Bijlage 1. Richtlijnen Constructieve Veiligheid
Hoofdstuk 1. Definities
Object: Tent, tribune, podium of elke andere constructie van enige omvang die met het oog op het in georganiseerd verband gebruik van een plaats naar die plaats is gebracht of ter plaatse is geconstrueerd en uiterlijk na drie maanden van die plaats wordt verwijderd.
Plaats: Een ruimtelijk begrensde oppervlakte, bestaande uit ten minste een gebied of object of een samenstelling daarvan.
Constructie: Een systematisch samenstel van met elkaar verbonden constructieve elementen, ontworpen om belasting te dragen en voldoende stijfheid te verschaffen.
Constructief element: Een fysisch goed te onderscheiden deel van een constructie, bijv. een kolom, een balk/ligger, een plaat, een funderingspaal.
Vergunninghouder: De rechtspersoon of natuurlijke persoon op wiens naam de vergunning gesteld is en die op basis daarvan bevoegd is handelend op te treden in het kader van het vergunde evenement.
Windkracht: Windkracht is de kracht die de wind uitoefent, uitgedrukt in eenheden volgens de schaal van Beaufort (Bft), een schaal van 0 tot 12.
Toelichting
De schaal van Beaufort geeft een directe relatie tussen de windkracht en de windsnelheid. De hierin genoemde windsnelheid is gelijk aan de fundamentele waarde van de basiswindsnelheid, zoals die in NEN-EN 1991-1-4 genoemd is. Ter informatie is de betreffende Beaufortschaal hieronder opgenomen.
Fundamentele waarde van de basiswindsnelheid (V b,0): De karakteristieke 10 minuten gemiddelde windsnelheid met een jaarlijkse overschrijdingskans van 0,02, op een hoogte van 10 m boven vlak en open terrein, onafhankelijk van de windrichting en tijd in het jaar, uitgedrukt in m/sec.
Basiswindsnelheid (V b): De fundamentele basiswindsnelheid, aangepast met factoren voor windrichting (c dir) en seizoen (c season), uitgedrukt in m/sec. (N.B. voor Nederland is V b = V b,0)
Gemiddelde windsnelheid op een hoogte z boven het terrein (V m (z)): De basiswindsnelheid, aangepast met factoren voor terreinruwheid (c r (z)) en orografie (c o (z)), uitgedrukt in m/sec.
Beheersmaatregel: Een duidelijk omschreven actie, te ondernemen door de vergunninghouder, die er op gericht is veiligheidsmaatregelen te nemen ten aanzien van publiek, personeel en artiesten ingeval de feitelijke omstandigheden (bijv. weersomstan¬dig¬-heden) ongunstiger zijn of gaan worden dan die tijdens de voorbereidingen of het ontwerp van objecten voorzien waren.
Extreme stuwdruk q p(z): De karakteristieke waarde voor de op objecten uitgeoefende horizontale belasting als gevolg van wind op een hoogte z, uitgedrukt in kN/m2. De waarde van de extreme stuwdruk is afhankelijk van:
-de gemiddelde windsnelheid V m(z);
-de dichtheid van lucht ;
-de turbulentie-intensiteit I v(z);
-de invloed van pieken in de windsnelheid (de invloed van deze pieksnelheden is verwerkt in de factor “7” in formule 4.8).
Toelichting
De rekenwaarde voor de windbelasting op een object wordt uitgedrukt in de “extreme waarde voor de stuwdruk” op de locatie van het object. Deze waarde wordt berekend met NEN-EN 1991-1-4, formule 4.8. Turbulentie, windvlagen en piekwaarden van de windsnelheid zijn verwerkt in de component (1+7*I v(z)) in deze formule. Deze component verandert niet bij een wijziging van de basiswindsnelheid. De extreme waarde van de stuwdruk is dus direct evenredig met het kwadraat van de windsnelheid. Op deze wijze kan de toelaatbare stuwdruk op een object teruggerekend worden naar een toelaatbare basiswindsnelheid. (zie ook de toelichting hoofdstuk 4 onder 6). Wordt de tijdens het evenement gemeten windsnelheid hoger dan deze toelaatbare windsnelheid, dan moeten beheersmaatregelen genomen worden. (zie ook de toelichting hoofdstuk 2 onder 7).
