Aanhef
Gemeente Leudal
Afdeling Ruimtelijk beheer
18maart 2025
1 Inleiding
1.1 Aanleiding
1.1.1 Integrale visie en plaatsingsbeleid
Een van de afspraken uit de Nationale Agenda Laadinfrastructuur is dat gemeenten zorgen voor een integrale laadvisie en een plaatsingsbeleid. Gemeente Leudal neemt met deze eerste integrale laadvisie de volgende stap naar de ontwikkeling van een toegankelijke, betaalbare, betrouwbare en veilige laadinfrastructuur voor alle elektrische voertuigen.
2 Ontwikkelingen
2.1 Laadinfrastructuur: wat is het?
2.1.1 Type laadinfrastructuur (toegankelijkheid)
Het laadnetwerk bestaat uit laadpalen in de publieke, semipublieke en private ruimte. Waar de paal staat, bepaalt mede de toegankelijkheid. Als gebruikers geen toegang hebben tot laadpalen op privaat terrein moeten ze kunnen uitwijken naar semipublieke of publieke laadpalen. De gemeente heeft een belangrijke rol in de realisatie van voldoende publieke laadinfrastructuur.
•Publieke laadinfrastructuur: De gebruiker laadt tegen betaling bij publiek toegankelijke laadvoorzieningen. Het laadpunt is 24/7 openbaar toegankelijk, zonder barrières zoals slagbomen of poorten.
•Semipublieke laadinfrastructuur: De gebruiker maakt gebruik van een privaat laadpunt dat is opengesteld voor publiek gebruik, bijvoorbeeld parkeergarages, tankstations of horeca-locaties. Er kunnen beperkingen gelden, zoals toegangstijden of vereisten om bepaalde producten of diensten af te nemen.
•Private laadinfrastructuur: De gebruiker is zelfvoorzienend en parkeert en laadt op eigen terrein, thuis en op het werk. Het laadpunt is doorgaans niet toegankelijk voor derden.
Daarnaast mag iedereen een laadpunt realiseren op eigen terrein en deze beschikbaar stellen voor derden zolang dit op eigen terrein gebeurd.
2.1.2 Soorten laadpunten (snelheid)
Op basis van laadsnelheid maken we onderscheid tussen regulier laden en snelladen:
1Een laadpunt voor regulier laden: Dit betreft een laadpunt met een vermogen van hoogstens 22 kilowatt (kW). Het opladen tot de maximale batterijcapaciteit duurt afhankelijk van de grootte van de batterij meerdere uren. Reguliere laadpunten kunnen los of geclusterd in de vorm van een laadplein worden geplaatst. De laadpalen zijn voorbereid voor toekomstige innovaties (zoals terugladen naar het net en plug & charge). Ook zijn deze palen voorzijn van een dynamische QR-code. Hier kunnen e-rijders informatie vinden over bijvoorbeeld het laadtarief.
2Een laadpunt voor snelladen: Dit betreft een laadpunt met een vermogen van meer dan 43 kW, waarmee elektrische voertuigen in korte tijd bijgeladen kunnen worden. Snelladen gebeurt op gelijkstroom en is volop in ontwikkeling. Op het moment van schrijven gebeurt regulier snelladen voor personenauto’s met een vermogen rond de 50 kW, maar er zijn steeds snellere laders van 150-175 kW. Snelladen voor vrachtvervoer betreft veelal vermogens van 350-450 kW of meer.
