate laag is, dat archeologisch onderzoek hier niet langer zinvol is. Deze gebieden hebben in de betreffende bestemmingsplannen ook geen dubbelbestemming Waarde – Archeologie meer. Tevens zijn enkele percelen dermate volledig opgegraven dat er geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Bijvoorbeeld na het grootschalige onderzoek bij De Schammer. Ook deze zones hebben geen archeologische verwachting meer.

De oppervlakte-ondergrens van het projectgebied betreft bij bestemmingsplanwijzigingen, ontheffingen en projectbesluiten het totale gebied waar een (nieuwe) bestemming wordt opgelegd. Aangezien het Verdrag van Malta van het principe in situ-bescherming uitgaat, is het zaak voor die delen die - vooralsnog - niet verstoord worden een beschermingsregime op te leggen. Daarmee wordt de initiatiefnemer in staat gesteld plannen eventueel aan te passen aan de archeologie.

Bij een bouw- of aanlegactiviteit (middels omgevingsvergunning) wordt voor de ondergrens uitgegaan van het omtrek-oppervlak binnen het projectgebied waar daadwerkelijk bodemverstoring gaat plaatsvinden. Als voor een projectgebied twee of meer categorieën gelden, dan geldt de hoogste verwachting/waarde voor het gehele terrein.

4.3.2 Diepte-ondergrenzen

Naast de oppervlakte-ondergrenzen zijn er ook diepte-ondergrenzen geformuleerd. Voor alle waarde- en verwachtingsgebieden geldt een diepte-ondergrens van 30cm onder maaiveld. Er is voor gekozen in deze gebieden een dergelijke ondergrens te hanteren, omdat de bouwvoor in deze regio normaliter ca. 30cm dik is.

13Indien middels archeologisch bureauonderzoek en bodemkundige / verkennende boringen is vastgesteld dat de bouwvoor in een plangebied aanzienlijk dikker is dan 30cm, dan kan afgeweken worden van de ‘dieper dan 30cm-regel’. Indien dit geen nadelige gevolgen heeft voor het aanwezige of verwachte bodemarchief kan de ondergrens dan gelegd worden op de minimaal aangetoonde dikte van de aanwezige bouwvoor, inclusief een kleine marge.

Onder deze bouwvoor bevindt zich de overgang naar de archeologisch interessante ondergrond, zoals oud akkerland, podzolbodems, top van het dekzand e.d. Verstoringen dieper dan 30cm onder maaiveld zouden dus al een verstoring van het bodemarchief kunnen betekenen.

4.3.3 Onderzoeksplicht

Met het indelen van archeologische waarden in bestemmingsplancategorieën, het (gemotiveerd) stellen van ondergrenzen ten aanzien van onderzoeksplicht voor de diverse categorieën en het opnemen van bestemmingsplanvoorschriften, is getracht een verantwoorde balans te vinden tussen enerzijds wetenschappelijke en cultuurhistorische belangen en anderzijds de maatschappelijke en praktische uitvoerbaarheid. Hieruit voortgekomen zijn twee soorten beleidsadviezen gedefinieerd: ‘archeologische onderzoeksplicht’ bij overschrijding van de gestelde ondergrenzen, en ‘geen archeologische onderzoeksplicht’ bij het niet overschrijden van de gestelde ondergrenzen.

Als een eerste interne archeo-toets door de behandelend ambtenaar (vooroverleg Omgevingsvergunning, zie tabel 2) aangeeft dat archeologisch onderzoek op basis van de beleidsadvieskaart noodzakelijk is, zullen de bodemverstorende plannen ter toetsing aan de archeologisch deskundige voorgelegd worden. Pas dan zal exact worden bekeken in welke vorm het onderzoek plaats dient te vinden. Ook kan het betekenen dat bij nader inzien, op inhoudelijke gronden, toch geen onderzoek nodig is. De onderzoeksplicht zoals gesteld in de bijlage van de beleidsadvieskaart (zie ook tabel hierboven) is dus niet per definitie een archeologisch veldonderzoek. De onderzoeksplicht behelst het ‘ter toetsing overleggen van de plannen aan het bevoegd gezag’. Vervolgens vindt een beoordeling van de plannen (verstorende bodemingrepen) plaats door een archeologisch deskundige.

14De gemeente Leusden beschikt over een archeologisch deskundige, in de vorm van een regio-archeoloog. Deze is ter beschikking op basis van de Raamovereenkomst Archeologie met het Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort.

Het onderzoek kan vervolgens bestaan uit een nadere bureaustudie (archeologische quickscan) op basis waarvan de plannen alsnog worden vrijgegeven van verder archeologisch onderzoek, of uit het advies aan het bevoegd gezag om de vergunningaanvrager te verplichten tot het doen van een (verkennend of prospectie) veldonderzoek.

Tabel 2: Beslisboom voor interne archeologie toets gemeente Leusden

III-7 Het AMZ-proces in stappen

7.3 Inventariserend veldonderzoek

7.3.1 Verkennende fase

De verkennende fase is gericht op het in detail in beeld krijgen van de archeologische verwachting voor een plangebied. De gedetailleerde gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voorziet hier in grote lijnen in. Er zijn echter situaties denkbaar dat aanvullende gegevens nodig zijn over de specifieke geologische opbouw van een gebied en de hieraan te relateren archeologische verwachting. Een voorbeeld zijn gebieden met niet bekende maar mogelijk omvangrijke bodemverstoringen, waardoor de toegekende verwachting naar beneden dient te worden bijgesteld. Dit zal vooral op perceelsniveau altijd nader onderzocht moeten worden.

Vrijgeven op basis van verkennend booronderzoek

De verkennende fase moet worden gezien als een voorbereiding op een gerichte karterende fase (en is dan ook niet verplicht). In sommige gevallen kunnen de resultaten van de verkennende fase leiden tot het vrijgeven van een bodemverstorende ingreep in een plangebied. Dit kan alleen het geval zijn als blijkt dat de bodem recentelijk dermate diepe is verstoord (tot ver in het dekzand, de zogenaamde C-horizont, de bodemlaag waarin zich de meeste archeologische sporen aftekenen). Hiermee kan aannemelijk worden gemaakt dat alle (mogelijk aanwezige) archeologische waarden reeds vernietigd zijn. Een geringe aftopping van de C-horizont is zeker geen garantie voor de afwezigheid van archeologische sporen, zo hebben vele opgravingen in de gemeente Leusden aangetoond.

De verkennende fase aanvullen met het zetten van grondboringen is met name interessant en zinvol voor grotere plangebieden. Hoe kleiner het gebied, hoe lager het rendement van een verkennende fase, omdat naar verhouding meer boringen nodig zijn. Vaak kan op voorhand al aangetoond worden middels oude bouwtekeningen van gesloopte panden, ontgrondings- of saneringsgegevens etc. in hoeverre grote grondverstoringen in een plangebied te verwachten zijn. Verkennende boringen kunnen dergelijke informatie staven.

7.3.2 Karterende fase

Het doel van de karterende fase is het in kaart brengen van (nog onbekende) archeologische vindplaatsen. In de meeste gevallen bestaat een kartering uit booronderzoek, aangevuld met een oppervlaktekartering. De boordichtheid en -strategie worden bepaald door de specifieke onderzoeksvraag en de archeologische verwachting. In de KNA zijn richtlijnen opgenomen over de te hanteren boordichtheden onder verschillende omstandigheden. Deze zijn gebaseerd op een omvangrijke studie naar de betrouwbaarheid en toepasbaarheid van booronderzoek in de prospectiearcheologie en de leidraad booronderzoek van de SIKB. Het kan blijken dat niet een booronderzoek de beste methode is voor een prospectiefase, maar dat juist gravend onderzoek (proefsleuven of proefputten) noodzakelijk zijn (bijv. voor het opsporen van vroege en late prehistorische vindplaatsen met een lage tot matige vondstdichtheid en voor het karteren van een mogelijk grafveld).

21Zie ook Prospectie op maat via www.archeologieinnederland.nl.