Hoofdstuk 2. Algemene voorwaarden ten aanzien van te plaatsen objecten/constructies
1Voor constructieve verantwoording van objecten KAN de vergunninghouder worden gevraagd aannemelijk te (laten) maken dat de constructieve veiligheid van op te richten of te plaatsen objecten is gewaarborgd.
2Van objecten, waarbij de constructieve veiligheid niet relevant is en waarbij geen risico’s van persoonlijk letsel bij falen te verwachten is, hoeft geen constructieve verantwoording te worden afgelegd, e.e.a. in overleg met de vergunningverlener.
Toelichting Bij objecten waarbij de constructieve veiligheid in ieder geval niet relevant is kan o.a. gedacht worden aan: Partytent t.b.v. straatfeest; Springkussens, waterbakken e.d.; Marktkraampjes; Podia waarvan de hoogte maximaal ca. 1 meter is, die een beperkte oppervlakte hebben en waarbij geen overkapping aanwezig is; Tenten met een vloeroppervlakte kleiner dan 50 m2.
3De vergunninghouder benadert de vergunningverlener proactief ten aanzien van het aanleveren van de juiste gegevens en documenten en voor het maken van een afspraak voor inspectie.
4De constructieve verantwoording dient om aannemelijk te maken, dat objecten veilig gebruikt worden. Deze verantwoording kan daarom voor standaard en meermalig in ongewijzigde vorm te plaatsen objecten bestaan uit het overleggen van bijvoorbeeld een productcertificaat, zoals een TUV-keur of een gelijkwaardig document, mits dit document dekkend is ten aanzien van de in deze richtlijn gestelde constructieve eisen.
5De vergunninghouder is te allen tijde eindverantwoordelijk voor de veilige plaatsing en het veilige gebruik van objecten.
6Opbouw en gebruik worden conform de productattesten van de leverancier en/of fabrikant of volgens specifieke object-normen (zie H. 5 Normen en richtlijnen) uitgevoerd.
7Beheersmaatregelen zijn beschreven, die voorzien in de situatie dat de belastingen ongunstiger worden dan de waarden waarop de objecten zijn berekend. Deze beheersmaatregelen kunnen onderdeel zijn van een veiligheidsplan en/of ontruimingsplan. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van deze beheersmaatregelen. In deze beheersmaatregelen wordt ten minste aangegeven tot welke weersomstandigheden het object kan worden gebruikt, het moment waarbij het object buiten gebruik moet worden gesteld en de veiligheidsmaatregelen die de vergunninghouder dan moet (laten) treffen.
Toelichting
De beheersmaatregelen die van toepassing zijn bij het te plaatsen object dienen bij de gebruikers (c.q. de vergunninghouder van het evenement) en de controlerende instantie bekend te zijn. Gezien het feit dat bij de aanvraag voor een evenementenvergunning bij de vergunninghouder (aanvrager) nog niet altijd definitief bekend is welke leverancier van bijvoorbeeld tenten en podia gekozen wordt, is het vaak niet mogelijk om de beheersmaatregelen al op te nemen in het veiligheidsplan of ontruimingsplan dat ingediend moet worden bij de aanvraag. Om die reden worden de beheersmaatregelen beschouwd als later aan te leveren supplement van het veiligheidsplan c.q. ontruimingsplan.
