Aanhef
I. Intitulé
II. Beleidskader algemeen
III. Beleidskader woningen (of daarbij behorend erf)
IV. Beleidskader lokalen (of daarbij behorend erf)
V. Afwijkingsbevoegdheid
VI. Slotbepalingen
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
1Harddrugs: een middel als bedoeld in lijst I en lijst IA behorende bij de Opiumwet.
Lijst IA (designerdrugs): bevat een aantal stofgroepen, waarvan de chemische structuur is afgeleid van harddrugs die op lijst I van de Opiumwet staan vermeld. Het gaat hierbij om substanties en preparaten daarvan, die vergelijkbare psychoactieve effecten teweeg (beogen te) brengen, zoals de bekende harddrugs-soorten MDMA, XTC en heroïne, maar die (nog) niet vanwege een expliciete vermelding op lijst I van de Opiumwet verboden waren.
2Softdrugs: een middel als bedoeld in lijst II behorende bij de Opiumwet.
3Hennep: Plant waar marihuana en touw van gemaakt wordt.
4Handelshoeveelheden drugs meer dan 0,5 gram, 0,5 millimeter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel harddrugs, respectievelijk meer dan 5 gram softdrugs. Voor lachgas is volgens het Lachgasbesluit bij particulieren het bezit van meer dan 10 ampullen een (sterke) aanwijzing dat lachgas niet bestemd is als voedingsadditief.
5Voorbereidingshandelingen: het voorhanden zijn van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° of artikel 10c, eerste lid onder 3, of artikel 11a, van de Opiumwet.
6Betrokkene: de overtreder, de eigenaar van het pand, de (hoofd)bewoner(s) of degene die anderszins als rechthebbende op de zaak waarop de last betrekking heeft kan worden aangemerkt (zie ook artikel 5:24, derde lid, Awb).
Artikel 2. Onderscheid tussen woningen en lokalen
1In deze beleidsregel wordt voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, onderscheid gemaakt tussen woningen en al dan niet voor het publiek openstaande lokalen, omdat sluiting van een woning gevolgen kan hebben die een inmenging kunnen vormen in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Laatstgenoemd recht is niet in het geding bij lokalen.
2Bij het bepalen van het sluitingsregime wordt bij de toepassing van deze beleidsregels als vertrekpunt de plek waar de hard- en/of softdrugs, dan wel de voorbereidingshandelingen worden aangetroffen. Is op een erf zowel sprake van een drugsvondst in een lokaal als in een woning, dan wordt – als uitgangspunt –het regime voor woningen als uitgangspunt genomen.
3In deze beleidsregels wordt voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, geen onderscheid gemaakt tussen koopwoningen enerzijds en (sociale) huurwoningen anderzijds (wel kunnen specifiek aan de sociale huursector verbonden kenmerken – zoals de huurprijzen en lange wachtlijsten – worden meegewogen bij de individuele afweging van belangen).
Artikel 3. Samenhangend geheel
Worden (alleen) in een lokaal een handelshoeveelheid drugs of voorbereidingshandelingen geconstateerd, maar worden op hetzelfde erf in een woning aan drugshandel dan wel voorbereidingshandelingen gerelateerde zaken aangetroffen, dan wordt aangenomen dat sprake is van een ‘samenhangend geheel’. In dat geval wordt voor het gehele erf (inclusief de woning) het regime voor lokalen toegepast. Worden (alleen) in een woning een handelshoeveelheid drugs of voorbereidingshandelingen geconstateerd, maar in het zich op hetzelfde erf bevindende lokaal aan drugshandel/voorbereidingshandelingen gerelateerde zaken, dan is eveneens sprake van een ‘samenhangend geheel’. In dat geval wordt voor het gehele erf het regime voor woningen toegepast (toelichting: van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke en functionele samenhang vertonen. Van ruimtelijke samenhang is sprake als zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, dezelfde eigenaar hebben, in elkaars nabijheid staan, etc. Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen of vice versa, of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn (vgl. ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193)).