De meest geschikte onderzoeksmethode is sterk afhankelijk van de aanwezige bodemsoort in het plangebied, de gespecificeerde archeologische verwachting en de geplande bodemverstoring. De gemeente toetst daarom graag voorafgaand aan het onderzoek het Plan van Aanpak en de voorgestelde onderzoeksmethode!

7.3.3 Waarderende fase

De waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard van een vastgestelde archeologische vindplaats ten behoeve van de waardebepaling. Zo kan het gewenst zijn om een archeologische vindplaats zo optimaal mogelijk te behouden, bijvoorbeeld door middel van inpassing. Een waarderend inventariserend veldonderzoek (vaak door middel van proefsleuven/proefputten) is tevens gewenst voorafgaand aan een archeologische opgraving, teneinde gedetailleerde gegevens te verkrijgen met het doel de opgraving zo doelgericht mogelijk te kunnen uitvoeren. De vindplaatsen worden onderzocht op hun fysieke kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging. Een waarderend onderzoek bestaat in veel gevallen uit een proefsleuvenonderzoek, maar kan ook andersoortig onderzoek inhouden (geofysisch onderzoek of waarderend booronderzoek).

7.4 Proces van waardestelling (selectieadvies)

7.4.1 Archeologische opgraving

Een archeologische opgraving heeft als doel vondst- en spoorgegevens van een archeologische vindplaats te verzamelen en te documenteren en is gericht op vooraf geformuleerde onderzoeksdoelstellingen (vastgelegd in een PvE). Tijdens een archeologische opgraving worden sleuven en putten aangelegd en wordt de archeologische vindplaats gecontroleerd vernietigd (behoud van informatie ex situ). Alleen de te verstoren oppervlakken worden onderzocht. Na opgraving kunnen de geplande werkzaamheden zonder beperkingen worden uitgevoerd. Wel kunnen beschermende maatregelen (o.a. regelgeving) worden getroffen voor niet opgegraven delen van een vindplaats.

7.4.2 Archeologische begeleiding

Een archeologische begeleiding mag alleen bij hoge uitzondering plaatsvinden. Dit, omdat er vaak te veel belemmeringen zijn om een goed archeologisch onderzoek uit te voeren. Een begeleiding wordt via de vergunningen geregeld. De reden om te kiezen voor een begeleiding i.p.v. een volwaardig onderzoek dient altijd te worden onderbouwd. Er zijn in het algemeen drie redenen om voor een begeleiding te kiezen:

-Wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten (bijvoorbeeld archeologisch onderzoek in beekdalen, waarbij het gaat om toevalsvondsten);

-Wanneer het als gevolg van fysieke belemmeringen niet mogelijk is om adequaat onderzoek te doen (denk bijvoorbeeld aan de smalle sleuven voor de aanleg van NUTS-voorzieningen);

-Wanneer bij gewaardeerde terreinen op grond van beschikbare archeologische informatie wordt geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) mogelijk is, maar men toch het zekere voor het onzekere wil nemen (als blijkt dat de locatie van de bodemingrepen is verstoord, of dat de archeologische laag niet wordt geraakt).

7.4.3 Bescherming

Bescherming houdt in dat er fysieke maatregelen worden getroffen op het terrein met archeologische waarden zelf (bescherming in situ). Doel daarvan is de meest gunstige randvoorwaarden te scheppen voor duurzaam behoud, zonder de aanwezige archeologische waarden te beschadigen. Bescherming betekent niet per definitie dat op terreinen geen ontwikkelingen meer mogelijk zijn. Onder strenge voorwaarden kunnen ook op beschermde terreinen bovengronds ontwikkelingen plaatsvinden.

7.4.4 Vrijgeven

De resultaten van het archeologisch (voor)onderzoek kunnen tenslotte ook zodanig zijn dat geen vervolgstappen hoeven te worden voorgesteld. De geplande bodemingrepen kunnen in dat geval zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd. Hiertoe kan besloten worden als er geen archeologische waarden aanwezig zijn of van zo’n marginale betekenis zijn dat verder onderzoek of bescherming een te zwaar middel is. Ook zwaar verstoorde vindplaatsen, waarvan op grond van waarderend onderzoek duidelijk is geworden dat de wetenschappelijke informatiewaarde te sterk is aangetast, kunnen genomineerd worden om zonder verder onderzoek te worden vergraven. Dergelijke situaties zijn nogal eens punt van discussie, met name vanwege de kans op bijzondere vondsten (bijvoorbeeld een diep ingegraven waterput). Die situaties zullen zich altijd blijven voordoen, wat geen belemmering moet zijn een beargumenteerd, selectief beleid te voeren ten aanzien van een adequate archeologische monumentenzorg.

III-8 Randvoorwaarden voor een goede AMZ

8.3 Archeologische onderzoeksagenda en selectiebeleid

8.3.1 Onderzoeksagenda

De gemeente is geen wetenschappelijk onderzoeksinstituut. Wetenschappelijke analyses van uitgevoerde onderzoeken zijn echter onontbeerlijk om tot kenniswinst over de geschiedenis van de gemeente te komen. Binnen de organisatie van de archeologische monumentenzorg maken wetenschappelijke basisrapportages deel uit van de uit te besteden werkzaamheden. Het integreren van deze verschillende stukjes van de legpuzzel tot een samenhangend beeld van de geschiedenis van een gemeente is echter een additionele taak die niet op gemeentelijk niveau kan plaatsvinden gelet op het gebrek aan capaciteit hiervoor. Van belang is wel dat deze integratie van de archeologische informatie plaatsvindt. Een oplossing kan gevonden worden in een gezamenlijke voorziening binnen de regio. Een goed inzicht in de stand van kennis over het lokale verleden vormt de basis voor de evaluatie, en verdere ontwikkeling, van het lokale archeologiebeleid.

De eeuwenlange bewoning heeft in de bodem van de gemeente Leusden talloze sporen nagelaten. Door haar ligging op de overgang van hoog (de Heuvelrug) naar laag (Gelderse Vallei), is het bodemarchief zeer uiteenlopend.

Eén van de aanbevelingen in de vorige Beleidsnota Archeologie van de Gemeente Leusden was het opstellen van een gemeentelijke onderzoeksagenda. In de actualisatie van de Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart van Leusden 2017 is een lokale onderzoeksagenda (LOA) geformuleerd. Aan de hand van diverse lokale thema’s zijn onderzoeksvragen geformuleerd die koeten leiden tot een gerichte vermeerdering van de kennis van het verleden van Leusden. De onderzoeksvragen komen voort uit reeds uitgevoerde onderzoeken, specifieke vragen van de Gemeente Leusden en de vragen uit de Nederlandse Onderzoeksagenda Archeologie.

27www.archeologieinnederland.nl; Scholte Lubberink, Keunen en Willemse 2015.

De vragen gaan over de thema’s landschappelijke inbedding en inrichting, infrastructuur, bewoning, materiële cultuur, graven/grafritueel en conflictarcheologie.

8.4 Voorlichting en communicatie

8.4.1 Interne communicatie

Alle betrokkenen binnen de gemeentelijke organisatie horen op de hoogte te zijn van het gemeentelijke archeologiebeleid, en de bijbehorende verantwoordelijkheden en mogelijkheden ten aanzien van ruimtelijke ingrepen.

De verantwoordelijkheid voor de beleidsmatige vraagstukken ligt bij de beleidsadviseur met cultuurhistorisch erfgoed in het werkpakket; de verantwoordelijkheid voor de toetsing aan het archeologisch beleid ligt bij de senior contactmanager planologisch.

Waar nodig worden door middel van werkafspraken verantwoordelijkheden bij andere taakvelden vastgelegd.

In sommige gevallen is het wenselijk (of zelfs verplicht) ook het Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit te betrekken. Daarnaast kunnen ook beleidssectoren binnen de gemeente met of op basis van archeologie hun voordeel doen. Denk hierbij aan allerlei vormen van educatie en scholing, en aspecten als toerisme en recreatie.