2.2 Elektrische voertuigen en laadpaalgebruik
2.2.1 Slim laden
Slim laden is een verzamelnaam voor allerlei manieren om het opladen van een elektrisch voertuig te beïnvloeden in tijd, vermogen of richting van stroom, met verschillende dimensies en niveaus van complexiteit. De belangrijkste ontwikkelingen zijn:
•Flexibel laden: Bij flexibel laden benut je de capaciteit van het elektriciteitsnet optimaal en voorkom je overbelasting en disbalans van het elektriciteitsnet op piekmomenten. Het is vooral geschikt voor personenvoertuigen die ’s avonds langer parkeren dan dat ze laden. Ze kunnen langzaam of niet laden als het druk is op het elektriciteitsnet en sneller laden als het rustiger is op het net óf als er veel duurzame energie beschikbaar is die lokaal is opgewekt, bijvoorbeeld door zonnepanelen op het eigen dak. In het laadproces rekening houden met de belasting van het elektriciteitsnetwerk heeft veel voordelen: het netwerk kan zo méér laadpunten aan, het vergroot de betrouwbaarheid van het net en er zijn minder investeringen in het net nodig. Door (sneller) te laden als er meer zonne-energie beschikbaar is, wordt deze energie lokaal benut en hoeft de elektriciteit niet ver getransporteerd te worden. Dat is gunstig voor het netwerk en duurzaam, omdat zo minder stroom verloren gaat en het bestaande net efficiënt wordt gebruikt. De techniek om informatie uit te wisselen tussen elektrische voertuigen en de laadinfrastructuur wordt steeds beter. Dit maakt flexibel laden gemakkelijker.
•Bi-directioneel laden: Bij bi-directioneel laden wordt het elektrische voertuig ingezet om stroom terug te leveren aan bijvoorbeeld een gebouw of het elektriciteitsnet. Door tijdelijk energie terug te leveren uit de auto kun je het piekverbruik van een gebouw verminderen of een bijdrage leveren aan de balans van het elektriciteitsnetwerk. De commerciële toepassing van bi-directioneel laden staat nog in de kinderschoenen: in Nederland wordt ermee geëxperimenteerd. In de provinciale concessie voor publieke laadinfrastructuur is als eis opgenomen dat de laadpalen worden omgebouwd tot bi-directionele laadpalen op het moment dat er meerdere modellen van personenauto’s op de markt zijn die dit kunnen.
2.2.2 Optimaliseren van het gebruik van laadpalen
Provincies streven ernaar het gebruik van laadpalen te optimaliseren en het zogenaamde laadpaalkleven tot een minimum te beperken. Onder laadpaalkleven wordt het langdurig (langer dan 12 uur, exclusief de nachtelijke uren) bezethouden van een laadpaal verstaan, terwijl er niet wordt geladen, omdat de batterij van de auto reeds is volgeladen. De huidige concessiehouder werkt aan een methodiek om laadpaalkleven te voorkomen.
2.2.3 Vrije keuze energieleverancier (VKE)
Provincies hebben vrije energiekeuze onderdeel gemaakt van de provinciale concessie. VKE maakt het mogelijk dat EV-rijders een keuze maken uit verschillende energieleveranciers. Publieke laadpunten worden tot dusver geëxploiteerd in een marktmodel waarin de terugverdiencapaciteit op de energielevering en de voorinvesteringen in het plaatsen van laadpalen elkaar in evenwicht moeten houden. In dat marktmodel is de marktpartij verzekerd van een leveringscontract van tien jaar, ook voor energielevering. Dit werkt een monopolie door grote partijen in de hand. Verder zorgt dit voor een rem op de innovatie die noodzakelijk is tijdens een transitie, aangezien innovatiekracht van kleinere partijen in deze situatie onvoldoende wordt benut.
Met VKE gaan we voor een ander marktmodel, namelijk een model waarin meerdere energieleveranciers vrije toegang hebben tot de laadpaal voor het leveren van energie. Meerdere energieleveranciers bieden dus hun diensten aan via dezelfde laadpaal. Voor EV-rijders ontstaat daardoor keuze om een eigen energieleverancier te kiezen en ze zijn niet langer verplicht tot het afnemen van stroom die één marktpartij aanbiedt in combinatie met de laadpalen.
Er is wel één default energieleverancier, die stroom levert als de EV-rijder geen keuze heeft gemaakt voor een andere energieleverancier. Om de EV-rijder keuzevrijheid van de energieleverancier, en daarmee de mogelijkheid om te laden op lokale (of zelf opgewekte) duurzame energie, te geven, passen we VKE toe. VKE moet leiden tot interessante proposities van energieleveranciers.