Artikel 4. Onderscheid tussen hard- en softdrugs
1In deze beleidsregels wordt voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. Bij het aantreffen van een handelshoeveelheid of voorbereidingshandelingen terzake harddrugs wordt strenger opgetreden dan bij het aantreffen van deze fenomenen op het gebied van softdrugs. De reden hiervoor is dat harddrugs in het algemeen gevaarlijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs: ten opzichte van softdrugs zijn de effecten bij harddrugs al merkbaar bij een geringere hoeveelheid. Ook de Afdeling kwalificeert een handelshoeveelheid harddrugs als ernstiger dan een handelshoeveelheid softdrugs. Het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is tevens van belang, omdat bij de handel in en productie van harddrugs eerder dan bij softdrugs sprake is van ernstige criminaliteit, niet zelden met een grensoverschrijdende component. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben daarmee een grotere negatieve invloed op en brengen grotere (gevaars)risico’s met zich mee voor het woon- en leefklimaat. Dit laatste behoeft wel nuance omdat ook in de handel en productie van softdrugs geweld, bedreiging en intimidatie niet worden geschuwd (denk aan ripdeals). Bovendien vormt voor drugscriminelen de handel in en/of productie van softdrugs niet zelden de opmaat voor de overstap naar de handel in en/of productie van harddrugs.
2Bij een cumulatie van handelshoeveelheden of voorbereidingshandelingen terzake harddrugs en softdrugs, is bij wijze van uitgangspunt de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of kan anderszins in strengere zin worden afgeweken van de navolgende onderdelen (III en IV) van deze beleidsregels.
Artikel 5. Verlenging sluiting/nadere maatregelen
1Als sprake is van een reële vrees voor herhaling van een overtreding op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, dan kan de burgemeester in een afzonderlijk besluit beslissen de gelaste sluitingsduur van de woning of het lokaal of het daarbij behorende erf te verlengen. Bij het bepalen van de duur van de verlenging wordt bij wijze van uitgangspunt aangesloten bij de matrixen uit de artikelen 9a, 10a, 11 en 12 van deze beleidsregels en wordt tevens rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval.
2Als sprake is van een herhaalde overtreding of een reële vrees voor herhaling van een overtreding op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, dan kan de burgemeester tevens besluiten het beheer van het pand over te (doen) nemen, een en ander op grond van de artikelen 13b en 14 van de Woningwet.
Artikel 6. Verzoek om opheffen sluiting/intrekking last onder dwangsom
1De betrokkene kan de burgemeester tussentijds schriftelijk verzoeken om de sluiting op te heffen of, indien daarvoor is gekozen, een last onder dwangsom op te heffen (zie voor dit laatste geval artikel 5:34 van de Awb).
2De burgemeester neemt alleen schriftelijke verzoeken in behandeling. De burgemeester hanteert bij zijn beslissing de oorspronkelijk getroffen maatregel als uitgangpunt en zal slechts nagaan of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen niet meer aan de orde zijn. De betrokkene dient daarom zijn verzoek te motiveren. Hij dient daartoe te onderbouwen dat sprake is van veranderde feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning, het lokaal of het daarbij behorend erf zullen worden gepleegd. Er dienen daartoe minimaal voldoende maatregelen te zijn, zulks ter beoordeling van de burgemeester.
3Bij zijn beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid neemt de burgemeester onder andere in overweging:
a.of de te realiseren doelen van de sluiting reeds zijn behaald. Deze afweging wordt (mede) gemaakt op basis van een door de politie en eventuele andere veiligheidspartners gemaakte inschatting. Zo nodig kan daartoe een bestuurlijke rapportage of advies worden opgevraagd van een of meer veiligheidspartners; en
a.de bereidheid en de bekwaamheid van de betrokkene om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van de geconstateerde overtreding(en) te voorkomen.
4Ingeval van een sluiting voor de duur van 6 maanden of minder zal de burgemeester in beginsel niet overgaan tot een tussentijdse opheffing.