8.4.2 Externe communicatie

De gemeente vervult een belangrijke loketfunctie waar het gaat om voorlichting. Inwoners, ontwikkelaars, maar ook commerciële archeologische bureaus dienen op heldere en eenduidige wijze op de hoogte te worden gesteld van het gemeentelijke archeologiebeleid, de verplichtingen, de rechten etc. De Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb) vereist, dat ook archeologische informatie ontsloten is voor zowel burgers als overheid. Het publiekelijk (digitaal) toegankelijk maken van deze Beleidsnota, de Beleidskaart en de Erfgoedverordening via de gemeentewebsite is een goede manier om dit te ondervangen.

Maatschappelijk draagvlak

Naast het goed en volledig informeren van de burgers in het AMZ-proces, is het communicatiebeleid hieromtrent er vooral op gericht om maatschappelijk draagvlak voor het archeologisch erfgoed te creëren en te behouden! Zonder deze draagkracht en interesse van het publiek zal de archeologische monumentenzorg de zorg van slechts enkelen zijn en blijven. Het vergroten van het draagvlak voor archeologie binnen de gemeente kan worden bereikt door enerzijds het publiek bewust te maken van het belang van archeologie en anderzijds door hen erbij te betrekken. Ruimtelijke plannen hebben vaak een grote invloed op het leefklimaat van bewoners en gebruikers van een gebied; zij dienen dus ook betrokken te worden in de planvormingsprocedures. Dit vergroot niet alleen het maatschappelijk draagvlak voor de vervaardigde plannen, maar vergroot ook de kans om lokaal aanwezige gebiedskennis in te brengen in het planvormingsproces.

In de archeologie wordt tot op heden nog weinig gebruik gemaakt van de talrijke kansen die actieve participatie van bewoners biedt voor de totstandkoming van archeologievriendelijke ruimtelijke plannen. Lokale ervaringskennis van bewoners onderscheidt zich op een groot aantal punten heel duidelijk van de kennis van wetenschappelijke deskundigen en blijkt in de ruimtelijke ordening een belangrijke meerwaarde op te leveren. Actieve participatie van de bevolking levert niet alleen inhoudelijk betere plannen op, ook kunnen zij rekenen op een veel groter maatschappelijk draagvlak. Dit leidt uiteindelijk tot een duidelijke tijd- en kostenbesparing in de uitvoering (weinig oponthoud door inspraakprocedures) en een goede basis voor toekomstige planvormingsprocedures in hetzelfde gebied.

8.6 Financiële regelingen

8.6.1 Bestuurslasten

De bestuurslasten archeologiebeleid bestaan uit kosten die gemaakt worden voor:

•het actueel houden van de archeologische waarden- en beleidskaart;

•het adviseren inzake bestemmingsplannen en vergunningen.

28De gemeente Leusden betaalt jaarlijks een bedrag voor de structurele kosten aangaande de overeenkomst met de archeologische partner CAR. De overeenkomst is ingegaan op 1 januari 2016 en geldt in principe voor 3 jaar, met maximale verlenging tot 7 jaar. Het CAR assisteert hiermee bij ontwikkeling en implementatie van het archeologiebeleid, aanleveren van bestemmingsplanteksten etc etc.

8.6.2 Uitvoeringskosten

De jaarlijkse uitvoeringskosten komen voort uit het begeleiden van de uitvoering en handhaving van het beleid. De hoogte van de bestuurslasten zijn afhankelijk van:

•het aantal verleende omgevingsvergunningen;

•de omvang van de ontwikkelingsgerichte ruimtelijke plannen (oppervlakte) in relatie tot de beleidskeuzen (ondergrenzen voor het verplicht stellen van archeologisch onderzoek);

•de omvang van de met een archeologische (verwachtings)waarde belaste gebieden.

Met de implementatie van het gemeentelijk beleid en de bijbehorende vergunningsvoorschriften kan de gemeente in belangrijke mate invulling geven aan het zogenaamde veroorzakerprincipe. Van initiatiefnemers van ruimtelijke ingrepen kan op basis daarvan verlangd worden dat zij de kosten van benodigde archeologische maatregelen en werkzaamheden voor hun rekening nemen.

Aanbevelingen en Beleidskeuzes

Het verleden zichtbaar in de toekomst

Hoe de gemeente haar verplichte verantwoordelijkheid naar het bodemarchief toe vormgeeft, is in de beleidsnota en de erfgoedverordening vastgelegd. Daarbij vormen de archeologische verwachtings- en beleidskaart het beleidsinstrument. Deze kaarten zijn een dynamisch product. Om gedurende de doorlooptijd van een bestemmings-/ omgevingsplan archeologische verwachtingen naar boven of beneden toe bij te kunnen stellen, is het gewenst hiervoor een wijzigingsbevoegdheid op te nemen.

Hoe de gemeente daarnaast gebruik maakt van kennis van dat bodemarchief en er uiting aan geeft, moet nog verder vorm krijgen.

Van belang is om gelden te genereren voor het onder de aandacht brengen en uitdragen van archeologie als bindend element van een gedeeld verleden. Te denken valt aan de reservering van een percentage van de begroting voor ruimtelijke projecten voor archeologie.

Daarnaast zal bij uitvoering van aanbevelingen verbinding worden gezocht met partijen waarmee samengewerkt kan worden. Hierbij wordt per geval bekeken in welke mate de gemeente initieert, financiert en uitvoert.

Tot nu toe worden de toegevoegde waarden die archeologie de gemeente kan geven beperkt benut.

Het actief inzetten van archeologische en cultuurhistorische waarden kan zowel een toeristische als een economische meerwaarde hebben.

Op welke wijze kan Leusden de taak met betrekking tot openbaar en toegankelijk maken van archeologische kennis die voortvloeit uit het verdrag van Valletta, vormgeven?

De volgende aanbevelingen zouden overwogen kunnen worden, in willekeurige volgorde van uitvoering omdat het niet doenlijk is alles tegelijk op te pakken:

•Het organiseren van tentoonstellingen in samenwerking met archeologische partner en historische vereniging(en)

•Het ontwikkelen van fietsroute(s)

•Archeologische vindplaats gebruiken bij ruimtelijke ontwerpen en landschappelijke inrichting

•Reconstructie van archeologische structuren (bijv. grafheuvel)

•Ontwikkelen van lespakket voor scholen (samenwerking met archeologische partner, gilde, historische vereniging etc.)

•Het aangaan van een regionaal samenwerkingsverband (bijv. Utrechtse Heuvelrug grafheuvelonderzoek) dat zorgt voor een hernieuwde interesse in, en betere bescherming en ontsluiting van, de diverse grafheuvels in Leusden

•Het ontwikkelen van folder(s) met betrekking tot het archeologische erfgoed

•Publieksvriendelijke versie maken van wetenschappelijke eindrapporten

•Inrichten van een archeologie-hoek op de gemeentelijke website

•In de jaren ‘80 van de vorige eeuw is bij Oud-Leusden ter hoogte van de A28 een bijzondere vindplaats aangetroffen. Deze vindplaats is niet alleen van lokaal belang maar ook van regionaal en nationaal belang. Het verdient aanbeveling als gemeente zorg te dragen voor financiële ondersteuning voor de uitwerking en publicatie van deze bijzondere opgraving.

Bibliografie

Beumer 2017: S. Beumer, Actualisatie 2017 Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart Leusden, CAR-rapport 63, Amersfoort 2017

d’Hollosy 2011: d’Hollosy, ‘Actualisatie archeologische waarde- en verwachtingskaart Leusden 2011’, CAR-rapport 10, Amersfoort 2011.

De Boer e.a. 2009: G. de Boer, ‘Gemeenten Amersfoort en Leusden. Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (m.u.v. de historische stadskern)’, Raap-rapport 1875, z.p. 2009.

Ten Cate 2010: F. ten Cate, ‘Vergunningvrij bouwen en ruimtelijke kwaliteit. Een handreiking voor gemeenten en welstandcommissies’, Amsterdam 2010 (via www.cultureelerfgoed.nl).

Scholte Lubberink, Keunen en Willemse 2015: Scholte Lubberink, H.B.G., L.J. Keunen & N.W. Willemse, 2015: Op het kruispunt van de vier windstreken. Synthese Oogst voor Malta onderzoek de Gelderse Vallei (Utrechts-Gelders zandgebied), Amersfoort (NAR 48).