2.2.4 Ontwikkeling wet- en regelgeving
Nederland en Europa werken continu aan wet- en regelgeving voor elektrisch laden. We vinden het belangrijk om deze ontwikkelingen als gemeente te volgen en zodra er wijzigingen zijn, passen we onze werkwijze aan. Onderwerpen waar Nederland aan werkt, zijn onder andere:
•brandveiligheid in parkeergarages;
•digitale veiligheid;
•prijstransparantie, zodat voor de gebruiker vooraf duidelijk is wat het laden kost.
Op Europees niveau is de Europese richtlijn voor de energieprestatie van gebouwen relevant (EPBD III
3Zie https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/nieuwbouw/epbd-iii/laadinfrastructuur-elektrisch-vervoer
). De richtlijn verplicht om laadinfrastructuur aan te leggen voor elektrische voertuigen bij nieuwbouw of ingrijpende renovaties. Deze verplichting heeft Nederland vastgelegd in het Bouwbesluit. Dit betekent dat er bij de ontwikkeling van bouwplannen rekening mee moet worden gehouden. Daarnaast verplicht de richtlijn het aanleggen van laadinfrastructuur bij bestaande grotere gebouwen, ook als deze niet worden verbouwd.
4 Strategische lijnen
4.3 Uitvoeringsmodel
4.3.1 Plaatsingsperiode en exploitatie
De concessie kent een plaatsingsperiode en een exploitatieperiode. Gedurende de plaatsingsperiode worden nieuwe laadpalen door de CPO geplaatst. De plaatsingsperiode heeft een looptijd van twee jaar vanaf de ondertekening van het contract met de mogelijkheid om deze periode eenzijdig éénmaal met twee jaar te verlengen. Deze verlenging wordt na consultatie van -een delegatie van- gemeenten collectief vastgesteld.
De exploitatieperiode heeft een looptijd van tien jaar vanaf de ondertekening van het contract. De exploitatieperiode loopt dus voor alle laadpalen gelijktijdig af, ongeacht in welk jaar van de plaatsingsperiode de laadpaal is geplaatst. Bij verlenging wordt de exploitatie verlengd tot 12 jaar. Gedurende de exploitatieperiode is de CPO verantwoordelijk voor het volledige beheer, onderhoud en de exploitatie van alle gerealiseerde laadpalen conform de eisen die we daaraan hebben gesteld.
Na het aflopen van de exploitatietermijn zijn de laadpalen eigendom van de concessieverlener. De CPO zorgt ervoor dat de laadinfrastructuur zodanig wordt opgeleverd dat deze zonder technische aanpassing overgenomen en volledig gebruikt kan worden door een nieuwe exploitant. De CPO is ervoor verantwoordelijk om de laadinfrastructuur volledig en gebruiksklaar over te dragen aan een nieuwe exploitant en zet zich in om deze overdracht soepel te laten verlopen. Ook borgt CPO dat de laadinfrastructuur in goede staat en functioneel wordt overgedragen. CPO ontvangt hiervoor geen vergoeding. De intentie is dat de laadpalen blijven staan en dat gemeenten (eventueel in regionaal verband) de exploitatie van de laadpalen opnieuw aanbesteden. Concessieverlener heeft de mogelijkheid om na het aflopen van de exploitatietermijn maximaal 10% van het totaal aantal geplaatste laadpalen kosteloos te laten verwijderen. Op verzoek van de concessieverlener is de CPO verplicht om op eigen kosten binnen 3 maanden na afloop van de exploitatietermijn deze laadpalen te verwijderen en de laadlocatie in originele staat te herstellen. CPO richt hiervoor een transparant proces in.
