Aanhef
Regels over parkeren, duurzaamheid en natuurinclusief bouwen
Inhoudsopgave
1Inleiding
1.1 Aanleiding
1.2 Plangebied
1.3 Leeswijzer
2Beleidsregels parkeren
2.1 Inleiding
2.2 Inhoud van deze beleidsregel
2.2.1 Nota parkeernormen gemeente Lansingerland
2.2.2 Voldoende parkeergelegenheid bij woningen appartementen
2.2.3 Algemene uitgangspunten t.a.v. parkeren in Wilderszijde
2.3 Wijziging van deze beleidsregel
3Beleidsregels duurzaamheid
3.1 Inleiding
3.2 Inhoud van deze beleidsregel
3.2.1 Energie
3.2.2 Circulariteit
3.3 Wijziging van deze beleidsregel
4Beleidsregel Natuurinclusief bouwen in Wilderszijde
4.1 Inleiding
4.2 Inhoud van deze beleidsregel
4.2.1 Openbaar terrein
4.2.2 Het ecologisch plan
4.2.3 Het maatregelenpakket
4.3 Wijziging van deze beleidsregel
2 Beleidsregels parkeren
2.2 Inhoud van deze beleidsregel
2.2.1 Nota parkeernormen gemeente Lansingerland
Er is in beginsel sprake van voldoende parkeergelegenheid als er voldaan wordt aan de parkeernormen conform de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' uit 2014. De volgende beleidsuitgangspunten ten aanzien van parkeren zijn in aanvulling, en voor zover van toepassing ter vervanging van het gemeentelijk parkeerbeleid. Mocht nieuw gemeentelijk parkeerbeleid worden vastgesteld, dan blijven de beleidsuitgangspunten behorende bij dit bestemmingsplan die afwijken van het nieuwe gemeentelijk parkeerbeleid onverminderd van kracht, tenzij het nieuwe gemeentelijk parkeerbeleid expliciet aangeeft dat het mede ter wijziging of vervanging van de beleidsregels behorend bij dit bestemmingsplan is.
2.2.2 Voldoende parkeergelegenheid bij woningen appartementen
Voor Wilderszijde heeft de gemeenteraad in afwijking van de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' specifieke parkeernormen voor appartementen in Wilderszijde bepaald waaraan voldaan moet worden. Voor de in de navolgende tabel genoemde appartementen geldt dat er sprake is van voldoende parkeergelegenheid in de zin van de regels van het bestemmingsplan Wilderszijde als voldaan wordt aan onderstaande normen.
Soort woning
Parkeernorm (exclusief bezoekersparkeren)
Huur appartement (betaalbaar Z midden duur)
1parkeerplaats per appartement
Koop appartement (betaalbaar Z midden duur)
1,1 parkeerplaats per appartement
Appartementen vrije sector (huur)
1,3 parkeerplaats per appartement
Appartementen vrije sector (koop)
1,4 parkeerplaats per appartement
Sociale huurwoning (appartement)
0,7 parkeerplaats per appartement
Eenpersoonshuishouden-woning (appartement, < 45 m2 gebruiksoppervlakte)
0,7 parkeerplaats per appartement
*Bezoekersparkeren voor alle appartementen: 0,3 parkeerplaats per appartement
Deze norm is excl. Parkeren voor bezoekers. De totale norm wordt dus 1,0 (0,7 + 0,3)
Uit tabel 2.1 volgt dat per appartement dat gebouwd wordt als een sociale huurwoning 0,7 parkeerplaats gerealiseerd moet worden om te voldoen aan de eis dat er voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd bij appartementen. In aanvulling op deze parkeernorm is bij raadsbesluit d.d. 25-06-2020 bepaald dat bij realisatie van een sociaal appartement 0,4 parkeerplaats extra gerealiseerd moet worden in de openbare ruimte. Dit zijn de zogenoemde (tijdelijke) bufferplaatsen. Dit houdt in dat bij nieuwbouw van een appartement die als sociale huurwoning gerealiseerd is, er 1,1 parkeerplaats gerealiseerd moet worden.