Lijst van afbeeldingen, afkortingen en begrippen

Afbeeldingen, tabellen en figuren

Afbeelding 1: De Samengestelde archeologische verwachtingskaart van de gemeente Leusden (versie 2017)

Afbeelding 2: De Archeologische beleidskaart van de gemeente Leusden (versie 2017).

Figuur 1: Het AMZ-proces in schematische vorm weergegeven.

Tabel 1: Categorieën en ondergrenzen voor onderzoeksplicht.

Tabel 2: Beslisboom voor interne archeologie toets gemeente Leusden

Afkortingen en begrippen

AHN: Algemeen Hoogtebestand Nederland

AMK: De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) is in samenwerking met de verschillende provincies en gemeentelijk archeologen ontwikkeld. Op de kaart staan de terreinen aangegeven waarvan al bekend is dat er archeologische waarden aanwezig zijn. De terreinen zijn beoordeeld op de criteria kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde. Op grond van deze criteria zijn de terreinen ingedeeld in terreinen met archeologische waarde, hoge archeologische waarde en zeer hoge archeologische waarde. Onder deze laatste categorie vallen ook de wettelijk beschermde monumenten. De AMK is één van de bronnen om ruimtelijke plannen, zoals streek- en bestemmingsplannen, te kunnen opstellen, beoordelen en toetsen op hun gevolgen voor de archeologie. Een groot aantal provincies gebruikt de AMK ook als bron voor de ontwikkeling van digitale cultuurhistorische waardenkaarten. De AMK biedt echter altijd een momentopname. Ieder jaar komen er nieuwe archeologische terreinen bij, vervallen bestaande terreinen of worden groter of juist kleiner. Daarnaast kunnen terreinen die niet op de AMK staan, toch waardevolle archeologische resten bevatten. De kaarten worden via een roulatiesysteem doorlopend herzien. Voor meer informatie over de AMK´s, zie www.cultureelerfgoed.nl

AMZ: Archeologische Monumenten Zorg zoals verwoord in de KNA. De AMZ bestaat in de KNA uit de volgende onderdelen: bureauonderzoek, inventariserend veldonderzoek, fysiek beschermen, archeologische begeleiding, opgraven, deponeren en registreren.

Amateur-archeoloog: In de archeologie geïnteresseerde mensen, meestal zonder archeologische opleiding. Door hun toewijding aan het vak hebben ze vaak een kennis opgebouwd die niet onder doet voor die van professionele archeologen. In het verleden hebben vrijwilligers regelmatig zelf opgravingen uitgevoerd. Dit met instemming van de RCE en in overleg met de provinciaal archeoloog. Een opgraving door vrijwilligers was vaak een 'noodopgraving' omdat bij grondwerkzaamheden bleek dat er archeologisch materiaal in de grond zat. Vrijwilligers zullen in de toekomst naar verwachting nog maar beperkt zelfstandig opgravingen doen omdat er steeds meer vooronderzoek plaatsvindt, waardoor het aantal toevalsvondsten naar verwachting minder wordt. Vrijwilligers zullen hun kennis en betrokkenheid meer gaan inzetten voor het kritisch volgen en het voeden van alle activiteiten op het gebied van de ruimtelijke ordening.

Archeologische begeleiding: Proces waarbij de uitvoering van niet-archeologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid.

Archeologische beleidskaart: Kaart, die de ruimtelijke grondslag geeft voor een AMZ-beleid. De archeologische beleidskaart geeft aan welke gebieden in een bestemmingsplan de (dubbel)bestemming archeologie (zouden) moeten krijgen. Deze gebieden zijn onderscheiden in zones of terreinen, waar een op onderdelen verschillend beleid kan worden gehanteerd.

Archeologisch monument: Terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (Erfgoedwet artikel 1.1).

Archeologische waarneming: Een aangetroffen of gesignaleerd archeologisch fenomeen. Dit kan de vondst van een bepaald (gebruiks)voorwerp zijn of de waarneming van de aanwezigheid van in de bodem aanwezige sporen die wijzen op menselijke activiteit in het verleden. Waarnemingen worden gedaan tijdens gerichte archeologische onderzoeken (van akkerbezoeken tot en met opgravingen), maar kunnen ook toevallig zijn.

Archis: Het archeologisch informatiesysteem. Het wordt beheerd en bijgehouden door de RCE en bestaat uit een GIS-systeem met verschillende kaartlagen, waaraan een database is gekoppeld. Alle onderzoeken, waarnemingen en vondstmeldingen worden in Archis ingevoerd.

Artefact: Een door mensen gemaakt voorwerp.

AWN: Archeologische Werkgroep Nederland.

Beheer: Onder beheermaatregelen worden verstaan alle regelmatig te treffen maatregelen, welke noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat archeologische monumenten die in een goede staat verkeren dat ook blijven. Beheer bestaat uit schouwen, uitvoeren van onderhoud en eventueel monitoren. Het gaat hier om het treffen van maatregelen op de lange termijn.

Behoudenswaardig: In de KNA gehanteerde term om aan te geven dat een terrein zo waardevol is dat behoud in situ, of anders een opgraving, noodzakelijk is om de daarin aanwezige archeologische gegevens te behouden. Indien de uitspraak ‘behoudenswaardig / niet behoudenswaardig’ op voldoende waarderend onderzoek berust, is deze kwalificatie het sleutelbegrip bij het selectiebesluit.

Beschermd monument: In Erfgoedwet beschermd cultuurgoed. Cultuurgoed dat als onvervangbaar en onmisbaar wordt beschouwd en daarom moet worden behouden voor het Nederlands cultuurbezit.

Behoud in situ: Behoud van archeologische resten op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren.

Bevoegd gezag: De overheid (in dit geval de gemeente) die het selectiebesluit neemt en het Programma van Eisen goedkeurt.

Bodemverstoring: Iedere bodemverstorende activiteit met mogelijke negatieve gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

Booronderzoek: Methode bij inventariserend veldonderzoek, gebaseerd op het verrichten van grondboringen.

Bureauonderzoek: Het doel van een bureauonderzoek is het verwerven van informatie over verwachte en/of aanwezige archeologische waarden binnen een bepaald gebied. Het opstellen van een gedetailleerde verwachtingskaart en een gespecificeerde verwachting kan deel uitmaken van een bureauonderzoek.

CAR: Centrum voor Archeologie van de gemeente Amersfoort. De Gemeente Leusden heeft sinds 1 januari 2016 een overeenkomst met het CAR om op te treden als archeologisch adviseur van de gemeente.

Certificaat: Een schriftelijke verklaring als bewijsstuk voor de kwaliteit. Het is verboden zonder certificaat handelingen te verrichten met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan. (Erfgoedwet artikel 5.1)

Complextype: Interpretatie van een specifieke vondst en/of grondspoor of een groep daarvan, geeft aan in welke systeemcontext (complex) een vondst of grondspoor heft gefunctioneerd.

Fysiek beschermen: Het duurzaam in stand houden van archeologische waarden in situ als bron van kennis en beleving. Het streven is het (verdere) verval van archeologische waarden tegen te gaan en aangerichte schade, zo mogelijk, te herstellen.

IKAW: Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. De IKAW is een landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (onderscheid in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans). Deze kaart is inmiddels vervangen door de gemeentelijke verwachtingskaarten.

IVO: Inventariserend veldonderzoek. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van het verwachtingsmodel dat gebaseerd is op het bureauonderzoek. In het IVO worden de aan- of afwezigheid, de aard, karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de relatieve kwaliteit van de archeologische waarden vastgesteld. Het moet zo worden uitgevoerd dat het niet destructiever is dan noodzakelijk. Een IVO bestaat doorgaans uit een booronderzoek of een proefsleuvenonderzoek, maar kan ook een geofysisch onderzoek zijn. Afhankelijk van het doel is het IVO onderverdeeld in een verkennende, karterende en waarderende fase. Het resultaat van het IVO is een rapport met een waardering, en een (selectie-)advies, aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) genomen kan worden.