BIJLAGE I Plaatsingsbeleid
1Inleiding
Om onze klimaatdoelen te halen, is het nodig dat ook mobiliteit verduurzaamt. Elektrisch vervoer draagt hieraan bij. In het regeerakkoord en het Klimaatakkoord staat dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe auto’s emissie loos moeten zijn. Voor een belangrijk deel zullen dat batterij-elektrische auto’s zijn. Volgens prognoses uit het Klimaatakkoord en de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) zijn in 2030 landelijk naar schatting 1,7 miljoen laadpunten nodig voor personenauto’s. De opgave is echter breder dan personenauto’s. We verwachten ook een toename van het aantal elektrische bussen, doelgroepenvervoer, bestelauto’s, trucks, mobiele werktuigen, enzovoorts. Dat vraagt om een forse uitbreiding van het aantal laadpunten en een slim, dekkend, toegankelijk en betaalbaar laadnetwerk. Een grote opgave die impact heeft op de openbare ruimte en op het elektriciteitsnet.
1.1Doel en scope document
Het plaatsingsbeleid is een uitwerking van de keuzes die in deze laadvisie zijn gemaakt. Het beschrijft hoe we hier als gemeente invulling aan gaan geven. Het plaatsingsbeleid richt zich op de uitrol van laadinfrastructuur in de openbare ruimte voor de gebruikersgroep personenauto’s (bewoners en bezoekers) en biedt houvast voor de gemeente bij de uitvoering.
Voor personenauto’s is op dit moment al een grote behoefte aan laadpunten en verwachten we een sterke toename. Voor andere gebruikersgroepen volgen we de ontwikkelingen; indien nodig passen we onze visie en ons plaatsingsbeleid hierop aan. Omdat de ontwikkelingen op het gebied van elektrisch vervoer en laadinfrastructuur snel gaan, actualiseren we de visie en het plaatsingsbeleid in ieder geval elke twee jaar.
2Plaatsingsstrategie
De plaatsingsstrategie bestaat uit drie categorieën:
1) Het voltooien van een dekkend basisnetwerk van publieke laadpalen
2) Prestatie gestuurde realisatie op basis de data van het bestaande netwerk
3) Door gemeente aangedragen locaties; strategische laadpalen
1Dekkend basisnetwerk
Op basis van een analyse van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is vastgesteld in welke gebieden van 500mx500m met minimaal 125 huishoudens nog geen laadpaal is gerealiseerd. Deze rastercellen zonder laadpaal noemen we ‘witte vlekken’. Om te komen tot een dekkend netwerk van laadinfrastructuur gaat de CPO van de collectieve aanpak in alle witte vlekken een laadpaal realiseren tenzij;
-Er al een laadpaal gepland of in procedure is;
-Er geen of zeer beperkt openbare parkeerplaatsen zijn;
-Het om andere legitieme redenen onmogelijk of onwenselijk is.
De CPO ontvangt een vergoeding voor het plaatsen van deze laadpalen vanuit het RAL-budget van de provincies Noord-Brabant en Limburg. Deze laadpalen worden voor gemeente Leudal dus kosteloos geplaatst. Naar schatting zullen er vanuit deze categorie tussen de 650 en 750 laadpalen worden gerealiseerd over de twee provincies. De CPO spannt zich in om deze locaties vóór 1-1-2026 te realiseren.
2Prestatie gestuurde laadpalen
Om ervoor te zorgen dat de laadpalen daar komen waar ze het meest nodig zijn, wordt het grootste deel van de laadpalen geplaatst op basis van gebruikscijfers. Hiervoor maakt de CPO ieder half jaar een analyse van de 1.575 Best Presterende Locaties (BPL) in Noord-Brabant en Limburg. Dat doet de CPO op basis van ‘laaddruk’. De laaddruk is een op nationaal niveau geformuleerde aanpak waarbij niet alleen naar het gebruik van een losse laadpaal wordt gekeken maar ook naar de laadpalen in de nabije omgeving. Op locaties waar de laaddruk hoog is doet de CPO op basis van de plankaart locatievoorstellen aan de gemeente. In totaal worden er vanuit deze categorie 11.025 laadpunten (zie: niet laadpalen) geplaatst. Doordat we gebruik maken van de laaddrukanalyse kan het zijn dat er op basis van de verbruikscijfers minder of meer laadpalen geplaatst moeten worden dan op voorhand gedacht. De aantallen zijn daarom ook indicatief.