5Een verzoek tot het intrekken van een last onder dwangsom dient tevens te voldoen aan de vereisten, genoemd in artikel 5:34 van de Awb.
Artikel 7. Bij sluiting: kostenverhaal en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
1Indien de burgemeester overgaat tot sluiting van een woning, lokaal of bijbehorend erf zullen de kosten die daarmee gemoeid zijn in beginsel op de overtreder(s) worden verhaald. In het besluit tot toepassing van bestuursdwang (sluitingsbesluit) zal in dat geval het kostenverhaal worden aangezegd aan de overtreder(s). Het kostenverhaal zal achterwege blijven bij iedere ontbrekende verwijtbaarheid aan de zijde van de overtreder (zie artikel 5:25 Awb).
2De burgemeester zal overeenkomstig de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (WKBP) na bekendmaking van het sluitingsbesluit in het beperkingenregister aantekenen dat een woning, lokaal of daarbij behorende erf is gesloten. Wanneer de sluiting wordt opgeheven of wanneer de sluitings-termijn afloopt, wordt dit aangepast in het beperkingenregister.
Artikel 8. Spoedeisende bestuursdwang
Al naar gelang de omstandigheden van het geval kan gekozen worden voor toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In de artikelen 5:31 en 4:11, eerste lid, onder a, van de Awb, zijn de procedureregels opgenomen, die gevolgd moeten worden als tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang wordt overgegaan.
Artikel 9a. Drugshandel in een woning of daarbij behorend erf
1Bij drugshandel in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet, in een woning of een daarbij behorend erf, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1eovertreding (minder ernstig geval)
Waarschuwing/last onder dwangsom
Waarschuwing/last onder dwangsom/ sluitingsperiode van maximaal 3 maanden
1eovertreding (ernstig geval)
Sluitingsperiode van 3 maanden
Sluitingsperiode van 6 maanden
2eovertreding binnen 3 jaar
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
3ee.v. overtreding binnen 3 jaar
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 24 maanden
2Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande overtreding wordt geconstateerd. Dit geldt ook als naar aanleiding van de 1e overtreding een waarschuwing is gegeven.
3Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs (toelichting: als dus de 1e overtreding verband houdt met softdrugs maar bij de 2e overtreding sprake is van harddrugs geldt de voorgeschreven maatregel bij de 2e overtreding van harddrugs. Ook als de 1e overtreding harddrugs betrof maar de 2e overtreding softdrugs wordt bij de 2e overtreding de matrix voor harddrugs aangehouden).
4Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs, overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van deze beleidsregels.
5Bij het opleggen van een last onder dwangsom wordt de hoogte van de dwangsom onder meer afgestemd op de verwachte opbrengst van de aangetroffen handelshoeveelheid. Als dwang-sommodaliteit geldt als uitgangspunt de eenmalige verbeurte van een dwangsom (ineens) bij een eerstvolgende constatering van een overtreding.