KNA: De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) is bedoeld als verplicht kader voor alle instellingen en personen die werkzaamheden uitvoeren in het kader van de archeologische monumentenzorg in Nederland. Het gaat daarbij onder meer om: veldonderzoek, opgraven, beheer, registreren, deponeren van vondsten en de archeologische begeleiding van projecten. De norm is ontwikkeld door een commissie van archeologen en maakt deel uit van een systeem van kwaliteitszorg. De KNA is te downloaden vanaf de website van de SIKB: www.sikb.nl.

Leusden: Het (bebouwde en onbebouwde) gebied binnen de huidige gemeentegrenzen

Meldingsplicht: Sinds het aannemen van de eerste Monumentenwet in 1961 bestaat er in Nederland een meldingsplicht (Monumentenwet 1988 art. 53): “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is, meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister.”

Monument: Onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed. (Erfgoedwet artikel 1.1)

NOaA: Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. De NOaA geeft inzicht in de actuele thema’s en vragen die in de huidige archeologische discussie centraal staan en waaraan nieuw uitvoerend onderzoek een bijdrage kan leveren. (www.archeologieinnederland.nl)

Omgevingsvergunning: Vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Opgraving: Een opgraving of Definitief Onderzoek (DO) is een (preventieve) vorm van onderzoek. Dat wil zeggen dat het veldwerk van het onderzoek aangevangen en afgesloten wordt vóór aanvang van de ingreep waarvoor het onderzoek nodig is. Een opgraving heeft als doel het documenteren en van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. De consequentie is dat na de opgraving de vindplaats niet meer bestaat (‘opgraven = vernietigen’). De onderzoeksresultaten worden vastgelegd in een rapport.

Onderzoeksgebied: Het geografische gebied waarop het onderzoek betrekking heeft.

Oppervlaktekartering: Karteringsmethode waarbij aan de hand van vondsten aan het oppervlak vindplaatsen worden gelokaliseerd. Hiertoe worden met name akkerbouwpercelen (in verband met de vondstzichtbaarheid) in raaien met een regelmatige tussenafstand belopen, waarbij het oppervlak op vondsten wordt geïnspecteerd.

Plangebied: Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen.

Proefsleuf: Methode bij Inventariserend veldonderzoek.

PvA: Een Plan van Aanpak bij een opgraving geeft weer hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het Programma van Eisen denkt te gaan beantwoorden. Bij een PvA van een booronderzoek wordt het doel en de vraagstelling omschreven, alsmede de werkwijze, maar gaat er geen PvE of goedkeuring door het bevoegd gezag aan vooraf.

PvE: Programma van Eisen. Aan een gravend archeologisch onderzoek moet altijd een PvE ten grondslag liggen dat is bekrachtigd door het bevoegd gezag. Het PvE stelt het kader voor ontwerp en uitvoering. In de KNA zijn de normen vastgelegd waaraan een PvE voor archeologisch onderzoek moet voldoen. Voor het format dat voor PvE’s gebruikt dient te worden, zie www.sikb.nl.

RCE: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort, uitvoerende dienst van de Minister van OCW. (www.cultureelerfgoed.nl)

SIKB: Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (www.sikb.nl).

Selectieadvies: Schriftelijk advies aan het bevoegd gezag door een onderzoeks- en/of adviesbureau. Hierin wordt geadviseerd over de behoudenswaardigheid van één of meer vindplaatsen aan de hand van de opgestelde waardering en criteria die gesteld zijn in het archeologische beleid van de betrokken overheid.

Selectiebesluit: Een gemotiveerd besluit van de bevoegde overheid om archeologische waarden te behouden of niet. Het maakt onderdeel uit van andere besluitvorming of een afwegingskader zoals een bestemmingsplan of (omgevings)vergunning.

Senior-archeoloog: Archeoloog die voldoet aan de eisen volgens de vigerende KNA. Vereist is een afgeronde universitaire opleiding archeologie (master), kennis van de relevante onderdelen uit de BRL en de KNA protocollen, minimaal 6 jaar werkervaring met (gravend) onderzoek in Noordwest Europa, waarvan 3 jaar als archeoloog in een leidinggevende functie en 6 relevante publicaties.

Site: een archeologisch gedefinieerde eenheid van tijd, ruimte, complextype, bijvoorbeeld een Romeins grafveld of een jachtkamp uit het mesolithicum. Binnen een vindplaats kunnen zich meerdere sites bevinden.

Toevalsvondst: Een vondst in een gebied dat (na afdoende archeologisch onderzoek) is vrijgegeven. Hiervoor geldt de meldingsplicht.

Verordening: Een gemeentelijke verordening is een op gemeentelijk niveau vastgesteld algemeen verbindend voorschrift. Het is een wetgevende regeling op gemeentelijk niveau.

Verstoring: Aantasting van een gebied met archeologische waarden. Dit verschijnsel kan zich voordoen: door erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van ophoging, door verdroging en verzuring.

Vindplaats: een locatie waar archeologische vondsten zijn gedaan.

Vooronderzoek: zie inventariserend veldonderzoek.

Waarderend onderzoek: De waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten ten behoeve van de waardebepaling. Uiteindelijk volgt op basis van de waardestelling een selectieadvies en selectiebesluit.

Waarderen: Het bepalen van de kwaliteit van: het bodemarchief, van vondstmateriaal of van een monster. Het vaststellen van de kwaliteit van het bodemarchief geschiedt op basis van:

-belevingsaspecten (schoonheid en herinneringswaarde);

-fysieke criteria (gaafheid en conservering); deze geven de mate aan waarin archeologische overblijfselen nog intact en in hun oorspronkelijke positie aanwezig zijn;

-inhoudelijke criteria (zeldzaamheid, informatiewaarde, context- of ensemblewaarde en representativiteit).

Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wamz: Wet op de archeologische monumentenzorg. De Wamz is een wijzigingswet waarmee niet alleen de Monumentenwet 1988 is aangepast, maar ook de Ontgrondingwet (Ow), de Wet Milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hiermee wordt de archeologische monumentenzorg ingebed in het proces van de ruimtelijke ordening, waar het Verdrag van Valletta (= verdrag van Malta) ook om vraagt.

Bijlage 1 - Gemeentelijke toetsingsrichtlijnen voor Archeologisch Bureauonderzoek

Bij de toetsing van archeologische bureauonderzoeken kijkt de Gemeente of deze voldoen aan de in de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) gestelde minimale kwaliteitseisen (protocol 4002). Bij de beoordeling worden tevens de hieronder beschreven richtlijnen gehanteerd. Ze dienen ter verduidelijking van, en aanvulling op, de eisen en specificaties zoals vermeld in de geldende versie KNA.

Deze richtlijnen zijn bestemd voor gecertificeerde instellingen die archeologisch bureauonderzoek uitvoeren in onze gemeente.

I. Aanlevering

1Ter toetsing wordt een conceptversie van het rapport aangeleverd aan het bevoegd gezag.

2Het conceptrapport wordt digitaal aangeleverd.

3In het conceptrapport wordt duidelijk vermeld dat het een conceptversie betreft (inclusief conceptversie-nummer en datum).

4De definitieve versie van het rapport kan pas worden opgesteld ná inhoudelijke goedkeuring door het bevoegd gezag.

5Het definitieve rapport wordt digitaal aangeleverd.

6De uitvoerder en de authorisator (senior archeoloog/prospector) van het onderzoek dienen in het rapport vermeld te worden.

7In het rapport wordt duidelijk vermeld dat het de definitieve versie betreft, inclusief de naam van de behandelend ambtenaar, de deskundige die het rapport inhoudelijk heeft getoetst, en de datum van goedkeuring.

II. Bureauonderzoek

1Administratieve gegevens

a) De oppervlakte van het plangebied én het onderzoeksgebied dienen specifiek vermeld te worden. Verschil in omvang wordt toegelicht.

b) De begrenzing van het plangebied én het onderzoeksgebied dienen te worden weergegeven op een recente topografische kaart, op relevante schaal.

c) De voorgenomen inrichting en de aard, omvang en diepte van de daarbij geplande bodemingrepen dienen vermeld en indien relevant op kaart te worden aangegeven.

d) De RO-procedure (voor zover van toepassing) in het kader waarvan het onderzoek is uitgevoerd wordt vermeld.