Indien er een signaal van een (toekomstige) e-rijder binnen komt voor locaties waar op basis van de laaddrukanalyse op korte termijn nog geen laadpaal is voorzien, wordt deze locatie geprioriteerd op de lijst met BPL. Bij het plaatsen van een laadpaal op basis van een signaal controleert de CPO ook of er reeds een laadpaal aanwezig is. Als dat het geval is wordt er alleen een laadpaal bijgeplaatst als er meer dan 7.000 kWh per jaar wordt geladen op de reeds bestaande nabije laadpaal.
3Strategische laadpalen
Naast de realisatie van laadpalen in de witte vlekken en uitrol op basis van laaddruk, kan gemeente Leudal op grond van eigen overwegingen een locatie aanwijzen voor het realiseren van een publieke laadpaal. Een zogenoemde ‘strategische laadpaal’. Het aantal strategische laadpalen waaraan de CPO dient mee te werken is gemaximeerd op 158 per half jaar (voor beide provincies). Ook deze laadpalen worden zonder vergoeding vanuit de gemeente en provincie geplaatst.
De laadpalen uit deze categorie worden uiterlijk in maand drie van de voorbereidingsperiode door de gemeente aangevraagd. Op die manier kunnen de verkeersbesluiten en uitvoeringsplannen voor deze laadpalen allemaal gezamenlijk met de laadpalen uit de categorie BPL doorlopen worden.
2.1 Planning realisatie laadpalen
Om de realisatie van de laadpalen voor alle partijen (Gemeente, Enexis, aannemers en CPO) zo planbaar mogelijk te maken werken we met 7 voorbereidingsperioden van een half jaar gevolgd door een uitvoeringsperiode van een half jaar. Globaal ziet elke cyclus er als volgt uit:
Voorbereidingsperiode (maand 1-6)
Maand 1-2: Analyse best presterende locaties door CPO en selectie van locaties op plankaart
Maand 3: Voorlopig akkoord op de te realiseren locaties door de gemeente
Maand 4-5: Procedure verkeersbesluit en definitief akkoord locaties
Maand 6: Uitvoeringsplanning gemaakt door CPO
Realisatieperiode (maand 7-12)
Maand 7-12: Realisatie en start nieuwe voorbereidingsperiode
Bovenstaande cyclus doorlopen we gedurende de looptijd van de concessie 7 keer. Dat wil dus zeggen dat er, wanneer de 1e voorbereidingsronde afgerond is, een nieuwe voorbereidingsronde start. Deze loopt dan parallel aan de 1e realisatieperiode.
2.2 e-deel mobiliteit
Het is ook mogelijk om laadpalen voor deelauto’s aan te vragen binnen de collectieve concessie. We spreken van een laadpaal voor elektrische deelauto’s als 1 of beide laadpunten van de laadpaal exclusief bestemd worden voor het opladen van elektrische deelauto’s. Het aantal laadpalen waar één laadpunt bestemd is voor deelauto’s waaraan de CPO dient mee te werken is gemaximeerd op 158 per half jaar (voor beide provincies). Indien beide laadpunten exclusief beschikbaar worden gesteld voor elektrische deelauto’s ontvangt concessiehouder een eenmalige vergoeding vanuit het RAL-budget van de provincies. Het aantal laadpalen exclusief voor deelvervoer is gemaximeerd op 79 per half jaar (voor beide provincies). Doordat de provincies de vergoeding op zich nemen, worden ook deze laadpalen voor de gemeente kosteloos geplaatst.
3Taken en verantwoordelijkheden
In de concessie zijn o.a. de volgende algemene bepalingen opgenomen. Hieraan conformeert de gemeente zich bij het tekenen van de mandaatovereenkomst:
-De gemeente verleent exclusiviteit aan de inschrijver voor het plaatsen van nieuwe laadpalen gedurende de plaatsingsperiode.