Artikel 9b. Indicatoren ernstig geval
Bij een ernstig geval is volgens deze beleidsregels de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als aannemelijk kan worden gemaakt dat één of meer van de navolgende indicatoren van toepassing is/zijn, waarbij geen sprake is van een limitatieve opsomming:
a.de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I, lijst IA en/of lijst II van de Opiumwet. Bij harddrugs geldt dat sprake is van een ernstig geval als ten minste 5 gram of 5 milliliter (of voor zover dit de 5 gram of 5 milliliter niet overschrijdt, 10 pillen, 10 ampullen, 10 bolletjes of 10 wikkels) wordt aangetroffen. Bij softdrugs wordt een ernstig geval aangenomen bij minimaal 30 gram;
b.een combinatie van handelshoeveelheden middelen of stoffen/preparaten als bedoeld in lijst I (harddrugs), lijst IA (designerdrugs) en/of lijst II (softdrugs waaronder ook lachgas) Opiumwet. Wordt er een combinatie van meer dan 2,5 gram/2,5 milliliter harddrugs én meer dan 15 gram softdrugs aangetroffen, dan is sprake van een ernstig geval;
c.ongeacht de indicatoren genoemd onder a en b is sprake van een ernstig geval als naast handels-hoeveelheden soft- en harddrugs tevens attributen worden aangetroffen die te relateren zijn aan drugshandel zoals een weegschaal, verpakkingsmateriaal, versnijdingsmiddel, grote sommen contant geld en/of wapens;
d.ongeacht de indicatoren genoemd onder a en b is sprake van een ernstig geval als aannemelijk is dat sprake is van drugshandel met betrokkenheid van minderjarigen;
e.de mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. Dit kan o.a. blijken uit politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen van omwonenden of betrokkenen, (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht;
f.er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezig, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan;
g.er is sprake van recidive: vaststaat of er zijn sterke aanwijzingen dat (een van) de betrokkene(n) eerder betrokkenheid heeft (of hebben) gehad bij drugshandel;
h.er is sprake van verwijtbaar gedrag van de betrokkene. Dit geldt als aannemelijk is dat de betrokkene zelf betrokken is bij de aangetroffen drugs of dat hij/zij op de hoogte is dan wel redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in de woning. Hierbij kan meewegen of sprake is van antecedenten, betrokkenen relaties heeft met personen die bij de politie bekend staan als drugsdelinquenten, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit, of als de betrokkene zodanig bij de politie bekend staat. Ook speelt in dit verband mee, de mate waarin degene die een woning verhuurt of anderszins aan anderen in gebruik geeft zich in voldoende mate tot op zekere hoogte heeft geïnformeerd over het gebruik van het pand wordt gemaakt.
Woningeigenaren en hoofdhuurders moeten concreet toezicht houden op het gebruik van hun pand. Zij moeten controles uitvoeren die zijn gericht op het gebruik van het pand;
i.de mate van gevaarzetting of risico voor het woon-en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n). Hierbij kan worden gedacht aan een buurt waarin de woning zich bevindt en de mate waarin deze kwetsbaar is voor (de gevaren die verbonden zijn aan) drugscriminaliteit omdat al langer druk op de omgeving bestaat in verband met drugsoverlast, of vanwege de vermoedelijke betrokkenheid van (georganiseerde) drugscriminaliteit en daarmee verband houdende gevaren, zoals geweldpleging, de aanwezigheid of inzet van vuurwapens/explosieven, etc.;
j.de aannemelijkheid dat naast de woning of het bijbehorende erf, nog één of meer andere locaties betrokken zijn bij de geconstateerde drugshandel (dit vormt een sterke indicator dat er sprake is van betrokkenheid van een drugscircuit); en/of
k.bij hennepteelt of de productie van harddrugs, de inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage/-kwekerij of het drugsproductiepunt. Bijvoorbeeld illegale stroom-aftap, aanwezige hennep/drugsresten van een productie, aanwezigheid van precursoren, preprecursoren, IBC’s en randapparatuur voor het in stand houden en onderhouden van de hennepplantage-/kwekerij of het productiepunt.
l.feiten of omstandigheden die duiden op georganiseerde criminaliteit of drugshandel in georganiseerd verband. Dit kunnen bijvoorbeeld verklaringen of meldingen zijn van getuigen, omwonenden, gebruikers, handelaren e.d.