2Landschappelijke gegevens

a) De geomorfologische kaart 1:50.000, de bodemkaart 1:50.000 en het Actueel Hoogtebestand Nederland dienen altijd geraadpleegd te worden.

b) Van de geraadpleegde kaarten wordt vermeld en toegelicht welke kaarteenheden in en om het plangebied voorkomen en wordt (indien relevant) ter verduidelijking een afbeelding opgenomen in het rapport.

c) Eventueel beschikbare andere bronnen met (gedetailleerde) informatie over de geologische, geomorfologische of bodemkundige gesteldheid van het plangebied (bijv. uit bodemkundig- of milieuonderzoek, luchtfoto’s) dienen geraadpleegd te worden.

3Archeologische en historische gegevens

Bij Landschap Erfgoed Utrecht (meldpuntarcheologie@landschaperfgoedutrecht.nl), de lokale AWN en het Centrum voor Archeologie Amersfoort (archeologie@amersfoort.nl) wordt navraag gedaan naar nog niet in Archis opgenomen vondstmeldingen met betrekking tot het plangebied. De geraadpleegde personen en de eventueel verstrekte aanvullende informatie worden in het rapport opgenomen.

a) Gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten dienen geraadpleegd en opgenomen te worden in het rapport. De IKAW mag niet meer worden gebruikt voor het aanduiden van een archeologische verwachting voor het plangebied.

b) Bronnen zoals de Archeologische Kroniek Utrecht (zie

c) http://www.archeologischdepotutrecht.nl/kroniek/) en ‘grijze’ literatuur dienen geraadpleegd te worden, evenals www.topotijdreis.nl en http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/utrecht/atlas_utrecht-1/HISGIS-Utrecht).

d) De beknopte resultaten van nog niet gepubliceerd onderzoek binnen het onderzoeksgebied dienen te worden opgevraagd bij de uitvoerder.

4Archeologisch verwachtingsmodel

a) Van de te verwachten vindplaatsen wordt – per archeologisch relevante niveau – altijd minimaal de datering, het complextype, de omvang, de diepteligging en de (prospectie)kenmerken vermeld.

b) De onder a) genoemde onderdelen dienen helder en overzichtelijk gepresenteerd te worden, bij voorkeur in een tabel.

III. Rapportage

I. Algemeen

a) Delen van het rapport als de samenvatting en de verklarende woordenlijst zijn specifiek bedoeld voor de opdrachtgever en zijn de verantwoordelijkheid van de opsteller van het rapport. Deze delen van het rapport worden niet getoetst en mogen geen unieke of afwijkende informatie bevatten.

b) De rapporttitel bevat een directe verwijzing naar het plangebied (adres of toponiem), de plaats en gemeente (indien afwijkend), en de uitgevoerde KNA-onderzoeksfase(n).

c) In het rapport wordt expliciet de doel- en vraagstelling voor het onderzoek geformuleerd.

d) Het rapport wordt voorzien van relevant kaartmateriaal en relevante afbeeldingen.

e) Alle kaarten dienen voorzien te zijn van de begrenzing van het plangebied en onderzoeksgebied.

f) Het uitgevoerde onderzoek, de resultaten, de analyse en de conclusie en aanbevelingen dienen toetsbaar en controleerbaar te zijn; de rapportage is daarom helder en volledig en voorzien van alle relevantie informatie.

g) Het rapport bevat een overzicht van alle geraadpleegde literatuur en bronnen, inclusief kaarten, digitale bronnen en geraadpleegde archieven, instellingen en personen.

a) Resultaten

a) In het rapport wordt, indien relevant, een kaart (of kaarten) opgenomen met daarop aangegeven de resultaten van het onderzoek. De geplande bodemingrepen worden, indien relevant, hierop ook aangegeven.

b) Conclusies en advies

a) Indien de gespecificeerde archeologische verwachting afwijkt van de gemeentelijke verwachtingskaart, moet dit worden vermeld en toegelicht.

b) Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, wordt dit (indien relevant) weergegeven op een advieskaart, met daarop de nader te onderzoeken delen van het plangebied en de voorgestelde methode van onderzoek.

c) Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, wordt specifiek vermeld welk type onderzoek (KNA-onderzoeksfasen) dit betreft, inclusief argumenten, en welk doel dat vervolgonderzoek heeft.

IV. Overig

Een veldinspectie (terreininspectie) maakt deel uit van een bureauonderzoek. De resultaten daarvan dienen specifiek vermeld te worden in het rapport. Indien er bij de inspectie (controle)boringen worden gezet, valt dit onder het Inventariserend Veldonderzoek.

Voor vragen over bovenstaande richtlijnen kan contact op worden genomen met het Centrum voorArcheologie (CAR) van de Gemeente Amersfoort (033-463 77 97 / archeologie@amersfoort.nl).

Het CAR is archeologisch adviseur van onze Gemeente en geldt als haar deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

Bijlage 2 - Gemeentelijke toetsingsrichtlijnen voor Inventariserend Veldonderzoek

Bij de toetsing van (rapportages van) archeologische veldonderzoeken (booronderzoek, proefsleuven of opgraven) kijkt de Gemeente of deze voldoen aan de in de geldende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) gestelde minimale kwaliteitseisen (protocol 4003 en 4004). Bij de beoordeling worden tevens de hieronder beschreven richtlijnen gehanteerd. Ze dienen ter verduidelijking van, en aanvulling op, de eisen en specificaties zoals vermeld in de geldende versie KNA.

Deze Richtlijnen zijn bestemd voor gecertificeerde instellingen die archeologisch veldonderzoek uitvoeren in onze gemeente.

V. Aanlevering

8Ter toetsing wordt een conceptversie van het rapport aangeleverd aan het bevoegd gezag.

9Het conceptrapport wordt digitaal aangeleverd.

10In het conceptrapport wordt duidelijk vermeld dat het een conceptversie betreft (inclusief conceptversienummer en datum).

11De definitieve versie van het rapport kan pas worden opgesteld ná inhoudelijke goedkeuring door het bevoegd gezag.

12Het definitieve rapport wordt digitaal aangeleverd. Bij definitieve onderzoeken wordt ook één analoog exemplaar naar het bevoegd gezag en één analoog exemplaar naar de deskundige namens het bevoegd gezag verzonden.

13De uitvoerder en de authorisator (senior archeoloog/prospector) van het onderzoek dienen in het rapport vermeld te worden.

14In het rapport wordt duidelijk vermeld dat het de definitieve versie betreft, inclusief de naam van de behandelend ambtenaar, de deskundige die het rapport inhoudelijk heeft getoetst en de datum van goedkeuring.

VI. Programma van Eisen en Plan van Aanpak

Het PvE en PvA (ook bij IVO-P en DO) dienen te allen tijde door het bevoegd gezag getoetst te worden. Bij het uitvoeren van niet-gravend onderzoek (zoals booronderzoek) hoeft volgens het KNA geen Programma van Eisen (PvE) opgesteld te worden, maar kan volstaan worden met een Plan van Aanpak (PvA). Het PvA is een beperkte variant van het PvE en voldoet aan de volgende eisen en specificaties:

5Algemeen

a) Het PvA wordt voorafgaand aan de uitvoering van het veldonderzoek door de deskundige namens de bevoegde overheid inhoudelijk getoetst. Zie voor contactgegevens onderaan dit document. Dit PvA wordt uiterlijk 5 werkdagen voor aanvang veldwerk ter toetsing overlegd. Uitvoer van veldwerk zonder goedgekeurd PvE / PVA is niet toegestaan.

6Administratieve gegevens

a) De oppervlakte van het plangebied én het onderzoeksgebied worden specifiek vermeld. Verschil in omvang wordt toegelicht.

b) De begrenzing van het plangebied én het onderzoeksgebied worden weergegeven op een recente topografische kaart, op relevante schaal.

c) De voorgenomen inrichting en de aard, omvang en diepte van de daarbij geplande bodemingrepen worden vermeld en indien relevant op kaart aangegeven.

d) De RO-procedure (voor zover van toepassing) in het kader waarvan het onderzoek is uitgevoerd worden vermeld.