8De vergunninghouder van het evenement is verplicht zich vooraf en tijdens het evenement op de hoogte te stellen van de voorspelde weersomstandigheden voor het evenement. Bij voorspellingen die ongunstiger zijn dan de waarde waarop de objecten berekend zijn, moeten de onder punt 7. omschreven beheersmaatregelen uitgevoerd worden, waarbij de nadruk moet liggen op het in veiligheid brengen van de aanwezige mensen (zie ook H. 4 onder 8 en 9).
9De constructieve verantwoording wordt ten minste 3 weken voor aanvang van het evenement ter beoordeling voorgelegd aan de vergunningverlener.
Toelichting
De constructieve verantwoording van een object kan als aanvullende voorwaarde worden opgenomen in de vergunning voor het desbetreffende evenement. Omdat bij aanvraag voor een evenementenvergunning vaak nog niet alle partijen die betrokken zijn (of worden) bij het evenement bekend zijn, kan de constructieve verantwoording als voorwaarde in de vergunning worden opgenomen en dus na verlening van de vergunning worden aangeleverd. Het staat de vergunninghouder (aanvrager) uiteraard vrij alle verantwoordingen bij aanvraag van de vergunning mee in te dienen. In de vergunning wordt dan bepaald dat gegevens en bescheiden op basis waarvan de constructieve beoordeling kan plaatsvinden, uiterlijk drie weken voor de start van de opbouw van het object worden overlegd.
10Het toezicht op de veiligheid van kermisattracties (attractietoestellen) valt onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit (NVWA). Hiervoor wordt kortheidshalve verwezen naar de website van de NVWA.
Hoofdstuk 3 - In te dienen constructieve gegevens
Indien de vergunningverlener of de evenementencoördinator twijfels heeft over de constructieve veiligheid kan aan de vergunninghouder worden gevraagd om constructieve gegevens. De volgende gegevens worden dan ingediend.
Algemeen:
1De naam en adresgegevens van de vergunninghouder;
2De naam van het evenement;
3De naam en het (mobiele) telefoonnummer van de contactpersoon tijdens op- en afbouw en tijdens de duur van het evenement;
4Inhoudelijke omschrijving van het evenement;
5De locatie van het evenement;
6De datum en tijden van het evenement;
7De op- en afbouwtijden van het evenement.
Bovenstaande gegevens voor zover nog niet elders vermeld in de vergunningaanvraag.
Specifieke gegevens:
1Situatietekening (min. 1:500), met daarop aangegeven:
a.Alle te plaatsen objecten;
b.1e lijns bebouwing rondom het evenemententerrein;
c.Begrenzing publieksgedeelte;
d.Legenda, waarin de getekende objecten worden omschreven;
e.Noordpijl en schaalaanduiding.
2Tekening met daarop plattegrond(en), aanzichten en eventueel doorsneden en details van alle te plaatsen objecten, e.e.a. op een goed leesbare schaal. De constructieve tekeningen moeten een volledig en actueel beeld geven van de te maken constructies met eventueel een tekstuele toelichting. De maatvoering en de te gebruiken materialen en profielen moeten zijn aangegeven. De uitvoering van de tekeningen moet voldoen aan NEN 47, NEN 2302 en/of NEN 3870.
3Productattest van de standaard en/of meermalig te plaatsen objecten.
4Statische berekeningen, waarin ten minste opgenomen zijn en die ten minste voldoen aan:
a.Berekeningen van de constructie van de te plaatsen objecten;
b.De constructieschematisering, -geometrie, materiaaleigenschappen, profielafmetingen en de eigenschappen van de ondersteuningen moeten in de berekening zijn weergegeven en gemotiveerd;
c.Belastingen en belastingcombinaties moeten volledig uitgewerkt worden gepresenteerd;
d.De toegepaste waarde voor de windsnelheid dient expliciet vermeld te zijn;
e.De maatgevende berekeningsresultaten moeten duidelijk worden gepresenteerd;
f.Bij vervolgberekeningen of wijzigingen moet herkenbaar naar eerdere resultaten worden verwezen;
g.Computerberekeningen moeten minimaal voldoen aan het bovenstaande; verder moeten in- en uitvoer duidelijk worden gepresenteerd;
h.EEM-berekeningen moeten voldoen aan de voorwaarden, zoals opgenomen in het document “Uitwerking indieningsvereisten EEM-berekeningen” (april 2011);
i.De constructieve berekeningen moeten een volledige verantwoording geven van de te maken constructies.