2.2.3 Algemene uitgangspunten t.a.v. parkeren in Wilderszijde
Voor het inrichten van de parkeerplekken wordt een aantal algemene uitgangspunten in Wilderszijde van toepassing verklaard. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid als er in aanvulling op het bepaalde in paragraaf 2.2.1 en/of 2.2.2 ook voldaan wordt aan het volgende:
-In afwijking van het bepaalde in de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' moet het parkeren voor bezoekers op loopafstand op verspreid gelegen parkeervelden direct gelegen aan of nabij de ontsluitingsweg, óf in kleinere parkeerkoffers langs buurtontsluitende erftoegangswegen plaatsvinden,
-In afwijking van het bepaalde in de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland'' vindt het parkeren voor bezoekers van woningen en appartementen op een loopafstand van maximaal 250 meter plaats.
-Bewoners parkeren op eigen terrein of op collectieve parkeervoorzieningen
•individueel op eigen terrein bij vrijstaande en 2/1-kap woningen, en eventueel ook bij hoekwoningen en/of drive-in woningen;
•collectief op eigen terrein in gebouwde parkeervoorzieningen bij appartementen;
•collectief via collectieve maaiveld parkeervoorzieningen. Bijvoorbeeld bij hoek/tussenwoningen en appartementen.
3 Beleidsregels duurzaamheid
3.2 Inhoud van deze beleidsregel
3.2.1 Energie
In Wilderszijde moeten de gebouwen energieneutraal zijn. Daarbij kunnen ontwikkelende partijen en de gemeente kiezen voor het bouwen van nul-op-de-meter woningen en/of voor het bouwen met een GPR-score van (afgerond) een 8 of hoger, op basis van het gemiddelde van de verschillende onderdelen van de GPR-score.
Op het gebied van energie is sprake van duurzame ontwikkeling als voldaan wordt aan de volgende eisen:
•Gebouwen/woningen zijn energieneutraal (nul-op-de-meter) en/of gebouwen/woningen hebben een GPR-score van (afgerond) een 8 of hoger (op basis van het gemiddelde van de verschillende onderdelen van de GPR-score) op basis van versie 4.3.1 of 4.4 of een latere versie, en het geldende bouwbesluit ten tijde van indiening van de omgevingsvergunning. Bij het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning moet een door een erkende GPR Gebouw Expert of Assessor gecontroleerde en gevalideerde GPR Gebouw-berekening van het betreffende te realiseren gebouw gevoegd worden.
3.2.2 Circulariteit
Voor circulariteit staat een aanpak centraal die uitgaat van de levensduurbenadering. Bekeken over de totale levensduur van bijvoorbeeld een woning is de CO2-footprint laag. Het gaat dan om de mogelijkheden om gebouwen aan te passen aan toekomstige wensen en/of het hergebruik van materialen. Elk type gebouw of object heeft een eigen levensduur en eigenaar. Daarom zijn er verschillende keuzes te maken en accenten te leggen. Er is voldoende ruimte voor nieuwe oplossingsrichtinge, inzichten en innovatie zodat deze ontwikkeling direct door kunnen werken in de ontwikkeling van Wilderszijde.
Op het gebied van circulariteit is sprake van duurzame ontwikkeling als voldaan wordt aan de volgende eisen:
•Alle gebouwen hebben een lage CO2-footprint. Stuur – behalve bij Nul-op-de-meter-woningen – met GPR-gebouw op een score van (afgerond) 8 of hoger op basis van het gemiddelde van de verschillende onderdelen van de GPR-score.
•Bruggen zijn circulair ontworpen en aan het eind van de levensduur demontabel.
4 Beleidsregel Natuurinclusief bouwen in Wilderszijde
4.2 Inhoud van deze beleidsregel
4.2.1 Openbaar terrein
De maatregelen voor het openbaar terrein zijn vastgelegd in de DIOR en de beleidsregels duurzaamheid. Ontwikkelaars en gemeente zijn gehouden aan uitvoering van de daarin opgenomen maatregelen.
4.2.2 Het ecologisch plan
Een substantieel deel van de ruimte in bebouwd gebied wordt ingenomen door privéterrein (gebouw en bijbehorende grond). Met relatief simpele en goedkope ingrepen kunnen gebouwen een functie krijgen in het ecosysteem van de wijk. Hoe eerder voorzieningen bij de bouw geïntegreerd worden hoe efficiënter en goedkoper het is.