Artikel 10a. Voorbereidingshandelingen in een woning of daarbij behorend erf
1Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet, in woning een of een daarbij behorend erf, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1eovertreding (incomplete opstelling en/of minder ernstig geval)
Last onder bestuursdwang of dwangsom, strekkende tot afvoeren goederen
Last onder bestuursdwang of dwangsom, strekkende tot afvoeren goederen
1eovertreding (complete opstelling en/of ernstig geval)
Sluitingsperiode van 3 maanden
Sluitingsperiode van 6 maanden
2eovertreding binnen 3 jaar (complete of incomplete opstelling)
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
3ee.v. overtreding binnen 3 jaar (complete of incomplete opstelling)
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 24 maanden
2Er is sprake van een incomplete opstelling als slechts een deel van de voorwerpen en/of stoffen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, dan wel een productiepunt voor harddrugs. Er is sprake van een complete opstelling als sprake is van een samenstelling en/of opstelling van voorwerpen en/of stoffen waardoor de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij, of een productiepunt voor harddrugs in principe direct kan plaatsvinden, maar waarbij de drugs nog niet daadwerkelijk zijn geproduceerd (als er drugs is geproduceerd, valt de opstelling onder artikel 9a van deze beleidsregels). Ook is sprake van een complete opstelling als met weinig handelingen de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij, of het productiepunt voor harddrugs in werking te brengen is, bijvoorbeeld omdat vrijwel alle benodigdheden daarvoor voorhanden zijn (Vgl. ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:368 (r.o. 4.1)) (toelichting: wordt een incomplete opstelling aangetroffen, dan is minder aannemelijk dat de woning een actuele schakel vormt in de productie of distributie van drugs, tenzij er concrete contra-indicaties zijn dat dit wel het geval is. De opstelling is daarvoor (nog) niet geschikt en er zal nog het nodige moeten gebeuren om het productieproces operationeel te hebben. Het afgeven van een signaal door middel van een sluiting ligt hierbij minder voor de hand. Dat neemt niet weg dat er goederen en stoffen aanwezig zijn die in principe geschikt zijn voor de productie van drugs. Van de betrokkene kan onder bestuursdwang of dwangsom worden gelast dat hij deze voorwerpen en stoffen afvoert naar een erkende afvalverwerker, zodat de goederen niet alsnog in het drugscircuit kunnen worden benut. Van een complete opstelling is wel aannemelijk dat deze een (actuele) schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Een sluiting is hierbij in principe passend).
3Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande overtreding plaatsvindt. Dit geldt ook als bij de 1e overtreding een last onder bestuursdwang of onder dwangsom tot het afvoeren van de aangetroffen voorwerpen en/of stoffen is opgelegd.
4Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van voorbereidingshandelingen ter zake harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
5Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met voorwerpen en/of stoffen die wijzen op zowel voorbereidingshandelingen in verband met harddrugs als op voorbereidingshandelingen in verband met softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding in verband met harddrugs.
Artikel 10b. Indicatoren ernstig geval
Is sprake van een ernstig geval, dan is volgens deze beleidsregels in beginsel de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de hieronder staande indicatoren van toepassing is/zijn. Daarbij is geen sprake van een limitatieve opsomming én kunnen bijvoorbeeld ook elementen – voor zover hier niet al genoemd – uit artikel 9b van deze beleidsregels betrokken worden:
a.de aard van de stoffen of goederen. Hierbij kan gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen die niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie, handel of transport van drugs;
b.de professionaliteit van de aangetroffen goederen en stoffen. Hierbij kan bij softdrugs aangesloten worden bij paragraaf 3.2.1 en bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet. Bij harddrugs is dit een kwestie van een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Gedacht kan worden aan voor de productie van harddrugs geprepareerde ketels. De mate van professionaliteit van de goederen en stoffen duidt op de betrokkenheid van een drugscircuit waarin die goederen en stoffen voorhanden zijn en beschikbaar worden gesteld;
c.de combinatie van aangetroffen stoffen. Hierbij kan gedacht worden aan het tegelijk verkopen, dan wel aanwezig hebben van goederen die voor (grootschalige) verwerking, transport of bereiding van drugs bedoeld zijn (grammenweegschalen, drugsverpakkingen, versnijdingsmiddelen);
d.de hoeveelheid aangetroffen stoffen of goederen. Ook hier kunnen de Aanwijzing Opiumwet en (artikel 1, tweede lid van) het Opiumwetbesluit worden meegewogen;
e.de mate van bekendheid van de woning en het daarbij behorende erf waar dergelijke producten geproduceerd, verkocht, verhandeld of gebruikt kunnen worden;
f.er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan ook gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan (recidive); en/of
g.de mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden. Hierbij kan gedacht worden aan een buurt die door drugscriminaliteit reeds zwaar onder druk staat of het gevaar dat een hennepkwekerij of drugslaboratorium met zich meebrengt, zoals fluctuaties op het stroomnet en (daardoor) brandgevaar, of door het risico op de ontwikkeling van giftige dampen.