5Een beschrijving van de beheersmaatregelen eventueel opgenomen in bijv. een veiligheidsplan of een ontruimingsplan.
6Alle bescheiden zijn bij voorkeur in het Nederlands opgesteld en zijn voorzien van de hierboven onder "Algemeen" genoemde gegevens.
7Wanneer documenten (van bijv. standaard objecten of productspecifieke keurmerken) toch in één der andere moderne talen zijn opgesteld (bijv. Engels of Duits) dan wordt een korte Nederlandse toelichting of samenvatting van de belangrijkste punten bij gevoegd.
8Er is een duidelijke samenhang tussen alle berekeningen en tekeningen van een object.
Hoofdstuk 4. Constructieve prestatie-eisen en randvoorwaarden voor objecten
1Bij elk object (behoudens objecten zoals bedoeld onder 2 bij de Algemene Voorwaarden) zijn de standzekerheid en (kantel)-stabiliteit gewaarborgd. Hierbij wordt een veiligheidsniveau aangehouden, conform de normen omschreven onder Normen en Richtlijnen. Op basis van Eurocode NEN-EN 1990 wordt als veiligheidsniveau ten minste gevolgklasse CC2 aangehouden.
Toelichting
In dit artikel zijn algemene randvoorwaarden gesteld aan het totale veiligheidsniveau, dat een object moet bezitten. Hiervoor worden de Eurocodes en een aantal object-specifieke normen genoemd. Bij eventuele strijdigheid tussen Eurocode-normen en object-normen wordt een verantwoorde afweging gemaakt t.a.v. het veiligheidsniveau. Wanneer tijdens het evenement de omstandigheden zodanig veranderen, dat belastingen hoger worden dan de voor de berekening gekozen uitgangspunten, worden de in dit document genoemde beheersmaatregelen uitgevoerd. Dit kan met name bij windbelastingen aan de orde komen (zie ook H.2 onder 7).
2Veranderlijke belastingen mogen worden bepaald op basis van de gewenste ontwerplevensduur volgens de methoden, conform de normen omschreven in hoofdstuk 5 Normen en richtlijnen.
3Voor gebruiksbelastingen (vloerbelastingen) wordt ten minste uitgegaan van gelijkmatig verdeelde belastingen en puntlasten, conform de normen omschreven in hoofdstuk 5 Normen en richtlijnen.
4Bij vloeren, waarop veel publiek gelijktijdig aanwezig kan zijn, wordt een deel van de gebruiksbelasting horizontaal op de constructie in rekening gebracht, conform de normen omschreven in H. 5 Normen en richtlijnen.
5Voor de in rekening te brengen windbelasting wordt uitgegaan van de in NEN-EN 1991-1-4 beschreven systematiek. Op basis van de tijdelijkheid van het evenement en evt. gunstige weersvoorspellingen mag een lagere windsnelheid en dus een lagere extreme stuwdrukwaarde worden aangenomen dan aangegeven in NEN-EN 1991-1-4, art. 4.5.
Toelichting
De basiswindsnelheden, zoals gegeven in NEN-EN 1991-1-4, art. 4.2, zijn gebaseerd op een ontwerplevensduur van 50 jaar. Wanneer een kortere ontwerplevensduur wordt aangenomen, mag deze waarde voor de basiswindsnelheid zijn verlaagd. In NEN-EN 1991-1-4 is hiervoor de factor C prob aangegeven. Gebruik van deze factor bij een zeer lage ontwerplevensduur (bij evenementen in het kader van deze richtlijn minder dan 3 maanden) leidt het gebruik van deze factor tot niet realistische windsnelheden. Daarom wordt aanbevolen voor het ontwerp van objecten realistische windsnelheden te kiezen en daar de beheersmaatregelen, zoals genoemd in hoofdstuk 2 onder 7, op af te stemmen. Voor de keuze van een ontwerp-windsnelheid kan indicatief gebruik gemaakt worden van de KNMI-tabellen, zoals opgenomen onder bijlage 1.