7Archeologische gegevens

a) Als er nog geen bureauonderzoek is uitgevoerd, wordt minimaal aan de hand van de gebiedskenmerken, de landschappelijke situatie (geologisch, geomorfologisch en bodemkundig, het Actueel Hoogtebestand Nederland), de trefkans volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart, de monumenten van de AMK en waarnemingen uit Archis (ook in directe omgeving), bekende of verwachte historische elementen volgens de CHS of historische kaarten (bijvoorbeeld www.topotijdreis.nl en http://www.hisgis.nl/hisgis/gewesten/utrecht/atlas_utrecht-1/HISGIS-Utrecht) , een globale archeologische verwachting (inclusief verwachte prospectiekenmerken) opgesteld (zie Richtlijnen voor Bureauonderzoek).

b) Indien al een bureauonderzoek is uitgevoerd wordt een samenvatting daarvan met de gespecificeerde archeologische verwachting opgenomen (inclusief literatuurverwijzing).

8Onderzoeksvoorstel

a) In het PvA/PvE wordt de keuze van de onderzoeksmethode voldoende beargumenteerd en dit met name in relatie tot de opgestelde specifieke verwachting voor het plangebied. Hierbij wordt nadrukkelijk meegewogen dat de afwezigheid van een archeologische laag en/of intact bodemprofiel op de pleistocene zandgronden géén aanwijzing vormt voor de afwezigheid van archeologische resten.

b) De fase(n) van het beoogde onderzoek (verkenning, kartering, en/of waardering) dienen specifiek benoemd te worden, inclusief per onderzoeksfase de bijbehorende doelstelling, mogelijkheden en relevante onderzoeksvragen.

c) Het karterend onderzoek is geschikt om de te verwachten vindplaatsen ook daadwerkelijk op te sporen. Indien er voor gekozen wordt in eerste instantie nog niet alle typen vindplaatsen te karteren, wordt nadrukkelijk vermeld dat dit in een later stadium nog moet gebeuren.

d) Bij een booronderzoek wordt het boorsysteem (raai of grid), de onderzoeksintensiteit (boringen/ha), het aantal boringen, het type boor met boordiameter (tot/vanaf welke diepte), de boordiepte en de waarnemingsmethode (zeven op 3mm / snijden / verbrokkelen) specifiek vermeld.

e) Bij een oppervlaktekartering wordt de raaiafstand, de verzamelwijze en de vondstzichtbaarheid specifiek vermeld, inclusief motivering en onderbouwing. Bij een oppervlaktekartering wordt het oppervlak systematisch onderzocht met een afstand tussen de loopraaien van maximaal 6 meter en mag het alleen bij voldoende vondstzichtbaarheid worden uitgevoerd (een slootkanten- of molshopeninspectie geldt dus niet als voldoende betrouwbare kartering).

9Operationalisering

a) Voorafgaand aan het booronderzoek wordt op de onderzoekslocatie een visuele inspectie uitgevoerd om de boorstrategie af te stemmen op aan het maaiveld zichtbare (geologische) verschijnselen. De resultaten van visuele inspectie moeten vermeld worden in de rapportage.

b) De methode van inmeten van boorpunten of waarnemingen en de meetfout/nauwkeurigheid (maximale afwijking) moeten worden vermeld.

c) Indien relevante hoogteverschillen in het maaiveld verwacht of aangetroffen worden, wordt de maaiveldhoogte van de boorpunten of waarnemingen nauwkeurig bepaald door middel van metingen (met GPS of RTS), of afgeleid te worden van het AHN.

VII. Rapportage

1Algemeen

a) Delen van het rapport als de samenvatting en de verklarende woordenlijst zijn bedoeld voor de opdrachtgever en zijn de verantwoordelijkheid van de uitvoerder. Deze delen van het rapport worden niet getoetst en mogen geen unieke of afwijkende informatie bevatten.

b) De rapporttitel bevat een directe verwijzing naar het plangebied (adres of toponiem), de plaats en gemeente (indien afwijkend) ,en de uitgevoerde KNA-onderzoeksfase(n).

c) In het rapport wordt expliciet de doel- en vraagstelling voor het onderzoek geformuleerd.

d) Het rapport wordt voorzien van relevant kaartmateriaal en relevante afbeeldingen.

e) Alle kaarten worden voorzien van de begrenzing van het plangebied en onderzoeksgebied.

f) Het uitgevoerde onderzoek, de resultaten, de analyse en de conclusie en aanbevelingen zijn toetsbaar en controleerbaar; de rapportage is daarom helder en volledig en voorzien van alle relevantie informatie.

g) Het rapport heeft een overzicht van alle geraadpleegde literatuur en bronnen te bevatten, inclusief kaarten, digitale bronnen en geraadpleegde archieven, instellingen en personen.

2Methoden en resultaten

a) De resultaten van het Bureauonderzoek (zie Richtlijnen voor Bureauonderzoek) en eventueel ander eerder uitgevoerd onderzoek dienen in het rapport opgenomen te worden. Indien dat reeds apart is gerapporteerd, kan volstaan worden met een samenvatting daarvan en de gespecificeerde archeologische verwachting.

b) Het rapport bevat een verwijzing naar het PvA of PvE; alle relevante onderdelen daaruit worden opgenomen in het rapport.

c) In het rapport wordt een kaart (of kaarten) opgenomen met daarop aangegeven de resultaten van het onderzoek (waaronder indicatoren en vondsten, bodemopbouw, sporen, profiellocaties, relevante geologische en/of bodemkundige eenheden). Voor zover relevant worden daarop ook de geplande bodemingrepen aangegeven.

d) Indien een waarderend onderzoek is uitgevoerd, wordt van iedere vindplaats een waardestelling volgens de KNA opgenomen.

3Conclusies en Advies

d) In de conclusies wordt een terugkoppeling naar de gespecificeerde archeologische verwachting en eerder uitgevoerd onderzoek gemaakt, met een verklaring van eventuele afwijkingen.

e) De geformuleerde onderzoeksvragen worden beantwoord.

f) Indien vervolgonderzoek wordt geadviseerd, wordt een advieskaart met daarop de nader te onderzoeken delen van het plangebied opgenomen, met voorgestelde onderzoeksmethode, inclusief argumentatie.

g) Het advies is afgestemd op de voorgenomen bodemingrepen en houdt rekening met het vastgestelde archeologiebeleid.

Voor vragen over bovenstaande richtlijnen kan contact op worden genomen met het Centrum voor Archeologie (CAR) van de Gemeente Amersfoort (033-463 77 97 / archeologie@amersfoort.nl).

Het CAR is archeologisch adviseur van onze Gemeente en geldt als haar deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

Bijlage 4 - Standaardregels Archeologie bestemmingsplan, Gemeente Leusden

Waarde Archeologie - categorie Hoge archeologische waarde

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde _ Archeologie hoge archeologische waarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.

11.2 Bouwregels

11.2.1 archeologisch onderzoeksrapport

Op en in de gronden als bedoeld in lid 11.1 mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) slechts worden gebouwd overeenkomstig de regels van die bestemming(en) en mits de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

11.2.2 uitzondering

Het bepaalde onder 11.2.1 met betrekking tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

a.vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;

b.de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm ;

c.indien op voorhand is vastgesteld door het bevoegd gezag dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

11.2.3 verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de onder 11.2.1 bedoelde vergunning indien naar hun oordeel uit het daar genoemde rapport genoegzaam blijkt dat:

a.er geen archeologische waarden worden geschaad of

b.schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.

11.2.4 voorwaarden verlening vergunning

De volgende voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de

omgevingsvergunning verbonden worden:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden,

b.de verplichting tot het doen van opgravingen,

c.de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

11.2.5 weigering

De onder 11.2.1 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring

het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden

11.3.1 werken en werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, omgevingsvergunning, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a.het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30cm, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

b.het ophogen van de bodem met meer dan 30cm;

c.het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 30 cm;

d.het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer dan 30 cm bedraagt;

e.het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 30 cm;

f.het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 30 cm en het aanleggen van diepwortelende beplanting;

g.het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 30 cm;

h.het omzetten van grasland naar bouwland.