-De gemeente neemt voor de plaatsing van de laadpaal een verkeersbesluit voor twee parkeervakken. Daarnaast spant de gemeente zich in voor het nemen van verkeersbesluiten voor meerdere laadpalen tegelijk (verzamelverkeersbesluit)
-Ongeacht de van toepassing zijnde uitrolcategorie geldt dat de gemeente:
o Voor elke laadpaal direct een verkeersbesluit neemt voor twee parkeervakken;
o Bij realisatie worden twee parkeervakken door Concessiehouder bebord, tenzij de gemeente kan aantonen dat dit in verband met parkeerdruk of geldend beleid niet wenselijk of mogelijk is;
o Als het tweede parkeervak niet direct wordt bebord, wordt het tweede parkeervak uiterlijk geëffectueerd/bebord, bij een jaarlijks verbruik van minimaal 3.500 kWh per laadpaal.
-De CPO dient zorg te dragen voor plaatsing van een flessenhalspaal met bebording, conform de hiervoor geldende voorschriften.
-De gemeente wordt na plaatsing eigenaar van de bebordingen is daarmee ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de bebording.
-Het staat de gemeente vrij om ook markeringen toe te passen. Deze zijn geen onderdeel van de opdracht.
-De gemeente stelt de locaties voor laadinfrastructuur om niet beschikbaar en heft geen precario en/of leges voor het doorlopen van de aanvraagprocedure van de laadpaal en/of de procedure verkeersbesluit. Voor overige procedures, zoals, maar niet uitsluitend een graafvergunning, kunnen wel kosten in rekening worden gebracht bij de concessiehouder.
-Het plaatsen van publieke laadpalen in nieuwbouwwijken valt binnen de exclusiviteit van de concessie. Ook wanneer de grond tijdelijk nog in bezit is van de projectontwikkelaar. Concessiehouder is verplicht mee te werken aan de realisatie van laadpalen in nieuwbouwwijken. Om dit proces te vergemakkelijken worden daarbij de volgende voorwaarden gehanteerd:
o Gemeente bepaald de laadlocatie(s) en neemt het verkeersbesluit.
o Concessiehouder plaatst de laadinfrastructuur gelijktijdig met de (deel)oplevering van de openbare ruimte.
o Bij voorkeur gaat de plaatsing van laadinfrastructuur mee in de fase van het woonrijp maken van de woonwijk zodat er geen graaf- en breekwerkzaamheden meer hoeven plaats te vinden nadat de bestrating er ligt.
o De gemeente neemt uiterlijk 3 weken voor het aanleggen van de bestrating contact op met de concessiehouder zodat deze afstemming kan doen met de aannemer voor de installatie.
o De laadpaal wordt bij voorkeur aan de kant van de weg geplaatst waar de laagspanningskabel van de netbeheerder loopt. Wordt een laadpaal toch aan de overzijde geplaatst, dan spant de gemeente zich in dat er voorbereidend een mantelbuis wordt aangelegd.
-De gemeente wijst een operationeel contactpersoon en/of een beleidscontactpersoon aan via wie de communicatie met de CPO verloopt.
-De gemeente borgt dat er voldoende capaciteit is, al dan niet verdeeld over meerdere functies, om de werkzaamheden vanuit deze collectieve aanpak tijdig en goed te volbrengen.
-De gemeente conformeert zich aan het aantal laadpalen dat op basis van gebruik door de CPO wordt voorgesteld en zet zich in om deze aantallen daadwerkelijk te realiseren.
-De gemeente zorgt minimaal ieder half jaar voor een tijdig en compleet verkeersbesluit en conformeert zich aan de in deze concessie opgenomen termijnen voor o.a. het toetsen van delen.
-Het verkeersbesluit neemt de gemeente op basis van het locatievoorstel dat door de concessiehouder wordt aangeleverd. Hiertoe stelt concessiehouder een format op dat aan de concessieverlener wordt voorgelegd. Dit voorstel omvat locatie specifieke gegevens zoals foto’s coördinaten maar ook ingrediënten voor de motivatie van de locatie, welke de gemeenten in het verkeersbesluit kunnen opnemen. Een goede, duidelijke en uitgebreide motivatie draagt bij aan een soepel realisatieproces.
