Gemeentelijke regelgeving

Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2016

Gemeente Leiderdorp · geldt sinds 1 januari 2016

Aanhef

De raad van de gemeente Leiderdorp;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 november 2015,

nr.Z/15/020569/39602;

gezien het advies van het politiek forum van 30 november 2015;

gelet op artikel 226 van de Gemeentewet;

b e s l u i t:

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering

van hondenbelasting 2016

Artikel 1 Belastbaar feit

Onder de naam hondenbelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van hethouden van een hond binnen de gemeente.

Artikel 2 Belastingplicht

1Belastingplichtig is de houder van een hond.

2Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.

3Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.

Artikel 3 Vrijstellingen

1In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervendzijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan,welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren.

2De belasting wordt niet geheven voor honden:

a.die uitsluitend dienen om blinde personen te leiden;

b.die door de Stichting Hulphond Nederland als gehandicaptenhond aan een gehandicapte ter beschikking zijn gesteld;

c.die verblijven in een hondenasiel;

d.die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting

e.als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren;

f.die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden;

g.die door politieambtenaren worden gebezigd bij de uitoefening van hun dienst, mits hiervoor een certificaat als afgericht politiehond kan worden overgelegd;

h.die in opleiding zijn voor personen genoemd onder a en b.

Artikel 4 Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.

Artikel 5 Belastingtarief

1De belasting bedraagt per belastingjaar:

a.voor een eerste hond € 86,09

b.voor een tweede hond € 151,66

c.voor iedere hond boven het aantal van twee € 219,05

2In afwijking in zoverre van het voorgaande lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in kennels die zijn geregistreerd bij de Raad van beheer op kynologisch gebied in Nederland, € 514,92 per kennel per jaar.

3Het tweede lid blijft buiten toepassing indien belastingplichtige schriftelijk verzoekt de verschuldigde belasting vast te stellen naar het werkelijke aantal honden indien blijkt dat dit bedrag lager is dan het op voet van het tweede lid bepaalde bedrag.

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 8 Aangifte

1Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak ontstaat dan wel het aantalhonden dat voor de belastingplichtige wordt gehouden wijziging ondergaat, moet debelastingplichtige binnen veertien dagen na het tijdstip waarop de belastingplicht isontstaan of de wijziging van het aantal honden heeft plaatsgevonden, bij het college vanburgemeester en wethouders verzoeken om te worden uitgenodigd tot het doen vanaangifte.

2De belastingplichtige die niet binnen zes maanden na afloop van het belastingtijdvak isuitgenodigd tot het doen van aangifte of wie niet binnen zes maanden na afloop van hetbelastingtijdvak een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen veertien dagen na afloopvan die zes maanden bij de heffingsambtenaar een verzoek in te dienen om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij deaanvang van de belastingplicht.

2Indien de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan wel het aantal honden inde loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogerebelasting ter zake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.

3Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantalhonden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.

4Belastingaanslagen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd.

5Voor de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt het totaal van de op eenaanslagbiljet verenigde aanslagen hondenbelasting aangemerkt als een belastingaanslag.

Artikel 10 Termijnen van betaling

1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslagworden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatstedag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet isvermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

2In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,00 doch minder is dan € 2.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso van de daartoe door debelastingplichtige aangewezen bank – of girorekening kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen betaald moeten worden in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3In afwijking van het tweede lid geldt, dat in geval het totaalbedrag van de op eenaanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat hetbedrag daarvan, minder is dan € 50,00 en zolang de verschuldigde bedragen doormiddel van automatische betalingsincasso van de daartoe door de belastingplichtigeaangewezen bank- of girorekening kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagenbetaald moeten worden in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatstedag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet isvermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

4De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande ledengestelde termijnen.

Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot deheffing en de invordering van de hondenbelasting.

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel

1De “Verordening Hondenbelasting 2015” van 17 november 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van debekendmaking.

3De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.

4Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Hondenbelasting 2016.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.