Per bouwveld en/of bouwblok, wordt door/in opdracht van de initiatiefnemer een ecologisch plan opgesteld. In dat plan wordt aangegeven welke specifieke kansen op ecologisch terrein aanwezig zijn en welke maatregelen uit het maatregelenpakket worden gerealiseerd. Daarbij wordt uitgegaan van in ieder geval de volgende icoonsoorten:
•Zoogdieren: egel, rosse vleermuis, konijn;
•Vogels: kleine zwaan, purperreiger, zwarte stern, steenuil, gierzwaluw, huismus, merel, blauwborst, boomklever;
•Insecten: vlinders, libellen, bijen;
•Planten: rietorchis.
Voor deze soorten worden maatregelen genomen in het ontwerp van de gebouwen en privéterreinen. Daarbij wordt ook de samenhang tussen soorten meegenomen, waardoor zich volledige voedselketens kunnen vormen. Het plan sluit aan bij het landschappelijk en stedenbouwkundig plan en bij de structuur van het plangebied.
In dat plan worden in ieder geval de volgende uitgangspunten uitgewerkt:
•Het plan bevat stimuleringsmaatregelen voor plant- en diersoorten;
•Het plan bevat stimuleringsmaatregelen die gericht zijn op meerdere in deze regeling opgenomen icoonsoorten, waaronder minimaal 2 zoogdieren, 2 vogels en 2 insecten. De maatregelen en icoonsoorten zijn zodanig gekozen dat ook andere soorten beter gedijen. Het plan motiveert waarom voor deze icoonsoorten en maatregelen is gekozen;
•In het plan wordt aangegeven hoe: a. per vrijstaande woning, rij woningen of appartementengebouw minimaal 7 maatregelen uit het maatregelenpakket worden genomen, dan wel b. het equivalent daarvan met maatregelen binnen het bouwveld/bouwplan en buiten het openbare gebied wordt bereikt.
•Aangegeven dient te worden welke maatregelen worden getroffen en hoe deze samenhangen met de natuurwaarden in de omgeving;
•Belangrijk is de samenhang tussen verblijfplaats, fourageerplaats, migratie en daarmee tevens de samenhang met andere soorten (planten en dieren) in de voedselketen;
•Belangrijk is ook de zichtbaarheid van de maatregelen en het effect daarvan op het natuurbewustzijn, c.q. de acceptatie door de toekomstige bewoners van het gebied, tenzij die zichtbaarheid het effect van de maatregel in belangrijke mate belemmert;
•De maatregelen worden getroffen op het privéterrein en in, aan of op de privébouwwerken (mandelig terrein inbegrepen), waarbij ten behoeve van een optimale inzet van deze maatregelen ook een voorstel mag worden gedaan om de openbare ruimte hierbij te betrekken;
Het plan wordt opgesteld door of namens de ontwikkelende partij/aanvrager van de omgevingsvergunning en wordt door de gemeente beoordeeld.
4.2.3 Het maatregelenpakket
In het ecologisch plan dient te worden aangegeven welke maatregelen uit het maatregelenpakket worden toegepast.
•Elke maatregel geldt per samenstel van woningen (aaneengebouwde woningen met bijgebouwen; hierna: "rij woningen") of per appartementengebouw, tenzij anders aangegeven. Een rij woningen kan bestaan uit één of meerdere woningen. Een vrijstaande woning voldoet daarmee aan dezelfde eisen als een "rij woningen";
•Binnen een plan mag worden gevarieerd in welke maatregelen worden toegepast, bij gebouw A kunnen dat (deels) andere maatregelen zijn dan bij gebouw B, mits het aantal van 7 per vrijstaande woning, rij woningen of appartementengebouw wordt gehaald.
Maatregel
Rijwoningen
Appartementen-
gebouw
1
Nestplaatsen voor vleermuizen, zoals (ingebouwde) nestkasten, tussenspouw, e.a.. De maatregel voorziet in een goede leefomgeving van deze soorten;
++
++
2
(In- of aangebouwde) nestkasten voor: gierzwaluwen (koloniebroeders), huismussen en/of koolmezen. De maatregel voorziet in een goede leefomgeving voor deze soorten. Dit kunnen bijvoorbeeld ook nestpannen zijn of nokopeningen.