-De gemeente richt zijn communicatiekanalen zo in dat de elektrische rijder een de laadbehoefte kenbaar kan maken via het inschrijfportaal van de CPO.
De gemeente is zich ervan bewust dat de succesvolle uitvoering van deze collectieve aanpak mede afhangt van de inzet van de gemeente. Daarom wordt deze opgave bij voorkeur vastgelegd in gemeentelijk beleid. Er bestaan binnen concessieovereenkomst wederzijds trekkingsrechten (kosteloze plaatsing van laadpalen) en tegelijkertijd leveringsplichten (randvoorwaardelijke zaken t.b.v. CPO). Indien de gemeente stelselmatig tekortkomt bij het nakomen van de gemaakte afspraken kan de provincie besluiten om bepaalde voordelen verminderd van toepassing te laten zijn bij desbetreffende gemeente.
4Criteria bij het vaststellen van locaties en planning
Bij het bepalen van de locatie en planning van de realisatie van laadinfrastructuur worden verschillende criteria gehanteerd. Deze criteria zijn hieronder op hoofdlijnen beschreven. De afweging hoe deze aandachtspunten exact worden meegenomen in het vaststellen van de locatie en planning blijft maatwerk. Het is aan gemeente Leudal om een afweging te maken tussen individuele belangen en het maatschappelijke belang van een laadpaal. Het maatschappelijke belang van een publieke laadvoorziening weegt daarbij zwaar gezien de rol die deze speelt voor de realisatie van verschillende klimaatdoelstellingen.
Bij het plaatsen van de laadpalen zijn, tenzij nadere afspraken worden gemaakt, de volgende voorwaarden van toepassing:
1Componenten van de laadpaal dienen altijd bereikbaar te zijn:
•Het serviceluik inclusief cilinderslot;
•De RFID-reader;
•De sockets.
2Bij plaatsing op een trottoir dient minimaal 90 cm vrije doorgangsruimte op het trottoir aanwezig te zijn.
3De locatie ligt in de publieke ruimte.
4De locatie is 24 uur per dag, 7 dagen per week toegankelijk.
5Een laadpaal beschikt over twee laadpunten, waarbij twee parkeervakken worden gereserveerd voor het laden van elektrische auto’s.
6De oplaadpunten worden zo geplaatst dat zij via bestaande en/of gepland parkeervakken gebruikt kunnen worden.
7Laadpaal en bebording worden niet hinderlijk dichtbij straatmeubilair, afvalcontainers en elektriciteitsvoorzieningen geplaatst. Hiervoor geldt dat er ten alle tijden een afstand van 1 meter tussen de laadpaal en een dergelijk object is.
8Bomen en Boomwortels: De laadpaal dient minimaal even ver van de boom te staan als de kruin van de boom breed is met een minimum van 1 meter.
9De locatie ligt binnen 25 m tot LS-net.
10Bij haaksparkeren is de afstand tussen laadpaal en trottoirband minimaal 60 cm.
11Bij langsparkeren is afstand tussen laadpaal en trottoirband minimaal 30 cm.
12Bij haaks en langs parkeren wordt de laadpaal tussen 2 parkeervakken in geplaatst en bij harp parkeren tussen 4 parkeervakken in.
13Geen plaatsing op asfalt ondergrond
14Asfalt/beton kan niet opengebroken worden voor het aansluiten van de laadpaal aan het laagspanningsnet. Met andere woorden, indien sprake van een geasfalteerde weg dient de laadpaal aan de kant van de straat waar een LS-kabel ligt geplaatst te worden.
15Groenvoorziening zo veel mogelijk vermijden/laten staan.
16Laadpaal staat niet direct voor een monument of een deur/raam van een woning.