6De voor de berekening van objecten aangenomen windsnelheid wordt expliciet vermeld in duidelijke relatie tot de beheersmaatregelen.
Toelichting
Het KNMI heeft meetresultaten beschikbaar van de frequentie van opgetreden windsnelheden over de jaren 1970 – 2000, gemeten op 28 meetpunten, verspreid door Nederland. Om te komen tot een verantwoorde aanname van de windsnelheid is ter informatie van KNMImetingen in bijlage 1 een 5-tal resultaattabellen toegevoegd. (Bron: http://www.knmi.nl/samenw/hydra/cgi-bin/freqtab.cgi ). Er mag dus een verlaagde windsnelheid, en dus een verlaagde extreme stuwdruk aangenomen worden voor het ontwerp van het object. In de beheersmaatregelen dienen deze lagere ontwerpuitgangspunten en de te nemen maatregelen bij overschrijding van de gekozen waarden te zijn opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn bij het gebruik van bestaande objecten, die ooit op een lagere windbelasting zijn ontworpen. De toen gebruikte ontwerpbelastingen kunnen teruggerekend worden naar een basiswindsnelheid conform NEN-EN 1991-1-4, waar in het kader van de beheersmaatregelen op gemonitord moet worden (zie ook de toelichtingen onder hoofdstuk 1 onder de definities Windkracht en Extreme stuwdruk q p(z))
7In geval van binnen-evenementen wordt eveneens rekening gehouden met windbelastingen, e.e.a. gerelateerd aan de aanwezigheid van grote openingen.
8Indien de voor het evenement voorspelde windkracht groter is dan de hieraan gerelateerde stuwdrukwaarden waarop de objecten berekend zijn, worden de hierbij omschreven beheersmaatregelen uitgevoerd (zie ook H. 2 onder 7). De vergunninghouder is hiervoor verantwoordelijk.
9De vergunninghouder houdt zich tijdens het evenement op de hoogte (door actief te communiceren met het weerstation, dat de meest actuele lokale weersvoorspellingen kan leveren) of de weersomstandigheden (wind, regen, sneeuw) binnen de voor het ontwerp aangenomen grenzen blijven. Wanneer dit niet meer het geval is worden de omschreven beheersmaatregelen uitgevoerd, conform H. 2 onder 7 en 8.
Toelichting
Tijdens het evenement kan de windsnelheid “in het veld” gemeten worden. De windsnelheid die “in het veld” gemeten wordt kan direct gerelateerd worden aan de gemiddelde windsnelheid V m (zie hoofdstuk 1 voor de definitie), die onderdeel van de uitgangspunten voor het ontwerp was. In de waarde V m zijn terreinruwheids- en orografische factoren verwerkt, die ook onderdeel zijn van de gemeten waarden in het terrein.
Wanneer tijdens het evenement een stijging van de windsnelheid gemeten wordt, moet deze stijging in relatie gebracht worden met de weersvoorspellingen van een weerstation. Op basis van de gemeten stijging van de windsnelheid, in combinatie met een voorspelling van hogere windsnelheden tijdens de loop van het evenement, zal moeten worden bekeken of de windsnelheid uit gaat komen boven de ontwerp-windsnelheid. Is dit het geval dan moeten beheersmaatregelen getroffen worden.