Artikel 11. Drugshandel in een lokaal of een daarbij behorend erf
1Bij drugshandel in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a, van de Opiumwet, in lokaal of een daarbij behorend erf, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1eovertreding
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
2eovertreding binnen 3 jaar
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 24 maanden
3ee.v. overtreding binnen 3 jaar
Sluitingsperiode van 24 maanden
Sluitingsperiode van 36 maanden
2Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande overtreding wordt geconstateerd.
3Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
4Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs.
Artikel 12. Voorbereidingshandelingen in een lokaal of een daarbij behorend erf
1Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b, van de Opiumwet, in een lokaal of een daarbij behorend erf, wordt in beginsel het regime toegepast zoals opgenomen in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1eovertreding (incomplete opstelling)
Last onder bestuursdwang of dwangsom strekkende tot afvoeren goederen
Last onder bestuursdwang of dwangsom strekkende tot afvoeren goederen
1eovertreding (complete opstelling)
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
2eovertreding binnen 3 jaar (complete of incomplete opstelling)
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 24 maanden
3ee.v. overtreding binnen 3 jaar (complete of incomplete opstelling)
Sluitingsperiode van 24 maanden
Sluitingsperiode van 36 maanden
2Artikel 5, tweede lid, van deze beleidsregels is van overeenkomstige toepassing.
3Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande overtreding plaatsvindt.
4Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van voorbereidingshandelingen ter zake harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
5Is er sprake van een overtreding met voorwerpen en/of stoffen die wijzen op zowel voorbereidingshandelingen betreffende harddrugs als op voorbereidingshandelingen betreffende softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs.
Artikel 13. Afwijkingsbevoegdheid
1De in de onderdelen III en IV van deze beleidsregels uitgewerkte bevoegdheidstoepassingen gelden als uitgangspunten, waarvan de burgemeester in bijzondere situaties altijd kan afwijken. Dat betekent concreet dat de burgemeester bevoegd is op grond van de concrete feiten en omstandigheden van het geval van deze beleidsregels af te wijken, zowel in het voordeel als in het nadeel van de betrokkene. Dat kan betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten. Ook kunnen zich omstandigheden voordoen, zoals indien sprake is van een verminderde verwijtbaarheid waardoor juist voor een minder ingrijpende maatregel of een kortere sluitingsduur dan de beleidsregels voorschrijven wordt gekozen. Dit wordt te allen tijde per situatie beoordeeld (maatwerk). In beginsel wordt echter overeenkomstig de beleidsregels beslist.
2Voor zover er in een concreet geval van de beleidsregels wordt afgeweken, wordt in het besluit gemotiveerd welke redenen tot de afwijking aanleiding hebben gegeven.
Artikel 14. Intrekken bestaande beleidsregels
Met het vaststellen van deze beleidsregels worden de volgende beleidsregels ingetrokken:
‘Damoclesbeleid artikel 13b Opiumwet gemeente Lansingerland 2024’.
Artikel 15. Overgangsbepaling
Voor zover toepassing van deze beleidsregels leidt tot een andere uitleg ten opzichte van de in artikel 14 genoemde (ingetrokken) beleidsregels, wordt voor gevallen waarvoor reeds een voornemen tot het treffen van een maatregel is geuit vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels, de uitleg gehanteerd overeenkomstig het ten tijde van het uiten van het voornemen geldende beleid.
Artikel 16. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Damoclesbeleid artikel 13b Opiumwet gemeente Lansingerland 2025’.
Artikel 17. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden direct in werking op de eerste dag na de datum van bekendmaking.