11.3.2 Archeologisch onderzoeksrapport

a.de aanvrager van de vergunning als bedoeld in 11.3.1 legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld;

b.de onder 11.3.2 onder a beschreven verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport geldt niet indien op voorhand is vastgesteld door het bevoegd gezag dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

11.3.3 Verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in 11.3.1 genoegzaam blijkt dat:

a.er geen archeologische waarden worden geschaad of;

b.schade door de met de werken en werkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.

11.3.4 Voorwaarden verlening vergunning

De volgende in 11.3.3 genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de vergunning verbonden worden zoals:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b.de verplichting tot het doen van opgravingen;

c.de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

11.3.5 Weigering

De onder 11.3.1 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

Waarde Archeologie - hoge archeologische verwachting

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde _ Archeologie hoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.

11.2 Bouwregels

11.2.1 archeologisch onderzoeksrapport

Op en in de gronden als bedoeld in lid 11.1 mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) slechts worden gebouwd overeenkomstig de regels van die bestemming(en) en mits de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

11.2.2 uitzondering

Het bepaalde onder 11.2.1 met betrekking tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

a.vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;

b.de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm en de oppervlakte niet meer dan 100 m2 bedraagt;.

c.indien op voorhand is vastgesteld door het bevoegd gezag dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

11.2.3 verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de onder 11.2.1 bedoelde vergunning indien naar hun oordeel uit het daar genoemde rapport genoegzaam blijkt dat:

a.er geen archeologische waarden worden geschaad of

b.schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.

11.2.4 voorwaarden verlening vergunning

De volgende voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning verbonden worden:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden,

b.de verplichting tot het doen van opgravingen

c.de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

11.2.5 weigering

De onder 11.2.1 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring

het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

11.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

11.3.1 werken en werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, omgevingsvergunning, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, enwerkzaamheden uit te voeren:

a.het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30cm, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

b.het ophogen van de bodem met meer dan 30cm;

c.het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 30 cm;

d.het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer dan 30 cm bedraagt;

e.het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 30 cm;

f.het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 30 cm en het aanleggen van diepwortelende beplanting;

g.het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 30 cm;

h.het omzetten van grasland naar bouwland.

11.3.2 Archeologisch onderzoeksrapport

a.de aanvrager van de vergunning als bedoeld in 11.3.1 legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld;

b.de onder 11.3.2 onder a beschreven verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport geldt niet indien op voorhand is vastgesteld door het bevoegd gezag dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

11.3.3 Verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in 11.3.1 genoegzaam blijkt dat:

a.er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of;

b.schade door de met de werken en werkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.

11.3.4 Voorwaarden verlening vergunning

De volgende in 11.3.3 genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de vergunning verbonden worden zoals:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b.de verplichting tot het doen van opgravingen;

c.de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

11.3.5 Weigering

De onder 11.3.1 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

11.3.6 Uitzondering

Het in 11.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van ten hoogste 100m2.

Waarde Archeologie - middelhoge archeologische verwachting

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde _ Archeologie middelhoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.

12.2 Bouwregels

12.2.1 archeologisch onderzoeksrapport

Op en in de gronden als bedoeld in lid 12.1 mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) slechts worden gebouwd overeenkomstig de regels van die bestemming(en) en mits de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

12.2.2 uitzondering

Het bepaalde onder 12.2.1 met betrekking tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

a.vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;

b.de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm en de oppervlakte niet meer dan 500 m² bedraagt;.

c.indien op voorhand is vastgesteld door het bevoegd gezag dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

12.2.3 verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de onder 12.2.1 bedoelde vergunning indien naar hun oordeel uit het daar genoemde rapport genoegzaam blijkt dat:

a.er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of

b.schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.

12.2.4 voorwaarden verlening vergunning

De volgende voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning verbonden worden:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden,

b.de verplichting tot het doen van opgravingen

c.de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

12.2.5 weigering

De onder 12.2.1 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk

zijnde, of van werkzaamheden.

12.3.1 werken en werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, omgevingsvergunning, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a.het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30cm, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

b.het ophogen van de bodem met meer dan 30 cm;

c.het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 30 cm;

d.het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer dan 30 cm bedraagt;

e.het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 30 cm;

f.het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 30 cm en het aanleggen van diepwortelende beplanting;

g.het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 30 cm;

h.het omzetten van grasland naar bouwland.

12.3.2 Archeologisch onderzoeksrapport

a.de aanvrager van de vergunning als bedoeld in 12.3.1 legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld;

b.de onder 12.3.2 onder a beschreven verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport geldt niet indien op voorhand is vastgesteld door het bevoegd gezag dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

12.3.3 Verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in 12.3.1 genoegzaam blijkt dat:

a.er geen archeologische waarden worden geschaad of;

b.schade door de met de werken en werkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.

12.3.4 Voorwaarden verlening vergunning

De volgende in 12.3.3 genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de vergunning verbonden worden zoals:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b.de verplichting tot het doen van opgravingen;

c.de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

12.3.5 Weigering

De onder 12.3.1 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

12.3.6 Uitzondering

Het in 12.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van ten hoogste 500m2.

Waarde Archeologie - lage archeologische verwachting

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde _ Archeologie lage verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.

13.2 Bouwregels

13.2.1 archeologisch onderzoeksrapport

Op en in de gronden als bedoeld in lid 13.1 mag ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemming(en) slechts worden gebouwd overeenkomstig de regels van die bestemming(en) en mits de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

13.2.2 uitzondering

Het bepaalde onder 13.2.1 met betrekking tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

a.vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering;

b.de met de oprichting van een bouwwerk samenhangende bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 cm en de oppervlakte niet meer dan 10.000 m² bedraagt;

c.indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

13.2.3 verlening vergunning

a.Burgemeester en wethouders verlenen de onder 13.2.1 bedoelde vergunning indien naar hun oordeel uit het daar genoemde rapport genoegzaam blijkt dat: er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of

b.schade door de met de oprichting van het bouwwerk samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.

13.2.4 voorwaarden verlening vergunning

De volgende voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de omgevingsvergunning verbonden worden:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden,

b.de verplichting tot het doen van opgravingen

c.de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

13.2.5 weigering

De onder 13.2.1 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

13.3.1 werken en werkzaamheden

Het is verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, omgevingsvergunning, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

a.het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

b.het ophogen van de bodem met meer dan 30 cm;

c.het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren op een grotere diepte dan 30 cm;

d.het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de diepte van de aan te brengen verharding meer dan 30 cm bedraagt;

e.het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond op een grotere diepte dan 30 cm;

f.het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd op een grotere diepte dan 30 cm en het aanleggen van diepwortelende beplanting;

g.het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur op een grotere diepte dan 30 cm;

h.het omzetten van grasland naar bouwland.

13.3.2 Archeologisch onderzoeksrapport

a.de aanvrager van de vergunning als bedoeld in 13.3.1 legt een archeologisch onderzoeksrapport over waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld;

b.de onder 13.3.2 onder a beschreven verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoeksrapport geldt niet indien op voorhand is vastgesteld dat het belang van de archeologie niet onevenredig wordt geschaad.

13.3.3 Verlening vergunning

Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in 13.3.1 genoegzaam blijkt dat:

a.er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad of;

b.schade door de met de werken en werkzaamheden samenhangende activiteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het aan de omgevingsvergunning verbinden van voorwaarden.

13.3.4 Voorwaarden verlening vergunning

De volgende in 13.3.3 genoemde voorwaarden kunnen door burgemeester en wethouders aan de vergunning verbonden worden zoals:

a.de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b.de verplichting tot het doen van opgravingen;

c.de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

13.3.5 Weigering

De onder 13.3.1 bedoelde vergunning kan worden geweigerd indien door de bodemverstoring het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad.

13.3.6 Uitzondering

Het in 13.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die een oppervlak beslaan van ten hoogste 10.000m2.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.