Het KNMI geeft aan dat bij windmetingen (de 10-minuten-gemiddelde waarde, zoals opgenomen in diverse app’s) rekening gehouden moet worden met windstoten (pieken) in de orde van grootte van 1,5 – 2,0 x de gemeten waarden. In de berekening van de extreme stuwdruk q p is rekening gehouden met een piekfactor van 3,5 (deze waarde is opgenomen in de factor “7” in NEN-EN 1991-1-4, formule 4.8). In de vergelijking tussen de “in het veld” gemeten waarde voor de windsnelheid en de ontwerpwaarde voor q p zit dus altijd een veilige marge.
10Bij de stabiliteitsbeschouwing op basis van windbelastingen wordt ook rekening gehouden met een onvoorziene (maar reële) scheefstand.
Toelichting
Als onvoorziene scheefstand moet ook beschouwd zijn het scheef gaan hangen van hangende objecten (bijv. trusses of beeldschermen) als gevolg van windbelasting. Vooral dynamische effecten kunnen daarbij van maatgevende invloed worden. Het verdient daarom aanbeveling hangende objecten altijd af te schoren.
11De standzekerheid en stabiliteit kunnen worden gewaarborgd door het object te voorzien van stabiliteitsverbanden (windverbanden) en/of het object af te schoren met spanbanden naar ankerpennen of ballastblokken. Er kan ook gebruik worden gemaakt van momentvaste verbindingen.
12Bij optredende gronddrukken boven een lokaal bepaalde grenswaarde wordt de draagkracht van het funderingselement d.m.v. grondonderzoek + berekening aangetoond. Als grenswaarde (ondergrens) zal in veel gevallen een waarde van ca. 30 – 80 kN/m2 moeten worden aangenomen, afhankelijk van de plaatselijke grondgesteldheid. Blijven de optredende gronddrukken beneden deze ondergrens, dan hoeft geen aparte verantwoording van de gronddraagkracht te worden gegeven.
Toelichting
De meeste objecten die worden toegepast bij evenementen, zullen conform NEN-EN 1997-1 (Geotechnisch ontwerp) ingedeeld worden in geotechnische categorie 1 [2.1 Ontwerpeisen, (16) De procedures van geotechnische categorie 1 ….], met rekenwaarden voor funderingsstroken van ten hoogste 100 kN/m en voor platen en poeren van ten hoogste 250 kN. Hierdoor kan het geotechnisch onderzoek, conform artikel 3.2 van deze norm, bestaan uit het inspecteren van de gesteldheid van de bovenste lagen van de bodem en de grondwaterstand. Er moet hierbij gerefereerd worden aan plaatselijke ervaring en algemene kennis van de grondcondities in het gebied. De maximaal toelaatbare gronddrukken, die bij bovengenoemde uitgangspunten gehanteerd mogen worden, zijn zeer afhankelijk van de lokale grondgesteldheid en zullen per evenement bepaald moeten worden.
13Het is zonder uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar van het betreffende terrein niet toegestaan om verankeringen aan te brengen in vloeren of bestrating. Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van bijv. ballastblokken of watertanks.
14Voor het afschoren van de objecten wordt geen gebruik gemaakt van straatmeubilair, bomen, struiken of andere aanwezige attributen, die geen onderdeel uitmaken van bijbehorende onderdelen van het object, zonder een rekentechnische verantwoording en toestemming van de betreffende eigenaar.
15Borgingen (borgpennen, splitpennen, wiggen, etc.) in de constructie van het object nemen de benodigde krachten op en kunnen niet door onbevoegden op eenvoudige wijze worden verwijderd.
16Bij bevestiging of borging van een object aan een bestaand gebouw of bouwwerk mag dit bouwwerk niet worden beschadigd of ontzet. De eigenaar van het betreffende gebouw of bouwwerk verleend expliciet toestemming voor deze bevestiging of borging en er wordt een rekentechnische verantwoording opgesteld.