++
++
3
Groen- of sedumdak met een diverse beplanting. Een groen dak draagt bij aan de verhoging van de verscheidenheid van plant- en diersoorten. Sedum voorziet met nectar en stuifmeel in de voedselvoorziening voor nuttige insecten als bijen en vlinder;
+
+
4
Tenminste 30% van het totale dakoppervlak (incl. bijbehorende bouwwerken) is groen;
+
+
5
Tenminste 60% van het totale dakoppervlak (incl. bijbehorende bouwwerken) is groen;
0
0
6
Tenminste 90% van het totale dakoppervlak (incl. bijbehorende bouwwerken) is groen;
0
0
7
Gebouwde of mee-ontworpen voorzienig voor groen aan de gevel, op het balkon/buitenruimte per appartement. Elke wooneenheid heeft een “eigen” deel;
Nvt
+
8
Groen ontwerpen gevel. Het handelt hier niet om “individueel groen”, maar een collectieve voorziening;
+
+
9
Groen erfafscheidingen aan de straatzijde (zie BKP)
++
++
10
Aan de straatzijde: stapelmuurtjers of muurtjes van (oude) stenen voor plantjes, insecten (en mogelijk een hagedis)
++
++
11
i.d. in het achterfgebied
++
++
12
Voorzieningen voor bestuivende insecten (b.v. insectenhotel, bloeiende boom of struik in de haag) in voortuin;
++
++
13
i.d. in het achtererfgebied;
++
++
14
Voorzieningen t.b.v. een doorgang in (evt. later door bewoners te plaatsen) erfafscheidingen voor de egel. Bij deze voorziening is het van belang dat een route van minimaal 50 m ontstaat;
++
0
15
Regenwater van de gebouwen wordt opgevangen in een voorziening (bijv. regenton, put of dak) ten behoeve van de natuur (bijv. voor irrigatie van de tuin, waterbiotoop);
++
+
16
Voortuin heeft minimaal 80 cm teeltaarde, bodemkwaliteit is geschikt voor een (moes)tuin;
+
+
17
Achter- en zijtuin heeft minimaal 80 cm teeltaarde, bodemkwaliteit is geschikt voor een moestuin;
+
Nvt
18
Gevel- en tuinverlichting met natuurvriendelijke verlichting (kleur/sterkte passend bij andere maatregelen);
++
++
19
Binnen 3 maanden na sleuteloverdracht van een grondgebonden appartement of woning kan de nieuwe gebruiker deelnemen aan een workshop over natuurlijke tuininrichting;
++
+
20
De eerste bewoner ontvangt een cheque voor een plaatselijk tuincentrum van € 375,- te besteden aan bomen of struiken op eigen terrein;
++
+
21
De eerste bewoner ontvangt een cheque voor een plaatselijk tuincentrum van C 375, te besteden aan bomen of struiken. In overleg met de gemeente wordt bepaald waar zij deze bomen of struiken kunnen poten (bijv. gemeenschappelijke tuin, bij entree);
Nvt
++
22
Glasmarkering/ontspiegeld glas om het aantal raamslachtoffers terug te brengen met 80%;
++
++
23
Schelpendak als broedplaats voor vogels;
++
++
24
Wormenhotel en/of compostbak voor grondgebonden woningen. Dit stimuleert het bewustzijn van bewoners om te recyclen
++
Nvt
Overige maatregelen: Hieronder kunnen alternatieve maatregelen worden ingevuld, ter vervanging van bovenstaande punten. Gemotiveerd dient te worden aangegeven voor welke maatregel dit als redelijk alternatief geldt. Dit ter beoordeling van de gemeenten.
++ = zeer goed toepasbaar
+ = toepasbaar
o = moeilijk toepasbaar
nvt = kan niet worden gebruikt
De maatregelen zijn soms eenvoudig te combineren. Wanneer bijvoorbeeld 65% van de daken van en behorend bij een woning wordt uitgevoerd als sedumdak, wordt voldaan aan de punten 3, 4 en 5 (3 van de 7 te realiseren maatregelen).