17Bij plaatsing in onverharde grond (bijvoorbeeld gras of zand) dient rondom de laadpaal grondversteviging te worden aangebracht. Deze grondversteviging bestaat uit minimaal 2 rijen betontegels formaat 30x30 cm (of vergelijkbaar) opgesloten in bijpassende opsluitbanden.
18Type parkeerplek, aflopend naar voorkeur: parkeerplein, haaksparkeren, langsparkeren.
19Laadpalen in de (semi) publieke ruimte mogen de toegankelijkheid van voetpaden en fietspaden niet belemmeren.
4.1Geen toestemming voor privaat verlengde aansluitingen
De gemeente verleent geen toestemming voor het aanleggen van een laadpunt met een verlengd private (huis)aansluiting op gemeentegrond. Ook het laden via een kabel over of onder het trottoir als alternatief voor een publiek geplaatst oplaadpunt wordt niet toegestaan. Het aanleggen van privaat verlengde aansluitingen kan extra risico’s en kosten opleveren voor de gemeente. Daarnaast kunnen dergelijke laadoplossingen tot onveilige situaties en het onterecht toe-eigenen van een openbare parkeerplaats leiden. Ook staan privaat verlengde aansluitingen haaks op de exclusiviteit die via de concessie aan de CPO is geboden.
5Data, handhaving en evaluatie
Een CPO is verplicht om gebruikersinformatie aan te leveren aan gemeente Leudal. De gemeente kan op basis van deze informatie haar beleid en het gebruik monitoren. Deze informatie dient altijd kosteloos beschikbaar te worden gesteld.
De CPO’s leveren minimaal, maar niet gelimiteerd, volgende ruwe data (CDR’s) aan van de binnen de gemeente geplaatste laadpunten:
•verbruik kWh;
•uren bezetting per laadpunt;
•locatie van plaatsing;
•gemiddelde tijd aangekoppeld;
•gemiddelde tijd laden;
•uptime en storingen.
De data wordt beschikbaar gesteld aan de gemeente in een digitaal dashboard gemaakt door EVtools en in een formaat dat door de gemeente verwerkt kan worden en voldoet aan de rapportagevereisten die rondom de NAL zijn of worden afgesproken. De data moet minimaal maandelijks worden geüpdatet. Binnen deze online omgeving moet minimaal inzichtelijk worden gemaakt:
•aantal geplaatste laadpunten in de gemeente per categorie en met vermelding van specifieke locatie (adres of gps);
•het geladen aantal kWh per laadpunt, per dag, week, maand, jaar, totaal;
•gemiddelde bezettingsgraad van de laadpaal per uur, dag, week, maand;
•gebruikte methode van afrekenen;
•aantal voertuigen per laadpunt per dag;
Aanvullend aan deze informatie moet de CPO die het exclusieve recht heeft verworven om laadpunten bij te plaatsen de volgende gegevens aanleveren:
•aantal aangevraagde laadpunten;
•aantal afgewezen laadpunten en afwijzingsgrond aan de hand van het plaatsingscriterium;
•of er gebruik gemaakt is van de VKE-propositie en hoe vaak.
Bij de invoering van een landelijk protocol of tool (bijvoorbeeld Nationaal Acces Point) voor monitoring zullen CPO’s meewerken met het aanleveren van de juiste complete statische en dynamische informatie, in het juiste format, en volledig meewerken aan het ter beschikking stellen van deze data.
5.1Handhaving laden
De gemeente ziet toe op het juiste gebruik van de aangewezen parkeerplaats(en) voor het laden van elektrische voertuigen en treedt indien nodig handhavend op.
5.2Evaluatie beleid
Elektrisch vervoer ontwikkelt zich in hoog tempo. Dat geldt ook voor de ontwikkeling van laadoplossingen voor EV-rijders in de openbare ruimte. Deze laadvisie is daardoor een momentopname ten aanzien van de behoefte voor opladen in de openbare ruimte en de oplossingen die daarvoor beschikbaar zijn. Het beleid wordt ten minste tweejaarlijks geëvalueerd conform NAL. Indien er tussentijdse evaluatie nodig is, kan dit.