17Van elk object staan de voor publiek toegankelijke vloeroppervlakten vlak en waterpas, behalve hellingbanen en andere specifiek hellend ontworpen oppervlakten. Onderstoppingen/uitvullingen zijn strak en stabiel aangebracht, zodat ze niet kunnen afschuiven of kantelen. De ondergrond is voldoende draagkrachtig en zettingen veroorzaken geen aantasting van de constructieve veiligheid. De plaatsing is ook zodanig, dat geen schade wordt toegebracht aan riolering of kabels en leidingen.
18Op de grens van een hoogteverschil (vloerrand) groter of gelijk aan 1,5 m is een vloerafscheiding (leuning) met een hoogte van min. 1,0 m aanwezig, die voldoet aan de onder punt 20 t/m 24 omschreven voorwaarden. Bij een podium, waar alleen de uitvoerende artiesten aanwezig zullen zijn, hoeft geen vloerafscheiding aanwezig te zijn.
19Op vloerafscheidingen, zoals omschreven onder punt 18, van voor publiek toegankelijke vloeren wordt een horizontale belasting gerekend conform Eurocode NEN-EN 1991-1-1, bijlage NB.A. of NEN-EN 13200-6:2012, art. 5.6.
20De toegepaste materialen zijn van een professionele en degelijke kwaliteit. Het genoemde productattest is een middel om dit aan te tonen.
21Van elk object (behoudens objecten, zoals bedoeld onder HS. 2, lid 2) heeft de vergunninghouder een productattest of berekening voorhanden, dat op verzoek van de vergunningverlener/toezichthouder direct kan worden overlegd. In dit attest of deze berekening staat ten minste hoe het object is opgebouwd, welke belastingen het object kan hebben, het gebruiksdoel van het object en tot welke windkracht het gebruik kan worden toegestaan.
Hoofdstuk 5. Normen en richtlijnen
-NEN-EN 1990 Eurocode 0 – Grondslagen van het constructief ontwerp;
-NEN-EN 1991-1-1 Eurocode 1: Belastingen op constructies – Deel 1-1: Algemene belastingen – Volumieke gewichten, eigengewicht en opgelegde belastingen voor gebouwen;
-EN-EN 1991-1-3 Eurocode 1: Belastingen op constructies – Deel 1-3: Algemene belastingen – Sneeuwbelasting;
-EN-EN 1991-1-4 Eurocode 1: Belastingen op constructies – Deel 1-4: Algemene belastingen – Windbelasting;
-NEN-EN 1993 of NEN-EN 1999, indien de constructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen;
-NEN-EN 1992 of NEN-EN 1996, indien de constructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen;
-NEN-EN 1994, indien de constructie is vervaardigd van staal-beton als bedoeld in die norm;
-NEN-EN 1995, indien de constructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm;
-NEN-EN 1997 en/of NEN 9997-1: Geotechnisch ontwerp – deel 1: Algemene regels;
-NEN 2608, indien de constructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm;
-Uitwerking indieningsvereisten EEM-berekeningen (COBc, april 2011);
-NEN-EN 12811 deel 1+2: Steigers;
-NEN-EN 13200 deel 1 t/m 7: Toeschouwersaccommodaties;
-NEN-EN 13782 (en): Temporary structures – Tents – Safety;
-NEN-EN 13814 (en): Fairground and amusement park machinery and structures – Safety;
-NEN 8020-41: (Brand)veiligheid van tenten;
-NPR 8020-50: Evenementen – Podiumconstructies - Verantwoordelijkheden;
-PR 8020-51: Evenementen – Podiumconstructies – Belastingen en constructieve uitgangspunten.
Bijlage. KNMI frequentie-tabellen windsnelheden
Overzichtskaart windsnelheden:
-gemiddeld jaarlijks
-maximaal maandgemiddelde > januari
-minimaal maandgemiddelde > augustus>
Overzicht van waarnemingsstations. Van de omkaderde locaties zijn hierachter de frequentietabellen opgenomen.